De private kapitaalmarkt in de 18de eeuw. Een vergelijking tussen de regio’s Gent en Ieper. (Dries Dewulf)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL 2: Hypothecaire renten in de regio's Gent en Ieper

 

3. Inleiding

 

In dit hoofdstuk zullen we het principe van de rentecontracten doorlichten. Vervolgens zullen we de ontstaansgeschiedenis schetsen, met aandacht voor het wettelijke kader van de hypothecaire renten. Dit kan vrij makkelijk, daar de literatuur hierover voor de Zuidelijke Nederlanden vrij uitgebreid aanwezig is.[38] Het gaat hierbij enkel om de belangrijkste wetten, die het systeem gemaakt hebben tot wat het was in de 18de eeuw. In een laatste paragraaf zullen we dan nog kort ingaan op de 18de-eeuwse polemiek over de conversie van de renten in Vlaanderen.

 

3.1. Omschrijving van de term 'hypothecaire rente'

 

Als we in het verdere verloop van de tekst de term ‘rente’ gebruiken, bedoelen we altijd de hypothecaire rente, tenzij het anders vermeld staat. De hypothecaire rente of erfrente zal al vrij vroeg in het Ancien Régime uitgroeien tot een belangrijk kredietinstrument, zoals we bij de ontstaansgeschiedenis nog zullen zien. Het systeem wijkt sterk af van alle huidige kredietsystemen, daarom zullen we hier een definitie geven en de voor- en nadelen tegenover elkaar stellen. Met de term 'rente', zoals ze door ons zal gebruikt worden, bedoelen we de eeuwigdurende betaling van een bepaald bedrag tegen een bepaalde intrestvoet door de renteverkoper, in ruil waarvoor de renteverkoper een bepaalde geldsom ontvangt van de rentekoper. De renteverkoper kon zelf beslissen wanneer hij het bedrag wilde terugbetalen of aflossen. De aflossing moest in bijna alle gevallen in één keer gebeuren. Let wel, het jaarlijks betalen van de rente was geen afbetaling. De termijn van aflossing kon zo zeer hoog oplopen, zoals blijkt uit volgend voorbeeld. Op 1 november 1700 verkopen Lieven de Muijnck en zijn vrouw een rente tegen de penning 16 aan de heer Frans Schellijnck. Het geleende bedrag heeft een waarde van 32 ponden. De rente zal pas op 1 februari 1776 afgelost worden. Het mag wel duidelijk zijn dat dit niet meer gebeurde door de personen die de rente afgesloten hadden, maar wel door de erfgenamen. De renteverkopers hebben in die periode vijf keer meer aan intrest betaald dan het bedrag dat ze geleend hadden.

Het specifieke van dit systeem ligt in het feit dat de rentekoper het uitgeleende bedrag niet kon terugvorderen, zolang de renteverkoper binnen de vastgelegde termijn bleef betalen. De rentekoper kon dus gedurende onbepaalde tijd niet over een deel van zijn kapitaal beschikken. Bij financiële nood kon hij de rente wel doorverkopen aan een derde persoon (=transport of overdracht). Doordat de rentekoper het bedrag niet kon terugeisen, ontsnapte het systeem ook aan het kerkelijke verbod om te lenen tegen intrest. De rente moest gevestigd worden op een welomschreven onroerend goed en de intrestvoet mocht niet méér bedragen dan de tiende penning.[39]

Het systeem had voor beide partijen voor- en nadelen. De voordelen voor de renteverkoper lagen hierin dat hij op een gemakkelijke manier tegen een lage intrest geld kon ontlenen, zonder kapitaalreserves te gebruiken. Hij kon tevens zelf bepalen wanneer hij de som terugbetaalde. Voor de rentekoper betekent deze transactie een regelmatig inkomen, met het nadeel dat er een verstoring van de inkomsten kon optreden als de renteverkoper zijn jaarlijkse rente niet meer kon betalen. Belangrijker is echter het feit dat hij het geld zelf niet kon terugeisen, alleen de rente doorverkopen was een optie. Indien de renteverkoper niet meer in staat was zijn schuld te betalen, kon de rentekoper zich wel verrijken, omdat hij dan beslag kon leggen op zijn hypotheek. En het belangrijkste nadeel was de daling van de reële waarde door de stijgende levensduurte en muntdevaluaties in de long-run. Het valt op dat de invloed van de inflatie in weinig studies wordt meegerekend in de evolutie van het cijfermateriaal. Deze invloed is uiteraard moeilijk in te schatten, maar men moet er tijdens het onderzoek wel rekening mee houden.

 

3.2. De wetgeving

 

Het systeem van de hypothecaire renten was in de 13de eeuw ontstaan uit pogingen van pachters om meer inkomsten uit hun gronden te halen. Maar het systeem was problematisch voor de renteverkopers, omdat het nog niet in de mogelijkheid voorzag om de rente af te lossen. Dit had als gevolg dat de schulden zich opstapelden. In de 13de eeuw werden echter al clausules toegevoegd met de mogelijkheid tot aflossing. Het was tijdens het bewind van Karel V dat de terugbetaling officieel werd opgetekend, met de uitvaardiging van twee keizerlijke ordonnanties (19 oktober 1520 en 21 februari 1529).[40] De renten konden zowel in natura als in geld betaald worden, maar ook daar kwam in de 16de eeuw een eind aan. Op 5 mei 1571 werd een keizerlijke ordonnantie uitgevaardigd die de renten in natura verbood. Deze ordonnantie was er gekomen, omdat de betaling vaak in graan gebeurde en de graanprijzen te sterk aan veranderingen onderhevig werden in de 16de eeuw.[41] De intrestvoet werd door de overheid vastgelegd via verschillende edicten: op 5 maart 1571 en 26 oktober 1573 bedroeg hij de penning 16 (6,25 %), op 23 oktober 1723 werd hij verlaagd tot de penning twintig (5 %).[42]

Het systeem van de hypothecaire renten ontsnapte aan het kerkelijke verbod op leningen, omdat de rentekoper niet het recht had het uitgeleende kapitaal terug te eisen. In 1425 en 1455 werden twee pauselijke bullen uitgevaardigd (Regimini), waarin het systeem werd toegestaan, op voorwaarde dat de rente gevestigd was op een welomschreven onroerend goed, dat de rente afkoopbaar was op vraag van de verkoper en dat ze niet méér mocht bedragen dan de penning tien (10 %). Dit verklaart ook het succes, aangezien dit voor de rijken een unieke mogelijkheid was om hun kapitaal te laten renderen.[43] Het is zo dat de rentekoper in principe geen actie kon ondernemen tegen een wanbetaler, maar in de meeste costuymen (ook die van Ieper en de Oudburg van Gent) werd een dergelijke procedure vanaf de 14de eeuw wel opgenomen. In de Moderne Tijd kon de rentekoper de goederen, die met de rente ‘bezet’ waren, aanslaan en openbaar verkopen. Dit werd vanaf de 13de eeuw vaak als clausule opgenomen in het rentecontract.[44]

 

3.3. De conversie van de intrestvoet

 

De Junta voor Beden en Besturen voerde een stille maar onverdroten strijd om de lage intrestvoet, die in de tweede helft van de achttiende eeuw in de Zuidelijke Nederlanden gangbaar was, te doen toepassen op de bestaande rentebrieven en andere schuldtitels van de ondergeschikte besturen. […] Met deze operatie wilde de Junta niet alleen de last van de besturen verlichten …, zij beoogde ook de veralgemening van eenzelfde nationale rentevoet in onze gewesten te realiseren.[45] Deze conversie kon echter niet zonder slag of stoot worden doorgevoerd. Iedere groep met belangen in deze discussie oefende druk uit op de besluitvorming. We zullen aan de hand van het artikel van Lenders de belangrijkste data en discussies samengevat weergeven, maar voor de volledige argumentatie verwijzen we graag naar dit artikel.[46]

In 1754 had de voorzitter van de Staten van Vlaanderen, Vilain XIIII, de rentevoet teruggebracht tot 4 % courant, waarmee hij de koers van de Gentse kapitaalmarkt volgde. Dit stuitte op verzet van een minderheid onder leiding van stadspensionaris Pycke, die zijn gelijk niet haalde. Deze Vilain XIIII publiceerde in 1755 zijn Réflexions sur les finances de la Flandre, met daarin een verslag over de financiële instellingen van het graafschap Vlaanderen. In dit verslag betoogde hij dat een lage intrestvoet de economie bevorderde: … l’impot levé & perpetué pour les paiemens des interêts fait tort à la culture & aux manufactures en rendant la main de l’ouvrier plus chere.[47] De bezittende klasse vreesde echter dat een verlaging de kredietwaardigheid van het bestuur zou aantasten, maar Vilain XIIII verwierp dit argument. Als reactie op zijn Réflexions schreef Pycke Réponse aux Réflexions sur les finances de la Flandre, waarin hij verschillende argumenten aanhaalde om de conversie niet door te voeren. Deze polemiek hield verschillende jaren aan. Het was pas in 1776 dat de Deputatie met een nieuwe argumentatie kwam, die ook weer geschreven was door Vilain XIIII, maar waarin hij zich nu opwierp als tegenstander van de conversie. De Junta reageerde in 1777 met een document dat de titel Objections droeg. Daarin haalde ze opnieuw de belangrijkste argumenten aan om de conversie door te voeren, en concludeerde ze dat de verlaging van de rentevoet noodzakelijk was voor de staatsschulden. Een jaar eerder was echter al een compromisvoorstel ingediend door de leidende politici en hoofdambtenaren, waarbij de centrale overheid het voordeel van de intrestverlaging schonk zonder deze door te voeren. De Junta stemde in, maar bleef toch hopen op de conversie. Zij stelde vervolgens een compromis voor, dat in 1777 werd goedgekeurd door de landvoogd. In dat jaar nog, werd de conversie echter volledig doorgevoerd, doordat Vilain XIIII gestorven was en zijn opvolger, baron Lebailly de Marloop, veel toegeeflijker was.

 

 

4. De bronnen

 

In dit hoofdstuk zullen we de belangrijkste aspecten van het bronnenonderzoek bespreken. Een eerste uitvoerige paragraaf handelt over de aard van de bronnen. Daarnaast wordt hier ook een prototype-rentecontract beschreven en vergeleken met het vaste schema uit de notarisboeken. In een tweede paragraaf zullen we het aantal rentecontracten per steekproefjaar bespreken, wat kan gelden als een eerste indicatie van de economische conjunctuur. In een derde paragraaf zullen we dan aandacht besteden aan het notariaat.

 

4.1. Bespreking van de bronnen

 

De belangrijkste bron voor het onderzoek naar hypothecaire renten is het rentecontract. Deze rentecontracten zijn onderdeel van de wettelijke passeringen en bevinden zich dus in de registers van de vrijwillige rechtspraak. Zowel voor de regio Gent als voor de regio Ieper is het echter zo dat de rentecontracten voor de 18de eeuw in aparte registers vermeld zijn, en niet verspreid zitten tussen de andere wettelijke passeringen. Dit als gevolg van de sterke toename van het aantal rentetransacties.[48]

De meeste renteregisters, ook voor andere gemeenten in de buurt, eindigen meestal omstreeks 1795, zodat de bronnen ons daar verplichten te stoppen. Er werd, zoals eerder vermeld, gekozen om te werken met tienjaarlijkse steekproeven. De Ieperse registers zijn minder uitgebreid en daarom hebben we ervoor gekozen om de steekproefjaren uit te breiden met het jaar ervoor en erna. Als we de optelsom maken van de drie jaren, dan komen we in de buurt van het aantal renten dat in de registers van de regio Gent is opgetekend. Het vergelijken wordt er wel enigszins door bemoeilijkt, maar bij het merendeel van de onderzoeksvragen zal de vergelijking toch goed mogelijk blijven. Voor een aantal tabellen vermelden we één steekproefjaar (bvb. 1710), maar we bedoelen voor de regio Ieper dus eigenlijk het gemiddelde van drie jaar (1709-1711). We zullen er later bij elk hoofdstuk apart op terugkomen.

We hadden bij het onderzoek naar de beide registers ook het geluk dat bijna alle jaren integraal bewaard zijn gebleven. De registers zijn voor de regio Gent bijna volledig, enkel in het jaar 1710 ontbreken een aantal renten. Het register begint in april, terwijl alle andere registers het hele jaar beslaan. Dit is echter het enige hiaat in de bronnen voor de regio Gent. Voor de regio Ieper is de situatie minder gunstig. We vermeldden hierboven al dat we voor de regio Ieper ook het jaar vóór en na het steekproefjaar erbij genomen hebben, desondanks is er voor de periode 1699-1701 niks bewaard. Dit heeft als logisch gevolg dat de vergelijking voor dat jaar zal ontbreken. De andere hiaten zijn minder groot en zullen dan ook minder gevolgen hebben voor het vergelijken van beide regio's. Voor het jaar 1721 is slechts één rente bewaard, maar dit wordt ondervangen doordat we voor de regio Ieper telkens met drie jaar te maken hebben. Dit zal uiteraard weinig invloed hebben op onze bespreking van de evolutie van de intrestvoet, maar bijvoorbeeld wel voor het bepalen van het totale kapitaalvolume. Maar we zullen dit probleem verder in de tekst bij elk onderzoeksthema apart behandelen. Vervolgens ontbreekt voor de regio Ieper het jaar 1739 en de helft van 1740, en ook het jaar 1749 ontbreekt tot en met de maand juni, zodat we voor die steekproeven een enigszins vertekend beeld krijgen. Opvallend is misschien wel dat de steekproef van het jaar 1790 wel volledig is, ondanks de labiele politieke toestand. We kunnen dus stellen dat de bronnen voldoende volledig zijn en bijgevolg voor de hele eeuw bruikbaar zijn voor ons onderzoek.

