Receptiegeschiedenis van dr. Spock in Vlaanderen (jaren ’50 en ’60). (Anne-Greet Denolf)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

II. Corpus

 

4. Receptie in Vlaanderen

 

4.1. Voorlichting

 

4.1.1. Types[179]

 

Er bestaan drie types van opvoedingsvoorlichting: massavoorlichting (boeken, damesblaadjes, tijdschriften, TV, radio, film, etc.), individuele voorlichting (huisarts, vrienden, familie, etc.), en groepsvoorlichting (cursussen).

 

Het boek van dr. Spock ressorteert onder de categorie massavoorlichting en daarom wordt dit type iets uitgebreider besproken.

Massavoorlichting wordt gegeven door middel van de massamedia. De overtuigingskracht van het gedrukte woord is groter dan die van het gesproken woord: het staat zwart op wit en is minder vluchtig. Lectuur vereist meer inspanning van de lezer. Het is ook blijvende voorlichting: de informatie kan meerdere keren opgezocht en geraadpleegd worden.

Voor boeken geldt nog meer dan voor andere lectuur dat in het bijzonder sociale middengroepen en hogere welstandsgroepen er gebruik van maken.

Bij tijdschriften moeten we een onderscheid maken tussen “algemene” tijdschriften, (vrouwen)bladen waarin naast andere rubrieken, een deel is gereserveerd voor de voorlichting aan aanstaande ouders en ouders van jonge kinderen, en “specifieke” tijdschriften, die hoofdzakelijk bedoeld zijn voor jonge en aanstaande ouders.

Massavoorlichting heeft drie belangrijke kenmerken. Ten eerste éénrichtingsverkeer: één zender geeft informatie zonder dat er een gelijktijdige en gelijkwaardige reactie mogelijk is. Voorlichters weten niet wat er nu precies van hun advies overkomt. Ze kennen hun publiek niet en kunnen er, vanwege de afstand, moeilijk mee in contact treden. Ten tweede zendcapaciteit: het medium bereikt grote groepen mensen op een snelle manier. Een derde kenmerk is de indirectheid: zender en ontvanger zijn ruimtelijk en/of temporaal gescheiden.

 

4.1.2. Waarom babyadviesboeken gebruiken?

 

 1. Uit pragmatische overwegingen

 

We leven in een informatiemaatschappij. Over alles kunnen we informatie vinden: van babyboeken, over tuin-, computer- en kookboeken tot woonboeken. Het is een way of life[180]. De “alles-over-benadering” spreekt sterk aan.

2. Onzekerheid: “wij weten het niet!”

 

Onzekerheid kan zich op twee manieren voordoen: enerzijds weten ouders echt niet waar ze mee bezig zijn of aan beginnen. Ze zijn onwetend, er is extra kennis nodig.

Anderzijds zijn ze eventueel op zoek naar geruststelling, een zekerheid achter de rug, een aanmoediging zelfs, of een hart onder de riem.

De onzekerheid wordt veroorzaakt door een nieuwe situatie. Het krijgen of het hebben van een kind is een nieuwe, ingrijpende gebeurtenis die onzekerheden met zich meebrengt. Ouders hebben nood aan een leidraad.

In de twintigste eeuw groeit, door de groeiende intimiteit tussen ouders en kinderen, het besef dat er veel kan misgaan in de opvoeding: kleine veranderingen in het betonen van liefde hebben immers een betekenis gekregen als opvoedingsmiddel[181]. Ouders voelen zich daarom in toenemende mate onzeker of hun opvoeding wel de juiste is: meer en meer raadplegen ze populaire pedagogische literatuur. Het goed opvoeden van kinderen vormt immers één van de prestigeverlenende items voor de burgerij, in het bijzonder voor de vrouwen. Ten tweede is een goede opvoeding een economische noodzaak, omdat het een voorwaarde is om het in de burgerlijke beroepen ver te schoppen, nu des te belangrijker vanwege de toegenomen concurrentiedruk.

 

Volgens Bakker[182] zijn opvoedingsvoorlichting en onzekerheid van ouders historisch gezien onlosmakelijk met elkaar verbonden en bovendien hebben ze een wederkerige relatie. De voorlichting is niet in de eerste plaats een reactie op onzekerheid bij het publiek, het is veeleer zo dat die voorlichting voortkomt uit een zekere mate van culturele verwarring bij de professionele groepen die de voorlichting produceerden. Er is sprake van een subtiel samenspel tussen enerzijds een professionele normeringsdrang, gepaard aan voortschrijdende secularisering van het dagelijks leven, en anderzijds culturele aspiraties van maatschappelijke groepen.

 

Zelfs vandaag, anno 2002, is er nog steeds een grote opvoedingsonzekerheid. Tekenend hiervoor is bijvoorbeeld de opvoedingstelefoon. Ouders kunnen er terecht met opvoedingsvragen. Als gevolg van een voortschrijdende normvervaging weten ouders niet meer wat ze aan hun kinderen moeten overdragen en evenmin hoe[183]. De vanzelfsprekendheid en de eenvormigheid van het opvoeden zijn verdwenen. Oorzaken van deze onzekerheid en het daaraan gekoppelde onvermogen zijn maatschappelijke processen, onder andere migratie, individualisering, stijgende toename éénoudergezinnen, wegvallen van de traditionele steun van familie en buren, etc. Kerk en Leven, het hedendaags tijdschrift van de katholieke zuil, stelt vast dat de vaste waarden en regels van weleer zijn verdwenen[184]. Het gezag van instanties als Kerk en school is onbeduidend geworden. De opvoeding is een persoonlijke keuze van de ouders geworden en wordt daarom een hele uitdaging. Veel ouders hebben vragen bij de opvoeding van hun kinderen. De traditionele waarden van het gezinsleven en de opvoeding zijn verdwenen. Een interessante denkpiste die ook Sommerville aanneemt[185], is dat met het vervagen van de tradities in de kinderopvoeding, het ouderlijk gezag aarzelender en willekeuriger wordt. Ouders van nu hebben in hun eigen jeugd niet veel geleerd over het opvoeden van kinderen. Vroeger waren de gezinnen groter en woonde de familie vlakbij. Oudere broers en zussen hielpen mee bij de verzorging en opvoeding van de jongere kinderen. De meeste mensen hadden, tegen de tijd dat ze zelf kinderen kregen, voldoende geleerd over kinderverzorging om zich zeker te voelen bij het opvoeden van hun eigen kinderen[186].

 

Anderzijds, en contradictorisch, doet al dat lezen geen goed aan het zelfvertrouwen van ouders. Sommerville schrijft dat dr. Spock persoonlijk heeft toegegeven dat deskundig advies het zelfvertrouwen kan ondermijnen én de omgang met kinderen kan bemoeilijken[187]. Nog nooit is zoveel informatie over kinderen beschikbaar geweest, maar die is grotendeels voorbehouden aan deskundigen. Dit kan intimiderend werken: ouders weten dat er voor elke crisissituatie één goede oplossing is, maar slechts de deskundigen kennen die. Hoe meer advies ouders krijgen, hoe onzekerder ze worden.

 

Het advies wordt gebruikt als confirmatie voor hun eigen opvoedingsmethode: een vorm van geruststelling. Zonder het advies is er geen vergelijkingsstandaard.

 

Welke zijn nu mogelijke oplossingen ter bestrijding van die onzekerheid[188]? Een eerste oplossing stelt dat de ouders zelf hun pedagogische verantwoordelijkheid terug moeten opnemen. Ze moeten duidelijke normen en waarden overdragen en met zekerheid gezag uitoefenen. De tweede oplossing heeft veel minder vertrouwen in het zelfcorrigerend vermogen van ouders. Er moet gewoon betere voorlichting worden gegeven.

 

3. Verantwoordelijkheid

 

Daar de manier van opvoeden grote invloed heeft op de ontwikkeling en latere persoonlijkheid van het kind, is het begrijpelijk dat ouders deskundigen om advies vragen. Goede ouders zijn bereid om hun opvoedingsmanier en –stijl aan te passen wanneer experten nieuwe manieren lanceren om de kinderopvoeding nog te verbeteren.

Veel mensen geloven dat de tijden snel veranderen en dat onderzoek voortdurend nieuwe kennis voortbrengt, en daarom vertrouwen ze op deskundigen[189]. Het vertrouwen in de wetenschap als bron van vooruitgang heeft het bestaande vertrouwen in wijsheid, die inherent is aan traditie, vervangen.

Men wil de opvoeding van zijn kinderen op een bewuste, doordachte, zelf gekozen en verantwoorde manier volbrengen.

Het aanbod van kinderopvoedingsliteratuur is overweldigend, het gaat er nu om, te kiezen welke je gebruikt.

 

4.1.3. Acceptatie van voorlichting

 

Met opvoedingsadvies kan je op drie manieren omgaan: ofwel volg je alle advies, ofwel ontwijk je, negeer je alle raad. De derde weg is het advies aanpassen aan je eigen situatie, gebruiken wat je kan gebruiken. Het advies wordt gefilterd en selectief aangenomen: kritisch gebruik van het opvoedingsboek.

Veel ouders volgen bijvoorbeeld het medisch en verzorgend advies van Baby- en kleuterverzorging, maar niet slaafs alle opvoedingsrichtlijnen van het boek[190].

Selecties worden gemaakt op basis van sociale omstandigheden, meer bepaald tegenwoordige sociale positie en tegenwoordig cultureel milieu[191]. Ouders kunnen beseffen dat het “maar” theorie is, ze kunnen zien dat twee verschillende voorlichtingsboeken compleet ander advies geven, dat de voorgestelde methode gewoon niet werkt, of dat het boek veel te veeleisend of idealistisch is[192].

Geschreven advies is bovendien niet de enige manier om informatie te krijgen. Er zijn nog altijd de familie, de vrienden, de reflecties over de persoonlijke opvoeding, de dokter, de pediater, en de gespecialiseerde instellingen. Zeker in België, waar de consultatiebureaus in de jaren ’50 en ’60 als paddestoelen uit de grond schieten.

 

Grant[193] besluit uit haar studie dat veel moeders doktersadvies, dat tegenstrijdig was met hun culturele of persoonlijke waarden, negeerden. Deze moeders gebruikten pas echt hun “gezond verstand”! Zij zochten op een pragmatische manier oplossingen voor de kleine probleempjes, bijvoorbeeld door aan andere moeders raad te vragen.

Het hebben van het boek is gewoon een soort van geruststelling, het is een stille partner, oproepbaar in noodsituaties.

In hun alledaagse interactie met kinderen, proberen moeders een eigen visie op goed moederschap te vormen, die geïnformeerd wordt, maar niet gedetermineerd wordt door de cultuur van de deskundigen[194]. Het feit alleen al dat de ene een auteur wel als deskundige accepteert en de andere niet, bewijst dit.

 

Bovendien helpt de deskundige de ouders niet vooruit als hij ze alles voorzegt en ze zijn adviezen slaafs navolgen[195]. De enige effectieve manier om ouders hun kinderen zo goed mogelijk te helpen opvoeden, is door hen aan te moedigen en hen zelf te laten nadenken. Ze moeten proberen inzicht te krijgen in opvoedingsproblemen en niet blindelings te vertrouwen op het advies van een deskundige. De belangrijkste vraag is immers: waar komt het beste advies vandaan? Moet dat komen van een deskundige die ouders vertelt wat ze wel en niet moeten doen? Of is het beter ouders zodanig te begeleiden dat ze zelfstandig beslissingen kunnen nemen[196]? Ouders zullen altijd meer voldoening halen als ze een eigen methode vinden om een probleem aan te pakken. Dit is vooral bij de opvoeding zeer belangrijk, waarbij complexe emoties meespelen. De deskundige kan wel helpen om het probleem aan te wijzen, maar het handelen volgens de adviezen van anderen kan niet diezelfde voldoening brengen die ouders voelen als ze op eigen kracht handelen.

Om zelfstandig uit de impasse te komen, moet de ouder een hoop intellectuele en emotionele energie investeren[197]. Het kind merkt dat de ouder bereid is te investeren in de relatie en daardoor ontstaat een bevredigende en succesvolle relatie tussen ouder en kind.

Samen met Bettelheim ben ik ervan overtuigd dat de belangrijkste taak van een ouder is aan te voelen wat voor zijn kind belangrijk is en op basis daarvan acties te ondernemen waarbij zowel ouder als kind gebaat zijn. Zo verbetert de relatie tussen beide partijen. De beste manier om aan te voelen, is om zich de eigen jeugd voor de geest te halen. Via vergelijkbare situaties kan de ouder zich dan inleven in het denken van het kind.

 

Een ander belangrijk probleem is de ingesteldheid van de ouders tegenover het kind. In adviesboeken wordt vaak letterlijk geschreven hoe ouders zich moeten opstellen[198]. Ze moeten begrip tonen, geduldig zijn en vooral, liefhebben. Maar vaak is het onmogelijk deze ingesteldheid aan te houden, hoe goed de ouder ook mag zijn. In crisissituaties bijvoorbeeld, verliezen mensen snel hun geduld en daarmee ook hun positieve houding. Ouders kunnen op een bepaald moment genoeg hebben van het gedrag van een kind: ergernis, ontmoediging en teleurstelling overheersen. De ouder-kind liefde is dus niet geheel vrij van een flinke dosis ambivalentie.

 

4.1.4. Het boek als wapen in het generatieconflict

 

Een verschillende opvatting over kinderopvoeding kan breuken veroorzaken: enerzijds tussen de moeder en de vader, anderzijds tussen grootouders en jonge ouders[199].

De jonge moeder kan het boek gebruiken om zich te legitimeren tegenover haar echtgenoot.

Anderzijds kunnen jonge ouders het boek gebruiken om zich te onderscheiden van de generatie van hun ouders. Ze willen “moderne” ouders zijn. Ze zetten zich af tegen hun “ouderwetse opvoeding” met de striktheid, het autoritarisme, de lichamelijke straffen en zonder expressie van gevoelens. Hun “moderne” opvoeding promoot, onder leiding van experten, emotionele expressiviteit, probeert lichamelijk straffen te verhinderen en volgt de ontwikkeling van het kind met behulp van boeken.

 

4.2. Het Nederlandstalige boek Baby- en kleuterverzorging

 

Het succes van het Nederlandstalige Baby- en kleuterverzorging van dr. Spock was/is bijzonder groot: bijna elk jaar is er een herdruk van het boek in het Nederlands[200]: één oorspronkelijke eerste druk in 1950 (dus 4 jaar na de eerste Amerikaanse uitgave) en 47 herdrukken, waarvan 6 herwerkte versies in 52 jaar tijd.

De herwerkte Nederlandstalige versies verschijnen in 1959 (2 jaar na de Amerikaanse versie), 1969 (1 jaar later), 1978 (2 jaar later), 1984 (1 jaar later), 1993 (1 jaar later) en 2000 (2 jaar later).

