Negentiende-eeuwse passionele misdrijven. Beelden en werkelijkheid. (Jorre Biesmans)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

HOOFDSTUK II: PASSIE EN NORM

 

II.1) INLEIDING

 

Rode draad in dit hoofdstuk is het beoordelen van menselijk gedrag aan de hand van een norm.  Aangezien passie en emoties een rol lijken te spelen bij passionele drama’s, zullen we de norm inzake emotioneel gedrag als casus nemen. Naast dit soort gedrag speelt ook crimineel gedrag een rol bij het beoordelen van passionele misdrijven.  Tevens wordt er aandacht besteed aan de wijze(n) waarop een norm tot stand kan komen inzake menselijke gedragingen.  De norm inzake emotioneel gedrag kan men vatten in de term “emotionele cultuur”, deze inzake crimineel gedrag kan men – inhoudelijk – vatten in het strafwetboek.

 

 

II.2) HET ONTSTAAN VAN EEN NORM.  CASUS : EMOTIONELE CULTUUR

 

Wie een onderzoek doet naar passionele drama’s in een bepaalde tijd en plaats kan onmogelijk het begrip “passie” negeren.  Wat verstaat men nu eigenlijk onder dit woord?  Als we er een “Van Dale” op naslaan, dan vinden we als definiëring van passie : “Heftige aandoening; onstuimige drang van de ziel of het gemoed, hartstocht.[17]”   J. Art wijst erop dat men passie ten opzichte van de norm positioneert.  Eén van de kenmerken die hij aan passie geeft is immers het volgende : “het gaat steeds om een naar de normen van de tijd buitengewoon hevige, bovenmaatse uiting van verlangen of afkeer.  Het is dus een relatief, fluctuerend begrip waarvan de concrete inhoud afhangt van wat in de ogen van een bepaalde tijd en milieu als normaal of gebruikelijk wordt aanzien.[18]”   Deze positionering van passie ten opzichte van de norm kan ook uitgebreid worden naar andere emotionele gedragingen.  M.a.w.: in iedere cultuur bestaat er een soort van emotioneel draaiboek, bestaande uit gevoelsregels en expressiecodes, dat de norm ging uitmaken.  De emotionele gedragingen van mensen werden en worden positief of negatief beoordeeld, al naargelang ze van deze geldende voorschriften afwijken of niet.  Dit laatste is een gegeven dat heel belangrijk is voor dit onderzoek.

 

Het is een (bijna) universeel gegeven dat de hogere klasse “haar” norm probeert op te leggen aan de lagere klasse; en dit door allerhande stichtende, normerende bronnen.  Wat betreft de norm inzake emotioneel gedrag hebben elites gevoelens altijd met enige achterdocht bekeken en deze in het maatschappelijke kader in goede banen proberen te leiden.[19]  J. Nater wees er reeds op dat de adjectieven die aan deze stand gegeven worden - “gegoede”, “betere”, “fatsoenlijke” of “deftige” stand - een duidelijke correlatie suggereert van deze stand met een hoog intellectueel, cultureel en moreel niveau, als zou het haar taak zijn om ook de andere standen op te voeden.[20]  Zo was de burgerij in de 18de eeuw, maar ook later, geneigd om haar eigen waardensysteem en gevoelens als algemeen menselijk en niet-klassegebonden te presenteren.  Hierbij speelt de juiste omgang met emoties en passie een fundamentele rol.[21] 

 

En het is op dit punt dat de term “emotionele cultuur” zijn gezag doet gelden.  De geschiedenis van emoties heeft reeds ruime tijd aangetoond dat emotionele ervaringen van mensen beïnvloed worden door normen, waarden, ideeën en woorden die in een bepaalde tijd en ruimte geldend zijn en die men in relatie tot emoties zelf hanteert.  M.a.w.: “Het geheel van gevoelsregels, expressiecodes, emotiewoorden, idealen, theorieën en populaire overtuigingen”, die o.a. door die moralistische bronnen worden gepropagandeerd, zijn binnen een bepaalde groep of tijd van invloed  op “de benoeming, beleving, uiting en kennis van emoties en gevoelens”.[22]  Het waren dus de opinievormers die duidelijk bepaalden wat kon en niet kon inzake passie en gevoelsgeladen handelingen.  Normafwijkend gedrag werd veroordeeld.  Enkel door zich aan de norm te houden werd men als een correct-handelend wezen aanzien.