 

De registers bevatten een groot aantal uniforme rentecontracten, die door notarissen of ‘gemeentebesturen’ werden opgesteld. Ze bevatten een schat aan informatie, maar ze laten ons ook soms in de steek bij onze pogingen om een aantal vragen te beantwoorden. Elk document begint steevast met: Compareerden voor schaut burgemeestre ende schepenen vanden graefschepe van Everghem in persoonen …. Indien de akte via een notaris geregeld was, volgde zijn naam na Compareerde voor. In elk document worden zowel de namen van de rentekoper(s) als de renteverkoper(s) vermeld, maar voor hun woonplaats is dit niet altijd het geval. Af en toe wordt ook het beroep van de actoren vermeld, maar het gaat hier om een minderheid van de akten. Daarna volgt het bedrag dat ontleend wordt en de intrestvoet, eventueel gevolgd door de korting en de voorwaarden daarvoor. De renteverkoper(s) … verclaert soo sij doen mids desen deugdelijck opgelicht ende ontfangen t’hebben uijt handen van … de somme van … getrauwelijck beloven te sullen gelden ende betaelen eene rente van … als de betaelinge saude gebeuren worden alle jaeren precies ten valdaege uijtterlijck binnen … sullen de comparanten gestaen met …. Vervolgens volgt een lange beschrijving van het onderpand dat met de rente belast wordt. Deze lijst beslaat vaak meer dan één bladzijde, omdat bij elk gebouw en elk stuk grond telkens ook de ligging in het dorp vermeld wordt. Het is ook bij deze beschrijving dat vermeld wordt of het onderpand al belast is of niet, en met welk bedrag. Het document eindigt met de datum waarop de rente is ingeschreven. Wordt de rente afgelost, dan doorstreept men elke bladzijde en volgt een vaste formulering in de kantlijn, te beginnen met: Uyt crachte van de quittantie van aflos der nevenstaende rente …. Ook bij een renteoverdracht volgt in de kantlijn een beschrijving van de nieuwe situatie. We willen er wel op wijzen dat in de contracten ook andere formuleringen naar voor komen, maar het gaat telkens om dezelfde informatie die op een licht gewijzigde manier aangebracht wordt.

Dit is vanuit ons oogpunt de belangrijke informatie in de rentecontracten, maar er ontbreekt ook informatie. Het belangrijkste tekort is het motief tot het verkopen van een rente. Dit wordt nooit vermeld, maar zou ons cruciale informatie kunnen opleveren, en een antwoord kunnen bieden op de vraag of het gaat om investeringskrediet of noodkrediet, wat een zeer sterke indicator zou zijn van de economische situatie. Nu moet dit onderzoek via een aantal omwegen gebeuren. Ook de leeftijd van de personen in kwestie wordt niet vermeld (cf. infra).

 

In het Ancien Régime werden handboeken ontwikkeld voor notarissen, met daarin uniforme basiscontracten, ondermeer een rentecontract. We hebben deze basiscontracten ingekeken en ze vergeleken met de eigenlijke contracten. Het handschrift dateert uit de 18de eeuw en bevat modellen voor schepenakten en notariële akten. Voorafgaand aan het document is er een lijst met informatie die zeker in het document moet voorkomen. Het gaat om het kapitaal en de vermelding dat het ontvangen is, de penning (intrestvoet), de dag waarop de rente start en de jaarlijkse betaaldag, en de hypotheek. Daarna volgt het eigenlijke document: Compareerde voor mij … notaris der … inde presentie vande ghetuijghen hier naer ghenoemt in persoone … welcken comparant verclaerde bij desen de rente ontfangen te hebben van … alhier inghelijcks medecomparerende de somme van … ghelt volgens de placaeten van … passerende daer van bij desen volle ende absolute quitantie aenden tweeden comparant met belofte van jaerelijcks te betaelen den intrest van het voormelde capital in advenante van de penninck … bedraeghende jaerelijcks de somme van … dies het eerste jaer crois inganck nemen sal van heden date deser ende bij dies verschijnen ten ghelyckene daeghe vanden jaere […] ghedaen ende ghepasseert binnen … desen … ter presentie van ….[49] Op de stippellijnen worden dan de gegevens eigen aan het contract ingevuld. De formulering verschilt enigszins met die uit de registers, maar de volgorde van de informatie en ook de informatie zelf is dezelfde. In het basiscontract wordt wel uitdrukkelijk verwezen naar het vermelden van de intrestvoet tegen een bepaalde penning, maar dit blijkt later in de 18de eeuw onhoudbaar, wanneer de rente tegen 4,3 % opkomt, zodat in die gevallen het percentage zelf vermeld wordt. Er wordt ook geen melding gemaakt van de korting, terwijl deze nieuwigheid in beide regio's sterk zal uitgebouwd worden.

De verwerking van deze bronnen gebeurde via uniforme fiches, waarop alle relevante informatie genoteerd kon worden (naam van de rente(ver)koper(s), met eventueel het beroep, bedrag, intrestvoet, korting, transport of aflossing, onderpand al belast, datum, naam van de notaris). Op die manier kon het werk vlot verlopen en was het ook vrij eenvoudig om de gegevens te verwerken tot tabellen en grafieken

 

De rentecontracten zijn dus de basis voor dit onderzoek. We hebben deze basisbron voor de regio Gent aangevuld met drie andere bronnen, om het onderzoek in een breder kader te plaatsen. Het is in het historisch onderzoek zo dat ook het tijdstip waarop een hypothecaire rente wordt afgesloten van groot belang is in het kader van de studie van de levenscyclus in het Ancien Régime. De leeftijd wordt niet vermeld, daarom hebben we de klappers op de huwelijken van de gemeente Evergem doorgenomen. Als we de naam van de renteverkoper terugvonden in de parochieregisters van Evergem, kenden we de huwelijksdatum. Via de huwelijksdatum konden we een ruwe schatting maken van de leeftijd van een bepaalde persoon. Het onderzoek werd echter wel beperkt door het feit dat we alleen de renteverkopers van Evergem opzochten, en dat personen uit omliggende gemeenten dus niet aan bod kwamen. Dit zorgde ervoor dat we een te klein aantal personen hadden om het onderzoek statistisch verantwoord te maken. Daarom hebben we twee jaar voor en na de steekproefjaren de renteverkopers uit Evergem opgetekend en alles samengevoegd. Bijkomend probleem was het feit dat de parochieregisters van Evergem voor de 18de eeuw pas vanaf 1751 bewaard zijn gebleven, zodat ons onderzoek naar de levenscyclus zich beperkte tot de periode 1760-1790.

 

Een derde belangrijke bron waren de ommestellingslijsten van de gemeente Evergem. Daarin hebben we voor drie steekproefjaren (1699, 1739 en 1789) de renteverkopers opgezocht om de bedrijfsgrootte te reconstrueren. Door telkens de bronnen van een jaar vóór de steekproeven van de rentecontracten te nemen, konden we de bedrijfsgrootte reconstrueren net vóór de rente werd afgesloten. Het resultaat was eerder mager, maar gelukkig konden we dit aanvullen met een tabel over de bedrijfsgrootte in Evergem op verschillende tijdstippen gedurende de 18de eeuw.[50]

Een laatste, meer uitgebreide bron, waren de registers van erfenissen en onterfenissen, waarin de immobiliëntransacties zijn opgenomen. Ook hier hebben we met steekproeven gewerkt, die gelijk liepen met die van de ommestellingslijsten (1700, 1740 en 1790). Deze bron gaf ons heel wat mogelijkheden, zo konden we ondermeer het belang van de rentemarkt inschatten tegenover de immobiliënmarkt. Het belangrijkste is waarschijnlijk evenwel het vergelijken van de namen van de renteverkopers en de tijdstippen van de transacties, waardoor we konden achterhalen of een rente werd afgesloten om nieuwe immobiliën aan te schaffen of juist niet.

We zullen bij elk hoofdstuk apart nog een korte beschrijving van de relevante bronnen geven met telkens het belang voor het desbetreffende hoofdstuk.

 

4.2. Het bronnenaantal

 

Voor de studie van het Ancien Régime krijgt men vaak te maken met het probleem van hiaten in de bronnen. Dit is voor dit onderzoek niet anders. De registers van de gemeente Evergem zijn, met uitzondering van 1710, voor de steekproefjaren allemaal bewaard gebleven. We hebben in die registers 342 rentecontracten teruggevonden. Enkel voor het jaar 1710 valt op dat het aantal sterk lager ligt dan de andere steekproefjaren (15 tegenover ca. 25 per steekproefjaar in de periode 1700-1760). Het eerste rentecontract voor dat jaar is echter maar ingeschreven op twee april, terwijl de andere registers steeds het hele jaar omvatten. Naar analogie met de andere maanden in de eerste helft van de 18de eeuw, komen we uit op twee rentecontracten per maand, wat een totaal maakt van 21 in 1710, een getal dat meer in de gegevensreeks past. Het lagere cijfer kan echter ook gedeeltelijk een gevolg zijn van de Successieoorlog.

De tabel (tabel 1) laat duidelijk zien dat het aantal rentecontracten voor de regio Gent tot 1760 stabiel blijft. Met uitzondering van het jaar 1710 schommelt het aantal telkens rond de 25. In de periode 1770-1780 vindt er echter een exponentiële groei plaats. In 20 jaar tijd is het aantal rentecontracten bijna verdriedubbeld (van 25 tot 67). Het grote aantal afgesloten renten in het jaar 1780 blijkt ook uit het feit dat dit steekproefjaar bijna 20 % van het totale aantal renten uit de 18de eeuw vertegenwoordigt, terwijl het qua tijdsspanne maar om 10 % gaat. Het is via het systeem van de tienjaarlijkse steekproeven niet mogelijk een uitspraak te doen over het jaar waarop de stijging zich voordoet, verder onderzoek zou dit moeten uitwijzen. Dezelfde opmerking geldt uiteraard ook voor de daling tussen 1780 en 1790. De onzekere situatie vanaf 1789 heeft er ongetwijfeld mee voor gezorgd dat de expansie abrupt werd afgebroken. Naast de politieke onstabiliteit, heeft ook de slechtere economische situatie voor een daling gezorgd.[51]

Voor de regio Ieper zijn we minder goed geïnformeerd, als gevolg van verschillende hiaten in de bronnen. Het totaal aantal renten ligt in de regio Ieper beduidend lager (81 tegenover 341). We hebben wel meer rentecontracten doorgenomen, want we werken voor de regio Ieper met steekproeven die over drie jaar lopen. Zoals eerder al vermeld, wilden we zo toch representatieve aantallen verkrijgen. De aantallen in de tabel zijn voor de regio Ieper dus gemiddelden over drie jaar. Voor 1700 ontbreken alle gegevens, en ook de steekproefjaren 1720, 1740 en 1750 zijn onvolledig. Na een omrekening bekomen we enigszins een andere evolutie. We hebben telkens het tekort vermenigvuldigd met het aantal renten en vervolgens het tekort opgeteld bij het begincijfer: voor het de periode 1739-1741 zijn er 15 renten (is een gemiddelde van 5 per jaar), met een tekort van 16 maanden op een totaal van 36 maanden (=4/9). We hebben dus die 15 renten vermenigvuldigd met 4/9 (=6 renten) en zijn uitgekomen op 21 renten over drie jaar. Wat betekent dat er gemiddeld eigenlijk 7 renten per jaar zijn, en niet 5.

De evolutie is sterk verschillend met die in de regio Gent. Het aantal renten kent in 1720 een korte, hevige opstoot, die 10 jaar later teniet wordt gedaan. Dit heeft als gevolg dat het aantal in 1720 net boven dat van het einde van de eeuw uitsteekt. Opvallend hierbij is het feit dat we dit ook in de regio Gent zien. Eventueel heeft de Successieoorlog hier een rol in gespeeld, en zagen de boeren geen andere oplossing meer dan te lenen om te overleven.[52] Daarna volgt een vrij stabiele situatie tot 1760, een gegeven dat we ook in de regio Gent zagen. De stijging die daarop volgt is vrij spectaculair –meer dan een verdubbeling in 20 jaar tijd– maar op een heel ander niveau dan in de regio Gent (in de regio Ieper 5 maal minder renten per steekproefjaar). In de regio Ieper is er echter geen sprake van een daling in 1790. De groei van de laatste decennia van de eeuw is een indicatie van het verbeterde economische klimaat.