Opvallend is dat de titel vanaf 1984, met de vierde herziening, veranderd wordt. Nu staat er ook expliciet bij “en opvoeding”.

 

De eerste Nederlandse vertaling (1950) werd aangepast door dr. Ph. H. Fiedeldij Dop. Hij was geneesheer-directeur van het Emma-kinderziekenhuis in Amsterdam en bemoeide zich wel vaker met opvoedingsvoorlichting in Nederland. Hij was een vaste medewerker van het Medisch tijdschrift voor kindergeneeskunde en schreef onder meer ook een voorwoord in het in Nederland populaire boek Luisteren naar kinderen van Thomas Gordon (1979)[201].

De door Dop herwerkte versie wordt zowel in Nederland als in België verspreid. Voor Vlaanderen vond niemand het dus nodig dat een Vlaamse kinderarts het boek zou bewerken.

Dop schrijft ook een uitgebreide inleiding voor het boek[202]: hij werpt in 1950 de vraag op of er wel behoefte is aan een boek over iets waar al zoveel over geschreven is: in Nederland zijn er al veel “doordachte publicaties” verschenen. Vanaf de tweede druk (1952) actualiseert Dop zijn inleiding en bevestigt hij dat er wel degelijk behoefte bestaat aan een dergelijk boek, te meten aan het succes van de eerste uitgave.

Reeds in de inleiding van de eerste druk, citeert hij de motivaties van twee moeders die Spock gebruiken:

“Omdat er een antwoord in staat op werkelijk alle onnozele vragen die bij mij opkomen en omdat het zo prettig leest”, zegt een moeder van een baby van vijf maanden, “die dus nog in het begin van Spock bezig was” (vreemd: er wordt blijkbaar “gemeten” hoeveel je al van het boek gelezen hebt, aan de hand van het aantal kinderen en de leeftijd ervan, volledig tegengesteld aan het opzet van een opzoekboek en geen leesboek!). Dop diept twee onderdelen uit: “alle onnozele vragen” en “omdat het prettig leest”.

“Alle onnozele vragen”: vooral het feit dat er zo veel over de verzorging en ontwikkeling van het kind besproken wordt in Baby- en kleuterverzorging, valt in zeer goede aarde. De tweede belangrijke reden is “omdat het prettig leest”: de Amerikanen bezitten de kunst om op zeer leesbare wijze, moeilijke problemen aan leken duidelijk te maken en Spock is in dit opzicht geen uitzondering.

 

De tweede moeder heeft vier kinderen en “is dus al verder in het boek gevorderd” (opnieuw verwijzing naar de evenredigheid tussen de leeftijd van de kinderen en het aantal pagina’s gelezen in het boek): “Omdat het boek op zo plezierige wijze alles van de kant van het kind beziet”. Ook hier volgt Dop dezelfde methode: “van de kant van het kind bezien” en “op plezierige wijze” worden verder besproken.

Dop is ervan overtuigd dat een grote liefde voor het kind en een intensieve belangstelling ervoor aan de basis van het boek ligt. Met bijzonder veel geduld heeft Spock uit zijn dagelijkse praktijk al deze problemen gedistilleerd en er steeds het beste antwoord op gegeven. “Op plezierige wijze”: Spock maakt duidelijk dat hij begrip heeft voor het feit dat ouders bij de opvoeding vele fouten kunnen maken. Hij neemt wel het kind als vertrekpunt, maar toch vindt hij ook dat ouders bepaalde rechten hebben.

 

Dop heeft ook veel aandacht voor het dankwoord van Spock: veel kinderartsen, kinderpsychiaters, psychologen en sociale werkers hebben het boek nog eens doorgelezen of bij bepaalde onderwerpen advies gegeven. Spock bedankt ook expliciet twee moeders die concrete, praktische tips gaven.

 

De belangrijkste, door Dop aangehaalde, verschillen met de Amerikaanse versie zijn de volgende:

- De Nederlandse lezer wordt niet lastig gevallen met een voedingsschema gebaseerd op in Amerika gebruikte soorten gecondenseerde melk.

- Een gedetailleerde beschrijving van een sterilisatiemethode voor flesvoeding wordt weggelaten, omdat die toch enkel in kinderziekenhuizen wordt toegepast.

- Veel in Nederland voorgeschreven voedingen, zoals karnemelk, worden toegevoegd. Deze worden in Amerika weinig gebruikt.

- In Nederland doet het probleem van een kleuterschool voor tweejarigen zich niet voor. Maar veel van de pro-argumenten van Spock worden aangewend om kinderen vanaf drie jaar naar de kleuterschool te sturen.

- In Amerika kent men de kleuterdagverblijven niet. Die worden toegevoegd in de Nederlandse uitgave.

- Nederland kent het probleem van de grote afstanden niet en daardoor ook niet het mogelijke gebrek aan medische hulp. De hoofdstukken die zeer gedetailleerde instructies hierover geven, zijn verkort.

 

Dop vermeldt dat er zo voortdurend kleinigheden worden aangepast. De bewerking van het tamelijk lijvige boek is hem echter geen moment teveel geweest: ten eerste, omdat er een verstandig man met een grote liefde voor kinderen aan het woord is, en ten tweede, om het concept. Het is namelijk gelukt de lichamelijke verzorging van een kind te bespreken in samenhang met de geestelijke ontwikkeling van het kind.

Dop heeft ook oog voor de reeds bestaande traditie in Nederland van aandacht voor de hygiëne én geestelijke ontwikkeling van het kind. Volgens hem heeft het onderzoek in verband met hygiëne van het kind zich in Amerika later en daardoor anders ontwikkeld dan in Nederland. Het accent lag er namelijk direct iets meer op geestelijke ontwikkeling. Spock is een gematigd man en overdrijft hierin niet.

Toch waarschuwt Dop dat ouders het niet met alles eens moeten zijn. Spock is immers nergens strak in zijn meningen, hij waarschuwt er zelfs voor het boek als hoogste wijsheid te beschouwen. Het boek is bijzonder nuttig omdat het aanzet tot nadenken over de verschillende problemen. De beste oplossing ligt altijd tussenin, gebruik daarom uw gezond verstand!

 

Ook bij de eerste bewerking (1959, 10de druk), schrijft Dop een inleiding. Volgens Dop is het succes van Spock ten volle verdiend. Het boek is namelijk geschreven door een man die van mensen houdt en er veel begrip voor heeft. Bovendien wordt hij door zijn toegankelijke schrijfstijl vlot door iedereen begrepen.

Dop stelt in zijn inleiding de lezers direct gerust: de opvattingen over de lichamelijke en geestelijke verzorging van kinderen zijn niet fundamenteel veranderd. Met deze nieuwe editie moeten de ouders geen totaal andere principes gaan toepassen. De hoofdgedachte van het boek is nog steeds dat het de taak van de ouders is om op soepele wijze leiding te geven aan de natuurlijke ontwikkeling van hun kinderen. Het boek bevat dezelfde nuttige en praktische raadgevingen. Het aantal paragrafen is uitgebreid van 507 naar 805.

Er wordt veel dieper ingegaan op leiding geven, een belangrijke taak van ouders. Hier en daar wordt, veel duidelijker dan vroeger, gesteld dat de ouders op een bepaald moment moeten ingrijpen.

De belangrijkste aanpassing volgens Dop, is wel het verdiepte inzicht in de ouder zelf. Spock voegt een aantal hoofdstukken toe waarin hij ouders probeert duidelijk te maken hoezeer hun opvoedkundige principes beïnvloed worden door hun eigen jeugdervaringen. Ouders mogen putten uit hun eigen opvoeding: dit is immers de basis waarop een opvoedingstraditie kan worden gebouwd. Het is positief dat zij een aantal verbeteringen willen aanbrengen: bepaalde zaken zullen zij anders aanpakken dan hun eigen ouders. Als zij echter een totaal andere methode gaan toepassen, is de kans op mislukking bijzonder groot. Zij hebben namelijk uit eigen ervaring geen goede maatstaven voor deze nieuwe wijze van leiding geven. Daarom is het bijzonder twijfelachtig of zij wel zullen bereiken wat de ‘moderne’ inzichten beloven. Maar ook deze problematiek betreft slechts een beperkt aantal ouders, stelt Dop toch nog gerust.

 

Verder bespreekt Dop de carrière van dr. Spock. Na zijn studies (Yale en Columbia), werkt hij in New York in enkele grote ziekenhuizen en bij de afdeling kinderhygiëne van de gemeentelijke gezondheidsdienst. Op basis van zijn ervaringen schreef hij Baby and Child Care. In 1947 gaat hij naar de Mayo-clinic in Rochester voor onderzoek naar de psychische ontwikkeling van kinderen. Vanaf 1955 gaat hij naar de Western University (Cleveland). Daar wordt onderzoek gedaan naar de invloed van het gezin op gezondheid en ziekte. Volgens Dop koos hij deze werkkring omdat zijn inzicht in verband met het belang van de karakterstructuur van de ouders bij de vorming van het kind, gegroeid was.

 

In zijn “brief aan degenen die deze nieuwe uitgave gebruiken” schrijft Spock zelf dat kritiek op zijn tolerante houding tegenover kinderen hem ertoe bracht de teugels in de opvoeding wat strakker aan te halen. Er is veel veranderd in verband met discipline, het verwennen en het aandeel van de ouders. Tijdens het schrijven van de eerste uitgave (tussen 1943 en 1946) was er nog de overtuiging dat er zeer precieze regels moeten zijn voor de voeding van de zuigeling, voor het zindelijk maken en voor de opvoeding van het kind. Het was onjuist om van die vaste regels af te wijken. Toch hadden opvoeders, psychoanalytici en kinderartsen toen al duidelijk gemaakt dat er behoefte bestond aan een beter begrip voor kinderen en aan meer soepelheid in de verzorging. Spock’s doel was de verspreiding van deze overtuiging. Intussen echter (anno 1957), heeft de situatie zich zo gekeerd dat de houding van ouders nu meer toegeeflijk is. Spock ziet het gevaar in en beseft dat er meer problemen kunnen zijn door een te grote toegeeflijkheid dan door een te grote strengheid. Daarom probeert hij in deze tweede uitgave het evenwicht te herstellen.

 

Ph. H. Fiedeldij Dop staat in voor de bewerkingen tot en met de 33ste druk (1980). Mede door zijn medewerking wordt de wetenschappelijkheid gelegitimeerd.

 

De herziening van 1998 wordt in 2000 in het Nederlands gedrukt. De bewerking gebeurt nu door Robert van Andel en Pim van der Pol[203]. Hun motivatie: een tweede jeugd geven aan het boek dat een monument is. De kracht van het boek en de kern van zijn succes ligt volgens hen in de geruststellende toon. Spock heeft altijd veel nadruk gelegd op de kwaliteit van de ouders zelf. In deze tijd, waarin veel ouders twijfelen of ze hun kinderen wel goed opvoeden, heeft dat opnieuw een belangrijke functie.

In de nieuwe editie is rekening gehouden met de ontwikkelingen in Nederland op het gebied van verzorging en opvoeding. Vanwege de culturele verschillen tussen Nederland en Amerika (en België?) is dat inderdaad nodig. Van der Pol:

Wij hebben in Nederland altijd voorgelopen met het bespreekbaar maken van precaire onderwerpen als kindermishandeling, echtscheiding of het opvoeden van kinderen in homoseksuele relaties. Die onderwerpen zaten er in de Nederlandse versie van Spock al veel eerder in. Op het moment dat die onderwerpen in Amerika worden ingevoerd, leggen we onze toevoegingen daar wel naast en passen we hier en daar nog wat aan, om niet te ver van de oorspronkelijk versie af te wijken. Maar je moet erop letten dat het wel aansluit bij de Nederlandse kijk op kinderen en opvoeding.[204]

Ook met betrekking tot rolpatronen blijken de Amerikanen nog steeds wat conservatiever. Waar van Andel en van der Pol het hoofdstukje “de dominerende grootmoeder” al lang vervangen hebben door “de dominerende grootouder”, gaat het in de Amerikaanse versie nog steeds alleen over de oma die het allemaal beter weet en haar eigen dochter de opvoeding nog niet toevertrouwt.

 

4.3. Oplages en reclamestrategieën

 

Van de uitgeverij kreeg ik geen oplagecijfers[205]. Niettemin kreeg ik beperkte informatie over reclamestrategieën: er wordt, heel bewust, weinig geadverteerd en reclame gemaakt. Vandaag vertrouwt de uitgever op twee zaken (bewuste strategie). Ten eerste is er de overlevering: de naam “Spock” is een algemeen begrip geworden. Ten tweede is er de free publicity. Naar aanleiding van een herdruk bijvoorbeeld, besteden journalisten aandacht aan het boek. De pers zelf, ook in het buitenland, heeft aandacht voor het boek. Extra promotie is niet nodig.

Maar de eerste druk van het boek moet toch gepromoot zijn? Hoe raakte die anders bekend? Volgens dhr. Nauwelaerts[206] was het boek of toch zeker de naam (“Spock”) bekend in Vlaanderen reeds vóór de eerste vertaling er was (1950). Daarom werd ook in die beginjaren doelbewust geen publiciteit gemaakt. De uitgever vertrouwde op de overlevering. Deze stelling betwijfel ik ten zeerste: de Engelstalige versie moet wel al in de boekhandel gelegen hebben, maar was zeker nog niet bekend[207].

 

Ontleningscijfers

 

Ook uit ontleningscijfers blijkt zijn, weliswaar hedendaags, succes, want de cijfers behandelen de situatie van vandaag (anno 2001). Het boek is bijna zeker in elke openbare bibliotheek aanwezig. Ontleningscijfers zijn moeilijk op het spoor te komen, daar de geautomatiseerde ontlening pas recent gestart is.

Enkele steekproeven: in de Stedelijke Openbare Bibliotheek van Tielt is één exemplaar van het boek aanwezig (editie ’97). Het is reeds 35 maal ontleend, sinds de automatisering (ontlening via computer december ’97)[208].

De Stedelijke Openbare Bibliotheek van Gent heeft zes exemplaren in zijn bezit[209]. Van de uitgave van 1989 telt de bibliotheek vier exemplaren. Alle vier zijn ze omstreeks mei 1994 ingevoerd. Sedertdien zijn ze elk 52, 69, 49 en 70 maal ontleend. Van de recente uitgave (2000), bezit de bibliotheek twee exemplaren. De automatisering gebeurde in januari en in april 2000. Het is respectievelijk 12 en 9 keer ontleend.

Besluit: het boek wordt vandaag nog druk ontleend.