 

Het accent ligt hierbij vooral op affectbeheersing of emotionele controle.  C. Lutz heeft het dan ook over de “rhetoric of (emotional) control”.  Hiermee bedoelt ze dat een groot deel van de stichtelijke lectuur gekenmerkt wordt door een steeds terugkerende nadruk op het belang van het controleren van emoties.  Verlies van deze controle wordt geassocieerd met zwakte, gevaar en ontregeling.[23]  De Westerse normerende literatuur propagandeert dus een norm waarin een steeds toenemende beheersing van de emoties centraal staat.  Een norm die langzaam door andere klassen werd overgenomen. 

 

Via welke kanalen probeerden deze literati en andere opinievormers hun waarden en normen inzake emotioneel en andere vormen van menselijk gedrag te verspreiden?  Er bestonden een hele reeks van bronnen met een normerend karakter : pedagogische handboeken, leer- en etiquetteboeken, catechismi, filosofische, medische of moraaltheologische traktaten. 

Maar ook impliciet normerende bronnen zoals kranten, tijdschriften en romans vallen hieronder.[24] 

 

Daarnaast speelden opvoeding, onderwijs, rituelen en kunst een belangrijke rol.[25]

 

Het feit dat de burgerij haar norm als universeel aanzag en wou opleggen aan andere klassen, impliceert niet dat er geen andere normen, gedragsregels bestonden.  Deze konden binnen een bepaalde tijd en ruimte niet alleen verschillen van klasse tot klasse, maar ook sekseverschillen speelden een rol.  Laten we het eerst over sekseverschillen hebben inzake gedragspatronen.  Emoties vormden en vormen nog steeds in onze cultuur één van de elementen door middel waarvan het sekseverschil betekenis krijgt.  Bepaalde emoties en gevoelsmatige handelingen zijn voor vrouwen aanvaardbaar, terwijl ze voor mannen als normafwijkend worden aanzien.  Algemeen beschouwd worden emoties en gebrek aan emotionele controle eerder aan vrouwen dan aan mannen toegeschreven.  De retoriek van de emotionele controle is dus bijzonder gender-geladen.  Denkbeelden over mannelijkheid en vrouwelijkheid, over sekseverschillen, hebben immers hun invloed op de manier waarop men verschillende emotionele verschijnselen beleeft en interpreteert.[26]

 

Naast deze gendergeladen verschillen zijn er ook nog klasseverschillen inzake normerend gedrag.  Zo bepaalde iemands sociale status of deze of gene emotie of affectief gedrag geuit mocht worden of niet.  Dit alles moet men zien in de contexten van machtsverhoudingen en groepsidentiteitsvorming.  Sociale en politieke machtsverhoudingen zijn van invloed op de behoefte van een groep om zich middels de door haar gecreëerde norm inzake (emotionele) gedragingen  te distantiëren van andere maatschappelijke groepen.  Dit wordt gedaan door aan die groepen “(een andere omgang met) specifieke emoties toe te schrijven”.[27]  Echte of gecreëerde emotionele verschillen worden gebruikt om dergelijke machtsverhoudingen te versterken, en misschien zelfs te verbergen.[28]  Sturkenboom toonde bijvoorbeeld aan dat de emotie heerszucht in de 18de eeuw in Holland negatief werd gewaardeerd, maar dat men             (= intellectuele burgerlijke opinievormers) het minder erg vond als iemand uit de hogere klasse “eraan leed” dan iemand uit de lagere klasse.  In een breder perspectief bekeken kunnen we stellen dat tekortschietende affectbeheersing geprofileerd werd naar sekse en klasse; en dit zowel in de 18de als de 19de eeuw.  Zo toonde Poelstra aan dat dienstbodes door de negentiende-eeuwse burgerij “luiden van een andere beweging” genoemd werden.  Daarbij verwees men letterlijk naar het verschil in emoties of aandriften tussen beide groepen.[29]

 

