Mogelijkheden tot herbestemming van oude industriële sites binnen ‘duurzaam toerisme’ in België. Case study: De Carcoke-site te Zeebrugge. (Dirk De Ville)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

HOOFDSTUK 3. Alternatief toerisme – Duurzaam toerisme

 

1.   Inleiding.

 

Als gevolg van de sterke groei van het toerisme sedert de jaren ’50 komt er een steeds grotere druk, en aldus een negatieve impact, te liggen op de bestemmingsgebieden. Dit is zeker het geval voor het toerisme langs kustgebieden of in het gebergte, die van nature uit een kwetsbare omgeving vormen. Sedert het begin van de jaren ’80 ontstond er een bewustzijn voor het schadelijke effect van het massatoerisme op belangrijke en kwetsbare milieuomgevingen. Dit leidde tot een meer ‘zachte’ vorm van toerisme waarbij de nadruk vooral ligt op een minimalisering van de kosten/nadelen op vlak van natuur (ook op sociaal, cultureel en economisch vlak) en op een maximalisering van de voordelen. Deze nieuwe vormen van toerisme kregen vaak verschillende namen - groen toerisme, ecotoerisme, duurzaam toerisme, … -, maar kunnen allemaal geplaatst worden onder de noemer van alternatief toerisme. Aldus kunnen onder het alternatief toerisme alle vormen van toerisme verstaan worden die een aanpak kennen die tegenovergesteld is aan deze van het massatoerisme. Meer bepaald bij de planning en de ontwikkeling moet er eerst nagedacht worden over de mogelijke gevolgen van het toerisme op de natuurlijke en culturele bronnen, in plaats van er nadien mee geconfronteerd te worden (France 1999).

 

Tijdens de jaren ’70 en vooral het begin van de jaren ’80 ontstonden in de ontwikkelingslanden een aantal projecten die tot doel hadden ‘nieuwe’ vormen van toerisme te promoten. Deze projecten werden gekenmerkt door kleinschaligheid en door een hoge participatiegraad van de lokale bevolking. Accommodatiemogelijkheden bij de inheemse bevolking zorgden er niet enkel voor dat de lokale bevolking meer bij het toerisme betrokken geraakte, maar het bood ook een meer authentieke en zinvolle ervaring voor bezoeker en toerist (Smith 1992).

 

Dernoi (1981) toont aan dat de voordelen van alternatief toerisme gevoeld zullen worden op vijf verschillende manieren:

 

Het concept ‘alternatief toerisme’ kende vooral een algemene ingang binnen de ontwikkelingslanden, terwijl er in Europa vooral sprake was van het concept ‘soft tourism’ (ook ‘sanfter Tourismus’ genoemd). Desondanks waren er ook verdedigers van het concept ‘alternatief toerisme’ binnen Europa. Zowel binnen het ‘soft toerisme’ als binnen het 'alternatief toerisme' wordt er aandacht besteed aan de economische en sociale criteria, maar het belangrijkste kenmerk is het feit dat er zeer veel aandacht wordt besteed aan het milieu en aan ontwikkelingsbeleid ten voordele van de ecologie. Een definitie van ‘soft toerisme’ wordt gegeven door het CIPRA[13] en wordt omschreven als “een vorm van toerisme die leidt tot een wederzijds begrip tussen de lokale bevolking en hun gasten, die de culturele identiteit van die regio niet in het gedrang brengt en die streeft naar een zo goed mogelijk onderhoud en behoud van natuur en omgeving. De toeristen maken geen gebruik van de faciliteiten die het milieu schaden (Smith 1992).

 

Vooraleer dieper in te gaan op het concept van duurzaam toerisme is het interessant om eerst één van de meest gekende vormen van alternatief toerisme, namelijk ecotoerisme, in het kort te bespreken.

 

 

2.   Ecotoerisme.

 

Algemeen mag gesteld worden dat het ecotoerisme gegroeid is uit een toenemende ontevredenheid met de vroegere vormen van toerisme, waarbij zo goed als geen aandacht werd besteed aan de sociale en ecologische elementen van de buitenlandse regio's omdat men uit was op een zo groot mogelijke winst (Fennell 1999).