Het gaat hier voor beide regio's uiteraard enkel om een indicatie. Een volledig beeld zal pas aan de orde zijn als we in de volgende hoofdstukken van deze verhandeling alle indicatoren i.v.m. de hypothecaire renten in detail onderzocht hebben. Ondanks onze beperkte informatie op dit moment, kunnen we toch al stellen dat de private kapitaalmarkt in beide regio’s een sterk immobiel karakter kende gedurende de economische crisisperiode van de eerste helft van de 18de eeuw, zoals ook Deprez al vaststelde voor Lovendegem en het Land van Gavere.[53] De meer gunstige situatie vanaf 1750-1760 zorgde daarentegen voor een sterke uitbouw van het systeem als kredietinstrument. We zagen in de algemene inleiding al dat het voor de plattelandsbevolking in de periode 1720-1780 mogelijk was een spaarreserve aan te leggen. Bij de aantallen valt wel het sterke verschil op tussen de beide regio’s. De evolutie van verloopt vrij parallel, maar op een heel ander niveau: in de regio Gent gaat het om veel grotere aantallen per steekproefjaar. Als we dit koppelen aan de vaststelling dat in perioden van hoogconjunctuur het aantal afgesloten renten sterk wordt opgetrokken en dat het aantal renten van belang is voor het bepalen van de mobiliteit van de kapitaalmarkt, dan kunnen we nu al met grote waarschijnlijkheid stellen dat beide regio’s een verschillende economische evolutie hebben doorgemaakt doorheen de 18de eeuw (bijlage 1).[54]

 

Tabel 1: aantal rentecontracten per steekproefjaar[55]

 

regio Gent

regio Ieper

 

aantal

percentage

aantal

percentage

 

 

 

 

 

1700

32

9,36 %

 

 

1710

15

4,39 %

7

8,64 %

1720

28

8,19 %

15

18,52 %

1730

25

7,31 %

8

9,88 %

1740

25

7,31 %

7

8,64 %

1750

27

7,89 %

7

8,64 %

1760

25

7,31 %

5

6,17 %

1770

46

13,45 %

8

9,88 %

1780

67

19,59 %

12

14,81 %

1790

52

15,20 %

12

14,81 %

 

 

 

 

 

totaal

342

100 %

81

100 %

 

4.3. Het notariaat

 

Het notariaat was in Vlaanderen in de 18de eeuw nog niet volledig ontwikkeld. Dit gegeven vinden we ook in de bronnen terug. We hebben in onderstaande tabel (tabel 2) het aantal akten weergegeven dat geregeld was via een notaris. De rest van de akten, in veel gevallen de meerderheid, werd voor de burgemeester en de schepenen gecompareerd. In de regio Gent ligt dit cijfer bijzonder laag, en ondanks een constante stijging gedurende de hele 18de eeuw, blijft het aantal lager dan de helft op het einde van de eeuw. Dit weerspiegelt zich ook in het gemiddelde voor de hele eeuw: slechts 16,7 % is via een notaris geregeld. De onderontwikkeling van het notariaat werd op het platteland nog versterkt, zodat we voor de landelijke gemeente Evergem dus met zeer lage cijfers te maken hebben.[56]

In de regio Ieper is dit enigszins anders, aangezien deze renten allemaal in de stad werden opgesteld en het dus eigenlijk niet gaat om een landelijke omgeving. Ook daar zien we in het begin van de eeuw een bijzonder laag cijfer, maar al in 1760 zijn meer dan 75 % van de akten via een notaris geregeld, en dit stijgt tot de volle 100 % in de volgende decennia. Bijgevolg ligt het gemiddelde hier ook veel hoger (57 %). In de regio Ieper is het notariaat vooral na 1750 sterk vertegenwoordigd. We stellen in die periode ook een stijging vast van het aantal notarissen. In beide regio's zijn dit er tot 1760 minder dan vijf, maar in de regio Gent stijgt dit aantal zeer snel tot 16 in 1790, en in de regio Ieper tot 10 in 1780 (bijlage 2).

 

Tabel 2: aantal akten dat via een notaris geregeld is

 

regio Gent

regio Ieper

 

 

aantal

percentage

aantal

percentage

 

 

 

 

 

 

 

1700

3

9,38 %

 

 

 

1710

2

13,33 %

6

28,57 %

 

1720

4

14,29 %

7

23,33 %

 

1730

0

0,00 %

2

8,70 %

 

1740

1

4,00 %

7

46,67 %

 

1750

1

3,70 %

5

27,78 %

 

1760

4

16,00 %

14

87,50 %

 

1770

12

26,67 %

23

100,00 %

 

1780

21

31,34 %

33

94,29 %

 

1790

25

48,08 %

36

100,00 %

 

 

 

 

 

 

 

gemiddelde

7,30

16,68 %

14,78

57,43 %

 

mediaan

3,50

13,81 %

7,00

46,67 %

 

 

In Evergem zelf waren er geen voltijdse notarissen, maar zij combineerden dit vaak door ook als prijzers op te treden. Dit is bvb. het geval voor Hieronimus van Hecke, die in de periode 1760-1770 in onze bronnen voorkomt en in de periode 1772-1778 ook als prijzer gekend is uit andere bronnen.[57] In de regio Gent zijn de meeste notarissen afkomstig uit de stad Gent, die ook zo zijn stempel drukte op het omliggende platteland (bijlage 1). In de regio Ieper gaat het enkel om notarissen uit de stad Ieper. De meeste notarissen kennen we in beide regio's slechts uit één steekproefjaar, maar een klein aantal (14) komt in verschillende steekproefjaren voor. Zo is Jan Baptiste Soenen in Ieper werkzaam in de periode 1770-1790.

 

 

5. Het kapitaalvolume

 

Het verhandelde kapitaalvolume is één van de basiselementen bij de studie van de private kapitaalmarkt. De uitbreiding van dit volume is een duidelijk signaal dat er sprake is van economische hoogconjunctuur, terwijl het omgekeerde evenzeer geldt. Het totale geleende bedrag kan uiteraard niet alleen gebruikt worden. Het gemiddelde geleende bedrag per transactie is zeker even belangrijk voor de evaluatie van de plattelandseconomie.[58] Dit vormt het eerste deel van dit hoofdstuk. Daarna zullen we ook onderzoeken vanwaar het kapitaal afkomstig was. In het Ancien Régime zijn het vooral de stedelijke centra die optreden als geldschieters voor het platteland. Nochtans is er in Vlaanderen in de 18de eeuw een belangrijke evolutie aan de gang, waarbij het platteland steeds meer zichzelf gaat financieren. De vraag of dit ook voor onze regio's geldt, zal hier ook aan bod komen. Zowel voor de evolutie als voor de oorsprong van het kapitaal zullen we onze beide regio's met elkaar vergelijken. In een laatste deel, zullen we dan de evolutie van onze eigen regio's vergelijken met het onderzoek van andere regio's.

 

5.1. De evolutie van het kapitaalvolume en de gemiddelde geleende bedragen

 

Voorafgaand aan de bespreking van de tabellen, is het belangrijk om te onthouden dat we voor de regio Gent één steekproefjaar onderzocht hebben (bvb. 1710), en voor de regio Ieper telkens drie samen (bvb. 1709, 1710, 1711). Dit geeft als gevolg dat de we voor Ieper uitgaan van een gemiddelde, terwijl we voor de regio Gent het kapitaalvolume van één jaar nemen. We wijzen ook nog eens op het gedeeltelijke bronnentekort in de steekproefjaren 1720, 1740 en 1750. Voor de regio Gent ontbreken de gegevens voor 1710 tot april.

De evolutie van het kapitaalvolume in de regio Gent kan opgedeeld worden in twee periodes (tabel 1, grafiek 1). De eerste loopt van 1700 tot 1760, waarbij we een afwisseling krijgen van stijgingen en dalingen, maar uiteindelijk wel over 60 jaar een verdubbeling. Daarna treedt echter een verdriedubbeling op in 10 jaar tijd, waarna het cijfer zich stabiliseert. Men kan opmerken dat het cijfer voor 1780 daar nog eens sterk bovenuit steekt, maar dit cijfer moet enigszins gerelativeerd worden. Op 19 februari is een akte ingeschreven met een lening van 5027 ponden. Die rente is uiteraard aanwezig, maar zorgt wel voor een afwijking op de gegevens. We zullen later in deze paragraaf nog zien dat het gemiddelde en de mediaan voor 1780 dan ook vrij sterk van elkaar afwijken. Als we ervan uitgaan dat de economische situatie op het platteland in het begin van de 18de eeuw bijzonder ongunstig was, dan kunnen we concluderen dat deze toestand zo blijft tot omstreeks 1750, om dan vooral na 1760 enorm te verbeteren, tot in 1790. Er treedt wel een daling op in 1790, maar de situatie blijft gelijk aan die van 1770.

De gemiddelde bedragen zorgen wel voor een nuancering op deze vaststellingen (tabel 1, grafiek 2). De wisselvallige situatie in de eerste helft van de 18de eeuw komt ook hier tot uiting, met een afwisseling van stijgingen en dalingen. De stijging begint net als bij het kapitaalvolume vanaf 1750, maar er is 'enkel' een verdubbeling waar te nemen tussen 1760 en 1770. De groei wordt dus gerelativeerd, doordat het aantal akten ook vrij sterk toeneemt (cf. hoofdstuk 4). De stijging blijft zich tot 1780 doorzetten, om dan in 1790 terug te vallen tot een stuk onder het niveau van 1770. Hier zien we dus, in tegenstelling tot het kapitaalvolume, wel een uiting van de verslechterde economische situatie op het einde van het Ancien Régime. Als we de lening van 5027 ponden uit 1780 buiten beschouwing laten, komen we voor dat steekproefjaar uit op een gemiddelde van 170,5 ponden. Dit is een enorm verschil met het oorspronkelijke cijfer van 245,5. Afgaande op dit cijfer zou de economische situatie in 1780 al aan het verslechteren zijn.

 

Tabel 1: totaalsom geleend geld (regio Gent)

 

totaalsom

gemiddelde

mediaan

 

 

 

 

1700

1762

55,03

53

1710

858

57,20

40

1720

2717

97,00

63

1730

1902

76,04

40

1740

2433

97,24

100

1750

2723

100,78

75

1760

3427

137,04

100

1770

9127

202,80

150

1780

16447

245,50

100

1790

9124

172,10

100

 

 

 

 

gemiddelde

5052

124,07

82,10

mediaan

2723

100,78

100

 

De totaalsom voor de regio Ieper is dus telkens een gemiddelde (tabel 2, grafiek 1). We zien heel duidelijk een hogere totaalsom in het begin van de 18de eeuw (2143 ponden tegenover 1762 ponden in de regio Gent). De kapitaalmarkt in de regio Ieper blijft in de eerste helft van de eeuw echter niet stabiel, zoals in de regio Gent. Hier zien we heel duidelijk een daling optreden tot omstreeks 1740. Het cijfer uit 1710 moet wel enigszins gerelativeerd worden, aangezien we één rente van 3428 ponden hebben opgetekend. Deze rente staat voor de helft van het kapitaalvolume van de periode 1709-1711, zodat we zonder dit cijfer voor 1710 op 1000 ponden uitkomen, wat vrij dicht ligt bij het cijfer uit 1720 (1157 ponden). Het peil van het begin van de eeuw zal echter pas in 1780 terug bereikt worden en overschreden worden, maar al in 1790 valt het peil terug tot het niveau van 1760. De kapitaalmarkt kent in de regio Ieper dus geen sterke expansie zoals in de regio Gent. We kunnen in de economische bloeiperiode van de tweede helft van de eeuw enkel een herstel van de situatie omstreeks 1700 vaststellen.

De gemiddelden geven ons een gelijklopend beeld (tabel 2, grafiek 2, bijlagen 4 en 5). De sterke start in 1710 wordt onmiddellijk teniet gedaan in de volgende decennia. Pas vanaf 1750 treedt het herstel op, maar het beginniveau van 305 ponden wordt nooit meer bereikt. Dit gemiddelde is uiteraard ook vertekend door die lening van 3428 ponden. Zonder deze rente komen we uit op een gemiddelde van 142,8 ponden, wat meer past in de algemene evolutie. De daling tussen 1710 en 1720 is dan minder sterk, en het gemiddelde bedrag in 1710 is dan kleiner dan in de periode 1760-1780. Net als in de regio Gent zien we hier na het hoogtepunt in 1780 een vrije val in het volgende decennium. Het grote verschil is dat de gemiddelden van de regio Ieper, in tegenstelling tot de totaalsom, wel kunnen concurreren met de regio Gent. In 1710 bedraagt het gemiddelde kapitaal zelfs zes maal meer, of drie maal meer zonder die rente van 3428 ponden. Tien jaar later is dat verschil al echter bijna volledig weggewerkt, maar de gegevens blijven daarna dicht bij elkaar liggen. Voor beide regio's stellen we een volgehouden groei vast tussen 1750 en 1780, om daarna vooral voor de regio Ieper enorm terug te vallen in 1790.