 

4.4. Schriftelijke en mondelinge bronnen

 

4.4.1. De medische wereld

 

Toenemende medicalisering

 

Medicalisering is de toenemende invloed van de geneeskunde. Sinds de late 18de eeuw streeft de arts intens naar sociale promotie, meer erkenning en invloed. Dit medicaliseringsproces kent een tempoversnelling in het laatste kwart van de 19de eeuw en in de 20ste eeuw[210]. Niet alleen komen steeds meer mensen in aanraking met de arts als dusdanig en met de instellingen waarin die een voorname rol speelde, maar ook worden steeds meer domeinen door de geneeskunde beïnvloed. Het is een proces dat zich afspeelt in de tijd, in de geografische ruimte en in de sociale ruimte.

 

Door cursussen voor moeders over kinderhygiëne, volksvoordrachten, prenatale zorg voor vrouwen, hygiënevoorlichting aan fabrieksmeisjes, de oprichting van consultatiebureaus voor zuigelingen en tbc-lijders, etc. (eind 19de eeuw), wordt de arts geleidelijk geaccepteerd[211]. Met het vertrouwen in de arts, gaat men meer van zijn diensten gebruik maken. Hij krijgt een plaats in de dorpshiërarchie en krijgt een status evenwaardig aan die van de notaris, de pastoor of de onderwijzer. De arts wordt populair en een vertrouwenspersoon van het gezin.

 

Een instelling die volledig past in het streven naar medicalisering van de maatschappij, is de strijd tegen de zuigelingensterfte door de artsen[212]. Ze presenteerden zichzelf als architecten van een betere samenleving, als adviseurs van overheid en individu en als weldoeners bij uitstek. De beste manier om dit effectief te bereiken, is via het gezinsleven. Daarom behoorden vele artsen tot verenigingen die zich om de zuigelingenzorg bekommerden, waren ze actief in zuigelingenconsultaties, gaven ze voordrachten en schreven ze vulgariserende adviesliteratuur. Het was hun overtuiging dat ouders slechts na lang oefenen onder toezicht van een arts, de kunst van het opvoeden bezitten. De artsen namen hun rol als deskundige bijzonder ernstig. Toch stonden veel moeders wantrouwig tegenover de adviezen van artsen en andere hulpverleners. De medische wereld had het niet gemakkelijk om binnen te dringen in het gezin. Zelfs als dat lukte, bleven jonge moedertjes meestal vertrouwen op de ervaring en raad van hun kennissenkring.

 

Spock en de Vlaamse kinderartsen

 

In principe zou Spock niet als concurrent gezien mogen worden door de Vlaamse pediaters: hij is hun metgezel, samen strijden ze voor de goede zaak. Aangezien hij kinderarts is, zou dit toch een legitimering moeten zijn voor de Vlaamse kinderartsen om het boek aan te raden.

 

Toch is onderzoek naar de invloed van de denkbeelden van dr. Spock op het medisch niveau niet vruchtbaar gebleken noch bij de pediaters, noch in de medische vakliteratuur. Pediaters zijn in de jaren ’50 en ’60 vooral wetenschappelijk gericht. De strijd tegen de kindersterfte, vooral in de lagere milieus, is het belangrijkste agendapunt. “Het zieke kind” staat in de belangstelling. Dit wordt bevestigd door zowel de schriftelijke als de mondelinge bronnen. De Vlaamse pediaters staan niet open voor Spock en er wordt overduidelijk geen promotie voor het boek gemaakt. De medische wereld volgt duidelijk een ander circuit.

 

Acta Pediatrica Belgica

 

Het tijdschrift Acta Pediatrica Belgica van de Belgische vereniging voor kindergeneeskunde, is Franstalig en zeer wetenschappelijk georiënteerd. Het houdt zich vooral bezig met het zieke kind. Allerlei ziektes en misvormingen worden tot in detail beschreven en vaak met foto’s geïllustreerd, van l’hépatite à virus, les kystes du mésentère, l’ostéopétrose tot allergiecomplex. Hier is bijgevolg geen plaats voor de meer populaire dr. Spock.

 

Sint-Lucasblad

 

Het katholieke Sint-Lucasblad is het orgaan van de Belgische geneesherenvereniging Sint-Lucas en van de medische Sint-Lucasjeugd. De katholieke geneesheren verenigen zich vanaf 1923 en hebben een eigen tijdschrift: Bulletin de la société médicale belge de Saint–Luc. De organisatie werd opgericht om de artsen te wijzen op hun zedelijke zending. Vanaf 1930 draagt het de titel Saint-Luc Médical/Sint-Lucasblad[213]. Het is een tweetalig tijdschrift, maar het Frans overheerst. Oorspronkelijk verschijnt het driemaandelijks, vanaf 1952 tweemaandelijks. Het tijdschrift is medisch-theologisch en bijzonder moraliserend[214], met artikels als “Le médecin catholique”[215], “Actuele sociale plichten van de katholieke dokters”[216], “Grondbeginselen van de geneeskunde. Verantwoordelijkheden van de geneesheer”[217]. In het tijdschrift worden ook boekbesprekingen opgenomen, voornamelijk filosofische, medische en moraliserende boeken. Toch is er bijvoorbeeld ook een boekbespreking over Maria Montessori[218] of over het boek van G. Lubbers, vrouwenarts[219]. Naar het moederschap wordt gerecenseerd als een goed boek over zwangerschap, baring en de hygiënische zorgen. Criteria zijn: niet uitgeput, niet verouderd, katholiek, niet te geleerd, niet te sensationeel, praktisch, niet te romantisch, niet te vulgariserend, met aandacht voor het psychologisch en moreel aspect van de moeder. Het is helder geschreven, kort en praktisch gepresenteerd en aangepast aan de huidige mentaliteit. Het beantwoordt aan de nieuwe opvattingen over de prenatale zorg en raakt bepaalde gewetensproblemen aan die moeders zich stellen.

Spock’s boek zal waarschijnlijk niet aan deze criteria voldoen: té populair en neutraal op gebied van moraal (niet katholiek!). Ofwel vindt de redactie het niet nodig een boek over kinderopvoeding te recenseren in een medisch tijdschrift. Toch wordt ook een boek van Albert Kriekemans besproken én aangeraden: Principes de l’éducation religieuse, morale et sociale[220]. Kriekemans, geboren in 1906, is een pedagoog en psycholoog die veel bijdragen heeft geleverd aan de algemene, de familiale en de seksuele pedagogiek. Zijn standaardwerk hierover is Algemene pedagogiek. Hij was redactielid van het Vlaams Opvoedkundig Tijdschrift (later Tijdschrift voor Opvoedkunde), Dux en van de Katholieke Encyclopedie voor Opvoeding en Onderwijs. Kriekemans verleende vaak zijn medewerking aan initiatieven van de Bond van Grote en Jonge Gezinnen[221].

Over het algemeen is het tijdschrift nagenoeg niet in opvoedkunde geïnteresseerd; toch wordt dit boek aangeraden, volgens mij om de volgende twee redenen: Kriekemans is Belg én hij is katholiek. Angelsaksische boeken worden niet aangeraden. In 1957 wordt nog een opvoedkundig boek besproken, ditmaal een Frans, Le guide des parents, van Isambert[222]. Het boek is volgens de recensenten zo goed, omdat het de wisselwerking tussen het kind en zijn familie beklemtoont. Zijn karakter hangt samen met zijn biologische groei. Het familiale of schoolleven bepaalt de intellectuele voortgang van het kind.

 

Maandschrift voor Kindergeneeskunde

 

We zouden kunnen verwachten dat tenminste toch het Maandschrift voor Kindergeneeskunde aandacht heeft voor het boek van Spock. Immers, één van de vaste medewerkers is dr. Dop, de bewerker van Baby- en kleuterverzorging. Maar ook hier levert het onderzoek niets op. Er is wel aandacht voor een Nederlands boek, Onze kinderen. De lichamelijke verzorging en geestelijke ontwikkeling vanaf de geboorte tot de puberteit door dr. Heybroek[223]. Het boek gaat in hoofdzaak over kinderverzorging en “bespaart ons, kinderartsen, daardoor vele uren praten”. Blijkbaar was er dus wel nood aan een boek waarmee ouders zelfstandig opvoedings- en verzorgingsinformatie konden opzoeken en zich hiervoor niet steeds tot de kinderarts moesten wenden.

 

Geen spoor van Spock dus in de tijdschriften. Hoe zat het bij de artsen die actief waren in die jaren? Ook hier is de duidelijke afwijzing van Spock opvallend.

De voorzitter van de Vereniging voor Kindergeneeskunde, dr. Hendrickx, zet al de toon: bij de ouders heeft het boek van Spock veel belangstelling gewekt, bij de kinderartsen totaal niet[224].

Volgens dr. Blancke, gepensioneerd voorzitter van de medisch adviseurs (NWK) en medisch adviseur van Oost-Vlaanderen, waren kinderartsen in de jaren ’50 en ’60 vooral curatief gericht en nog niet preventief[225]. Ze hadden geen tijd en belangstelling voor preventie, want in die periode zijn er nog erge kinderziekten: pneumoniën, diarrees, etc. En het is precies dit, volgens dr. Blancke, dat het succes van dr. Spock verklaart. Hij vult de leemte op met zinnige taal. Dr. Blancke was actief als kinderarts vanaf de jaren ’70.

Dr. Vercruysse sprak niet met ouders over het boek en promootte het evenmin. De kinderarts en het NWK hadden het meest invloed op de ouders.

Dr. Van Heule bevestigt ook dat hij Spock niet aanraadde[226]. Hij leidde in de jaren ’50 en ’60 naast zijn eigen praktijk, consultatiebureaus voor zuigelingen (NWK), eerst in Gent, later in Antwerpen. Naar die consultaties van het NWK kwamen vooral arbeidersvrouwen met hun kinderen. Er werd praktische informatie gegeven over verzorging (door de verpleegster) en vooral over de voeding (door de arts) en het kind werd gemeten en gewogen. Volgens hem had de arts in die jaren een enorme invloed op de ouders: zij aanvaarden alles klakkeloos, veel meer dan nu.

Dr. Van Heule heeft Spock in die jaren zelf gelezen, maar was er helemaal niet mee akkoord. Reden: de tips en richtlijnen aangaande opvoeding waren veel te laks en permissief. Zijn tips over voeding en hygiëne waren wel perfect. Ook symptomen van koorts, hoesten, vlekjes op de huid etc. worden zeer goed besproken. Een bevriend kinderarts raadde dat boek evenzeer af, precies wegens die te losse opvoeding. Dr. Van Heule spreekt expliciet van slechte, permissieve raad en daarom hadden Vlaamse kinderartsen het niet voor Spock. Ook dr. Van Hille heeft het boek gelezen en promootte het absoluut niet, reden: té anti-autoritair[227].

Toch erkent dr. Van Heule dat er ook heel wat goede zaken in het boek staan: vooral over de voedingstips is hij bijzonder lovend. Hij had echter geen tijd en interesse om het boek aan te raden: zijn doel was de bestrijding van de kindersterfte: veel te veel kinderen gingen dood aan diarree tengevolge van slechte voeding. Heel langzaam kon het NWK de arbeiders doen inzien dat melk met suiker en bloem slecht was voor de zuigeling. Fruitpap vanaf de derde à vierde maand en aardappelpuree met groenten vanaf de vijfde maand, was veel evenwichtiger voeding.

Volgens hem was er wel een verschil in leespubliek, gebaseerd op het socio-cultureel niveau. Volksmensen lazen het boek niet: geen tijd, geen geld, geen interesse, te laag geschoold (schoolplicht tot 12 jaar, later 16 jaar). De middenklasse daarentegen nam het boek wel ter hand: de kindersterfte was daar beduidend minder hoog en ze hadden ook meer tijd.

 

Dr. Van Kerckvoorde[228] en dr. Standaerd[229], zijn vlakaf vernietigend in hun commentaar over Spock. Het is geen wetenschappelijk boek, geen medische literatuur, maar een vulgariserend werk. Dr. Standaerd gebruikt zelfs de woorden “rotboek” en “onnozel”.

 

Hoewel dokters hierover zelf nooit spreken, betekende het boek voor hen wellicht ook een aanval op hun eer en almacht: zij waren bezig met belangrijke zaken (bestrijding van de kindersterfte) en wisten alles. Spock bedreigt hun monopoliepositie. Door het niet-aanraden van Spock bewaart de arts zijn onaantastbaar statuut en versterkt hij zijn aura.

Opmerkelijk is bijvoorbeeld de getuigenis van een van de door mij geïnterviewde ouder, mevrouw Janine Dauwe: wanneer zij iets suggereerde aan de dokter, antwoordde deze kort: “Wie is er hier de dokter?”[230]

 

Blijkbaar moet er in tien jaar tijd toch veel veranderd zijn: in 1960 verschijnt eindelijk een vernieuwend artikel in Acta Pediatrica Belgica: ”Het veranderend gelaat der pediatrie”[231]. In september 1960 verschijnt hetzelfde artikel ook in het Maandschrift voor Kindergeneeskunde. De ziekten waaraan kinderen vroeger stierven, voedingsstoornissen, infecties en gebreksziekten, zijn verminderd. Redenen zijn: de ontwikkelde communicatie in de moderne samenleving waardoor alle bevolkingsgroepen snel kunnen worden bereikt, maatschappelijke ontwikkelingen zoals gestegen welvaartspeil, meer kennis van algemene hygiëne en voedingshygiëne -treffende voorbeelden zijn de kant-en-klaarvoedingen van o.a. Nutricia en Nestlé-, de vaccinaties en vooral de na-oorlogse opkomst en snelle doorbraak van de chemotherapeutica en antibiotica. Een evolutie waar dr. Van Heule ons ook attent op maakte. In het artikel wordt ook melding gemaakt van een belangrijke ontwikkeling in Amerika: psychologie en psychiatrie oefenen een enorme invloed uit op het Amerikaanse publiek. Veeneklaas is ervan overtuigd dat deze evolutie ook naar Europa zal komen overwaaien door de toenemende contactintensiteit tussen Amerika en Europa. Een bewijs dat men hiervoor, en ipso facto ook voor Spock, in de jaren ‘60 meer open zal staan. Met de verdere ontwikkeling van de chemische en fysische aspecten van de geneeskunde, neemt ook het belang van het pycho-sociale aspect toe. Een evolutie die al in de schriftelijke bronnen duidelijk wordt vanaf het einde van de jaren ’50: er is meer en meer aandacht voor de psychologie van het kind (duidelijk in artikels en in aangeraden boeken).

Dr. Van Werveke, pediater in de jaren ’80, raadde dr. Spock wel aan de ouders aan[232]. Volgens haar haalden de ouders van deze generatie er vooral de opvoedkundige informatie uit. Dit kan volgens mij verklaard worden om volgende twee redenen. Ten eerste is zij een vrouw en misschien meer gevoelig voor de onzekerheid van ouders. Ten tweede heeft zij haar praktijk in de jaren ’80, dus op een moment dat Spock’s naam al een serieuze referentie is.