Naast machtsverhoudingen speelt ook groepsidentiteitsvorming een rol in de creatie van een norm.  De auteurs van (expliciet) normerende bronnen probeerden voor hun sociale groep een identiteit te creëren waardoor men zich kon onderscheiden van andere sociale groepen.  “Groepsidentiteiten komen tot stand op basis van sociale vergelijkingsprocessen waarbij aan personen uit de ene groep andere typerende kenmerken worden toegeschreven dan aan personen uit de andere groep.  Net als bij de identiteitsvorming van een individu zijn in de indentiteitsvorming van een groep gedragingen en beeldvorming nauw met elkaar verweven.[30]” M.a.w. een eigen identiteit komt tot stand door zich te contrasteren met die van andere groepen.

 

Tot nu toe hadden we het hoofdzakelijk over het tot stand komen van een norm inzake emotionele, affectieve gedragingen.  Maar ook andere aspecten van het menselijk gedrag worden beoordeeld door ze te contrasteren met de norm : seksueel gedrag, crimineel gedrag,….

J. Nater toonde aan dat de gegoede burgerij in de negentiende eeuw er een eigen strak waardensysteem op nahield inzake seksueel gedrag.  Ook dit waardepatroon trachtte men zoveel mogelijk op te dringen aan de andere klassen.  De burgerlijke klasse gruwde van de seksuele vrijheid die in lagere bevolkingsgroepen voorkwam, omdat dit niet overeenkwam met hun norm inzake seksueel gedrag.[31]   Niet alleen op dit gebied, maar ook op andere terreinen zou de burgerij een dominerende rol blijven spelen.  Voor ons onderzoek zijn niet alleen de seksuele en emotionele gedragingen belangrijk, maar ook criminele handelingen.

 

Maar laten we eerst even recapituleren.  Alle menselijke gedragingen (emotioneel, crimineel, seksueel,…gedrag) worden beoordeeld door een positionering ten opzichte van de norm.  Afwijkend gedrag wordt als abnormaal aanzien en openlijke vergrijpen tegen een gedragscode worden over het algemeen veroordeeld.  Binnen éénzelfde cultuur kunnen er verschillende normen bestaan.  Factoren die hiertoe bijdragen zijn o.a. klasse- en genderverschillen.  De elite kan niet aan de drang weerstaan om haar norm als universeel geldend te aanzien en ze te proberen op te leggen aan andere klassen.  Dit moet aanzien worden in het kader van de vorming van groepsidentiteiten en machtsverhoudingen.  

 

 

II.3) CRIMINEEL GEDRAG

 

We stelden reeds dat menselijke gedragingen beoordeeld worden d.m.v. een vergelijking met de norm.  In dit onderdeel wordt er ingegaan op één specifieke vorm van menselijk gedrag; namelijk gedrag dat als crimineel wordt bestempeld.  We zullen het hebben over het proces van criminalisering, de evolutie van het denken over criminaliteit en haar invloed op het strafrecht.

 

II.3.1) HET PROCES VAN CRIMINALISERING

 

Bepaalde vormen van gedrag die normafwijkend zijn en als “misdadig” worden bestempeld, zijn daden die  – in tegenstelling tot wat men vaak denkt - niet a priori crimineel zijn, maar  het statuut van “het criminele” verwerven omdat ze zo door de maatschappij worden aanzien.  M.a.w. gedrag is pas crimineel als het zo gedefinieerd wordt.  Weber noemt dit proces “criminalisering”.[32]  Hij voegt er onmiddellijk aan toe dat bepaalde daden (zoals roofmoord, verkrachting) sedert mensenheugenis zo voor de hand liggend zijn als crimineel gedrag, dat het achterliggende proces van criminalisering onzichtbaar is geworden.  Maar toch is elk crimineel gedrag het resultaat van een “historisch identificeerbaar proces van criminalisering”.[33]  Dat er inderdaad wel sprake is van een veranderlijk proces, waarbij bepaalde daden wel en andere daden niet als crimineel geïdentificeerd worden, komt het duidelijkste naar voor wanneer men in acht neemt dat er daden zijn die in sommige tijden en culturen wel als crimineel worden aanzien, en in andere periodes of culturen niet.  Dus hetgeen J. Art zegt omtrent passie kan ook toegepast worden op het criminaliseringsproces : ook criminaliteit is een fluctuerend begrip waarvan de concrete inhoud wordt bepaald door hetgeen in de ogen van een bepaalde milieu en tijd als antisociaal, normafwijkend of crimineel wordt aanzien.[34]