 

Tabel 2: totaalsom geleend geld (regio Ieper)

 

totaalsom

gemiddelde

mediaan

 

 

 

 

1700

 

 

 

1710

2143

305,71

102

1720

1157

115,27

96

1730

850

110,30

42

1740

438

87,07

42

1750

693

95,83

53

1760

875

163,69

85

1770

1306

170,04

100

1780

2834

242,97

85

1790

973

81,14

57

 

 

 

 

gemiddelde

1252

152,45

73,56

mediaan

973

115,27

85

 

Als we dan de gegevens voor de hele 18de eeuw vergelijken, zien we duidelijk dat het totale kapitaalvolume per jaar ongeveer vier maal hoger ligt in de regio Gent. En ook de mediaan ligt bijna drie maal hoger. Wat hierbij opvalt is dat de gemiddelde som en ook de mediaan in de regio Ieper ietwat hoger liggen (152 ponden tegenover 124 ponden). Het gemiddelde van de medianen en de mediaan van de medianen per jaar daarentegen liggen dan weer hoger in de regio Gent (82 ponden tegenover 74 ponden). De grootte van de lening is dus in beide regio's gelijklopend, terwijl er in de regio Gent wel een sterke stijging is van het totale kapitaalvolume. Dit is deels het gevolg van een sterke toename van het aantal akten. De private kapitaalmarkt is dus in de regio Gent veel mobieler dan die in de regio Ieper, maar het gaat niet om hogere bedragen.

 

 

 

5.2. De oorsprong van het kapitaal

 

We hebben ervoor gekozen om in dit hoofdstuk ook de oorsprong van het verhandelde kapitaal te bespreken (tabel 3, grafiek 3). In een later hoofdstuk (9) zullen we dan meer aandacht besteden aan de geografische spreiding van de rente(ver)kopers. We zullen hier enkel de rentekopers van de regio Gent bespreken, daar dit van belang is voor de verhouding tussen stad en platteland. Het is zo dat de stad het grootste deel van de leningen van het omliggende platteland op zich neemt, maar dat hierin vooral vanaf het midden van de 18de eeuw verandering komt. Een deel van de plattelandsbewoners slaagt erin om zelf wat geld opzij te zetten en voorziet zo dus zelf een groter deel van het geleende geld (cf. infra).

 

Een eerste voorafgaande opmerking heeft met een hiaat in de bronnen te maken. Het is zo dat niet in alle akten de woonplaats van de rentekoper vermeld wordt. We zijn echter van mening dat de gegevens voor de meeste steekproefjaren toch vrij accuraat de werkelijkheid weergeven. De tekorten zijn vooral tot 1730 aanzienlijk, met telkens 40 % voor 1700 en 1710, verder 53 % in 1720 en zelfs 76 % in 1730. Daarna schommelt het tekort tot het einde van de eeuw telkens rond de 20 %. In tabel 3 zien we het percentage kapitaal uit de stad Gent en het omliggende platteland berekend via het aantal akten. We hebben echter ook een berekening gemaakt via de bedragen die Gentse rentekopers uitleenden (bijlage 3). Het kapitaalvolume ligt duidelijk hoger dan het aantal akten, wat nog meer de invloed van de stad Gent op het omliggende platteland benadrukt. De enige uitzondering is 1730, maar we zagen hierboven al dat over dat jaar zeer weinig gegevens beschikbaar zijn. In de periode 1700-1710 liggen de cijfers heel dicht bij elkaar, daarna schommelen de gegevens tussen 26,8 % (1720) en 8,3 % (1760).

Vanwege het grote hiaat in de bronnen tot 1730 zullen we minder aandacht besteden aan deze gegevens. Naar onze mening liggen de gegevens in de lijn van wat we in 1740 zien, een verhouding van vier op één. Tien jaar later is de situatie drastisch gewijzigd, met nog slechts een licht overwicht van de stedelijke rentekopers. Deze situatie verdwijnt opnieuw in 1760, om daarna tot het einde van de eeuw te blijven. Het is dus heel duidelijk te zien dat het platteland vooral vanaf 1770 ongeveer de helft van het kapitaal inbrengt. Hoewel er dus een aanzienlijke verplaatsing is van de geldschieters, blijft de stad Gent de grootste geldschieter van de regio. Dit is niet verwonderlijk als we weten dat Gent in de tweede helft van de 18de eeuw de tweede grootste kapitaalmarkt van de Zuidelijke Nederlanden vertegenwoordigde. In 1790 is het hoogtepunt van de economische hausse al voorbij, maar de lichte stijging in dat jaar hoeft niet noodzakelijk in dit licht gezien worden. We denken veeleer dat dit een lichte schommeling is in de verhouding tussen Gent en het omliggende platteland. Voor Ieper hebben we de vergelijking niet gemaakt, omdat we hier met andere bronnen te maken hebben. Het gaat hier om de registers van de kasselrij, zodat we een vertekend beeld zouden krijgen van de rol van Ieper in de regio. Vermoedelijk is het wel zo dat Ieper een veel minder belangrijke invloed had op haar omgeving, maar we hebben er dus geen cijfers van.

 

Tabel 3: aantal rentekopers uit stedelijke en landelijke omgeving (regio Gent)

 

stad Gent

platteland

 

 

 

1700

89,47 %

10,53 %

1710

100,00 %

0,00 %

1720

53,85 %

46,15 %

1730

66,67 %

33,33 %

1740

80,95 %

19,05 %

1750

57,14 %

42,86 %

1760

75,00 %

25,00 %

1770

61,54 %

38,46 %

1780

52,73 %

47,27 %

1790

56,82 %

43,18 %

 

 

 

gemiddelde

69,42 %

30,58 %

mediaan

61,54 %

38,46 %

 

 

5.3. Vergelijking met andere regio's

 

Het kapitaalvolume is een eerste aspect van de rentecontracten waarbij we kunnen vergelijken met andere regio's. Er zijn gegevens beschikbaar voor verschillende gemeenten in het Land van Waas en voor twee gemeenten in de regio Gent (Lovendegem en het Land van Gavere). Voor het Land van Herve heeft het weinig zin om het kapitaalvolume te vergelijken, aangezien het gaat om de gegevens van een hele streek. Ook de gemiddelde som geleend geld komt in dezelfde artikels aan bod. De vergelijking kan ons gegevens verschaffen over de twee grote kapitaalmarkten in de 18de eeuw, de steden Gent en Antwerpen. De evolutie van de gemiddelde bedragen kan ons informatie opleveren over de economische situatie van de verschillende regio's.[59]

We hebben ervoor gekozen om alle gegevens in één grafiek te verwerken (grafiek 4). In de verschillende artikels wordt telkens gewerkt met een andere periodisering, maar we hebben deze gegevens in onze eigen indeling ingepast. Voor Stekene gaat het telkens om periodes van vijf jaar (1700-1705). Voor het Land van Gavere en Lovendegem om periodes van tien jaar (1700-1709). Hetzelfde geldt voor Kruibeke, maar hier zijn er pas gegevens vanaf 1710-1719. Voor Moerbeke gaat het om tienjaarlijkse steekproeven, te beginnen met 1708.

Met uitzondering van Kruibeke, blijven alle reeksen tot 1760 onder de 2000 ponden steken, met grote schommelingen in de periode 1700-1760. Daarna zien we een duidelijke stijging, vooral in Stekene. Maar in 1790 groeien alle gegevens weer naar elkaar toe, tussen 4000 en 5500 ponden. Vergelijken we de gegevens over de hele eeuw, dan zien we voor de drie steekproeven een sterke stijging. Met name in Stekene maal 9, in Moerbeke maal 20 en in Lovendegem en het Land van Gavere zelfs maal 37. Het gaat dus duidelijk om een kredietinstrument dat pas in de 18de eeuw ten volle uitgebouwd wordt en het is tevens een duidelijke indicator van de economie evolutie. De echte groei komt er pas vanaf 1760-1770. Alhoewel het platteland al vanaf 1720 een expansie kende, moet hier ook rekening gehouden worden met de stedelijke situatie, die pas na 1760 verbeterde.[60] Het einde van de expansie omstreeks 1790 is hier niet uit af te leiden. Deze zal pas enkele jaren later duidelijk worden, zoals Deprez al vaststelde.[61] Alleen Kruibeke wijkt af van het 'algemene' patroon. Een stijging tot 1730 wordt afgebroken door het oorlogsgeweld en een verslechterde economische situatie. Dit blijft zo tot 1760, met daarna een enorme stijging in 1770, die al even snel ongedaan wordt gemaakt. Het is ook zo dat de gegevens van 1790 overeenkomen met die uit 1700, wat ook afwijkt van de andere regio's. De regio Gent sluit dicht aan bij deze evolutie, met een sterke uitbouw van het berente kapitaalvolume na 1760 (cf. grafiek 1). Het totaalbedrag stijgt echter al snel uit boven dat van Kruibeke, gevolgd door een belangrijke daling in 1790, als uiting van de verslechterde economische situatie. Bij het begin van de eeuw steekt de regio Ieper (cf. grafiek 1) nog uit boven Moerbeke, Stekene en Lovendegem/Land van Gavere, maar al snel vervalt de regio tot de laatste plaats in het midden van de eeuw. De stijging vanaf 1760 verkleint het verschil wel, maar de daling in 1790 steekt af tegen de stijging in de andere regio's. De sterke stijging na 1760 kan dus niet veralgemeend worden voor alle regio's.

 

 

Daarnaast kunnen we ook het gemiddelde rentebedrag vergelijken (grafiek 5). Ook hier zijn er voor de drie gemeenten in het Land van Waas gegevens beschikbaar. Voor Lovendegem en het Land van Gavere beschikken we over een tabel met de percentages van de verschillende bedragen, onderverdeeld in categorieën (0-99 ponden, ...). Deprez stelt vast dat er vooral na 1760 een sterke stijging van de gemiddelde bedragen optreedt, zodat de gegevens nauw aansluiten bij die van de regio Gent. Hij stelt wel een daling vast in de periode 1740-1759, als gevolg van het oorlogsgeweld en een hongersnood. Deze daling zien we niet in onze gegevens, maar mogelijk was er een daling omstreeks het midden van de jaren '40 en was die alweer teniet gedaan in 1750.[62]

Ook in het Land van Waas zien we pas in 1760 een vrij gelijkmatige, stijgende beweging voor de drie gemeenten, die zich tot het einde van de eeuw doorzet. In de eerste helft van de eeuw blijft de situatie in Kruibeke vrij stabiel. Voor Moerbeke stellen we een constante en sterke stijging vast tot 1750, met daarna een terugval die aanleunt bij de andere gemeenten. In Stekene stellen we eerst een sterke stijging vast en daarna een terugval tot 1730, om vanaf dan constant te stijgen. Eerder vermeldden we al de enorme stijging in het totale kapitaalvolume doorheen de 18de eeuw. Dit komt hier, in veel minder sterke vorm, terug. Concreet gaat het om een vermenigvuldiging met faktor 7,5 voor Moerbeke, met faktor 4,5 voor Stekene en met faktor 2,5 voor Kruibeke. Voor Moerbeke gaat het in 1710 om gemiddelde sommen van 22 ponden, een peulschil in vergelijking met de bedragen op het einde van de eeuw (164 ponden). De grotere sommen zijn een gevolg van de hogere grondprijzen.[63]

De reeks voor de regio Gent sluit nauw aan bij die van het Land van Waas. Een lichte stijging in de eerste helft van de eeuw wordt daarna veel sterker doorgezet, zodat de gemiddelde bedragen ver boven de andere uitsteken (in 1780 tot 50 % meer tegenover Kruibeke). De afwijking treedt op in 1790, wanneer de cijfers sterk terugvallen, terwijl in het Land van Waas de groei zich blijft doorzetten. De situatie in de regio Ieper is, met uitzondering van 1710, vergelijkbaar met de andere regio's, en dit tot 1770. Dan volgt, net als in de regio Gent, een enorme groei en ook een daling in 1790. Die daling zien we dus voor onze eigen regio's heel duidelijk, maar helemaal niet in het Land van Waas. We stellen wel heel duidelijk in alle regio's een opwaartse beweging vast na 1760.

 

 

 

6. De intrestvoet

 

In dit hoofdstuk zullen we eerst aandacht besteden aan de eigen onderzoeksresultaten voor beide regio's. We zullen de gemiddelde intrestvoeten vergelijken, om daarna meer in detail de verschillende intrestvoeten aan bod te laten komen. Dit onderdeel is ongetwijfeld één van de belangrijkste van deze verhandeling. We zullen verder nog zien dat we via de studie van de intrestvoet bijzonder veel gegevens over de lokale economie kunnen achterhalen. Daarna zullen we het hebben over de korting. Dit is, zoals het woord al zegt, een korting die de rentekoper toestaat, als de renteverkoper binnen een bepaalde termijn zijn rente betaalt. Het is dus een soort van beloning voor trouwe betalers. Tenslotte zullen we, net als in de vorige hoofdstukken, opnieuw de vergelijking maken met een aantal andere regio's, via de resultaten van eerdere studies.