 

Alhoewel er geen volledige zekerheid bestaat omtrent de oorsprong van het concept ‘ecotoerisme’ - in praktijk (niet onder deze naam) werd ecotoerisme reeds toegepast vanaf het einde van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw - wordt er in de wetenschappelijke literatuur van uit  gegaan dat de oorsprong terug te vinden is tijdens het begin van de jaren ’80 (van de 20ste eeuw) met de wetenschappelijke werken van Ceballos-Lascuráin (Directeur-Generaal van het ‘Program of International Consultancy on Ecotourisme’, en adviseur van het WTO en het IUCN over ‘ecotoerisme’). Hij definieerde ecotoerisme als “het reizen naar relatief ongeschonden en niet-vervuilde natuurlijke gebieden met het specifieke doel zowel de wilde planten, de wilde dieren en het landschap te bewonderen en te bestuderen, alsook te genieten van de bestaande culturele manifestaties die in het gebied gehouden worden”. Echter meer recent werden er ook verwijzingen teruggevonden naar het concept ‘ecotoerisme’ in het werk van Hetzer (1965). Hij gebruikte die term om de relatie tussen toerist, omgeving en cultuur te verklaren (uit volgende voorwaarden blijkt wel dat zijn opvatting over ecotoerisme enigszins verschilt met de hedendaagse opvatting ® zie later Wallace & Pierce (1996)). Als basis voor deze alternatieve vorm van toerisme formuleerde hij 4 fundamentele voorwaarden die vervuld moesten worden: het moest een vorm van toerisme zijn met (1) een minimale impact op milieu, natuur en omgeving; (2) een minimale impact op, en een maximaal respect voor, de aanwezige culturen; (3) een maximaal economisch voordeel voor de lokale bevolking (‘grassroots’) en (4) een streven naar maximale tevredenheid van de toeristen (Fennell 1999).

Wallace and Pierce (1996) gingen echter uit van het feit dat het toerisme moet tegemoetkomen aan zes basisprincipes vooraleer er sprake kan zijn van ecotoerisme:

 

 

Hoewel de verschillende wetenschappers grotendeels op één lijn zitten wat betreft de voorwaarden die vervuld moeten worden vooraleer er sprake kan zijn van ecotoerisme, is er toch nog steeds grote onenigheid bij het formuleren van een algemene definitie voor ecotoerisme. Goodwin (1996: 287) definieert het ecotoerisme als "minimale impact natuurtoerisme[14] (natural resource-based tourism) dat bijdraagt tot het behoud van soorten en habitat via een financiële bijdrage tot het behoud, of door onrechtstreeks te zorgen voor voldoende inkomsten voor de lokale bevolking waardoor ze hun natuurlijk erfgoed kunnen beschermen als een bron van inkomen". Wallace & Pierce (1996: 848) daarentegen omschrijven het ecotoerisme als "het reizen naar relatief ongeschonden natuurlijke gebieden voor studie, genot of vrijwilligerswerk waarbij rekening wordt gehouden met zowel de aanwezige fauna en flora en ecosystemen, als ook met de lokale bevolking, hun culturen en hun relatie met de natuur. De natuurlijke gebieden worden gezien als 'home to all of us', en meer specifiek als 'home to nearby residents'. Ook wordt het ecotoerisme gezien als een hulpmiddel voor behoud en duurzame ontwikkeling". Eén van de meest simpele, maar daarom niet de minst bruikbare, omschrijvingen van het ecotoerisme werd gegeven door de 'Ecotourism Society' die het omschrijft als "het verantwoord reizen naar natuurlijke gebieden waarbij de nadruk ligt op de bescherming en het behoud van de omgeving en op de verbetering van de welvaart van de lokale bevolking" (Fennell 1999).

 

De gemeenschappelijke factor die in de verschillende definities naar voren treedt is het feit dat het ecotoerisme kan opgevat worden als een samensmelting van recreatie (voor de toerist), verantwoordelijkheid (vanwege de toerist (Kallen 1990)) en kennisdrang (vanwege de toerist), met als centraal element het behoud van en respect voor de natuur (maar de nadruk ligt ook gedeeltelijk op de lokale bevolking).