 

4.4.2. Het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn (NWK)

 

Sinds zijn oprichting door de wet van 5 september 1919, neemt het NWK in het maatschappijbeeld een vaste plaats in[233]. De Belgische overheid wenste de voor en tijdens WO I gegroeide “Moeder- en Kinderzorg” te coördineren. Artsen en verpleegsters gaven medisch-pedagogische begeleiding aan jonge moeders op prenatale, zuigelingen- en kleuterconsultaties. De vele diensten waren op de eerste plaats op de volksklasse afgestemd. De arts en de verpleegster boden concrete hulp en gaven richtlijnen aan de jonge moeder. Oorspronkelijk gaf enkel de arts raad aan de vrouw, later groeide dit uit tot een netwerk van collectieve theoretische en praktische lessen, tot het inlassen van een noot in het huwelijksboekje, tot publicatie van brochures, pamfletten, etc.[234] Spilfiguren waren de verpleegsters die de kraamvrouwen aan huis bezochten.

Het Kind is een maandblad dat verondersteld wordt de NWK-ploeg drijvend en/of gemotiveerd te houden.

 

Het Kind

 

Algemene vaststelling in het tijdschrift van het NWK: reeds vanaf 1952 zijn er duidelijke aanwijzingen dat de redactie van het tijdschrift doordrongen is van de Spock-ideologie. Een kleine tien jaar lang verschijnen artikels geïnspireerd door Spock, zijn naam wordt echter nooit vermeld, noch in boekbesprekingen, noch in bibliografieën, noch in aanwinsten voor de bibliotheek. Het duurt tot 1961 vooraleer de naam “Spock” echt in het tijdschrift verschijnt. Vanaf 1961 wordt Spock dan ook gepromoot door het tijdschrift, vele jaren lang. De jaren ‘50 staan dus loodrecht tegenover de jaren ‘60. Tijdens de jaren ’50 worden enkele van zijn ideeën weergegeven, in de jaren ‘60 daarentegen, wordt hij wel expliciet aangeraden aan jonge ouders.

 

Na WO II hervat het tijdschrift zijn werkzaamheden in 1947. Vanaf dan heb ik het tijdschrift systematisch doorgenomen tot en met 1970. Ik vind geen enkele aanwijzing dat de Engelstalige Baby and Child Care eventueel in Vlaanderen zou bekend geweest zijn vóór 1950.

 

In de jaren ‘50 is er matige aandacht voor een meer psychologische benadering van het kind. De evoluties in Amerika worden besproken, maar de boodschap is dat de Vlaamse artsen zelf moeten beslissen of ze dit eventueel overnemen[235]. Een zeker scepticisme dus tegenover Amerika, maar zeker ook tegen de psychologische evoluties zelf. Er rust zo’n grote verantwoordelijkheid op de ouders en ze kunnen zoveel verkeerd doen, dat ze onzeker worden. In 1956 verschijnt een pleidooi om niet meer met een opvoedingsboek op te voeden[236]. Dit veroorzaakt alleen maar onzekerheid. De ouder moet zich op voorhand informeren. Door die opgedane kennis, moet hij dan een natuurlijke houding vinden. Hij moet een evenwicht vinden tussen vroeger en nu, tussen bevelen en stimuleren, tussen toegeven en begrijpen. Deze oproep om niet meer met een handleiding op te voeden, is naar mijn mening nogal vreemd, want het tijdschrift bevat veel boekbesprekingen van opvoedingsboeken!

 

Volgens mij worden Spock’s denkbeelden geregeld overgenomen. Ik geef enkele veelzeggende voorbeelden: men komt in 1952 tot het besef dat de psychologische ervaringen die het kind vroeg opdoet, zijn weerslag kunnen hebben op het volwassen gedrag[237]. Bij de zindelijkheidstraining stelt men in 1955 dat de ouder niet gehaast of ongeduldig mag zijn[238]. Een ander willekeurig voorbeeld gaat over discipline aanleren: door liefdevolle vastberadenheid krijgen de ouders medewerking van het kind; harde en strenge woorden veroorzaken alleen maar verbittering en wrok. Drie adviezen die pertinent reeds vermeld worden door Spock in 1946. Daar bovenop verschijnt in 1961 een zeer opvallend artikel over de veranderde visies op opvoeding[239]. Dit artikel geeft volgens mij de kern van Spock’s ideeën weer. Er wordt gespot met de oude raadgevingen (vaste schema’s, weinig affectie, regelmaat,…) naar aanleiding van een nieuwe uitgave van Infant Care, de handleiding voor kinderverzorging van het Children’s Bureau van de Verenigde Staten. Er is nu meer en meer aandacht voor behoefte aan tederheid en genegenheid. Ook beseft men dat de rol van de vader veranderd is. Hij krijgt een steeds grotere taak: badje geven, spelen met de baby, eten geven, zelfs af en toe luiers verversen. Er wordt gesteld dat de waarheid verandert met de tijd: de geneeskunde en de psychologie hebben sinds 1914 veel wijzigingen ondergaan. Ze zijn een nieuwe weg opgegaan, een weg van observatie, van ondervinding, van onderzoek, in één woord van wetenschap. Toch heeft men oog voor het feit dat de kinderen van toen, die een heel strenge opvoeding kregen, nu allen zijn opgegroeid tot flinke mensen. Volgens hetzelfde artikel is het niet juist alles wat van “vroeger” is te verfoeien en alles wat “modern” is op te hemelen. We moeten goed onthouden dat ons gezond verstand telkens de gulden middenweg kiest en de uitersten aan de liefhebbers laat. Liefdevolle ouders hebben het bij het rechte eind als ze goed maar vastberaden optreden. In tegenstelling tot niet zo heel lang geleden is de tegenwoordige opvoedingsmethode niet dogmatisch. De moderne leer laat ouders met meer zelfvertrouwen hun gang gaan: “Doe eerlijk en spontaan wat ge meent dat goed is”[240].

 

De kern van Spock’s gedachtegoed wordt dus duidelijk wel weergegeven in het NWK in de jaren ‘50, zonder de expliciete vernoeming van zijn naam. Een bewijs dus dat Spock ideeën verwoordt die wel gangbaar waren.

 

Een belangrijke opmerking verschijnt in het jaarverslag van 1961:

“Met voldoening wordt bemerkt dat dag- en weekbladen steeds meer plaats inruimen voor artikelen nopens de verzorging en opvoeding van de kinderen. Dit duidt op een groeiende belangstelling en is als zodanig een constatering die hoopvol stemt voor de toekomst”[241].

Deze opmerking laat toch doorschijnen dat men in de jaren ‘60 meer openstaat voor deze materie dan in de jaren ‘50. Met de verbeterde conjunctuur, zet men de stap naar preventie. Dit verklaart het feit dat in de jaren ‘60 wél letterlijke verwijzingen naar Spock te vinden zijn, en dat hij zelfs aangeraden wordt.

 

In de reeks “technieken inzake gezondheidsopvoeding”, vanaf 1961, verschijnt een artikel over slaap[242]. Wekken van een baby kan niet, want Spock schreef: “Iedere baby heeft zijn eigen slaapprogramma, en heeft de neiging om dagelijks op dezelfde uren wakker te worden: stoor dat ritme niet.[243] Bij het onderdeel “nog enkele dikwijls gestelde vragen”, wordt rechtstreeks verwezen naar Spock bij volgende vragen[244]:

- Wanneer moet de kleine in een afzonderlijke kamer slapen? (Dringen we aan om te vermijden dat deze verandering zou gebeuren op het ogenblik van een geboorte van een klein broertje, de “verbanning” zou des te pijnlijker worden.)[245]

- Moet er geantwoord worden als het kind vanuit zijn bedje roept?

- Wat doen wanneer een kind weigert te gaan slapen?

- Moet men baby, of de kleuter laten wenen?

Bij de referenties wordt Baby- en kinderverzorging aangeraden!

 

In 1964 komt een ander boek van Spock in de bibliotheek van het NWK: Baby’s eerste jaar[246]. Het boek dateert van 1958.

 

Nog in 1964 verschijnt het artikel “de jonge moeder” in de reeks “technieken inzake gezondheidsopvoeding”[247]. De auteurs geven alledaagse tips en richtlijnen aan de jonge moeder voor haar thuiskomst na de bevalling. Lectuur van Spock wordt bijzonder aangeraden.

 

In 1965 verschijnt in dezelfde reeks een bijdrage over zindelijk worden[248]. In een speciaal punt, “vergeet niet te lezen”, wordt Baby- en kleuterverzorging van Benjamin Spock aangeraden, samen met Kleine kinderen worden groot (dr. Snijders-Oomen), Omgang met kinderen (M. Knoop) en Kleuters die U zijn toevertrouwd. Kenmerkende bijzonderheden (dr. O. van Andel-Ripke).

 

Het artikel “boeken in het oog van de belangstelling, literatuurlijst” verschijnt in 1966[249]. Voor vijf gebieden worden nuttige en handige boeken aan ouders aangeraden: ontwikkeling en hygiëne van de kleuter, psychologie en opvoedkunde, handleidingen voor ouders, het kind en zijn ontspanning, seksuele opvoeding. Bij “handleidingen voor ouders” wordt Spock aangeraden (de uitgave van 1963). Het boek wordt blijkbaar echt aangeraden aan ouders als een handleiding, als een gebruiksboek.

 

In het artikel, “Gezag en gehoorzaamheid, stimulans of rem voor de persoonlijkheidsontwikkeling van het kind” (1969)[250], wordt geschreven dat de manier van opvoeden nauw samenhangt met het mensbeeld dat men zich, onder invloed van de wetenschap, op een bepaald ogenblik vormt. Er wordt een kort overzicht gegeven van de opvoedingsmethoden. Rond de eerste wereldoorlog ziet men het kind als gedreven door allerlei driften. Om de driften binnen de perken te houden, moeten de ouders heel streng zijn. Rond de tweede wereldoorlog daarentegen, wordt het kind gezien als een argeloos, onschuldig wezen. Het kind is in se goed. Het ouderschap moet een bron van vreugde zijn. De ouders mogen het kind niet straffen of niet dwingen iets te doen. Laissez faire, laissez passer, was het credo. Nu, op het eind van de jaren ‘60 ziet men in dat het fout is een kind volledig vrij te laten. Het kind heeft leiding en steun nodig.

Het artikel geeft op de vraag wat nu een goede opvoeding is, volgend antwoord:

“Een goede opvoeding vindt het evenwicht tussen aansporing tot spontaneïteit en vrijheid enerzijds en training en conformiteit anderzijds. Het kind heeft rechten en privileges, maar ook plichten en verantwoordelijkheden”[251].

Een opvoedingsrelatie is gebaseerd op liefde en oprechtheid. Niet onbelangrijk is dat ook de vader betrokken wordt bij de discipline: hij moet consistent, evenwichtig en met liefde leiding geven. We herkennen hier opnieuw duidelijk de hoofdideeën van Spock in en de typische sfeer van het eind van de jaren ‘60. Spock is opgenomen in de bibliografie van het artikel[252].

 

4.4.3. Kinderverzorgsters en -verpleegsters

 

Wegens het bronnenprobleem kan dit niveau niet diep onderzocht worden[253]. Yvonne Van Breda[254], gepensioneerde directrice van de katholieke hogeschool van Leuven, vertelde dat het boek van dr. Spock zeker niet gepromoot werd in de lessen. Het was te volks. Het boek dient voor jonge moeders die er niets van weten. Het boek is gemakkelijk opgesteld en diende als leidraad. Volgens haar werd het boek vooral mondeling gepromoot, het wordt doorgezegd. Verpleegsters kunnen niets doen met een boek dat voor jonge moeders is.

 

In de door mij doorgenomen vaktijdschriften, is geen enkele verwijzing naar Spock gevonden. Spock kon dus Vlaanderen niet binnenkomen via de verpleegsters omdat noch hun leerplannen, noch hun postacademische literatuur daarover aanwijzingen gaf.

 

VKVV Verbond der katholieke Vlaamse verpleegsters

 

VKVV Verbond der katholieke Vlaamse verpleegsters is een bijzonder katholiek tijdschrift, met onder andere volgende rubrieken: godsdienstige rubriek, internationale rubriek, sociale rubriek, geneeskundige rubriek, beroepskennis, verbondsleven, nursing, boekennieuws, etc. Hierin vind ik onder andere informatie over de opleiding tot kinderverzorgster[255]. Het gaat om een “nieuweling in het verplegingsvak in ons land[256]. De functie wordt als noodzakelijk beschouwd: naast de verpleging van het zieke kind, moet er ook aandacht zijn voor de verzorging van het gezonde kind. Een verpleegster is opgeleid om te verplegen, een kinderverzorgster mag niet hoofdzakelijk opgeleid worden om te verplegen, wel om te verzorgen en op te voeden. Meisjes vanaf zestien jaar kunnen toegelaten worden tot de lessen die lopen over twee jaar, verlofdagen en stages inbegrepen. Vereisten zijn een diploma van het lager middelbaar onderwijs bezitten of een toelatingsexamen afleggen. Het leerprogramma is volledig opgenomen in het artikel.

Vooral omwille van liefde voor het kind, moeten meisjes deze opleiding volgen. Deze liefde wordt ontwikkeld door de kennis van de kinderpsychologie. De studie is gebaseerd op deze kennis. Opmerkelijk zijn de zinnen: “… Men staat verbaasd over het gemis aan praktische literatuur, in het Vlaams althans, nopens het kind. Ons land kent enkele grote namen in de kinderopvoeding en om er maar een te noemen: De Croly. Doch weinige Vlaamse wetenschappelijke schriften zijn er te vinden, zodat men veelal aangewezen wordt op buitenlandse boeken. …”[257] We moeten gissen: is de Nederlandstalige versie dan nog niet verschenen (tijdschrift juli 1950, release Baby- en kleuterverzorging: maand onbekend) of kende men het boek al, maar was dat te populair, niet intellectueel genoeg. Waarschijnlijk was het de laatste reden: het boek kan niet als cursusboek gebruikt worden.

 

Verpleegster en Gemeenschapszorg

 

Verpleegster en Gemeenschapszorg is uitgegeven door het Nationaal Verbond der Katholieke Vlaamse Verpleegsters. Het tijdschrift verschijnt tweemaandelijks en bevat volgende rubrieken: medische rubriek, christelijke moraal, sociale rubriek, beroepsaangelegenheden, internationale kroniek, Kongo-nieuws, kunst en cultuur en boeken van de maand. Geen enkel artikel gaf enige verwijzing naar Spock.

 

Verplegenden en Gemeenschapszorg

 

In Verplegenden en Gemeenschapszorg zijn evenmin aanwijzingen gevonden. Enkel in een artikel van 1961 vind ik een verwijzing naar de drie moderne medische middelen bij de opvoeding van het kind[258]: 1. moedercursussen (rechtstreekse lessen), 2. consultatiebureaus, 3. huisbezoek van de verpleegster. Wat opvalt, is de afhankelijkheid van derden. Ouders moeten raad vragen aan professionele instanties en kunnen blijkbaar niet zelf beslissen of zelfstandig handelen. Er is een enorme belerendheid. Bovendien zijn de drie pijlers van zuigelingenzorg die van het NWK. Blijkbaar neemt het tijdschrift Verplegenden en gemeenschapszorg de geest en ideologie van het NWK over. Waarschijnlijk zelfs is de auteur, kinderarts Speybrouck, tegelijk medisch adviseur van het NWK, maar dit heb ik niet kunnen bevestigd vinden.