 

6.1. De intrestvoet in de regio's Gent en Ieper

 

De intrestvoet is, na het kapitaalvolume, de tweede informatiebron uit de rentecontracten. De intrestvoet kan expliciet vermeld zijn, maar ook als de som van de erfrente, zodat we de intrestvoet via een korte rekensom bekomen. Bij die berekening valt het duidelijk op dat er een aantal basisrenten bestonden. Voor het steekproefjaar 1780 is dit overduidelijk 4,3 %, terwijl we vooral 3,4 % terugvinden voor de korting (bijlage 4). Dit zal nog overduidelijk blijken wanneer we dieper zullen ingaan op de verschillende intrestvoeten. In de bronnen vinden we steeds dezelfde vaste formulering terug: … getrauwelijck beloven te sullen gelden ende betaelen eene rente van (in dit voorbeeld) thien ponden gr wisselgeldt s'jaers ….[64]

We kunnen duidelijk een evolutie zien in de aanduiding van de intrestvoet. In het begin van de 18de eeuw wordt ze telkens vermeld met de penning (16=6,25 %, 20=5 %, …). Langzamerhand wordt ze echter steeds meer uitgedrukt in het percentage zelf, vaak ook omdat het percentage niet meer uit te drukken is in een bepaalde penning (zoals eerder gezegd, is dit voor 1780 bijvoorbeeld vooral 4,3 %). Zo lezen we bijvoorbeel dat op 16 januari 1780 Francies Huijvaert voor notaris Jan Francois Naudts aan Jan Baptiste de Winne, zijn schoonvader, een bedrag van 71 ponden 10 schellingen leent tegen een intrest van 4,3 %. Daarnaast bekomt hij een korting van 3,4 %, als hij binnen de drie maanden betaalt. Het mag wel duidelijk zijn dat beide percentage niet uitgedrukt kunnen worden in een penning als geheel getal. Het zou respectievelijk gaan om de penning 23,25 en de penning 29,41.[65] Het valt op dat in de regio Gent de intrestvoet in het begin van de 18de eeuw vrij veel in courantgeld wordt uitgedrukt, en dit tegen het einde van de eeuw bijna volledig vervangen is door de uitdrukking in wisselgeld. In de regio Ieper zien we dat het courantgeld doorheen de hele eeuw het overwicht blijft behouden.

De intrestvoet is, zoals eerder vermeld, een belangrijke indicatie van het kapitaalaanbod. Als de intrestvoet duidelijk daalt, kunnen we met grote zekerheid stellen dat het aanbod de vraag overstijgt. Is er sprake van stabiliteit of stijging van de intrestvoet, dan hebben we te maken met een kapitaaltekort in die regio en dus een economische crisisperiode.[66] De studie van de intrestvoet is dus cruciaal in het onderzoek naar de economische situatie van beide onderzochte regio's, daar ze een heel duidelijke economische indicator is.

 

De gemiddelde intrestvoet (tabel 1, grafiek 1) ligt voor de hele 18de eeuw in de regio Gent iets lager dan in de regio Ieper (4,73 % tegenover 4,83 %), maar het verschil is minimaal te noemen. De mediaan ligt daarentegen in de regio Gent een stuk lager. In 1700 ligt de intrestvoet met 6,09 % heel dicht bij de basisintrest van 6,25 %. Voor Ieper hebben we voor 1700 geen cijfers en uitspraken doen, is een onmogelijke opgave. In 1710 ligt het cijfer in de regio Gent nog hoger dan in de regio Ieper, maar tien jaar later is de situatie volledig omgekeerd en zal ze tot het einde van de 18de eeuw zo blijven. Deze omkering van de situatie is het gevolg van een spectaculaire daling van de intrestvoet tussen 1710 en 1720 in de regio Gent, terwijl er zich in de regio Ieper een lichte stijging voordoet. De verklaring voor deze sterke daling ligt ongetwijfeld in het feit dat het kapitaalaanbod de vraag sterk oversteeg, zodat rentekopers genoodzaakt waren de intrestvoet aan te passen. Uitgaande van deze vaststellingen, zou het aanbod in de regio Ieper in het begin van de eeuw dus groter geweest zijn dan in de regio Gent, maar door de slechtere economische situatie minder snel gedaald zijn. Eventueel kan ook de Successieoorlog een effect gehad hebben op de intrestvoet, maar dit is zeer moeilijk te achterhalen en dus niet zeker.

Op grafiek 1 is duidelijk te zien dat de daling van de intrestvoet voor beide regio's elkaar vrij goed volgt, ook als er zich vanaf 1780 terug een stijging voordoet. De grootste verschillen doen zich in 1740 en 1750 voor, als het verschil iets meer dan 0,50 % bedraagt. De lichte stijging vanaf 1780 (0,13 % in de regio Gent, 0,21 % in de regio Ieper), wijst erop dat de kapitaaloverschotten verkleinen. Ze is tevens een belangrijke indicatie dat de economische hoogconjunctuur van de tweede helft van de 18de eeuw definitief voorbij is. Toch liggen beide cijfers voor 1790 nog lager dan het algemene gemiddelde, wat erop wijst dat de daling in de hele 18de eeuw zeer sterk geweest is.

De wettelijke intrestvoet was in het begin van de 18de eeuw nog 6,25 %, maar in 1723 werd ze teruggebracht tot 5 % of de penning 20. Vandaar dat we in de tabel een opening gelaten hebben voor de periode 1720-1730. De intrestvoet van beide regio’s ligt in de eerste helft van de eeuw duidelijk lager dan de wettelijke intrestvoet. Na de omschakeling tot 5 % zien we voor de regio Ieper dat deze intrestvoet in 1740 zeer dicht ligt bij de wettelijke intrestvoet, in de regio Gent blijft het verschil vrij groot. De blijvende daling van de intrestvoet tot en met 1770, zorgt ervoor dat de verschillen steeds groter worden. De wettelijke intrestvoet lag dus de hele 18de eeuw een stuk hoger dan de intrestvoet op de private kredietmarkt.

 

Tabel 1: de gemiddelde intrestvoet

 

regio Gent

regio Ieper

 

 

 

1700

6,09 %

 

1710

5,75 %

5,24 %

1720

4,99 %

5,39 %

1730

4,71 %

5,10 %

1740

4,44 %

4,97 %

1750

4,33 %

4,85 %

1760

4,14 %

4,50 %

1770

4,10 %

4,29 %

1780

4,23 %

4,50 %

1790

4,48 %

4,65 %

 

 

 

gemiddelde

4,73 %

4,83 %

mediaan

4,46 %

4,85 %

 

 

De gemiddelde intrestvoet is een algemene aanduiding en moet uiteraard aangevuld worden met meer gedetailleerde gegevens, die we dan in de laatste paragraaf opnieuw zullen gebruiken om te vergelijken met andere regio’s. We hebben ervoor gekozen om, naar analogie met andere artikels, de gegevens op te delen in vier belangrijke categorieën. Dit hebben we gedaan door alle intrestvoeten te herleiden tot een geheel getal, zodat we bijvoorbeeld voor de penning 16 of 6,25 %, uitkomen op 6 %. In de categorie '6 %' vinden we dus alle renten terug tussen 6,0 % en 6,9 %. De andere drie categorieën zijn dan 5 %, 4 % en 3 %. Dit is misschien wel een vrij ruwe samenvoeging, maar bij extreme verfijningen lopen we het gevaar dat de gegevens onoverzichtelijk worden en niemand nog zijn weg terugvindt. Het voordeel van deze voorstelling van de gegevens is ook dat we '100 % opgestapelde tabellen' kunnen maken, en zo het aandeel van elke intrestvoet eenvoudig kunnen visualiseren.

Eerder zagen we al dat in de regio Gent in het begin van de 18de eeuw de intrestvoet dicht tegen de penning 16 aanleunt, wat hier nog eens bewezen wordt (grafiek 2; bijlage 4). De rest van de kolom wordt echter al ingevuld door 4 %. De daling van de intrestvoet tegen 6 % blijft gestaag, om in 1750 definitief te verdwijnen. In 1730 is het algemene beeld voor de rest van de 18de eeuw al aanwezig. De opmars van de 3 % begint dan, terwijl de 4 % het grootste deel van de kolommen blijft innemen. De renten tegen 5 % blijven in de marge aanwezig, met uitzondering van 1790. De beste jaren zijn dan ook 1760 tot 1780, zoals we al zagen bij de gemiddelde intrestvoet. In die periode worden meest renten tegen 3 % uitgeschreven, terwijl de renten tegen 5 % niet of slechts marginaal aanwezig zijn.

Eens te meer beginnen we met de opmerking dat de gegevens voor de regio Ieper tien jaar later beginnen (grafiek 3; bijlage 5). De renten tegen 6 % zijn in de regio Ieper nooit zo nadrukkelijk aanwezig geweest als in de regio Gent, en ze verdwijnen hier ook in het steekproefjaar 1740. De renten liggen in het begin van de 18de eeuw dan wel lager, vanaf 1720 wordt de meerderheid van de renten afgesloten tegen 5 %. In de regio Gent wordt de meerderheid afgesloten tegen 4 %, wat wijst op een verbeterde economische situatie tegenover Ieper. Dit zagen we ook al duidelijk in de grafiek over de gemiddelde intrestvoet. Een tweede kenmerk van de gewijzigde situatie is het feit dat de renten tegen 3 % voor de regio Ieper steeds in de marge blijven, ook in de periode 1760-1780. In deze periode is de intrestvoet wel het laagst, met een overgrote meerderheid van renten afgesloten tegen 4 %. De stijging daarna is gelijklopend aan die van de regio Gent, met een uitbreiding van de renten tegen 5 %.

 

De evolutie is dus vrij sterk gelijklopend voor beide regio's. Toch moeten we vaststellen dat de intrestvoet in de regio Ieper in het begin van de 18de eeuw opvallend lager ligt dan in de regio Gent, en dat de renten tegen de penning 16 (6,25 %) er al bijna volledig verdwenen zijn. De ommekeer komt echter al snel, met name in de jaren 1720-1730. In de regio Ieper blijft de meerderheid van de renten steken op 5 %, terwijl dit voor de regio Gent vooral 4 % is. We herhalen ook nog dat de intrestvoet voor beide regio's het laagst is in de periode 1760-1780, terwijl de situatie in 1790 al verslechterd is. Dit wijst er nog eens op dat de economische situatie op het platteland vooral vanaf 1760 sterk verbetert, een gegeven dat we in de andere hoofdstukken ook al zagen. Het meest opvallende is misschien wel de situatie in de regio Ieper. Algemeen wordt aangenomen dat deze regio veel minder van de economische verbeteringen profiteerde dan de regio Gent. We stellen hier echter vast dat het verschil tussen beide intrestvoeten vrij klein is, wat erop wijst dat ook in de regio Ieper het kapitaalaanbod de vraag overstijgt. Toch kunnen we stellen dat het kapitaalaanbod in de regio Gent groter is dan in de regio Ieper, en bijgevolg economisch superieur is aan de regio Ieper.

 

 

 

6.2. Het systeem van de korting

 

De intrestvoet die betaald moest worden, werd vaak vergezeld van een lagere intrestvoet, de korting. Deze korting was, zoals hoger al gezegd, een beloning voor trouwe betalers, aangezien ze een stuk lager lag dan de eigenlijke intrestvoet. In de literatuur komt dit weinig aan bod, we hebben enkel bij Riley en Blomme een korte bespreking gevonden. De verklaring voor het ontstaan van de korting vinden we terug bij Blomme: Daar deze rentevoet in de achttiende eeuw niet langer de reële verhouding tussen vraag en aanbod weergaf, werd meestal een clausule bijgevoegd die het de renteverkoper toeliet om tegen gunstiger voorwaarden zijn goederen met een hypotheek te belasten.[67]

In de bronnen vinden we dit, na de intrestvoet, als volgt terug: … als de betaelinge saude gedaen worden alle jaeren precies ten valdaege uijtterlijck binnen de drij maenden daernaer, sullen de comparanten gestaen met (in dit voorbeeld) thien ponden gr courant geldt bij jaere ….[68] Deze korting is voor beide onderzochte regio's een verschijnsel van de 18de eeuw, zoals we nog zullen zien. We zullen hier ook de hypothese naar voor schuiven dat de kortingen vooral bij grotere leningen voorkwamen. Zoals eerder gezegd, zullen we ook aandacht besteden aan de termijn waarbinnen de betaling moest gebeuren om aanspraak te kunnen maken op deze korting. Net als bij de intrestvoet zullen we eerst de gemiddelde korting bespreken en daarna de verschillende voorkomende kortingen. De termijn waaraan de renteverkoper moest voldoen, om aanspraak te maken op deze korting, schommelde tussen 1 maand en 12 maanden. In beide regio’s overheerst de termijn 3 maanden, gevolgd door de termijn van 6 weken (bijlagen 6 en 7).