 

Binnen het ecotoerisme kunnen de individuen die er aan deelnemen onderverdeeld worden in een aantal groepen. Zo identificeerde Lindberg (1991: 3) vier basistypen van toeristen op basis van wat ze wensen te ervaren, wat hun reisbestemming is en hoe ze wensen te reizen (Fennell 1999). Deze zijn:

 

Jacobson (1999) besluit aldus dat er bij ecotoerisme steeds vier kenmerken aanwezig moeten zijn. Deze zijn:

 

 

Hoewel het ecotoerisme een goed alternatief is voor het traditionele (belastende) massatoerisme, moet toch de nadruk gelegd worden op het feit dat ook het ecotoerisme negatieve (en soms onomkeerbare) impacts veroorzaakt op het cultureel en natuurlijk milieu, zoals o.a. het transport van en naar een bestemming, de effecten van betreding en verstoring, de impact op de aanwezige cultuur, …

 

 

3.   Duurzaam toerisme.

 

Duurzaam toerisme is een begrip dat zich ontwikkeld heeft in de schoot van de algemene principes van duurzame ontwikkeling. Het kan, op een eenvoudige manier, omschreven worden als een ontwikkelingsproces van de toeristische industrie met respect voor de mens, het milieu, de cultuur en de economie van de gastgebieden (WES[15] 2003).

 

Vooraleer er dieper op het concept ‘duurzaam toerisme’ ingegaan zal worden, is het noodzakelijk om eerst eens terug te keren naar de oorsprong van het concept, meer bepaald naar de evolutie van het concept ‘duurzame ontwikkeling’.

 

3.1    Concept ‘Duurzame ontwikkeling’.

 

De 'Club van Rome' - een groep Europese wetenschappers die in 1968 in Rome samenkwamen om over de wereldwijde milieuvervuiling te discussiëren - zette in 1972 de eerste stappen in de richting van het begrip 'duurzame ontwikkeling' toen ze in hun rapport 'Grenzen aan de Groei' stelden dat de economische en demografische ontwikkelingen een grote druk legden op de wereldvoorraad aan grondstoffen, en dat de negatieve effecten van de economische groei (water-, lucht- en bodemvervuiling) een bedreiging vormden voor mens en natuur (WES 2003).

 

Het concept ‘duurzaamheid’ zelf kwam voor het eerst in de belangstelling door de publicatie van de World Conservation Strategy[16] (WCS) in 1980. Het hield een strategie in voor het behoud van ’s werelds natuurlijke hulpbronnen als reactie tegen de grote internationale milieuproblemen zoals ontbossing, verwoestijning, verlies van genetische diversiteit, uitsterven van plant- en diersoorten, vervuiling, … Behoud werd aldus door het WCS gedefinieerd als “the management of human use of the biosphere so that it may yield the greatest sustainable benefit to present generations while maintaining its potential to meet the needs and aspirations of future generations (Hall et al. 1998).

 

Door het WCS werden drie specifieke objectieven gedefinieerd:

 

 

Ondanks het feit dat reeds in 1980 de term ‘duurzaamheid’ werd gelanceerd en in 1981 voor het eerst werd gebruikt in het boek "Building a Sustainable Society" van Lester Brown van het Worldwatch Institute, duurde het toch nog tot in 1987 vooraleer de term algemeen door de wetenschappers werd aanvaard en gebruikt. Toen werden vanuit de Verenigde Naties, en meer bepaald vanuit de World Commission on Environment and Development (WCED), volgende begrippen gelanceerd: ‘duurzame ontwikkeling’ of ‘duurzaamheid’. Deze commissie, de Brundtlandcommissie (genoemd naar Mevr. Brundtland, voorzitster van de commissie en toenmalig premier van Noorwegen) omschreef het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als volgt: “Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoeften van de huidige generaties zonder de mogelijkheid in gevaar te brengen van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien (Hall et al. 1998). Volgens Hall et al. (1998) kunnen er vijf basisprincipes van duurzaamheid geïdentificeerd worden in het Brundtlandrapport ('Our Common Future'):

 

 

De United Nations General Assembly vroeg wel een terugrapportering na vijf jaar omtrent de vooruitgang op vlak van duurzaamheid. Deze terugrapportering is gekend als de United Nations Conference on Environment and Development[17] die werd gehouden in Rio de Janeiro in 1992. Het was de bedoeling dat er, uitgaand van het Brundtlandrapport, oplossingen werden gevonden betreffende de dringende en globale milieuproblematiek, en dat er een overeenkomst kwam op vlak van de grondbeginselen en acties voor duurzame ontwikkeling.