 

De vroedvrouw

 

De vroedvrouw, het katholiek tijdschrift voor vroedkunde, sociale moederschapszorg en kinderwelzijn, is een orgaan van het Algemeen Verbond der Vroedvrouwen en Vroedvrouwenscholen van België.

Ook de vroedvrouwen wordt gewezen op het belang van zuigelingen- en kleuterpsychologie. Gediplomeerde vroedvrouwen krijgen hierover in naschoolse leergangen meer informatie[259]. Het motto is “ken het kind!”. De bijdrage van dr. Willemijns, medisch adviseur van het NWK, verschijnt in maart 1952: “Schema’s voor de natuurlijke en de onnatuurlijke voeding van de zuigeling”. Complete schema’s voor de voeding (borstvoeding of natuurlijke voeding en kunstmatige of onnatuurlijke voeding) worden er gegeven.

 

Concreet over kinderopvoeding is hier echter niets te vinden. Na rijp beraad is dan ook besloten dit spoor niet verder uit te diepen.

 

4.4.4. De verzuilde organisaties

 

Verzuiling

 

Toen de vrijzinnigen in de 19de eeuw een politieke machtsfactor werden, had de Kerk reeds een sterke machtspositie binnen de staat. Via het onderwijs, de gezondheidszorg, de caritatieve instellingen en de parochiale verweving met de gemeenten werd die macht gestructureerd. Binnen die structuren worden strategieën uitgewerkt om het gedragspatroon van de gelovige bevolking te beïnvloeden en dit gedrag te kanaliseren[260]. De doelstellingen van de liberalen en de socialisten druisen regelrecht in tegen die van de katholieken. De liberalen willen de macht van de Kerk inpalmen door zoveel mogelijk taken aan de overheid toe te vertrouwen. De socialisten proberen via het algemeen stemrecht de macht over de staat te veroveren, met de bedoeling de macht van het kapitaal te breken en te onderwerpen. In katholieke kringen veroorzaakt dit de reflex om het bestaande machtssysteem liefst nog te versterken. Dit zou gebeuren door de uitbouw van eigen machtsstructuren binnen de staat. Het doel van de katholieken was dus zoveel mogelijk overheidsfuncties over te hevelen naar hun organisaties en die door de gemeenschap te laten financieren.

Deze drang tot machtsbehoud heeft geleid tot het ontstaan van aparte, sterk van elkaar verschillende organisaties. Elke zuil probeerde uiteraard zoveel mogelijk leden naar haar organisatie te lokken. Zo hebben zowel de socialistische beweging als de katholieke vrouwenverenigingen, in samenwerking met het NWK, een net van raadplegingen voor zuigelingen uitgebouwd. De wet op het NWK van 1919 bepaalde dat raadplegingen gesubsidieerd moeten worden, wanneer ze aan een aantal basisnormen voldoen[261].

 

Vandaag wordt de ideologische macht van de zuilen meer en meer uitgehold. In onze “geëmancipeerde” samenleving komen individuen steeds meer voor zichzelf op en laten ze zich steeds minder binden door elementen als klasse, geslacht of leeftijd. Door de secularisering van de samenleving en de schaalvergroting van de wereldbeleving (onder meer door toegenomen verkeersmogelijkheden en media), hebben de instituties een veel kleinere impact op de waardebeleving van individuen. Mensen voelen zich autonoom en niet meer levenslang gebonden aan de vaste waarheid van bepaalde instituties[262].

 

1. De katholieken

 

Net zoals de katholieke partij, is ook de katholieke vrouwenbeweging opgebouwd volgens de standen: er is een groepering van middenstandsvrouwen (CMBV), er is de Boerinnenbond voor plattelandsvrouwen en bij de Christelijke Arbeidersvrouwenbeweging (KAV), kunnen arbeidersvrouwen terecht.

Van al deze vrouwenbewegingen heeft alleen KAV actieve aandacht voor Spock.

 

1.1. CMBV

 

De Vrouw in Middenstand en Burgerij

 

In De Vrouw in Middenstand en Burgerij verschijnen er geen artikels over dr. Spock in de jaren dat er aandacht zou kunnen geweest zijn. Toch, helemaal doodgezwegen wordt hij niet. In het archief van CMBV, over de nationale kaderdag van 1966, zit de folder “een vrouw, een woorden…boek”[263].

“Omdat een dame uit middenstand en burgerij toch ook eens wat meer mag lezen dan de sensatieberichtjes in de krant, de brieven aan tante Vera, de haute couture dromen uit een modeblad of het schoolrapport van de kleine, wordt een waslijst boeken aangeraden die het kopen en tentoonstellen waard zijn”.

Tussen allerhande Vlaamse romans (o.a. Maria Rosseels: Dood van een non, Ernest Claes: Omnibus I, II en III), kookboeken, godsdienstige boeken, staan ook Pernoud (Ik verwacht een baby) en Spock (Baby- en kinderverzorging). Deze vermelding toont aan dat het boek wellicht mondeling werd doorgegeven (op de vergaderingen) na een positieve ervaring van enkele (kader)leden. Het is ook een aanduiding dat het vanzelfsprekend alledaagse niet noodzakelijk in de bronnen werd/wordt opgenomen.

 

1.2. KAV

 

Vanaf 1921 worden door KAV raadplegingen voor zuigelingen en zwangere vrouwen gehouden[264]. Deze raadplegingen hebben de verdienste moeders te bereiken die uit eigen beweging nooit op een dokter of kinderspecialist beroep zullen doen. De dienst voor huishoudlessen wordt in 1924 opgericht en groeit uit tot de Praktische School, via dewelke KAV gemakkelijk tot het volkse publiek kan doordringen. Ook op het terrein van het gezinsleven is KAV als vormingsbeweging werkzaam. In dat kader worden lessen georganiseerd over kinderopvoeding en huwelijksleven en praktische cursussen voor huishoudelijke opleiding en hygiëne. De invloed van de pastoor is hierbij zeer groot.

Het ledenaantal van de beweging stijgt bijna constant vanaf 1950. Omstreeks 1980 zijn er al meer dan 300.000 leden[265].

 

Vrouwenbeweging

 

Dit maandblad van KAV promoot Spock actief: Baby- en kleuterverzorging van dr. Benjemin[266] Spock, wordt bijzonder aangeprezen in “Wij hebben het gevonden!” (1954)[267]. De auteur, dr. Lindemans, looft in hoofdzaak de vorm: de grappige schetsen van Dorothea Fox, de indeling in kleine hoofdstukjes, etc. Het is geen vermoeiend studieboek, maar heerlijk ontspannend.

“Het is veilig en goed om het in huis te hebben, want het zal een betrouwenswaardige en geruststellende vriend worden, die zich in alle omstandigheden met veel liefde en belangstelling tot U zal richten om over U en uw kindje te praten”.

Ook lof voor dr. Dop, kinderarts, die het werk dat voor de Amerikaanse moeders geschreven werd, zeer goed aanpaste.

 

Dageraad

 

In 1955 verschijnt in Dageraad, het tijdschrift van KAV voor jonggehuwden, een artikel van de hand van dokter B. Spock zelf, “te magere en te dikke kinderen”[268]. Het 6 pagina’s tellende artikel is veelzeggend: Spock krijgt echt aandacht in een artikel dat zich richt tot moeders. Er wordt niet vermeld of het artikel vertaald is of uit een van zijn boeken komt. Alleszins is het een doorlopende tekst en niet in kleine onderdeeltjes verdeeld zoals in Baby- en kleuterverzorging. Na een opsomming van mogelijke oorzaken van respectievelijk magere en dikke kinderen, geeft Spock enkele concrete tips om wat aan te komen of te vermageren. Dit gaat samen met zijn kenmerkend advies: raadpleeg eerst je dokter!

Onderaan het artikel staat een opvallend kader met daarin de boodschap: “Lees het prettige en zeer degelijke boek van dokter Spock over “Baby- en kleuterverzorging”. Elke jonge moeder vindt er haar gading in”[269]. Spock wordt hier dus bijzonder warm aanbevolen!

 

Moeder- en Kinderzorg

 

Ook Moeder- en Kinderzorg, het tijdschrift voor de coördinatoren van de raadplegingen van KAV, heeft aandacht voor Spock. In 1954 verschijnt het artikel “in een hoekske met een boekske”, waarin een lijst met aanbevolen boeken in verband met kinderverzorging en -opvoeding is opgenomen[270]. Immers, er zijn nog teveel moeders die hierover onvoldoende geïnformeerd zijn. Een goed boek geeft een verantwoorde uitleg en laat geen angst en zorgen meer toe bij de moeder. De lijst telt een 20-tal boeken, die variëren in prijs. De goedkoopste boeken zijn uitgaven van de katholieke zuil zelf: Verpleging van moeder en kind (32 fr.), Nieuwe geboorte, (15 fr.), Kennen wij onze kinderen (6,50 fr.) en Kennen wij onze grote kinderen (13,50 fr.). Daarnaast zijn er nog 3 boeken van Inga Lorenz Herzog: Als u moeder wordt (36 fr.), Mijn kind in het eerste levensjaar (45 fr.) en Gezonde en vrolijke kinderen (45 fr.).

Spock’s Baby- en kleuterzorg wordt ook aanbevolen. Het boek telt 400 bladzijden en kost 70 fr. Begeleidende commentaar: “Heel plezierig om lezen en prettig geïllustreerd met een antwoord op praktisch alle vragen in verband met kinderen van 0 tot 16 jaar. Op gebied van moraal strikt “neutraal”. Maar elke moeder is er door geboeid en leert er wat in”[271]. Blijkbaar wordt geapprecieerd dat Spock geen verzuild boek is (niet specifiek gericht tot katholieken, socialisten of vrijzinnigen), maar voor iedereen toegankelijk is.

Alleen Daels (Voor moeder en zuigeling, 72 fr.), Bradford (Laat ons even over onze kinderen praten, 80 fr.), en Pereira d’Oliveria (Wij verwachten ons kindje, 85 fr.) zijn nog duurder. Opmerkelijk is dat de ster van Daels begint te tanen: het boek blijft een standaardwerk, maar er wordt wel opgemerkt dat zijn opvatting over huwelijksleven tijdens de zwangerschap niet meer actueel is.

 

In de volgende aflevering van het tijdschrift wordt de reeks voortgezet[272]. Nu worden ook titels van boeken gegeven voor Franstalige moeders die naar de raadplegingen komen. Ook hier Spock: Comment soigner et éduquer son enfant?, collection Marabout, 50 fr. Er is geen uitgever vermeld en deze Franstalige versie is 20 fr. goedkoper dan de Nederlandstalige. Ook “de Franstalige versie van het zeer goede Baby- en kleuterzorg” wordt aanbevolen.

 

Berichtenblaadje ten gerieve van de comitéleden der aangesloten raadplegingen

 

In het Berichtenblaadje ten gerieve van de comitéleden der aangesloten raadplegingen wordt Spock vier maal vermeld.

In de reeks “Prettige boeken voor het wachtplaatske” worden goede boeken over kinderverzorging en -opvoeding voorgesteld die de comité-dame aan de moeders kan voorstellen. In 1960 wordt Spock twee maal vermeld: eenmaal bij de heruitgaven en eenmaal bij de nieuwe boeken[273]. De geheel herziene en uitgebreide 10de druk van Baby- en kinderverzorging wordt voorgesteld, 1 jaar na het verschijnen ervan. De commentaar is bijzonder lovend: “het is een enig boek en ook het meest geliefde, zowel bij mensen die hun eerste spruit leren verzorgen, als bij degenen, die al een heel troepje bij mekaar hebben”[274]. Er is ook aandacht voor de zovele herdrukken. Dit betekent op zich al veel. De eerste herziening is tot stand gekomen na honderden gesprekken met moeders, vaders, kinderartsen en verpleegsters over de inhoud van het boek. De iets hogere prijs wordt verklaard door de ruim 100 bladzijden meer. De exacte prijs wordt echter niet vermeld. Opvallend zijn de 805 paragrafen in plaats van de vroegere 507 en het nieuwe kinderkopje dat de kaft siert.

 

Baby’s eerste jaar van Spock wordt besproken bij de nieuwe boeken. Dit boek is bijzonder interessant voor moeders die niet gewoon zijn veel te lezen: aan de hand van 72 foto’s volgen we het leven van een meisje tot haar eerste verjaardag. Naast elke foto schrijft Spock opmerkingen die hij zou gemaakt hebben tijdens een gesprek met de ouders over de lichamelijke en geestelijke verzorging van een baby in het gezin.

 

In 1961 verschijnt in de rubriek “Ditjes en datjes” dat het eerder aanbevolen boek Baby’s eerste jaar van Spock, uitgeput is, maar herdrukt wordt[275].

 

In 1964 wordt zijn boek Eten met plezier gerecenseerd en aanbevolen[276]. Heel opvallend is de opmerking tussen haakjes: “Wie kent zijn handboek niet “Baby- en kleuterverzorging” vertaald in 28 talen!”

 

Hieruit kunnen we besluiten dat Spock zeker werd aanbevolen op de zuigelingenraadplegingen van KAV, maar niet exclusief!

 

1.3. Boerinnenbond (KVLV)

 

In de tijdschriften van de Boerinnenbond vind ik geen enkele keer de naam Spock terug. Wel opvallend is dat de organisatie zowel in de jaren ’50 als ’60, zijn eigen publicaties enorm promoot, bijvoorbeeld Verpleging van moeder en kind, De toekomst van onze kinderen, Ons kindje wordt verwacht, etc. De Boerinnenbond probeert op een drietal manieren de jonge moeder te bereiken: door het tijdschrift Brieven aan jonge moeders (vanaf 1955: Brieven aan jonge gezinnen), door de rubriek van tante Betty in Bij de haard en door de “onder-onsjes”. Op hun “onder-onsjes”, echte lesnamiddagen, geven de verantwoordelijken informatie over opvoeding en verzorging van kinderen.

 

2. De socialisten

 

Stem der Vrouw

 

In de eerste na-oorlogse aflevering van het socialistisch tijdschrift zet de redactie haar doelstellingen duidelijk uiteen[277]. De nadruk wordt vooral gelegd op haar opvoedende taak. Het maandblad vestigt de aandacht op het interesseveld van de vrouw: het gezin, huwelijk, moederschap, opvoeding en verzorging van kinderen, hygiëne, gezelligheid en comfort in het gezin, huishoudelijke bezigheden, etc. De oplage stijgt zienderogen: van 130.450 (januari 1959) naar 210.500 (februari 1967). De cijfers bewijzen een ruim lezerspubliek[278].