 

Het zou al te simplistisch zijn om te zeggen dat een consensus omtrent wat als een “norm” bestempeld wordt, enkel en alleen maar gevormd of bepaald wordt door de publieke opinie.  De

manier waarop dit gebeurd en de actoren die betrokken zijn bij dit proces hangen af van tal van factoren en het “soort” gedrag waarmee men te maken heeft. Vooral het criminaliseringsproces toont aan dat er sprake is van een mechanisme waarin tal van factoren een rol spelen.

 

Wat betreft het crimineel gedrag is het – in theorie - de strafwetgever die bepaalt welk gedrag strafbaar is en wanneer er iemand een gedrag vertoont dat als crimineel wordt aanzien.  De vraag is natuurlijk wie de 19de-eeuwse strafrechters waren en hoe groot hun beslissingsmacht was inzake het “strafbaar stellen” van bepaalde vormen van gedrag.  België kende in de 19de eeuw een parlementaire democratie met restricties, gebaseerd op een cijnskiesstelsel.  Eenvoudig voorgesteld waren het dus mannen uit de hogere klasse met veel geld die bepaalden wat strafbaar was en wat niet.  Men had dus een mannelijke, seksistische en ondemocratische kijk op straf en crimineel gedrag.[35] 

 

Zoals reeds vermeld werd mag men niet vergeten dat deze strafwetgevers slechts één van de factoren zijn in het mechanisme van het criminaliseringsproces.  Young Jock toont met zijn “square of crime” duidelijk aan dat criminaliteit sociaal geconstrueerd wordt door interacties tussen 4 factoren : dader, slachtoffer, staat en publieke opinie.[36]  Deze interacties doen zich voor in een concrete geografische ruimte (in ons geval België) en worden sterk bepaald door achterliggende culturele, politieke, economische en sociale factoren; zoals daar zijn : machtsrelaties, economische conjunctuur, klasseverhoudingen, de opgang van de criminologie als wetenschappelijke discipline,  parlementaire debatten en besluitvormingsprocessen,[37] klasseverschillen,… Al deze factoren hebben een grote invloed op het uiteindelijke resultaat van het strafwetboek. 

 

De vraag welke factor nu juist het zwaarst doorweegt in dit criminaliseringsproces is moeilijk te achterhalen.  In hoeverre spelen bijvoorbeeld machtsverhoudingen een rol?  Het behoeft geen verwondering dat na 1830 de nog jonge elite voor een groot deel eigen belangen voor ogen zag wanneer men overging tot de discussies en de uiteindelijke creatie van een nieuw strafwetboek.  Maar Weber wijst er terecht op dat er nog zoiets bestaat als een legitimeringsbasis : strafwetgeving moet zijn legitimatie vinden in  het feit dat het min of meer moet beantwoorden aan de toenmalige waarden en normen die door een brede maatschappelijke basis gedragen worden. Het feit dat de parlementaire discussies ter voorbereiding van het nieuwe strafwetboek van 1867 de partijgrenzen overstegen, is een ultiem bewijs dat de factor macht slechts een nevenpersonage was in een massaspektakel.[38] 

 

We kunnen dus besluiten dat de materiële strafwetnorm niet louter een politiek, maar ook een ideologisch fenomeen is dat door politieke interventie in het strafwetboek is gekomen.  Maar ondanks alle factoren die in dit criminaliseringsproces een rol spelen, blijkt het toch vooral de ideologie te zijn van de hogere sociale klasse die een fundamentele rol speelde inzake het vaststellen van een norm en afwijkend gedrag, en dus ook inzake crimineel gedrag.[39]

 

III.3.2) HET DENKEN OVER CRIMINALITEIT EN HAAR INVLOED OP HET STRAFRECHT.