 

De resultaten van de Rio Conferentie waren 'Agenda 21' en de 'Rio Declaration on Environmental Development'. De Rio Declaration on Environmental Development behelst 27 richtlijnen om duurzame ontwikkeling te bewerkstelligen. Hierbij werd gesteld dat de economische vooruitgang op lange termijn nauw verbonden is met de bescherming van het leefmilieu, en dat deze bescherming een mondiale verantwoordelijkheid is. 'Agenda 21' daarentegen is de vertaling van de 27 richtlijnen. Hierin werden de prioriteiten, de doelstellingen en de eraan gekoppelde activiteiten, kosten en verantwoordelijkheden vastgelegd. Het document vormt als dusdanig een internationaal werkprogramma. De meest interessante doelstellingen zijn "(1) de bevrediging van de fundamentele behoeften van de mens, (2) de verbetering van de levensstandaard voor iedereen, (3) een betere bescherming en beheer van de ecosystemen en (4) meer veiligheid en welvaart in de toekomst" (WES 2003).

 

3.2    Duurzame ontwikkeling en toerisme.

 

In 1984 bracht Jost Krippendorf, in zijn werk ‘The Holiday Maker’, voor het eerst de basisideeën van duurzame ontwikkeling ter sprake binnen het toerismeonderzoek. Maar pas in 1987 stimuleerde het Brundtland Rapport de toenemende bezorgdheid omtrent de negatieve impacts van het toerisme en trachtte het een verandering in mentaliteit te veroorzaken om aldus de toenemende negatieve effecten te matigen. De Rio Conferentie in 1992 zorgde voor een verdere verspreiding van het concept ‘Duurzame Toeristische Ontwikkeling’. Binnen dit concept waren vooral de principes en aanbevelingen van de ‘Rio Declaration on the Environment and Development’ en van de ‘Agenda 21’ van bijzonder belang. Deze richtlijnen vormden de basis voor de ‘World Conference on Sustainable Tourism’, die werd gehouden in Lanzarote (1995). In Lanzarote werd het Charter voor Duurzaam Toerisme opgesteld waarvan een aantal principes en objectieven de hoofdlijnen vormen. Deze hoofdlijnen werden door Martin (1995) samengevat (zie bijlage hiertegenover).

 

Hoewel dit Charter voor Duurzaam Toerisme in 1995 werd opgesteld, werden de principes van het duurzaam toerisme reeds beschreven door Eber (1992), die de opinie vertolkt van de 'Tourism Concern' (zie punt 3.3). Uit een vergelijking met het Charter blijkt dat, ondanks het feit dat er reeds drie jaar voorbij gegaan was, de principes grotendeels dezelfde gebleven waren.

 

Uit voorgaande blijkt dat er een ruime consensus bestaat over wat duurzaam toerisme als onderdeel van het ruimer begrip duurzame ontwikkeling inhoudt, maar dat het moeilijker wordt om het begrip te omschrijven in een allesomvattende definitie.

 

3.3    Principes van het 'Duurzaam Toerisme'.

 

Vaak stelt zich binnen de zoektocht naar duurzame vormen van toerisme een belangrijk probleem, namelijk: welke prioriteiten moeten er gesteld worden? Indien bijvoorbeeld het belangrijkste doel het tevreden stellen van de toeristen is, dan zijn de noden van de lokale bevolking van minder belang. Anderzijds, als gesteld wordt dat het behoud van de fysische omgeving van groot belang is, dan zijn de noden van de toeristen en van de lokale bevolking van ondergeschikt belang. (France 1999)

 

Aldus wordt duidelijk dat iedere bestemming (land en/of regio) zijn eigen prioriteiten moet bepalen binnen de ontwikkeling van een (duurzaam) toeristisch product. Van daaruit moeten ze dan een benadering en een visie, met het oog op de toekomst, ontwikkelen.