De korting komt in het begin van de 18de eeuw zeer zelden voor, zodat we eerst deze tabel willen bespreken (tabel 2). Hieruit blijkt dat de aantallen vaak zeer klein zijn en dus een kleinere statistische waarde bezitten (bijlagen 6 en 7). Voor de regio Gent zien we heel duidelijk een bijzonder sterke uitbouw van het systeem (van 3 % tot 95 %), en vanaf 1760 bezitten minimum 75 % van alle rentecontracten het systeem van de korting. Dit cijfer ligt in Ieper een stuk lager, hoewel we hier ook een sterke uitbouw zien. Dit verschil blijkt duidelijk uit het gemiddelde voor de hele eeuw, waar de regio Gent met 50,4 % een stuk uitsteekt boven het cijfer van de regio Ieper (37,4 %). In de mediaan komt het verschil zelfs nog sterker naar voor: 57,6 % tegenover 38,9 %. Het cijfer ligt in de regio Ieper pas vanaf 1770 boven de helft, maar zal daarna nog stijgen. Opvallend is wel dat we voor beide regio's zien dat er in 1790 een daling optreedt. Deze evolutie hangt ongetwijfeld samen met de lichte stijging in de intrestvoet, zoals we hierboven zagen. Deze daling is dus vermoedelijk ook het gevolg van het kapitaalaanbod dat de vraag oversteeg (bijlage 10).

 

Tabel 2: aantal en percentage renten met korting

 

regio Gent

regio Ieper

 

aantal

percentage

aantal

percentage

 

 

 

 

 

1700

1

3,13 %

 

 

1710

2

13,33 %

1

4,76 %

1720

4

14,29 %

4

13,33 %

1730

6

24,00 %

5

21,74 %

1740

14

56,00 %

4

26,67 %

1750

16

59,26 %

7

38,89 %

1760

19

76,00 %

7

43,75 %

1770

43

95,56 %

12

52,17 %

1780

56

83,58 %

25

71,43 %

1790

41

78,85 %

23

63,89 %

 

 

 

 

 

gemiddelde

20,20

50,40 %

9,78

37,40 %

mediaan

15,00

57,63 %

7,00

38,89 %

 

Het totale gemiddelde van de korting ligt, net als de intrestvoet, voor de regio Gent lager dan de regio Ieper: 3,87 % en 4,33 % (grafiek 4). Dat verschil van ca. 0,5 % blijft ook behouden bij de mediaan. We zien voor de regio Gent een constante daling tot 1770 (van 5,0 % in 1700 tot 3,29 % in 1770), met een enkele uitzondering in 1730. Daarna terug een vrij sterke stijging tot boven het niveau van 1740. In de regio Ieper zien we ook een daling tot 1770, maar pas vanaf 1730. En ook hier daarna een stijging, maar minder sterk, zodat het verschil tussen beide cijfers opnieuw minder dan 0,3 % bedraagt. Dit was ook het geval in 1720. Deze bespreking komt grotendeels overeen met die van de gemiddelde intrestvoet. Als we dan de gegevensreeks van de gemiddelde intrestvoet en de gemiddelde korting samenbrengen, zien we inderdaad een sterk gelijklopende evolutie.

Bij Riley kunnen we lezen dat op de Antwerpse rentemarkt het verschil tussen de korting en de intrestvoet in het midden van de 18de eeuw tot 1 % of meer kon oplopen.[69] Dit zien we ook bij de kortingen in de regio Gent en Ieper. Het is wel zo dat de verschillen vanaf 1730 minder dan 1 % bedragen. De verschillen zijn in de regio Gent de hele 18de eeuw door het hoogst. In het begin van de eeuw zien we nog verschillen van 1,09 %, 1,55 % en 1,06 %, maar daarna zakt het in 1730 zeer sterk terug tot 0,44 %. We moeten bij deze hoge, afwijkende cijfers wel steeds in het achterhoofd houden, dat het voor de korting in de regio Gent tot 1730 en in de regio Ieper tot 1760 om een zeer smalle gegevensbasis gaat, zoals we hierboven al vermeldden. Voor de tweede helft van de eeuw hebben we veel meer gegevens, en dan schommelt het verschil rond 0,7-0,8 %. Ook in de regio Ieper hebben we voor de eerste helft van de eeuw te maken met een smalle gegevensbasis. De verschillen zijn nog vrij groot in de jaren 1710-1720, maar daarna komen ze nog zelden uit boven de 0,5 %.

 

Tabel 3: de gemiddelde intrestvoet met korting

 

regio Gent

regio Ieper

 

 

 

1700

5,00 %

 

1710

4,20 %

4,44 %

1720

3,93 %

4,75 %

1730

4,27 %

4,75 %

1740

3,74 %

4,63 %

1750

3,49 %

4,29 %

1760

3,43 %

4,13 %

1770

3,29 %

3,85 %

1780

3,47 %

3,96 %

1790

3,91 %

4,17 %

 

 

 

gemiddelde

3,87 %

4,33 %

mediaan

3,83 %

4,29 %

 

 

6.3. De vergelijking met andere regio's

 

Er zijn verschillende studies die ook de intrestvoet onderzocht hebben, wij zullen ons beperken tot de studies over Zele, Lovendegem en Gavere, het Land van Waas, het Land van Herve en Antwerpen.[70] We zullen hier niet meer in detail terugkomen op de verschillen tussen de twee regio's die we zelf onderzocht hebben.

Een eerste vergelijkingspunt is Zele, waarvan Deprez de gemiddelde intrestvoet onderzocht heeft. De gemeente Zele sluit geografisch aan bij het Land van Waas. Los van de evolutie per steekproefjaar, valt onmiddellijk op dat de intrestvoet voor Zele veel lager ligt dan in de regio Gent of in de regio Ieper. Het verschil met de regio Gent schommelt tussen 0,6 % (1740) en 2,3 % (1710), en het verschil is in Ieper nog groter (tot %). Vanaf 1710 groeien de grafieken voor een periode van 30 jaar nog naar elkaar toe, als gevolg van een stijging van de rentevoet in Zele. Daarna halveert de intrestvoet in Zele tijdens de periode 1740-1770, terwijl ze in de regio Gent en Ieper veel minder daalt. Vanaf 1770 stijgt de intrestvoet in alle regio's, maar in Zele stabiliseert ze in 1780 wel, terwijl ze in de andere regio's blijft stijgen. Deze stijging op het einde van de eeuw is mogelijk het gevolg van het feit dat de plattelandsbewoners niet adequaat genoeg het stedelijke kapitaalaanbod konden vervangen.[71]

 

 

Een tweede belangrijke regio waarvoor gegevens bestaan voor de hele 18de eeuw, is het Land van Waas. We hebben twee gemeenten gebruikt om te vergelijken: Kruibeke en Stekene. Voor beide gemeenten is geen gemiddelde intrestvoet berekend, wel een opdeling per intrestvoet (4 %, 3 %, …). We zullen eerst de onderlinge verhoudingen binnen het Land van Waas bespreken, om dan over te gaan tot de vergelijking met de eigen onderzochte regio's.

Naast de gemiddelde intrestvoet, hebben we ervoor gekozen om de gegevens van Kruibeke in een '100 %-grafiek' te plaatsen, zoals we dat al deden voor de regio’s Gent en Ieper. Er moet wel nog opgemerkt worden dat de opdeling van de 18de eeuw afwijkt van ons eigen onderzoek. Daarom hebben we onze gegevens in dezelfde categorieën onderverdeeld. Ook de legende komt niet overeen met de andere tabellen, omdat de intrestvoet voor Kruibeke opvallend lager ligt dan in de andere regio’s. In de periode 1710-1719 is er al een overwicht van de renten tegen 4 %, en vanaf 1730-39 is er een overwicht van de renten tegen 3 % (dit tot meer dan 90 % in 1770-1779). Deze zeer lage renten vinden we enkel terug in Zele, dat zich aan de rand van het Land van Waas bevindt. De dalende evolutie is dezelfde als in de andere regio's, met het laagste punt in 1770-1779. En net als in de andere regio's zien we daarna een lichte verhoging van de intrestvoet. De verklaring voor de lichte stijging na 1780 moet weer gezocht worden in de verslechterde economische situatie. De zeer lage renten in Kruibeke zijn het gevolg van het feit dat deze gemeente zich zeer dicht bij Antwerpen bevindt en mee profiteerde van het grote kapitaalaanbod van de grootste kapitaalmarkt van de Zuidelijke Nederlanden.

 

 

Daarnaast is ook Stekene onderzocht geworden. Hoewel deze gemeente tot dezelfde regio behoort als Kruibeke, zien we een heel andere situatie. De intrestvoet ligt hier veel hoger. In Kruibeke is er geen sprake van renten tegen de penning zestien (6,25 %), terwijl dit in dezelfde periode in Stekene nog bijna de helft van alle renten uitmaakt. De indeling is ook hier weer anders, met steekproeven van zes jaar (1700-1705), en dit tot 1795. De grafiek over de intrestvoet van Stekene is vooral voor het tweede deel van de 18de eeuw een blauwdruk van de grafiek van de regio Gent. Het begin van de eeuw wordt gekenmerkt door een enorme dominantie van de renten tegen 6 %, tien jaar later is dit al gehalveerd, en zien we een sterke opkomst van de renten tegen 5 % en 4 %. Dit blijft zo tot 1740-1745, want in 1750-1755 komt de definitieve ommekeer, met een meerderheid aan renten tegen 4 %, en opkomst van de renten tegen 3 %. Deze situatie kent haar hoogtepunt in de periode 1770-1775, om in 1790-1795 terug te zakken tot de situatie in 1760-1765. Deze evolutie vinden we ook terug in de regio Gent, met een hoogtepunt in 1770 en daarna terug een stijging van de intrestvoet.

 

 

De volgende regio is het Land van Herve, dat uitgebreid onderzocht is door Servais. De vergelijking kan, net als bij Zele, vrij eenvoudig gemaakt worden. Ook hier is het echter zo dat Servais de categorieën anders indeelt. Hij heeft periodes van tien jaar (bvb. 1700-1709), maar stopt wel in 1789. Dit heeft als gevolg dat we voor het einde van de 18de eeuw geen vergelijkingspunt hebben, maar ook dat zijn gegevens telkens een lichtjes andere periode omvatten. Het eerste cijfer is gebaseerd op akten over een periode van tien jaar (1700-1709), zodat hij eigenlijk ook deels aansluit op onze tweede cijfer, dat van 1710. Toch kan dit geen argument zijn om deze vergelijking niet te maken. Als we ons eerst enkel concentreren op de grafiek van het Land van Herve, zien we een constante, vrij sterke daling gedurende de hele eeuw, met uitzondering van de periode 1770-1779. Deze daling zagen we ook al bij de regio's die we zelf onderzocht hebben. Het is ook zo dat de intrestvoet vrij hoog ligt, in vergelijking met het Land van Waas, zoals we hierboven al zagen.In het begin van de eeuw ligt de gemiddelde intrestvoet in de regio Gent nog een stuk hoger (6,1 % tegenover 5,32 %), maar al in 1720 blijven beide grafieken in de buurt van elkaar, met verschillen rond 0,1 %. Het steekproefjaar 1770 is de enige uitzondering hierop. Het is wel zo dat we daarna in de regio Gent een vrij sterke stijging zien van de intrestvoet. De grafiek voor het Land van Herve eindigt daar, maar aangezien Servais in het cijfer voor 1780 de gegevens tot 1789 verwerkt heeft, kunnen we ervan uitgaan dat het cijfer in het Land van Herve constant blijft of lichtjes daalt. De grafiek van de regio Ieper kent een ander verloop, hoewel het cijfer in 1710 nog in de buurt van het cijfer van het Land van Herve ligt (5,24 % tegenover 5,10 %). De lichte stijging in 1720 steekt af tegenover de daling in het Land van Herve. Het verschil dat hierdoor ontstaat (omstreeks 0,5 %), zal de hele eeuw blijven, met uitzondering van 1770 (4,29 % tegenover 4,32 %). Als we veralgemenen, zien we hier echter ook een parallelle daling tussen beide regio's. De evolutie is in de drie regio's gelijklopend, met 1770 als enige afwijking. We zien voor het Land van Herve geen stijging op het einde van de eeuw, ondanks het feit dat de gegevens voor 1780 eigenlijk tot 1789 lopen.