 

België kende tijdens de negentiende eeuw twee strafwetboeken : de Franse Code Pénal of Code Napoleon (tot 1867) en het Belgisch Strafwetboek (vanaf 1867).  Een korte toelichting omtrent de evolutie van het denken over criminaliteit, en haar invloed op de twee strafwetboeken komen hier aan bod.

 

De Klassieke School

 

Het strafwetboek van 1867 was vooral gebaseerd op de theorieën van de Klassieke School.  Deze richting in het (pré-)criminologisch denken moet gesitueerd worden in de context van het ontstaan van de menswetenschappen in de 18de eeuw.  Het denken over mens en maatschappij kwam los te staan van het theologisch denken.  Men begon de natuur te observeren en er ontstonden nieuwe natuurwetten.  Dit gebeurde in de context van een opkomende klasse : de burgerij.  Deze verwierf steeds meer economische macht die ze in politieke macht probeerde om te zetten.  Naast het ontstaan van de menswetenschappen ontstond er in de 18de eeuw vanuit filosofische hoek een nieuwe definitie van de menselijke rede dat kennis fundeert op enerzijds waarnemingen en anderzijds affectieve reacties hierop.  Deze twee ontwikkelingen (menswetenschappen en filosofische ontwikkelingen) gaven aanleiding tot het ontstaan van een noodzaak tot een nieuwe reflexie op de moraal en zin en de betekenis van transgressies van inbreuken op deze moraal.[40]

 

Dit is, kort uitgelegd, het kader waarbinnen het ontstaan van de Klassieke School (het criminologisch denken uit de 18de eeuw) moet gesitueerd worden.  Typerend voor deze school is dat men geen onderscheid maakt tussen een crimineel en een niet-crimineel.  Beiden zijn rationele wezens met een vrije wil die alvorens gedrag te stellen de kosten afwegen t.o.v. de baten.  Wanneer de baten zeer sterk doorslaan wordt dat gedrag effectief gesteld.  Dus wanneer de burger een strafwet overtrad, dan deed hij dat uit vrije wil en droeg er dan ook verantwoordelijkheid voor waarvoor hij moest boeten.  Het Belgisch strafwetboek van 1867 kan dan ook beschouwd worden als een soort menukaart, waaruit de rechter het soort overtreding moest kiezen die de veroordeelde begaan had en het soort straf dat daarmee verbonden was.[41] 

 

De Positivistische School

 

Vanaf de jaren 1870  kwam het beeld van de mens als een rationeel handelend wezen meer en meer in diskrediet.  Men ging de mens, als onderdeel van een organische maatschappij, onderverdelen in sterke en zwakke wezens.  Ook nationaliteit en klasse begonnen een rol te spelen in deze onderverdeling; zo begon men mensen te categoriseren in de “intellectueel”, de “burger”, de “bedelaar”.  Het centrale concept in dit mensbeeld was “degeneratie”.   Dit was de keerzijde van de technische en morele vooruitgang in het Westen, dat de Westerse mens steeds weker en kwetsbaarder maakte.  Dit nieuw mensbeeld begon ook te infiltreren in het criminologisch denken : Organistische, racistische en deterministische denkbeelden hadden hun invloed op het denken over criminaliteit.[42] 

In het spoor van dit nieuw mensbeeld moet ook de Positivistische School - waarvan Lombroso (1835-1909) meestal als dé representant wordt beschouwd - gezien worden.  Onder invloed van de evolutietheorieën van Herbert Spencer en Charles Darwin onderzochten de Positivistische criminologen niet zozeer de criminaliteit, maar vooral de persoonlijkheid van de misdadiger.  Hierbij concentreerde men zich op fysieke, psychische en biologische oorzaken van criminaliteit.  In 1876 publiceerde Lombroso een opmerkelijke studie, “L’Uomo Delinquente” genaamd.  Hierin zette hij zijn theorie van de Geboren Crimineel, of de Homo Criminalis uiteen.