 

Volgende figuur (France 1999: 24) toont een aantal mogelijke strategische benaderingen in de zoektocht naar duurzaam toerisme:

 

 

Situatie A kan aangetoond worden wanneer een kleine groep toeristen een afgelegen gebied bezoeken. Na hun bezoek houden ze er een grote tevredenheid aan over, en bij hun vertrek laten ze het gebied relatief onveranderd achter. Indien zo’n bezoek georganiseerd wordt door buitenlandse ondernemingen of door één of enkele leden van de lokale elite, dan zullen de voordelen de lokale bevolking niet bereiken en zal de levenskwaliteit van die mensen er niet op vooruit gaan (bijv. safari’s) (France 1999).

 

De kleinschalige, lokale gastverblijven zijn duidelijke voorbeelden van situatie B. Ze bezorgen huisvesting in een fysische en sociale omgeving die relatief weinig veranderd is (en de toeristen/gasten zullen ook weinig schade veroorzaken aan het milieu en de natuur). Het comfort dat aan de toeristen wordt gegeven ligt meestal zeer laag, maar de toeristen vragen meestal ook niet anders. De oorspronkelijke omgeving wordt behouden, en de economische voordelen gaan rechtstreeks naar de lokale bevolking (France 1999).

 

Situatie C kan zich voordoen wanneer een grote toeristische onderneming een groot deel van de lokale bevolking tewerkstelt. Niet alle leden van de lokale bevolking zullen een job veroveren. Voor het merendeel van die jobs zal geen scholing vereist zijn, waardoor de mensen die tewerkgesteld worden ongeschoolden zijn die nergens anders een job zouden vinden. Zo’n toeristische onderneming stelt bepaalde groepen van toeristen tevreden, maar kan wel grote schade veroorzaken aan de omgeving (France 1999).

 

De kern van situatie D is het vinden van ‘een gulden middenweg’. Kleinschalige, lokaal bestuurde ondernemingen verspreiden de voordelen in een grotere mate over de ganse lokale gemeenschap (France 1999).

 

Reeds in 1991 definieerde het 'United Kingdom's Department of the Environment' (1991: 15) een aantal grondbeginselen voor een 'duurzame toeristische ontwikkeling', namelijk: (France 1999)

 

 

Maar het was pas in 1992 dat het Tourism Concern de principes van het Duurzaam Toerisme op een volwaardige en complete manier verwoordde. Eber, die de opinie vertolkt van het Tourism Concern, vatte de principes van het duurzaam toerisme samen in tien punten. Bij elk van deze tien punten werden door de Tourism Concern een aantal aanbevelingen voor de toeristische industrie naar voren geschoven. Deze tien basisprincipes voor een 'Duurzaam Toerisme' zijn: (Delannoy 2002)

 

1)      Duurzaam gebruik van de natuurlijke, sociale en culturele hulpbronnen.

 

 

Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen (1) fysieke draagkracht, (2) economische draagkracht en (3) sociale draagkracht. Onder de fysieke draagkracht wordt volgens Van Der Borg (1991) verstaan: "de grens waarboven dewelke de bebouwde omgeving en de culturele rijkdommen schade ondervinden". Economische draagkracht wordt door hem omschreven als "de grens boven dewelke de ervaring van de bezoeker sterk aan kwaliteit inboet", en sociale draagkracht als "het aantal bezoekers dat een [bestemming] kan ontvangen zonder hinder voor de andere sociale en economische functies van de [bestemming]" (Delannoy 2002).

 

Het WTO (1992: 23) omschrijft de draagkracht echter meer algemeen als "het maximale gebruik van een site zonder negatieve effecten te veroorzaken op de hulpbronnen, zonder de tevredenheid van een bezoeker te beknotten en/of zonder negatieve effecten te veroorzaken op de lokale gemeenschap, op de lokale economie en op de lokale cultuur". Aldus stelt het WTO dat de draagkracht aan de hand van volgende formule berekend kan worden: (Shaw et al. 2002)

 

 

2)      Reduceren van de overconsumptie en het afval.