 

 

Een laatste regio die we opgenomen hebben is een aanduiding van de intrestvoet in de stad Antwerpen, die bestudeerd is door Riley (grafiek 9). Hij bepaalde de intrestvoet uit de leningen van de Moretusfamilie; het gaat dus niet om de intrestvoet van de stad Antwerpen, wel om een indicatie ervan via de archieven van één van de belangrijkste families in de stad. De periodisering is ook hier afwijkend van onze eigen gegevens, want hij werkt met periodes van tien jaar. Het getal voor 1700 komt overeen met de periode 1691-1700, zodat de vergelijking niet helemaal accuraat is. De laatste categorie bestrijkt de periode 1781-1787, wat in de grafiek overeen komt met 1790. De intrestvoet ligt in Antwerpen duidelijk lager dan in de regio’s Gent en Ieper. In tegenstelling tot de eigen gegevens, stellen we echter geen daling vast. Doorheen de 18de eeuw schommelen de cijfers, met uitzondering van 1750, tussen 3,5 % en 3 %. In de economische bloeiperiode 1760-1780 stijgt de intrestvoet zelfs licht, en ook in 1790 stellen we een stijging vast. De intrestvoet komt overeen met die van Kruibeke, al ligt ze nog wat lager. Tot 1750-1760 blijft ze ook onder die van Zele, maar daarna daalt de intrestvoet in Zele vrij sterk, terwijl we voor Antwerpen te maken krijgen met een lichte stijging. De lage intrestvoet kan makkelijk verklaard worden door het grote kapitaalaanbod in het grootste kapitaalcentrum van de Zuidelijke Nederlanden.

 

 

We kunnen dus samenvattend stellen dat de intrestvoet in alle regio’s een constante daling kent tot 1770-1780. De gemeente Zele vormt hierop de uitzondering, maar ook hier zien we een overduidelijke daling na 1750. Het is wel zo dat de intrestvoeten zeer sterk verschillen in grootte, met een zeer hoog cijfer in de regio Ieper en een zeer laag cijfer in Antwerpen, Zele en Kruibeke. De periode 1770-1780 is die met de laagste intrestvoeten, en bijgevolg economisch ook de meest welvarende.

 

 

7. De aflossing

 

In dit hoofdstuk zullen we de aflossing of terugbetaling bespreken. Dit is een belangrijke indicatie van de economische situatie, omdat een stijging van het aantal aflossingen en een daling van de aflossingstermijn een duidelijke indicatie zijn van een sterkere economische conjunctuur. We zullen ons eerst concentreren op de eigen gegevens, om daarna opnieuw te vergelijken met andere regio’s waarvoor gegevens beschikbaar zijn.

 

7.1. Het systeem

 

Met de term 'aflossing' wordt de terugbetaling van het geleende bedrag bedoeld. Dit gebeurde in principe in één keer. Dit was een verplichting, zoals we eerder al zagen bij de wetgeving. Een uitzonderlijke keer wordt in de akte echter specifiek vermeld dat de renteverkoper de som in twee of meerdere delen mocht terugbetalen. Zo mocht Joannes Fransis Verdegem uit Evergem het geleende bedrag van 500 ponden in schijven van 75 ponden terugbetalen.[72] De aflossing wordt in de originele renteregisters ingeschreven, zelfs als de rente veel later wordt afgelost. Daarbij wordt het rentecontract doorstreept om aan te tonen dat het niet meer geldig is. De ‘aflossingsakte’ werd steeds in de kantlijn ingeschreven. Voor het ontstaan van de aflosbaarheid van de renten verwijzen we naar hoofdstuk 3.

 

7.2. Het aantal renten dat werd afgelost

 

Heel wat renten werden vrij laat terugbetaald. Dit heeft belangrijke consequenties bij het bestuderen van de 18de eeuw, omdat de bronnen op het einde van het Ancien Régime abrupt worden afgebroken en de continuïteit van de registers volledig verloren gaat. We bekomen zo voor het steekproefjaar 1790 een cijfer dat niet accuraat is. In mindere mate zal dit ook gelden voor 1780. We zullen er later op terug komen bij de bespreking van de tabellen. Een gedeeltelijk tekort in de bronnen zal nochtans geen grote invloed hebben op het gemiddelde aantal afgeloste renten voor dat jaar, zeker als het absolute aantal vrij hoog ligt, wat voor beide regio's het geval is (cf. tabel 1).

De aflossing kan rechtstreeks in verband gebracht worden met de economische situatie. We kunnen dit aflezen uit het aantal renten dat werd afgelost, maar nog veel duidelijker uit de aflossingstermijn. Wanneer er meer renten worden afgelost en op kortere termijn, dan wijst dit op een verbeterde economische situatie en een mobielere kapitaalmarkt. We hebben dan te maken met investeringskrediet, terwijl we in slechtere economische tijden vooral te maken hebben met noodkrediet. De economische evolutie is echter niet altijd duidelijk te onderscheiden, aangezien de renten steeds een tijd later worden afgelost, zodat we veranderingen via deze parameter pas een aantal jaar later kunnen vaststellen.[73]

 

Een eerste belangrijke vraag die we ons dus moeten stellen is het aantal renten dat werd afgelost. Het aantal renten met aflossing ligt voor de regio Gent vrij hoog (67,4 %). We bekomen een nog hoger cijfer (72,3 %) als we geen rekening houden met jaar 1790. Dit is zeker het vermelden waard als we weten dat door het abrupt afbreken van de bronnen het aantal ingeschreven aflossingen in 1790 veel lager ligt. In de regio Ieper ligt het aantal aflossingen in de 18de eeuw veel lager (39,7 %), maar ook hier iets hoger als we geen rekening houden met 1790 (44 %). Dit wijst erop dat het de regio Gent gedurende de 18de eeuw economisch beter afging dan de regio Ieper. De tienjaarlijkse evolutie voor de regio Gent is tot 1750 vrij stabiel (omstreeks 80 %), met uitzondering van een sterke daling in 1710 (53,3 %). Vermoedelijk is dit een gevolg van de Spaanse Successieoorlog bovenop de precaire economische toestand van het platteland. Daarna treedt een herstel op dat pas in 1730 volledig bereikt is. Het hoogtepunt wordt in 1760 bereikt (92 %) om daarna in vrije val te dalen tot 1790, wanneer minder dan 25 % van de renten wordt afgelost.

 

De evolutie in de regio Ieper wijkt daar sterk vanaf. Ook hier moet voorzichtig worden omgesprongen met de resultaten, en dit door het kleine, absolute aantal afgeloste renten, vooral dan in de jaren 1720 en 1760 (beiden 8), en de jaren 1740 en 1750 (beiden 5). Dit kan echter geen argument zijn om deze gegevens volledig overboord te gooien. Ze kunnen ons zeker een indicatie geven van de globale evolutie. In 1710 ligt het cijfer bijzonder dicht bij dat van de regio Gent (respectievelijk 52,3 % en 53,3 %). Het cijfer blijft daarna echter schommelen rond 30 %, met een iets hoger cijfer in 1730 (43,5%). Het kleinere aantal in 1720 en 1740 zou het gevolg kunnen zijn van het hiaat in de bronnen van die jaren (cf. hoofdstuk 3). De stijging in de regio Ieper tussen 1750 en 1760 is sterker dan die in de regio Gent. Deze stijging wordt daarna geconsolideerd en blijft tot 1780 behouden (57,1 %), terwijl het cijfer in de regio Gent dan al veel lager ligt (44,8 %). De periode 1770-1780 is trouwens de enige waar het cijfer voor de regio Ieper hoger ligt dan in de regio Gent. Net als in de regio Gent is ook voor de regio Ieper het aantal voor het jaar 1790 niet accuraat (grafiek bijlage 12).

 

Tabel 1: het aantal afgeloste renten

 

regio Gent

 

 

regio Ieper

 

aantal

percentage

 

 

aantal

percentage

 

 

 

 

 

 

 

1700

25

78,13 %

 

1700

 

 

1710

8

53,33 %

 

1710

11

52,38 %

1720

20

71,43 %

 

1720

8

26,67 %

1730

22

88,00 %

 

1730

10

43,48 %

1740

21

84,00 %

 

1740

5

33,33 %

1750

22

81,48 %

 

1750

5

27,78 %

1760

23

92,00 %

 

1760

8

50,00 %

1770

26

57,78 %

 

1770

14

60,87 %

1780

30

44,78 %

 

1780

20

57,14 %

1790

12

23,08 %

 

1790

2

5,56 %

 

 

 

 

 

 

 

gemiddelde

20,90

67,40 %

 

gemiddelde

9,22

39,69 %

mediaan

22,00

78,13 %

 

mediaan

8,00

43,48 %

 

We kunnen het percentage aflossingen ook berekenen door het totale afgeloste bedrag per steekproefjaar te vergelijken met het totale geleende kapitaalvolume (bijlage 12). We komen dan kleine verschillen uit (onder 10 %) tegenover de aflossing berekend op het aantal renten. Via deze berekening komen we voor de meeste steekproefjaren uit op een groter percentage aflossingen, anders zien we in de tabellen een min voor het getal staan. Voor de regio Gent hebben we enkel in 1720 en 1790 te maken met een groter verschil (13 % en 12 %), maar we weten al dat de cijfers voor 1790 niet betrouwbaar zijn. Voor de regio Ieper krijgen een gelijkaardig scenario, met enkel in 1710 (-24 %), 1730 (22 %) en 1750 (11 %) grotere verschillen.

 

7.3. De aflossingstermijn

 

Voor we in detail de termijn van aflossing gaan bespreken, hebben we in tabel 2 voor beide regio's de gemiddelde termijn per steekproefjaar bepaald. De algemene trend voor de regio Gent is overduidelijk een constante daling (23,9 jaar tot 2,7 jaar), enkel 1710 en 1730 vormen hierop een uitzondering. Een belangrijke factor voor de langere duur in 1710 is waarschijnlijk de Spaanse Successieoorlog. Vooral de aflossingen binnen de 5 jaar zullen hieronder sterk geleden hebben, aangezien veel boeren al hun inkomsten verloren hadden. De sterke daling van de aflossingstermijn daarna wijst wel op een snel herstel bij de landbouwbevolking, terwijl de oorlog na 1710 nog drie jaar zou aanslepen. Dit snel herstel werd echter ook al door Thoen vastgesteld voor de 16de eeuw.[74] Het is al in 1720 dat het gemiddelde onder de 20 jaar duikt (15,5 jaar), dit is tegenover 1710 een halvering. De daling stokt dan enigszins in de periode 1740-1750, om dan in 1760 onder de 10 jaar te gaan. De Oostenrijkse Successieoorlog heeft dus op het vlak van de aflossing veel minder invloed gehad dan de Spaanse. In de periode 1770-1780 wordt de termijn nog eens gehalveerd om te blijven hangen rond de 5 jaar. En in 1790 wordt deze nog eens gehalveerd tot ongeveer 2,5 jaar. Dit cijfer kunnen we echter niet gebruiken, daar de renten die op langere termijn zouden worden afgelost, niet meer zijn ingeschreven in de registers. De registers lopen voor de regio Gent maar tot het midden van de jaren 1790. Als hypothese kunnen we wel naar voor brengen dat de termijn in 1790 waarschijnlijk licht zou gestegen zijn door de verslechterde economische situatie. Dit werd voor Lovendegem en het Land van Gavere vastgesteld door Deprez, die de registers tot 1796 had ingekeken.[75]

 

In de regio Ieper is de situatie in het begin van de eeuw beter dan in de regio Gent. Pas in 1740 zal de grafiek van de regio Gent onder die van Ieper duiken, om dan in de periode 1770-1780 samen te vallen. Net als voor de regio Gent is het jaar 1790 niet accuraat en kunnen we ervan uitgaan dat er in werkelijkheid waarschijnlijk een lichte stijging zou opgetreden zijn. Aangezien de gegevens voor het jaar 1700 ontbreken, is het hier moeilijk om de invloed van de Spaanse Successieoorlog te bepalen. Als we de vrij grote invloed van de oorlog in de regio Gent zien, dan kunnen we ervan uitgaan dat het cijfer in 1700 waarschijnlijk iets lager moet geweest dan zijn in 1710. Er treed dan een daling op, die veel minder spectaculair is dan in de regio Gent. Daarna wijzigt de situatie voortdurend: eerst een sterke stijging in 1740, gevolgd door een daling in 1750. In 1760 komt het cijfer opnieuw in de buurt van de situatie in 1730 (resp. 13,9 jaar en 12,0 jaar). Daarna treedt een spectaculaire daling op tot bijna 1/3de van de termijn tien jaar eerder. De grafiek duikt dan lichtjes onder die van de regio Gent.

De gemiddelde aflossingstermijn voor de hele 18de eeuw ligt in de regio Ieper lager dan in de regio Gent, en dit verschil komt ook tot uiting bij de steekproeven. Het is wel zo dat de regio Gent een sterke inhaalbeweging maakt in de eerste helft van de eeuw om zo tot op gelijke hoogte te komen in de periode 1770-1790. Deze gegevens wijzen op een steeds mobieler wordende kredietmarkt in beide regio’s, als gevolg van de steeds korter wordende termijn van afbetaling. De renten worden steeds meer gebruikt als investeringsmiddel en niet meer om de crisismomenten te overleven. Uit deze tabel blijkt dat vooral de periode 1770-1780 voor beide regio's als economisch welvarend beschouwd kan worden. Wat echter vooral opvalt is het feit dat de regio Ieper het hier beter doet dan de regio Gent. De aflossingstermijn is een belangrijke indicatie van de economische situatie in een bepaalde regio, en de regio Ieper komt hier het best naar voor. Het betere gemiddelde in de regio Ieper is het gevolg van betere cijfers in de eerste helft van de eeuw, terwijl we daarna parallelle cijfers hebben voor beide regio’s. Toch is ook dit enigszins vreemd te noemen, want een kortere aflossingstermijn wijst op een betere economische situatie, terwijl we al verschillende indicaties hebben gekregen dat het in de regio Ieper veel minder goed gaat dan in de regio Gent.