 

Lombroso stelde dat crimineel gedrag erfelijk kon verklaard worden en dat de meeste misdaden gepleegd werden door individuen die gedegenereerd waren als gevolg van een biologisch atavisme.  Het ging dus om mensen die faalden om te evolueren naar een volledige menselijke en geciviliseerde toestand.  Ze werden geen criminelen omdat ze het slachtoffer zijn van nadelige sociale omstandigheden, maar omdat ze op één of andere manier bestemd zijn voor crimineel gedrag.  Volgens Lombroso werden afwijkingen in het menselijk gedrag niet veroorzaakt door de vrije wil en de moraal – dat hij beschouwde als een vaag en voor de wetenschap onbruikbaar concept - maar door gebreken in de organische structuur.  Criminelen hadden dus duidelijke fysieke kenmerken die verschilden van niet-criminelen.  Hij beweerde een reeks van anatomische en fysiologische karakteristieken gevonden te hebben waardoor men de Geboren Crimineel van de gewone man of vrouw kon onderscheiden.  Een asymmetrisch aangezicht, onregelmatige tanden, een grote kaak, een kromme neus,…; dit zijn enkele van de kenmerken die de Homo Criminalis uiterlijk typeren. Zijn deterministische visie op criminaliteit stond dan ook in scherp contrast met de Klassieke School, dat zich vooral baseerde op de vrije wil.[43]

 

Heel snel kreeg hij een schare volgelingen, waaronder Ferri en Raffaello.  Een nieuwe discipline was geboren : de criminele antropologie.  Deze hielden zich niet enkel bezig met de studie van de criminaliteit, maar ook met de repressie hiervan.  De Klassieke School was vooral begaan met de vraag of de crimineel moreel verantwoordelijk was of niet.  De Positivistische School daarentegen hield zich eerder bezig met de vraag of de crimineel als zodanig “crimineel” was.  De strafwetgeving moest zich dus niet focussen op de daad an sich, maar eerder op de “gevaarlijkheid” van de crimineel.  Dus in de be/veroordeling van de misdadiger kwam niet de daad maar de persoonlijkheid centraal te staan.[44]  Men wou veroordelen op basis van de karakteristieken van de misdadiger, en niet meer op basis van de misdaad.

 

De Franse School (Neo-klassieke School)

 

Op een congres van 1885 kreeg Lombroso echter veel tegenwind van overwegend de Frans-Belgische delegatie, met Laccasagne op kop.[45]  Grootste verschilpunten zijn het feit dat zij ook rekening hielden met de sociale omstandigheden waarin iemand opgroeide en dat men een relatie tussen anatomie en crimineel gedrag verwierp.[46]   Het individu paste zich tijdens zijn leven aan aan zijn sociale omgeving, daarbij kenmerken ontwikkelend die erfelijk konden worden doorgegeven.[47]  Laccasagne stelde dus dat individuen in ongunstige sociale omstandigheden een criminele persoonlijkheid konden ontwikkelen.  De psychosociale status was de sleutel tot het begrijpen van de crimineel.  Hij verwierp de stelling van de Geboren Crimineel en propagandeerde een sociologische analyse van de criminaliteit, met daarbij vooral aandacht voor omgevingsfactoren en voor het individu an sich.  Dit congres betekende een daling van de invloed van Lombroso en zijn volgelingen en gaf het startsein voor de ontwikkeling van een (dan nog elementaire) criminele sociologie.[48]

 

Invloed op het Strafrecht en de juridische praktijk

 

De discussies tussen de Positivistische en de Franse criminologische stromingen zouden haast doen vergeten dat er eigenlijk wel gelijkenissen tussen hen waren te onderkennen, hierbij denken we vooral aan het hanteren van deterministische factoren om crimineel gedrag te verklaren.  Beiden stonden aan de basis van een hele reeks van internationale debatten die zich concentreerden op de vragen hoe en op welke manier de verschillende strafwetgevingen in West-Europa moesten worden aangepast.[49]

 

Het eerste strafwetboek dat België bij haar ontstaan hanteerde was deze die werd ingesteld door Napoleon.  Deze Code Pénal, van kracht vanaf 1810 in Frankrijk, was volledig gebaseerd op de doctrine van de Klassiek School.  Gezien het ontstaan en invloed van de Positivistische en de Franse School is het niet verwonderlijk dat er alsmaar luider geroepen werd om een hervorming van het huidige strafwetboek of de invoering van een volledig nieuw wetboek in België en andere Westeuropese landen.  Ondanks deze evolutie ging het Belgisch parlement niet over tot het opmaken van een nieuw strafwetboek.  Ze beperkten zich tot het realiseren van enkele wetten die als bijzondere strafwetten, bovenop het geheel van bestaande wetten werden toegevoegd.  Dit verklaart ook het “gespleten” karakter van ons strafwetboek.[50]