 

 

3)      Behoud van diversiteit.

 

 

4)      Integratie van de toeristische planning in de lokale en nationale strategische planning.

 

 

5)      Ondersteuning van de lokale economie.

 

 

6)      Participatie van de lokale gemeenschappen.

 

 

7)      Raadplegen van de lokale bevolking, organisaties en instellingen.

 

 

8)      Opleiding van personeel.

 

 

9)      Eerlijke marketing.

 

 

10)  Uitvoeren van voorafgaand onderzoek.

 

 

In het voorgaande werd algemeen besproken welke voorwaarden vervuld moeten worden vooraleer er sprake kan zijn van 'Duurzaam Toerisme' of van een 'Duurzame Toeristisch Ontwikkeling'. Het mag echter niet uit het oog worden verloren dat deze principes voor 'Duurzaam Toerisme' werden opgesteld om een mogelijke (duurzame) toeristische ontwikkeling te ondersteunen in minder ontwikkelde gebieden (met een zeer kwetsbare natuur en lokale bevolking), daar de eerste initiatieven voor een duurzame toeristische ontwikkeling in die gebieden werden ondernomen. Hoewel ze een goede leidraad bieden voor een (duurzame) toeristische ontwikkeling, moeten deze principes toch met een korreltje zout genomen worden in de meer ontwikkelde gebieden. De impact die het toerisme bij ons heeft, is toch niet vergelijkbaar met de impact van het toerisme op de natuurlijke en culturele gebieden van ontwikkelingslanden en zich ontwikkelende landen.

 

De toeristen worden steeds vaker geconfronteerd met de negatieve gevolgen van hun consumptie van het toeristisch product (hieronder kan worden verstaan: zwerfvuil, vandalisme, verlies van streekidentiteit, hoog waterverbruik, verkeerscongestie, standaardisering van de gastronomie, etc.). M.a.w. als gevolg van de negatieve toeristische impacts kan het 'unieke' van een toeristische bestemming verloren gaan, waardoor een bestemming een deel van haar aantrekkelijkheid en aantrekkingskracht kan verliezen (WES 2003).

 

Volgens het WES (2003) moet er daarom, met het concept van 'duurzame ontwikkeling' in het achterhoofd, op zoek gegaan worden naar een vorm van (duurzame) toeristische ontwikkeling die:

 

 

Gesteld mag worden dat bij het realiseren van een duurzame toeristische ontwikkeling de medewerking vereist is van drie actoren: (1) de toeristen, (2) de toeristische industrie en (3) de overheid.

 

 

4.   Actoren binnen Duurzaam Toerisme - Duurzame Toeristische Ontwikkeling.

 

Volgens het WES (2003) kunnen er binnen de concepten 'Duurzaam Toerisme' en 'Duurzame toeristische ontwikkeling' drie actoren worden onderscheiden. Deze zijn:

 

 

Deze drie actoren zullen in het volgende van naderbij besproken worden.

 

4.1    De duurzame reiziger:

 

Een duurzame reiziger wordt door het WES omschreven als "een persoon die bij de samenstelling van het reispakket … rekening houdt met de peilers van duurzame ontwikkeling, en die een respectvol gedrag vertoont tegenover de natuur, de cultuur, de bevolking en de bestemming". Hierbij wordt evenwel benadrukt dat de omschrijving niets te maken heeft met de keuze van een reisvorm, het organiseren van een reis, de transportvorm of de keuze van het soort logies, maar wel met het zich respectvol gedragen ten opzichte van mens, cultuur en milieu. Hieronder worden o.a. verstaan (1) het gebruik maken van voorzieningen waarvan geweten is dat de opbrengsten vooral ten goede komen aan de lokale bevolking, (2) het rekening houden met de lokale gebruiken en de lokale cultuur, (3) het aanpassen van kledij waar nodig, (4) géén verboden souvenirs kopen, (5) het volgen van een ethische gedragscode, e.a. (WES 2003).

 

 

4.2    De toeristische sector.

 

Onder de toeristische sector worden verstaan: (1) de logiesondernemingen, (2) de touroperators, (3) de transportmaatschappijen, (4) de attracties, (5) de dienstverlenende bedrijven, etc. Door hen tezamen wordt het 'toeristisch product' aangeboden aan de consument/toerist. Het toeristisch product kan omschreven worden als bestaand uit drie elementen: (1) het vervoer, (2) de logies en (3) de activiteiten (WES 2003).