 

20 jaar Stem der Vrouw levert twee artikels over Spock’s Baby- en kleuterverzorging op. Al in 1951 verschijnt een recensie over het boek (1 pagina uit het tijdschrift)[279]. Ondanks het feit dat er al verscheidene Nederlandse boeken over kinderverzorging bestaan, wordt het boek van dr. Spock toch bijzonder gevonden. Reden: het is een populair naslagwerk, waarin men gemakkelijk het antwoord vindt op bijna alle vragen in verband met opvoeding en verzorging van een kind.

Over Spock zelf wordt gezegd dat hij eerst kinderarts was in New York en nu in de “Mayo-kliniek” in Rochester. Dit klopt met de werkelijkheid.

De bewerking gebeurde door dr. Fiedeldij Dop. Hij past vooral de voeding aan aan de nieuwste in Nederland gekende en toegepaste inzichten. De vertaling werd gemaakt door Beatrice Willing, een schrijfster die ook over kinderopvoeding heeft geschreven.

Kritiek op de vorm heeft betrekking op het feit dat de druk van de 500 bladzijden nogal klein is, waarschijnlijk om het boek als pocket-boek te kunnen uitgeven. Dit ene negatieve punt wordt echter gecompenseerd door de vele positieve punten:

- De “prettige eenvoudige stijl”.

- De “belangrijkheid van de inhoud voor elke moeder en vader”.

- Hier en daar wordt de tekst “verlucht door goede pentekeningen”.

- Er is een inhoudsopgave en aan het einde een alfabetische index van 25 pagina’s. Door het “klapwoord” op te zoeken, kan je het antwoord vinden in de aangeduide paragrafen.

De recensent apprecieert dus voornamelijk de vorm, de gebruiksvriendelijkheid. Dit wordt nog versterkt door volgende inhoudskritiek:

“Persoonlijk ben ik het niet eens met de ver doorgedreven vrijheid in de opvoeding die in dit boekje aanbevolen wordt en die de mode is in Amerika en Nederland, klaarblijkelijk als reactie op een overdreven regelmatigheid die nog voor kort bij de kinderverzorging gehuldigd werd. Het lijkt mij echter dat men in Amerika reeds stilaan terugkomt van de overdreven vrijheid die men nog jonge kinderen laat in hun spreken en handelen, en in ieder geval dat in ons land de moeders die moeten leren hun kinderen op regelmatige en gepaste tijden te laten eten en rusten, nog talrijker zijn dan dezen die gewaarschuwd moeten worden tegen overdrijving in de regelmatigheid en discipline. Bovendien ben ik er ook niet van overtuigd dat de resultaten van een vrijere opvoeding zoals die in Nederland nu mode is, beter is dan een opvoeding die streeft naar een redelijke synthese van vrijheid en discipline. Dit is mijn enige maar belangrijk voorbehoud tegenover dit overigens uitstekende handboek.”

 

Twee jaar later, in 1953, publiceert Stem der Vrouw een tweede recensie[280]. Dezelfde auteur, VDL, maakt de tweede druk (1952) bekend. De nadruk wordt nogmaals gelegd op het feit dat het geen leesboek is, maar een naslagwerk. Behalve de weglating van de biografische gegevens, is het artikel van 1951 volledig overgenomen.

 

Besluit katholieken en socialisten

 

De sterke verzuiling valt op: zowel de katholieken als de socialisten hebben elk een eigen kanaal van kinderverzorging en –opvoeding met eigen consultatiebureaus en eigen adviezen (de katholieken hebben zelfs eigen publicaties).

Van doodzwijgen is bij de zuilen geen sprake, Spock krijgt wel aandacht, zij het beperkt. Uit de artikels kan ik toch afleiden dat het voornamelijk de vorm is die geapprecieerd wordt. De katholieken vinden hem neutraal op gebied van moraal, de socialisten hebben kritiek op de grote vrijheid die hij voorstaat.

Het is natuurlijk mogelijk dat er weinig of niets in de tijdschriften staat, maar dat de organisatie bijvoorbeeld wel vormingscursussen geeft. Ik denk hierbij aan KAV, CMBV, pre- en postnatale raadplegingen van NWK, etc. Op die vormingscursussen kan dan wel ingegaan zijn op het boek van dr. Spock. Uit tijdsgebrek kan ik dit niet allemaal grondiger onderzoeken, maar aanwijzingen zijn hiervoor gevonden: in Moeder- en Kinderzorg wordt het boek aanbevolen bij de coördinatrices van de raadplegingen. Zij moeten de moeders ermee in contact brengen. In het archief van CMBV zit ook een folder waarin Spock wordt aanbevolen. Deze piste is misschien een suggestie voor nader onderzoek? Alleszins bewijst dit ook dat de verspreiding van Spock veeleer mondeling moet gebeurd zijn.

 

3. BGJG

 

In 1920 wordt de Bond der Talrijke Gezinnen opgericht[281]. De Bond kent in haar beginjaren medewerking van socialisten en liberalen, maar de leidende figuren op nationaal vlak zijn bijna exclusief katholieke persoonlijkheden, hoewel de organisatie zich op ideologisch en politiek vlak neutraal wil opstellen.

 

De Bond

 

In 1952 verschijnt in De Bond een bespreking van Baby- en kleuterverzorging[282]. Direct valt de enorme lapsus op: het boek van dr. Spoek wordt besproken. We zouden kunnen veronderstellen dat het om een doodgewone typfout gaat, maar zijn naam wordt tweemaal fout vermeld. Ik veronderstel dat dit wijst op het feit dat hij nog niet zo bekend is in Vlaanderen. Het boek wordt uitgebreid besproken op een half A3-blad. Opvallend is de zin in de inleiding:

Dit werk behandelt niet alleen de opvoeding van het kind in engere zin, maar bespreekt ook de meest voorkomende kinderziekten, zodat onze lezeressen er een betrouwbare steun aan zullen kunnen hebben bij de opvoeding en de verzorging van hun kinderen.

Ten eerste is de ruimheid en volledigheid opgevallen: zowel opvoeding als verzorging (kinderziekten) worden besproken. Ten tweede, er staat “lezeressen”. Blijkbaar leest alleen de vrouw het boek.

Volgens het artikel is de beste manier om met een boek kennis te maken, er enkele bladzijden uit lezen. Een aantal onderwerpen worden integraal overgedrukt, inclusief een tekening uit het boek. De capita selecta zijn: kunt U een baby bederven?, wanneer kan uw baby op drie maaltijden per dag worden gebracht?, de dingen laten vallen en weggooien.

De omkaderde bestelbon van uitgeverij Contact (Antwerpen) met nog wat extra reclame valt op:

Eindelijk! Een gezaghebbende geïllustreerde gids voor ouders en kinderverzorgers bij de dagelijkse zorg voor het kind van de geboorte tot en met de puberteit. … Een onmiskenbaar geschenk voor moeder. … Het werk is volledig op de praktijk afgestemd en het behandelt zowel het geestelijk als lichamelijk aspect van de opvoeding.”

Deze bestelbon, samen met het feit dat het artikel geen auteur heeft, doet mij vermoeden dat het om een commercieel artikel gaat.

 

In 1970 wordt het boek Dr. Spock over Vietnam, van dr. Spock en Mitchell Zimmerman, gerecenseerd[283]. Er wordt niet verwezen naar Baby- en kleuterverzorging.

 

4.4.5. De commerciële tijdschriften

 

De denkpiste die gevolgd werd, is de volgende: als blijkt dat er beduidend meer publiciteit gemaakt wordt in de commerciële tijdschriften dan in de zuilgebonden tijdschriften, moeten we hieruit afleiden dat de zuilen op het terrein van opvoeding en verzorging eigenlijk weinig of geen invloed hebben. Maar ook bij de commerciële tijdschriften is de oogst opvallend mager: enkel in 1969 en 1970 vind ik verwijzingen naar dr. Spock terug. Schijnbaar hebben de commerciële tijdschriften niet bijgedragen tot het verspreiden van Spock’s ideeëngoed in de jaren ’50 en ’60. De zuilgebonden tijdschriften waren hier duidelijk meer mee bezig, maar toch ook niet overdreven. Alleszins, op het eind van de jaren ’60 was de naam “Spock” een algemeen ingeburgerde merknaam voor kinderopvoeding. Dit laatste wordt aangetoond in Ouders van Nu, Rosita, Libelle en Rijk der Vrouw. Zij gebruiken eind de jaren ’60 zijn naam als quasi-icoon. Of zat er nog een ander mechanisme achter, met andere woorden, gebeurde de verspreiding nog op een andere manier dan via de zuilgebonden tijdschriften? Uit mijn verder onderzoek blijkt dat mond aan mond reclame ook zeker niet onderschat mag worden[284].

 

Ouders van Nu

 

Oplagecijfers van het tijdschrift van 1967 (oktober: startdatum), zijn bij de uitgeverij niet te verkrijgen. Voor 2000 zijn die cijfers wel beschikbaar: 13.000 per maand.

 

Pas in 1969 vinden we een letterlijke verwijzing naar Spock: zijn boek Het gehandicapte kind wordt aanbevolen in het artikel “het zwakzinnige kind” [285].

 

In 1970 wordt Spock vermeld in het artikel “Opvoeden per boek?”[286]. Er wordt onder andere besproken wie de kopers zijn van de talrijke populaire opvoedingsboeken: “Wat zijn het voor ouders die met Spock of soortgelijke boeken in hun hand onze jongste generatie hebben opgevoed of daarmede nog bezig zijn.” De auteur, prof. dr. Trimbos, ziet twee verschillende categorieën ouders die opvoedingshandleidingen gebruiken: enerzijds ouders die vanuit hun onzekerheid, aarzeling of angst een boek lezen. Zij verwachten voor elk probleem een oplossing te vinden in een boek als bijvoorbeeld Spock. Trimbos staat hier zeer kritisch tegenover: “emotionele problemen lost men niet op met het lezen van een boek, zelfs niet het voortreffelijke boek van Spock”. Het boek van Spock had volgens hem zoveel succes omdat het briljant is geschreven en juist uitkomt in een tijd dat velen zich bewust met de opvoeding van hun kinderen gingen bezighouden. Hij vermijdt exacte recepten te geven, maar geeft schouderklopjes en geruststellingen. Volgens Trimbos is het boek voortdurend misbruikt als receptenboek. Het wordt voornamelijk gebruikt als een bepaalde situatie uit de hand loopt. Er wordt te weinig begrepen dat de kern van het boek een pleidooi is voor een gezonde, vertrouwende, affectieve verbondenheid tussen ouders en kind. Hiervoor legt Trimbos de schuld bij het boek zelf: Spock geeft te weinig achtergrondinformatie en gaat vaak niet in op het waarom en het hoe. Daaraan is zeker ook behoefte.

Anderzijds is er een tweede categorie van ouders die meer en dieper informatie zoeken en op een bewustere, doordachte en zelfgekozen manier hun kind willen opvoeden.

Trimbos besluit met de boodschap dat een goed opvoedingsboek eigenlijk een goede informatiebron moet zijn, maar nooit een receptenboek mag zijn.

 

Rosita

 

Rosita maakt in 1969 een onrechtstreekse vermelding van dr. Spock[287]:

“… De Benjamin Spock uit die tijd, een Amerikaanse dokter, Emmet Holt genaamd, schreef: ‘wiegen en soortgelijke gewoonten zijn nergens goed voor en kunnen alleen maar schadelijk zijn.’…”

Het artikel gaat helemaal niet in op Spock’s overtuigingen, maar bewijst dat Spock zo ingeburgerd is, zo’n begrip geworden is, dat hij dient als referentie. Door Emmet Holt met Spock te vergelijken, wordt duidelijk dat Holt in zijn tijd ook veel succes had.

 

Libelle

 

Ook Libelle vermeldt Spock in 1969[288]. De auteur citeert Spock om het onderwerp in te leiden:

“Nagelbijten, schrijft de Amerikaan dr. Spock in zijn beroemd geworden boek, is een teken van nerveuze spanningen”.

In de rest van het artikel is er geen aandacht meer voor Spock. Libelle gaat er dus vanuit dat iedereen ruimschoots met Spock bekend is.

 

Het Rijk der Vrouw

 

In Het Rijk der Vrouw van 1969 verschijnt een recensie van het boek dr. Spock over Vietnam[289]. Ook hier krijgen we een verwijzing naar zijn bekendheid:

“… Van het verzet tegen de politiek van president Johnson legt het boek van dr. Spock -een naam die veel jonge moeders goed kennen- een schitterende getuigenis af. …”

Het is dus ook hier overduidelijk dat Spock op het eind van de jaren ’60 enorm bekend is.

 

Verschillend titelgebruik

 

Het is duidelijk: verschillende titels van het boek worden door elkaar gebruikt.

Het NWK heeft het in 1961 en 1964 over Baby- en kinderverzorging, in 1965 en 1966 over Baby- en kleuterverzorging en in 1969 gebruikt het NWK de Engelse titel Baby and Child Care. Vrouwenbeweging (1954) en Dageraad (1955) hebben het beide over Baby- en kleuterverzorging, Moeder- en Kinderzorg daarentegen over Baby- en kleuterzorg (1955). Het Berichtenblaadje ten gerieve van de comitéleden der aangesloten raadplegingen heeft het dan weer over Baby- en kinderverzorging (1960).

De socialisten gebruiken eerst Baby- en kleuterverzorging (1951) en daarna Baby- en kleuterzorg (1953), hoewel het om praktisch hetzelfde artikel gaat.

Ook De Bond gebruikt Baby- en kleuterverzorging (1952).

Bij de commerciële tijdschriften is Ouders van Nu het enige tijdschrift dat een titelvermelding van Spock’s boek geeft en deze is bovendien in het Engels (1970). De andere tijdschriften verwijzen enkel naar zijn naam.

 

Misschien heeft dit afwisselend gebruik van titels iets te maken met de twee verschillende uitgaven: een duurdere luxe-uitgave met harde kaft en een goedkopere pocketuitgave. Dit kon ik niet nader onderzoeken wegens het bronnenprobleem (ontoegankelijkheid uitgeverijen). Zeker is dat de eerste Nederlandstalige uitgave Baby- en kleuterverzorging als titel kreeg.

Bovendien vonden ouders wellicht de lange titel niet zo interessant en gebruikten ze alleen de welklinkende naam “Spock”. Hiervan vind ik enkel aanwijzingen in de commerciële tijdschriften: daar fungeert zijn naam als referentie.

 

4.5. De ouders aan het woord[290]

 

De schriftelijke bronnen brengen dus minder concrete resultaten dan vooropgesteld, ondanks intensief werk. Ik besloot het onderzoek uit te breiden met mondelinge bronnen. In de confrontatie met ouders stel ik een heel andere dynamiek vast: dr. Spock is bijzonder populair geweest en is het nog steeds!