 

Ook al kwam men officieel in de meeste landen niet tot het vernieuwen van het strafwetboek, toch hadden deze nieuwe scholen invloed op de juridische wereld, meer bepaald op de veroordeling en de repressie van de misdadiger.  In de praktijk begon de juridische instantie meer en meer oog te hebben voor het karakter of de psychosociale status van de te veroordelen persoon  en voor het individualiseren van de straf.[51]  Harris wijst erop dat de trend van een toenemende aandacht voor de misdadiger zelf en het individualiseren van de straf in Frankrijk reeds te zien was voordat dit ter sprake kwam in de criminologie; namelijk bij de jury’s.[52]  Zo gebeurde het wel eens dat men misdadigers vrijsprak omdat men de straffen die het strafwetboek voorzag te zwaar vond.  Vooral in het begin van de negentiende eeuw kon dit de juridische instantie nogal eens voor de borst stoten.  Dit probleem werd handig opgelost door de wet op de verzachtende en verzwarende omstandigheden in te voeren (In Frankrijk in 1832).[53]  Zodoende kon men de straffen uit het Strafwetboek toch enigszins aanpassen aan het individu dat veroordeeld moest worden.  Men mag criminologie dan ook niet enkel aanzien als een verwetenschappelijking van een praktijk om criminaliteit te bestrijden en te bestraffen dat van bovenuit wordt opgelegd; maar ook als een discipline dat gevoelig was voor culturele attitudes en poogde de kloof tussen het juridische systeem en de sociale evolutie te dichten.

 

Stijgende aandacht voor het individu en voor de psychosociale status van de crimineel had echter in het vooronderzoek en in de rechtszaal een geheel ander effect.  Harris meent dat de constructie van de psychosociale status als onderzoeksmethode in de criminologie geen objectief proces was, maar eerder gebaseerd op klasse, gender, politiek, de levensstijl van de beklaagde en zijn of haar zelfrepresentatie.[54]  I.p.v. individualisering verviel men echter in stereotiepering.   Een enorme hoeveelheid aan getuigenissen van familieleden, het slachtoffer, buren, … en egodocumenten (zoals dagboeken en liefdesbrieven), moesten helpen om zich een beeld te kunnen vormen van de dader, zijn levenswijze, werkprestaties en zijn relaties met andere personen.   En dit is, aldus Harris, één van de grootste verdiensten van de criminologie in de 19de en het begin van de 20ste eeuw.  De notie van gerechtigheid werd niet meer geassocieerd met discussies over de misdaad en het motief, maar over  de dader en zijn omgeving.  Het onderzoek ging vanaf dan gepaard met een grote stroom aan informatie, teneinde een adequaat oordeel en – indien nodig – een proportionele straf toe te kennen.[55]  Ook in onze geselecteerde procesdossiers kunnen we de invloed van dergelijke tendens herkennen.  Zo werd, indien mogelijk, het dossier aangevuld met liefdesbrieven en peilde men steevast naar het gedrag en karakter van de dader.  Diepgaande medisch-psychologische onderzoeken komen er echter niet in voor.

 

Samenvattend kunnen we stellen dat gedrag pas als crimineel wordt aanzien als het zo gedefinieerd wordt.  Naast tal van andere factoren was het vooral de toenmalige elite die instond voor de creatie van de toenmalige norm inzake crimineel gedrag; dat door politieke interventie een materieel karakter kreeg in de vorm van het strafwetboek.  De evolutie van het denken over criminaliteit (met de Klassieke, de Positivistische en de Franse School) had grote invloed op het strafrecht en de juridische praktijk.  Belangrijkste resultaat hiervan was dat men meer en meer aandacht begon te krijgen voor de individuele kenmerken van de dader en minder voor de daad op zichzelf. 

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[16] G. DRESEN, Onschuldfantasieën.  Offerzin en heilsverlangen in feminisme en mystiek, Nijmegen, 1990, p. 19.