 

4.2.1   Duurzaam logies.

 

Een correcte omschrijving van wat er onder 'duurzaam logies' kan worden verstaan bestaat nog niet. De acties die ondernomen worden om duurzaam logies te creëren kunnen, volgens het WES (2003), onderverdeeld worden in zes rubrieken. Deze acties zijn gericht op:

 

 

4.2.2   Duurzame touroperators:

 

Zoals reeds gesteld is het de taak van de touroperators om de elementen zoals het vervoer, de logies en de activiteiten samen te voegen tot één product. Vooraleer een touroperator zichzelf een duurzame touroperator wil noemen moet die, volgens het WES (2003) rekening houden met:

 

 

4.2.3   Duurzaam transport:

 

Het transport speelt een belangrijke rol binnen het toerisme. De consument van het 'toeristisch product' moet op één of andere manier gevoerd worden naar het 'toeristisch product (WES 2003).

 

Het zoeken naar duurzame vormen van transport houdt vooral het vinden van een oplossing in om de negatieve impact van het vervoer op het milieu (o.a. CO2-uitstoot, ozonvorming, aanleg snelwegen, …) te reduceren, alsook een vermindering van de sociale gevolgen als gevolg van het verkeer (o.a. geluidshinder, ongevallen, verkeersproblemen, …) (WES 2003).

 

Volgens het WES (2003) moet de toeristische sector, bij het realiseren van duurzaam transport, zich interesseren voor volgende aandachtspunten:

 

 

4.3    Toeristische overheid.

 

De rol van de overheid betreft hoofdzakelijk een duurzaam beheer van de bestemming, waarbij ze de juiste keuzes maakt die een bestemming aantrekkelijk houdt, natuur en milieu beschermt en respecteert en de culturele eigenheid van de gastbevolking bewaart (WES 2003).

 

De toeristische overheid heeft vooral aandacht voor acties die gericht zijn op: (WES 2003)

 

Shaw et al. (2000) concluderen aldus dat het concept 'Duurzaam Toerisme' gegroeid is uit twee gedachten. Enerzijds is het gegroeid uit een groeiende bewustwording rond de impacts die een economische ontwikkeling heeft op het milieu. Anderzijds uit de ervaring dat het massatoerisme grote impacts heeft op het fysische, het sociaalculturele en het economische milieu op de bestemmingsgebieden.

 

 

5.   Besluit.

 

Eén van de belangrijkste verdiensten, zo niet de belangrijkste, toe te rekenen aan de theoretische benaderingen van de begrippen 'Duurzaam Toerisme' , 'Alternatief Toerisme' en eventueel andere begrippen is het creëren en het bevorderen van een bewustwording van het feit dat de huidige evolutie van het toerisme niet langer kan én mag. Er moet een rem worden gezet op de toeristische (roofbouw)mentaliteit uit de periode van de aanvang van het massatoerisme, zodat er een harmonische evolutie gewaarborgd wordt tussen mens, natuur en omgeving.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[13] Commission Internationale pour la Protection des Régions Alpines.

[14] Natuurtoerisme wordt door Goodwin (1996: 287) omschreven als "reizen met het doel te genieten van het wildleven en niet-ontwikkelde natuurgebieden".

[15] WES = West-Vlaams Economisch Studiebureau (binnen Vlaanderen belangrijk wat betreft het toerisme). Het WES wordt later in hoofdstuk 6 van naderbij bekeken.

[16] Uitgewerkt door de International Union for Conservation of Nature and Natural Resources (IUCN), in sa-menwerking met het United Nations Environment Education Programme (UNEP), het World Wildlife Fund (WWF), de Food and Agriculture Organization (FAO) van de Verenigde Naties en het United Nations Educa-tional, Scientific and Culture Organization (UNESCO) (Hall et al. 1998).

[17] Beter gekend onder de namen “The Rio Summit” en "The Earth Summit".

[18] MER = Milieu Effecten Rapportering.