 

Bij de interviews wordt de totaal verschillende visie tussen kinderartsen enerzijds en ouders anderzijds overduidelijk: kinderartsen vinden het boek veel te vulgariserend, zelfs een aanslag op hun doktersautoriteit, ouders daarentegen vinden dat precies de charme: zij appreciëren de toegankelijkheid van het boek.

Indicatoren van populariteit

 

Bepaalde uitdrukkingen zijn veelzeggend: “Baby and Child Care was onze bijbel.” (Frank Deckers), “Ik beschouwde het als een standaardwerk voor de dagdagelijkse omgang met kleine kinderen.” (Paula Indigne), “Dr. Spock was mijn goeroe, mijn rots in de branding in die voor mij erg onzekere tijden.” (Marleen Fransen), “Bij mijn vijfde kind kende ik het bijna van buiten.” (Josée Fransen), etc.

Zelfs de stijlfiguur metonymie wordt aangewend: men gebruikt de auteur voor het boek: “Dr. Spock staat al dertig jaar in mijn kast” (Francine Beeckmans). Een bijzondere indicatie voor zijn groot succes en het blinde vertrouwen van zijn lezers.

Vele ouders van toen gebruiken Spock nu voor hun kleinkinderen! (Francine Beeckmans) Heel mooi is ook het voorbeeld van Paula Indigne: zij had een probleempje in verband met “tics” bij haar kleinkinderen, zocht het op in Spock en…: nr. 546!

 

Reclame

 

Uit de beperkte oogst van schriftelijke bronnen, kunnen we afleiden dat het bekend worden van het boek langs de traditionele kanalen (tijdschriften op alle niveaus), niet de belangrijkste weg was. Enkele ouders menen toch dat Spock aandacht kreeg in de media, in allerlei tijdschriften. Dit kan natuurlijk juist in een periode geweest zijn die ik niet heb doorgenomen of via een tijdschrift dat mij onbekend gebleven is. De verspreiding gebeurde hoofdzakelijk via mond aan mond reclame in interpersoonlijke relaties. Dit wordt bevestigd door alle mondelinge getuigenissen. Door familie, vriendinnen, leert een aanstaande of jonge moeder Spock kennen en zij zegt het op haar beurt door aan zwangere kennissen! Josée Fransen en Suzy Smet bijvoorbeeld, gaven het boek als geboortegeschenk. Een mogelijk scenario dat bij veel ouders terugkomt, is dat vriendinnen er met elkaar over praten, ze worden nieuwsgierig en kopen het boek (Mevr. Bogaert-Lammens, Aline Coppens).

Die idee lijkt vanuit volgend perspectief verklaard te kunnen worden: in een contestatie-tijdsgeest waarin mensen steeds zelfstandiger en mondiger mogen en kunnen zijn, staan zij meer kritisch tegenover evidente zaken als NWK, de dokter,... Er wordt graag gegrepen naar een Amerikaan die het plots allemaal helder uitlegt en oog heeft voor de problemen en twijfels van ouders. Spock leert hen zelfstandig te handelen.

Een alternatief kanaal van reclame is de boekhandel. Veel ouders (o.a. Paula Indigne, Frank Deckers) en dokters (o.a. dr. Vercruysse, dr. Van Heule, dr. Vanhille), weten nog dat het boek in het uitstalraam lag en dat er folders verspreid werden.

Alleszins promootten de pediaters het boek niet[291].

 

Motivatie

 

De belangrijkste beweegreden om het boek te kopen, is de onzekerheid bij het eerste kind. (o.a. Josée Fransen, Maria-Leonia Fransen, Frank Deckers) Veel ouders realiseren zich bij de komst van hun eerste kind, dat zij eigenlijk geen benul hebben van hoe ermee om te gaan.

 

Een andere reden was omdat het een nieuw boek was en een totaal andere methode hanteerde. Het boek gaf een antwoord op de tekorten in de boeken vóór Spock: de medische symptomen werden nu eens duidelijk beschreven op een toegankelijke manier. Anderzijds waren zijn adviezen losser en non-conformistisch. Ouders die het boek bezitten, vinden zichzelf up-to-date: Spock was een goed boek en veel ouders kochten het. Hij was in de mode, maar was precies meer dan een tijdsgebonden fashion: het was een goed en praktisch boek.

 

Pluspunten

 

Inhoudelijk wordt het “nieuwe” als bijzonder positief ervaren.

Marleen Fransen: “Het voor die tijd non-conformistisch standpunt bij het benaderen van kinderen, o.a. het hanteren van soepele voedingstijden, de anti-autoritaire sfeer,…”

Suzy Smet: “… geschreven in een heldere taal en het laat bovendien de ouders zelf de keuze tussen de traditionele strenge en strakke opvoeding van vroeger en de veel soepeler benadering van Spock.”

Blijkbaar gebruikten enkele ouders Spock om progressief te zijn en om zich zo met kennis van zaken, bewust af te zetten tegen de heersende, conformistische opvattingen.

 

Ook vormelijke pluspunten worden benadrukt. De formule van Spock wordt bijzonder geapprecieerd door de ouders: het boek kan worden geraadpleegd bij acute problemen. Hij wordt beschouwd als een loyale vriend die altijd vertrouwen geeft. Spock is omnipresent, consulteerbaar bij noodgevallen. De vorm van Baby- en kleuterverzorging was zeker ook non-conformistisch en nooit eerder gezien: “Voor mij was het een openbaring, vooral de toon: niet betweterig, niet dogmatisch, ging uit van het belang van zowel ouder als kind, eenvoudige taal, gaf het gevoel met een vriend(in) te spreken met veel ervaring.” (Josée Fransen)

Paula Indigne benadrukt vooral dat zijn teksten niet de pretentie hebben van wetenschap te zijn: het boek is een encyclopedie van wat er kan gebeuren met kinderen en reikt een mogelijke heuristische weg aan.

 

Minpunten

 

Sommige ouders vinden de bewerking door een Nederlandse kinderarts nogal storend (Suzy Smet).

De meeste ouders halen hun held echter nooit van zijn voetstuk en antwoorden radicaal “neen” op de vraag of zij iets negatiefs vonden aan het boek!

Ook op de vraag of er in de jaren ’50 en ’60 negatieve commentaren te horen waren over Spock, wordt door alle ouders negatief geantwoord.

 

Publiek

 

Welke groepen in de bevolking gebruikten toen Spock? Uit het bronnenonderzoek kan ik afleiden dat de arbeidersklasse het boek niet zal gelezen hebben, vooral niet in de jaren ‘50. Arbeiders hadden geen tijd en geen socio-culturele basis om boeken te lezen. Ook de nodige intellectuele bagage ontbrak hen: de drempel om een boekhandel binnen te stappen, was hoog voor een arbeider (bevestigd door dr. Van Heule). Bovendien was het boek van Spock duur (in bijlage staan enkele prijzen erbij vermeld, voor zover teruggevonden), in de vergelijking met soortgelijke boeken had Spock’s boek een gemiddelde prijs. Zie hiervoor de bespreking van het artikel in Moeder- en Kinderzorg van 1954[292]. Een alternatieve oplossing was ontlening in de bibliotheek: Jef Lammens en zijn vrouw vonden, begrijpelijkerwijs, sparen voor een eigen huis belangrijker dan te investeren in een boek over kinderverzorging! Voor de meeste ouders was de prijs echter geen rem: voor hun kind willen ze veel geld uitgeven, want dat is nodig en doe je graag.

 

Het boek moet dus gelezen zijn door de middenklasse: bedienden, leerkrachten, etc., mensen die openstonden voor boeken. Net zoals in Amerika, bereikt Spock in Vlaanderen middenklasse-vrouwen. Het gaat vooral om geletterde mensen: bij bijna al de door mij geïnterviewde ouders die het boek gebruikten, is het minimumdiploma humaniora. Praktisch alle ouders hebben nog een extra diploma.

 

Af en toe duikt ook eens een vooruitstrevende vader op, die er ook in las of er informatie in opzocht (Frank Deckers, echtgenoot van Aline Coppens). Toch heb ik de indruk dat dit eerder uitzonderingen waren: Vlaamse vaders hielden zich nog niet te veel bezig met de verzorging van hun kinderen. De algemene trend was dat de moeder het boek van Spock las en toepaste, met de goedkeuring van de vader.

 

Een bepaalde groep las bovendien de Franse versie van het boek. Volgens Knibiehler[293] is Spock pas in 1960 in het Frans vertaald (Comment soigner et éduquer son enfant?, Verviers, Gérard et Cie, 1960. Rééditions chez Marabout, 1965, 1972). Ook Delaisi de Parseval en Lallemand[294] melden dat de vertaling van Spock pas in 1960 in Frankrijk beschikbaar was (Comment soigner et éduquer son enfant?, Verviers, Gérard et Cie, 1960. Rééditions chez Marabout, 1965, 1972, 1976). Mijn bronnenonderzoek spreekt dit tegen: in Moeder- en Kinderzorg[295] van 1954, wordt reclame gemaakt voor de Franstalige versie van Baby- en kleuterverzorging. Er komen immers veel Franstalige moeders naar de raadplegingen van KAV. In 1954 bestond dus zeker al een Franstalige uitgave van Spock’s boek! Ook op internet is terug te vinden dat uitgeverij Marabout vanaf 1952 Comment soigner et éduquer son enfant? publiceert[296]. Ik veronderstel dat dit verschil te verklaren is door het feit dat de geciteerde auteurs van Frankrijk zijn: waarschijnlijk zal het boek daar pas in 1960 op de markt gebracht zijn, en in Vlaanderen al vanaf 1952. Parias en Rémond spreken dit echter tegen[297]: zij gebruikten de reeds herwerkte versie van 1960 en zijn ervan overtuigd dat het boek reeds vóór 1960 in Frankrijk verscheen. Parias en Rémond spreken dus Knibiehler en Delaisi de Parseval en Lallemand tegen. Deze contradictie kan enkel opgelost worden door nader onderzoek bij de uitgeverijen.

Twee door mij geïnterviewde moeders, hebben het boek in het Frans gelezen: Francine Beeckmans en Janine Dauwe. Eerstgenoemde kon zich niet meer herinneren waarom ze de Franse versie had, Janine Dauwe kwam uit een Franstalig milieu. Door de familieomstandigheden verkoos ze dus de Franse versie.

 

Hoogstwaarschijnlijk zijn er ook ouders geweest die het boek in de originele Amerikaanse versie gelezen hebben. Frank Deckers kocht in 1948 Baby and Child Care in de boekhandel. Zij verwachtten hun eerste kind en waren dringend op zoek naar meer informatie. Na uitgebreide inzage in de boekhandel, besliste Frank Deckers deze uitgave te kopen. Bovendien was de pocketuitgave relatief goedkoop. Dit bewijst dat de Engelstalige versie reeds vóór 1950 (eerste Nederlandse vertaling) in de Vlaamse boekhandel lag.

 

Wat ook opvalt is dat ouders die reeds op het eind van de jaren ’40 hun eerste kind krijgen, Spock niet kennen (Mevr. Vandeveire-Brahm, Yvonne Verhulst, Margriet Van Driessche, Mariette Van Leeuwen, Els Vos). Dit heeft twee redenen: ofwel waren zij geen grote boekenlezers, ofwel hadden zij voor hun volgende kinderen geen boek meer nodig: zij wisten reeds hoe het moest, ze hadden al wat meer zelfvertrouwen. Dit bevestigt de stelling dat het boek van Spock vooral voor het eerste kind gebruikt werd, uit onwetendheid.

Ook zijn er ouders die Spock wel leerden kennen, maar hem bewust niet gebruikten: Els Vos, bijvoorbeeld, gebruikte bewust haar eigen methodes. Haar diploma, regentes huishoudkunde, gaf haar reeds ruim voldoende de nodige bagage en zelfvertrouwen.

 

De “mythe” dat vooral ‘progressieve ouders’ Spock gebruikten, heb ik naar eigen aanvoelen niet uitgebreid genoeg kunnen onderzoeken. Bij de ondervraagde ouders heb ik slechts enkele aanwijzingen hiervan gevonden[298]. Waarschijnlijk was de door mij ondervraagde groep te klein ofwel waren ze zich niet bewust van hun meer progressieve positie, waren ze met andere woorden al op de non-conformistische trein gesprongen! Twee artsen vermelden dit expliciet: dr. Vanhille en dr. Van Kerckvoorde hebben het beiden over een ‘speciale groep mensen’ die het boek lezen. De meer progressieve ouders vinden in het boek wat ze willen vinden!

 

Hoe verklaren de tijdgenoten zijn succes?

 

Volgens dr. Vercruysse is dit het eerste boek in dit genre: het is een totaalboek. Vanaf de geboorte tot aan de puberteit wordt alles uitgelegd. Bovendien wordt het boek telkens aangepast aan de veranderde evoluties. Zo krijgt Spock stilaan naam.

Frank Deckersverklaart zijn succes doordat alledaagse dingen met precisie én met beroep op het gezond verstand worden behandeld. Het is een praktisch naslagwerk.

 

Alleszins wordt duidelijk dat het boek kan geraadpleegd worden op alle mogelijke momenten. Doordat alles zo duidelijk en toegankelijk beschreven is, kan het boek altijd gebruikt worden. Het boek is een metgezel in de verzorging van de kinderen en een standaardwerk voor de dagdagelijkse verzorging van kinderen.

 

Belangrijkste vaststellingen

 

In de jaren ‘50 was er nog veel kindersterfte en medische verzorging bleef dus in hoofdzaak een curatief gebeuren. Er was weinig interesse voor het preventieve en het psychologische. In de jaren ‘60, wanneer de conjunctuur verbetert, kan de aandacht voor Spock groeien. De kindersterfte is grotendeels overwonnen en de tijdsgeest biedt nu mogelijkheden om zich af te zetten tegen het conformisme[299].

 

Er is een soort van dichotomie tussen de schriftelijke bronnen en de mondelinge getuigenissen. Door de interviews stel ik een voor mij vertekend beeld vast in de tijdschriften. Het mondelinge enthousiasme komt niet tot uiting in de tijdschriften. Ze geven dus de realiteit niet weer. Spock moet dus duidelijk een ander kanaal van promotie gevolgd hebben. Hij kent geen verspreiding via de traditionele kanalen.

Wordt er gewoon geen aandacht aan besteed in de schriftelijke bronnen (geen invloedrijk medium?) of is er een doelbewuste negatie? Van doelbewuste negatie, doodzwijgen, is er geen sprake. Hier en daar wordt Spock vermeld. Algemeen is er een grote interesse voor zowel kinderverzorging als kinderopvoeding in alle tijdschriften. Vooral om de onzekerheid en onwetendheid tegen te gaan, wil men kennis bijbrengen.