[17] VAN DALE,  Groot Woordenboek der Nederlandse Taal : deel II : O-Z, ‘s Gravenhage, 1970, p. 1490.

[18] J. ART, “Passie, norm en geschiedenis”, in : Handelingen der Koninklijke Zuid-Nederlandse Maatschappij voor Taal, Letterkunde en Geschiedenis, L, 1998, p. 5.

[19] Ibid., p. 7.

[20] S.P. NATER, Vigilerende vrouwen, gedienstige meiden.  Seksualiteit in Nederland in de negentiende eeuw, Rotterdam, 1986, p. 7.

[21] D. STURKENBOOM, op.cit., p 70.

[22] Ibid., p. 22.

[23] Ibid., p. 117.

[24] J. ART, art.cit., p. 7.

[25] D. Sturkenboom, op.cit., p. 75.

[26] Ibid., p. 23.

[27] Ibid., p. 75.

[28] P. STEARNS and C. STEARNS (ed.), Emotion and social change : toward a new psychohistory, New York – London, 1988, p. 13.

[29] D.STURKENBOOM, op.cit., p. 110.

[30] Ibid., p. 196.

[31] S.P. NATER, op.cit., p. 9.

[32] D. WEBER, Homo criminalis :  Belgische parlementsleden over misdaad en strafrecht 1830-1940, Brussel, 1996, p. 11

[33] Ibid., p. 12.

[34] J. ART, art.cit., p. 5.

[35] EIGEN NOTITIES, Historische Criminologie (gedoceerd door Prof. Dr. P. Hebberecht), RUG, academiejaar 2000-2001.

[36] Onder de “staat” verstaat hij : strafwetgever, politie, gevangenissen, parket,….

Onder de “publieke opinie” : de bevolking, de buurtwachten,….

[37] Dit laatste wordt op een voortreffelijke wijze aangetoond door Weber.

D. WEBER, passim.

[38] Ibid., p. 15.

[39] Zo werden weinig gedragingen van de burgerij in de 19de en het begin van de 20ste eeuw in het strafrecht gesteld.  Vooral sociaal-economische burgerlijke praktijken zoals kinderarbeid werden vakkundig uit het strafrecht gehouden. 

[40] EIGEN NOTITIES, Historische Criminologie (gedoceerd door Prof. Dr. P. Hebberecht), RUG, academiejaar 2000-2001.

[41] Ibid.

D. WEBER, op.cit., pp. 9, 15-16.

[42] Ibid., pp. 17-18.

[43] EIGEN NOTITIES, Historische Criminologie (gedoceerd door Prof. Dr. P. Hebberecht), RUG, academiejaar 2000-2001.

D. WEBER, op.cit., pp. 10, 19-20.

R. HARRIS, Murders and madness…, p. 81.

J. GUILLAIS, op.cit., p. 179.

[44] Ibid., pp. 180-181.

[45] Afgezien van de rol die de Franse School speelde in het bekritiseren van de Positivistische School, ligt haar belang nog in het feit dat België tot 1867 het Franse Code Napoléon gebruikte. 

[46] Uiteraard was de discussie in werkelijkheid veel complexer.  Zo verweten de Fransen dat de Italiaanse School, met zijn evolutionistische argumenten, té zeer verweven was met radicalen en socialisten.  Het was bv.  gekend dat Ferri een fervent aanhanger was van het marxisme en het Italiaans socialisme.

R. HARRIS, Murders and madness…, p. 86.

[47] D. WEBER, op.cit., p. 20.

[48] J. GUILLAIS, op.cit., p.181.

[49] R. HARRIS, “Melodrama, hysteria and feminine crimes of passion in the fin the sciècle, in : History Workshop Journal, XXV, 1988, p. 32.

R. HARRIS, Murders and madness…, p. 80.

[50] D. WEBER, op.cit., p. 10.

[51] J. GUILLAIS, op.cit., p. 184.

[52] R. HARRIS, Murders and madness…, p. 114.

[53] R. HARRIS, loc.cit.

[54] Ibid., p. 123.

In hoofdstuk VI zullen we meer aandacht schenken aan zelfrepresentatie van de dader.

[55] Ibid., pp. 122-124.