 

Het lijkt alsof Spock méér is dan alleen maar een modegril, iets om vóór te zijn op je tijd, om een trendsetter te zijn. Zijn boek wordt als echt goed en bruikbaar ervaren.

 

Wat ook bijzonder opvalt is dat Spock de verzuiling voorbij streeft. Hij wordt zowel bij katholieken als bij socialisten aanbevolen. Spock is geen zuilgebonden boek, hij is er voor alle jonge ouders. Hij overstijgt de verzuiling, de ideologische overtuiging speelt geen rol bij dit universele onderwerp. Bovendien bezitten de belangrijkste zuilen (katholieken en socialisten) niet meer het alleenrecht in verband met de opvoeding: ook commerciële blaadjes propageren nu Spock, maar nog veel belangrijker is dat de ouders autonoom deze informatie aan elkaar doorgeven.

 

Twee conclusies van het, weliswaar verouderd, onderzoek (1977) van Tilanus naar voorlichting tijdens zwangerschap en opvoeding in Nederland, kan ik ook terugvinden in Vlaanderen. Ten eerste: moeders van jonge kinderen, die minder zeker zijn in de verzorging en opvoeding van het kleine kind, komen er eerder toe het boek van Spock te lezen of hebben dit gedaan[300]. Ook in Vlaanderen bewijst het boek zijn meeste nut voor het eerste kindje: daar is de onzekerheid het grootst. Ten tweede: moeders van jonge kinderen en aanstaande moeders met een hogere schoolopleiding zijn meer bekend met het boek van Spock[301]. Deze stelling lijkt ook op te gaan voor Vlaanderen.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[179] TILANUS (C.), Voorlichting tijdens zwangerschap en opvoeding. Een onderzoek naar voorlichting aan aanstaande moeders en vaders van jonge kinderen, Utrecht, Nederlandse Stichting voor gezondheidsvoorlichting en –opvoeding, 1977, pp. 26-30.

[180] GRANT (J.), Op. Cit., p. 1.

[181] MULDER (E.), “Elias en opvoeding”, in: KRUITHOF (B.), NOORDMAN (J.) en DE ROOY (P.), Geschiedenis van opvoeding en onderwijs, inleiding bronnenonderzoek, Nijmegen, SUN, 1982, p. 27.

[182] BAKKER (N.), “Ouderadvisering in historisch perspectief. Over de geschiedenis van opvoedingsvoorlichting en opvoedingsonzekerheid”, in: AKKERMAN-ZAALBERG VAN ZELST (M.) e.a., Ouderbegeleiding nader bekeken: schouders onder ouders, Lisse, Swets en Zeitlinger, 1998, p. 31.

[183] BAKKER (N.), Art. Cit., p. 17.

[184] VAN HALST (I.), “Opvoeden is een groeiproces. Oefenschool voor ouders”, Kerk en Leven, 2001, 12 september, p. 16.

[185] SOMMERVILLE (C.), Op. Cit., p. 15.

[186] BETTELHEIM (B.), Op. Cit., p. 20.

[187] SOMMERVILLE (C.), Op. Cit., p. 15. Waar en wanneer hij dit gedaan heeft, vermeldt Sommerville niet.

[188] BAKKER (N.), Art. Cit., p. 17.

[189] BETTELHEIM (B.), Op. Cit., p. 21.

[190] Ut infra.

[191] HAYS (S.), Op. Cit., p. 72.

[192] HAYS (S.), Op. Cit., p. 73.

[193] GRANT (J.), Op. Cit., p. 225.

[194] GRANT (J.), Op. Cit., p. 244.

[195] BETTELHEIM (B.), Op. Cit., p. 19.

[196] BETTELHEIM (B.), Op. Cit., p. 27.

[197] BETTELHEIM (B.), Op. Cit., p. 50.

[198] BETTELHEIM (B.), Op. Cit., p. 38.

[199] GRANT (J.), Op. Cit., p. 205.

[200] Zie bijlage: voor zover mogelijk werden alle herdrukken opgezocht.

[201] Deze informatie kreeg ik van Janneke Wubs. Meer informatie over Dop is niet te vinden.

[202] DOP (F.), “inleiding”, pp. 8-10, in: SPOCK (B.), Baby- en kleuterverzorging, s’ Graveland, De Driehoek, 1950, 479 p.

[203] VAN DER LEE (P.), Art. Cit., pp. 18-19.

[204] VAN DER LEE (P.), Art. Cit., p. 19.

[205] Zie inleiding: bronnen en methode.

[206] Interview Armand Nauwelaerts, Veen Uitgevers Groep, 13/11/01.

[207] Interview Frank Deckers.

[208] Steekproef gedaan op 13 oktober 2001.

[209] Steekproef gedaan op 18 oktober 2001.

[210] VELLE (K.), De nieuwe biechtvaders. De sociale geschiedenis van de arts in België, Leuven, Kritak, 1991, p. 11.

[211] VELLE (K.), Lichaam en hygiëne, Leuven, Kritak, 1984, p. 104.

[212] STEVERLYNCK (C.), Als de ooievaar komt. Vrijen, trouwen en moeder worden in de twintigste eeuw, Lannoo, Tielt, 2000, pp. 227-228.

[213] VELLE (K.), Op. Cit., p. 114.

[214] STEVERLYNCK (C.),“Toen kwamen de artsen… ook bij de moeder. Over de medicalisering van bewust ouderschap, zwangerschap, bevalling en kraamzorg”, Pedagogisch tijdschrift, 1990, 15, 2, p. 94.

[215]“Le médecin catholique”, Sint-Lucasblad, 1951, 3.

[216] CATTERSEL (H.), “Actuele sociale plichten van de katholieke dokters”, Sint-Lucasblad, 1952, 1.

[217] VAN HOVE (H.), “Grondbeginselen van de geneeskunde. Verantwoordelijkheden van de geneesheer”, Sint-Lucasblad, 1956, 3, pp. 241-274.

[218] “Maria Montessori”, Sint-Lucasblad, 1954, 1, p. 84.

[219] “G. Lubbers, vrouwenarts: Naar het moederschap”, Sint-Lucasblad, 1955, 3, pp. 235-236.

[220] “Albert Kriekemans, Principes de l’éducation religieuse, morale et sociale”, Sint-Lucasblad, 1956, 5, p. 475.

[221] “Kriekemans Albert”, Standaard encyclopedie voor Opvoeding en Onderwijs, Antwerpen, Standaard Uitgeverij, 1979, deel 3, p. 106.

[222] “Isambert, Le guide des parents”, Sint-Lucasblad, 1957, 4, p. 417.

[223] “Boekbespreking”, Maandschrift voor kindergeneeskunde, 1950, 8, p. 324.

[224] Interview dr. Hendrickx, 6/2/2001.

[225] Interview dr. Blancke, 22/2/2001.

[226] Interview dr. Van Heule, 5/12/2001.

[227] Interview dr. Van Hille, 12/1/2002.

[228] Interview dr. Van Kerckvoorde, 12/1/2002.

[229] Interview dr. Standaerd, 15/1/2002.

[230] Interview Janine Dauwe, 17/12/2001.

[231] VEENEKLAAS (G.), “Het veranderend gelaat der pediatrie”, Acta Pediatrica Belgica, 1960, 14, 6, pp. 275-286.

[232] Interview dr. Van Werveke, 23/2/2001.

[233] VERMEYLEN (K.), “Moeder- en kinderzorg in het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn (1919-1940). Een historisch-pedagogische verkenning”, in: Pedagogisch werk voor de samenleving, de ontwikkeling van professionele opvoeding in Nederland en België in de 19de en 20ste eeuw, Leuven, Acco, 1987, p. 39.

[234] VERMEYLEN (K.), Art. Cit., p. 40.

[235] S.n., “De kinderverzorging in Amerika. De huidige opvattingen”, Het Kind, 1950, 1, pp. 93-95.

[236] DE WAARD-DE VLETTER (W.), “Wij kunnen de klok niet terugzetten”, Het Kind, 1956, 5, pp. 351-354.

[237] GAROT (L.), “Het belang van moederzorg in het groeiproces van de zuigeling”, Het Kind, 1952, 1, pp. 5-12.

[238] VAN ANDEL-RIPKE (O.), “Zindelijkheid en zindelijk worden”, Het Kind, 1955, 3, pp. 189-194.

[239] S.n., “Kleine handleiding over de mode in kinderverzorging”, Het Kind, 1961, 5, pp. 203-206.

[240] S.n., “Kleine handleiding over de mode in kinderverzorging”, Het Kind, 1961, 5, p. 206.

[241] Jaarverslag NWK, 1961.

[242] TERLINDEN (A.), “Een groepsdiscussie over slaap”, Het Kind, 1961, 5, pp. 347-354.

[243] TERLINDEN (A.), Art. Cit., p. 350.

[244] TERLINDEN (A.), Art. Cit., pp. 352-353.

[245] [sic]

[246] S.n., “Aanwinsten bibliotheek”, Het Kind, 1964, 5, p. 397: SPOCK (B.) en REINHART (J.), Baby’s eerste jaar, Amsterdam, Antwerpen, Contact, 1958.

[247] TERLINDEN (A.) en VAN HECKE (E.), “De jonge moeder”, Het Kind, 1964, 6, p. 452 e.v.

[248] TERLINDEN (A.), VAN HECKE (E.) en LABORDE (A.), “Zindelijk worden”, Het Kind, 1965, 5, pp. 381-391.

[249] S.n., “Boeken in het oog van de belangstelling. Literatuurlijst”, Het Kind, 1966, 5.

[250] DE BORGER (L.), “Gezag en gehoorzaamheid, stimulans of rem voor de persoonlijkheidsontwikkeling van het kind”, Het Kind, 1969, 6, pp. 490-505.

[251] DE BORGER (L.), Art. Cit., p. 494.

[252] SPOCK (B.), Baby and Child Care, Londen, The Bodley Head, 1965, 608 p., in: DE BORGER (L.), Art. Cit., p. 505.

[253] Zie inleiding.

[254] Interview Yvonne Van Breda, 25/11/2001.

[255] VAN LENNEP (J.), “School voor kinderverzorging”, VKVV Verbond der katholieke Vlaamse verpleegsters, 1950, 4, pp. 21-24.

[256] VAN LENNEP (J.), Art. Cit., p. 21.

[257] VAN LENNEP (J.), Art. Cit., p. 23.

[258] SPEYBROUCK (J.), “Moderne medische middelen bij de opvoeding van het kind tot fysisch gezond leven”, Verplegenden en gemeenschapszorg, 1961, 6, pp. 393-403.

[259] S.n., “Naschoolse leergangen voor gediplomeerde vroedvrouwen”, De vroedvrouw, 1951, 4, p. 93 + s.n., “Naschoolse leergangen”, De vroedvrouw, 1952, 3, p. 73.

[260] DE VISSCHER (R.), KAV: gezin, gezinsplanning, seksualiteit en feminisme: 1950-1980. Enkele aspecten, Brussel, VUB (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1985, Prof. E. Witte, p. 20.

[261] DE WEERDT (D.), De dochters van Marianne. 75 jaar SVV, Antwerpen, Hadewijch, 1997, p. 67.

[262] DEPAEPE (M.), Op. Cit., p. 267.

[263] Archief CMBV, doos 381.

[264] DE VISSCHER (R.), Op. Cit., p. 7.

[265] DE VISSCHER (R.), Op. Cit., p. 1.

[266] [sic].

[267] LINDEMANS (L.), “Wij hebben het gevonden”, Vrouwenbeweging, 1954, 10, p. 8.

[268] SPOCK (B.), “Te magere en te dikke kinderen”, Dageraad, 1955, 4, pp. 1-6.

[269] SPOCK (B.), Art. Cit., p. 6.

[270] S.n., “In een hoekske met een boekske”, Moeder- en Kinderzorg, 1954, 15, pp. 17-20.

[271] S.n., “In een hoekske met een boekske”, Moeder- en Kinderzorg, 1954, 15, p. 19.

[272] S.n., “In een hoekske met een boekske”, Moeder- en Kinderzorg, 1954, 16, pp. 21-23.

[273] S.n., “Prettige boeken voor het wachtplaatske”, Berichtenblaadje ten gerieve van de comitéleden der aangesloten raadplegingen, 1960, 34, pp. 2-4.

[274] S.n., “Prettige boeken voor het wachtplaatske”, Berichtenblaadje ten gerieve van de comitéleden der aangesloten raadplegingen, 1960, 34, p. 2.

[275] S.n., “Ditjes en datjes”, Berichtenblaadje ten gerieve van de comitéleden der aangesloten raadplegingen, 1961, 35, p. 15.

[276] S.n., “Prettige boeken voor het wachtplaatsje”, Berichtenblaadje ten gerieve van de comitéleden der aangesloten raadplegingen, 1964, 1, p. 19.

[277] LIEVIJNS (L.), “De Stem der Vrouw. Het verhaal van een tijdschrift”, pp. 284-295, in: DE WEERDT (D.), Op. Cit., p. 289.

[278] LIEVIJNS (L.), Art. Cit., p. 292.

[279] VDL, “Baby- en kleuterverzorging”, Stem der Vrouw, 1951, 8, p. 9.

[280] VDL, “Baby- en kleuterzorg”, Stem der Vrouw, 1953, 8, p. 10.

[281] DE WEERDT (D.), Op. Cit., p. 62.

[282] S.n., “Baby- en kleuterverzorging”, De Bond, 1952, 6 januari, p. 4.

[283] S.n., “Een boek voor U”, De Bond, 1970, 18, p. 7.

[284] Ut infra.

[285] S.n., “Het zwakzinnige kind”, Ouders van Nu, 1969, 12, p. 20 + 25.

[286] TRIMBOS (C.), “Opvoeden per boek?”, Ouders van Nu, 1970, 4, pp. 54-55.

[287] S.n., “Waarom U baby moet wiegen”, Rosita, 1969, 32, pp. 58 + 60.

[288] VAN OPIJNEN (C.), “Voorzichtig! Ze groeien maar 1/10 mm per dag”, Libelle, 1969, 15, p. 41.

[289] S.n., “Het rijk van het boek”, Het Rijk der Vrouw, 1969, 1279, p. 28.

[290] Voor de volledigheid van de geïnterviewde personen: zie bibliografie.

[291] Ut supra.

[292] Ut supra.

[293] KNIBIEHLER (Y.), Op. Cit., p. 72.

[294] DELAISI DE PARSEVAL (G.) en LALLEMAND (S.), Op. Cit., p. 171.

[295] S.n., “In een hoekske met een boekske”, Moeder- en Kinderzorg, 1954, 16, pp. 21-23.

[296] Op: www.bf.resafad.org/OBJETS20/livre1.htm.

[297] Ut supra.

[298] Zie pluspunten.

[299] Ut infra.

[300] TILANUS (C.), Op. Cit., p. 97.

[301] TILANUS (C.), Op. Cit., p. 101.