 

Tabel 2: de gemiddelde aflossingstermijn (in jaren)

 

regio Gent

regio Ieper

 

 

 

1700

23,92

 

1710

28,38

16,36

1720

15,45

12,63

1730

18,09

12,00

1740

14,19

17,80

1750

13,15

4,00

1760

9,81

13,88

1770

5,77

5,14

1780

5,87

5,17

1790

2,67

1,00

 

 

 

gemiddelde

13,73

9,78

mediaan

13,67

12,00

 

Naast de gemiddelde termijn, hebben we ook de aparte termijnen in grafieken omgezet. Om de talrijke gegevens overzichtelijk te houden, hebben we ervoor gekozen voor elke regio een '100 % gestapelde kolom'-grafiek te maken (grafieken 1 en 2). Dit type van grafiek zal ook gebruikt worden om de eigen gegevens te vergelijken met de andere regio's. Daarnaast hebben we voor de volledigheid in bijlage een uitgebreide tabel opgenomen, met een onderverdeling in perioden van 5 jaar om zo de aflossing op korte termijn te kunnen volgen (bijlagen 8 en 9).

Ook hier zien we heel duidelijk de constante daling doorheen de 18de eeuw, en vooral dan vanaf de periode 1760-1770. Dit kunnen we duidelijk volgen in de renten die binnen de 5 jaar worden afgelost. Zij zijn in het begin van de eeuw slechts in de marge aanwezig, maar zullen voor de regio Gent tot boven de 50 % stijgen en voor de regio Ieper tot boven de 70 %. Met het jaar 1790 houden we geen rekening, om redenen die hierboven al vermeld zijn. De tussencategorieën (5-10 jaar en 11-20 jaar) schommelen in beide regio’s, maar blijven wel overal aanwezig. En de aflossingstermijn van boven de 20 jaar verdwijnt langzamerhand, in de regio Ieper iets sneller dan in de regio Gent. Dat de categorie +20 jaar in 1780 niet meer voorkomt, heeft ook weer zijn oorzaak in het bronnentekort vanaf 1795.

 

 

 

Tenslotte willen we in deze paragraaf ook nog volgende hypothese naar voor schuiven. Vertrekkende van het feit dat de grootte van het geleende bedrag een zekere aanduiding is van de sociale positie van de renteverkoper, zijn we van de veronderstelling uitgegaan dat de grotere bedragen sneller zouden afgelost worden. We hebben dit voor drie steekproefjaren gedaan (1760, 1770, 1780). In deze jaren wordt het meest renten afgelost, zodat we meteen ook genoeg aflossingen hadden om een vrij goed beeld te krijgen van de situatie. Het blijkt echter meteen dat de gestelde hypothese kan afgevoerd worden, daarom hebben we enkel 1780 onderzocht. In 1780 wordt ongeveer de helft van de renten met een waarde tot 100 ponden binnen de vijf jaar afgelost. Datzelfde geldt voor de bedragen tussen 100 en 200 ponden, en voor de bedragen groter dan 200 ponden. Eenzelfde verhouding zien we ook voor het steekproefjaar 1770. In 1760 ligt de situatie enigszins anders, maar ook daar zien we dat zowel voor de kleine bedragen (0-100 ponden) als voor de grote bedragen (+200 ponden) alle categorieën van de aflossingstermijn vertegenwoordigd zijn. De verschillen zijn zeer klein en dus zijn we de mening toegedaan dat de we geen conclusies kunnen trekken uit dit cijfermateriaal.

 

7.4. Vergelijking met andere regio's

 

De eigen onderzoeksresultaten zullen we hier aanvullen met de gegevens die Deprez haalde uit zijn onderzoek naar de heerlijkheden baronie van Lovendegem en het Prinselijk Land van Gavere, wat ook als een deel van de regio Gent kan beschouwd worden. We zullen echter Evergem steeds als de ‘regio Gent’ blijven aanduiden en Lovendegem en het Land van Gavere aanduiden als Lovendegem/Gavere, om verwarring te vermijden. Daarnaast zullen we ook de onderzoeksresultaten van Blomme, over de rentecontracten van de gemeente Kruibeke (Land van Waas). Tenslotte zullen we aandacht besteden aan het bijzonder uitvoerige onderzoek van Servais voor het Land van Herve.[76] Het probleem met de vergelijkingen ligt in het feit dat de auteurs de 18de eeuw elk in andere periodes hebben opgedeeld. Zo hebben Blomme en Deprez vijf periodes van twintig jaar genomen, maar Blomme begint met de periode 1710-1729, terwijl Deprez begint met de periode 1700-1719, zodat de discrepantie tot 1770 in de tabellen blijft. Dan komen beide samen, omdat Blomme de het jaar 1770 apart neemt. Daarom hebben we ervoor gekozen om onze eigen onderzoeksresultaten aan te passen aan beide tabellen. We willen er nog op wijzen dat we bij onze onderzoeksresultaten telkens een periode van twintig jaar vermelden, maar dat het uiteraard maar gaat om twee steekproeven die we hebben samengenomen. Dit zorgt ervoor dat de periodes niet helemaal overeenkomen, aangezien de gegevens voor de andere regio's tot net voor het volgende tiental gaan, zodat we ook een lichte afwijking bekomen in de vergelijkingen. Tenslotte moeten we ook nog wijzen op een afwijking voor de laatste kolom, aangezien zowel voor de regio Gent als voor het Land van Waas de studie respectievelijk tot 1796 en 1794 is voortgezet. Ons onderzoek loopt voor de regio Gent maar tot 1790 en voor de regio Ieper tot 1791. Dit onderscheid is belangrijk, aangezien de economische situatie vanaf eind jaren 1780 terug verslechtert. Voor de vergelijking met de gegevens van Deprez, willen we nog eens wijzen op het bronnentekort voor de regio Ieper in 1700. Alhoewel het onmogelijk te bewijzen is, denken we dat de evolutie daardoor enigszins afwijkt van de regio Gent, aangezien de aflossingstermijn gedurende de hele 18de eeuw in dalende lijn gaat. De positievere resultaten voor de regio Ieper zijn waarschijnlijk daarvan deels het gevolg. Dit kan echter niet als volledige verklaring dienen voor de vrij grote verschillen tussen beide regio’s.

 

De aflossingstermijn van de regio Gent en Lovendegem/Land van Gavere verloopt vrij parallel (grafiek 3). We zien voor de eerste kolom dat in de regio Gent een iets kleiner aantal renten die binnen de 5 jaar worden afgelost. Het aantal renten dat na meer dan 20 jaar wordt afgelost, loopt wel gelijk. In de tweede periode is de gelijkenis nog beter te zien. Maar in het midden van de eeuw (1740-1759) daalt in Lovendegem/Land van Gavere de aflossingstermijn vrij sterk, terwijl die in de regio Gent gelijk blijft en we een uitbreiding zien van de renten die tussen 11 en 20 jaar worden afgelost. In de volgende periode groeien de cijfers terug naar elkaar toe. In de laatste periode kan de regio Gent de beste cijfers voorleggen, wanneer meer dan 65 % van de renten binnen de 5 jaar worden afgelost. Dit is waarschijnlijk deels te verklaren doordat we met ons eigen onderzoek gestopt zijn in 1790, terwijl Deprez de akten tot 1796 heeft ingekeken. In deze periode gaat het economisch slechter, zodat ook de aflossingstermijn stijgt. We stellen dus voor beide regio’s een sterke verbetering vast van de aflossingstermijn, met wisselende groeipatronen. Beide regio’s kennen dus een sterk gelijkaardige aflossingstermijn, wat vrij logisch is, aangezien ze beiden onder invloed staan van de stad Gent.

 

 

Ook in de regio Ieper zien we vrij gelijklopende cijfers (grafiek 4). In het begin van de eeuw is de situatie in de regio Ieper wel beter, met meer renten die binnen de 5 jaar worden afgelost en minder na 20 jaar. Dit blijft zo in de periode 1720-1739, maar met minder scherpe verschillen. Tussen 1740 en 1779 zien we dat de gegevens nog meer naar elkaar toegroeien, met steeds een lichtjes betere situatie in de regio Ieper. De verschillen zijn het grootst in de laatste fase van de eeuw, met in de regio Ieper 72 % renten die binnen de 5 jaar worden afgelost tegenover 44 % in Lovendegem/Gavere. Ook hier ligt de verklaring waarschijnlijk gedeeltelijk in het bronnenmateriaal. De verschillen tussen Lovendegem/Gavere en de regio Ieper situeren zich op dezelfde punten als de verschillen tussen de regio Ieper en de regio Gent.

 

 

Een tweede regio waarvoor gegevens beschikbaar zijn, is het Land van Waas, waarvan we de gemeente Kruibeke bespreken (grafiek 5). In vergelijking met de regio Gent, stellen we vast dat de situatie in het begin van de eeuw voor het Land van Waas iets beter ligt. Dit verandert echter al in de volgende periode (1720-1739), en dit blijft zo tot het einde van de eeuw. We zien voor de regio Gent vanaf 1730-1749 de uitbouw van de aflossingstermijn binnen de 5 jaar (van 24 % naar 67 %), terwijl dit voor het Land van Waas ongeveer gelijk blijft (13 %). In het Land van Waas zien we daarentegen een groei van de renten die na 20 jaar worden afgelost. De situatie is in de regio Gent dus merkelijk beter te noemen, vooral in de tweede helft van de eeuw.

 

De situatie in de regio Ieper is ook beter dan die in het Land van Waas. Al in het begin van de eeuw zien we een groter percentage van de categorie -5 jaar. In de periode 1730-1749 blijven de verschillen, maar dan vooral in de categorieën 5-10 jaar en +20 jaar. Daarna groeien beide gegevensreeksen uit elkaar, met in het Land van Waas een uitbouw van de categorie +20 jaar, in de regio Ieper daarentegen een groei in de categorie -5 jaar. We zien dus heel duidelijk dat de aflossingstermijn in het Land van Waas een sterk verschillende evolutie ondergaat in vergelijking met de regio Gent en de regio Ieper. Voor de beide regio’s die we onderzocht hebben, zien we heel duidelijk een daling in de aflossingstermijn, terwijl we net het omgekeerde zien in het Land van Waas. Dit is een duidelijke indicatie van de slechtere economische situatie in die regio.

 

 

 

Als afsluiter van dit hoofdstuk hebben we ook de gemiddelde afgeloste bedragen met elkaar vergeleken. Het gemiddelde afgeloste bedrag volgt in sterke mate de gemiddelde geleende bedragen (bijlage 11), zodat we voor een uitgebreide bespreking naar dat hoofdstuk verwijzen. We herhalen hier enkel dat we duidelijk de constante stijging van de uitgeleende bedragen terugzien. We hebben, om een vergelijking met het Land van Herve mogelijk te maken, de gemiddelde bedragen opgedeeld in vier categorieën: 0-49 ponden, 50-99 ponden, 100-149 ponden, en 150 ponden of meer (tabel 3, bijlage 13). Servais werkt wel steeds met florijnen, zodat we de gegevens hebben omgerekend. Hij hanteert ook andere, meer uitgebreide tijdscategorieën, maar die bemoeilijken het vergelijken niet. De regio Gent kenmerkt zich door een daling van de bedragen tot 49 pond vanaf de periode 1730-1750, en daarna volgt een stabiele situatie van deze bedragen tussen 10 % en 20 %. Daartegenover staat een stijging van de bedragen boven de 150 pond vanaf 1750. Bij de andere twee categorieën is het moeilijker om een duidelijke evolutie aan te wijzen, het gaat hier meer om schommelingen doorheen de hele eeuw. Toch zien we heel duidelijk dat 1750-1760 de scharnierperiode is, met daarin een sterke vergroting van de gemiddelde afgeloste bedragen.

De regio Ieper kenmerkt zich door een gedeeltelijk andere evolutie, met een stijging van de bedragen tot 50 pond tot 1740 en parallel daarmee een daling van de bedragen boven de 150 pond. Vanaf 1750 gebeurt het omgekeerde en volgt deze regio de evolutie in de regio Gent, met meer grote bedragen die afgelost worden. Ook voor de twee tussencategorieën is het moeilijk een evolutie te herkennen, hoewel we bij de bedragen tussen 50 en 100 ponden in de periode 1750-1780 een daling kunnen vaststellen. Het gaat in de regio Ieper dus om kleinere bedragen, maar wel om dezelfde scharnierperiode, nl. 1750-1760. We moeten hier echter nogmaals wijzen op het kleine aantal afgeloste renten in de regio Ieper voor een aantal steekproefjaren. De cijfers voor het Land van Herve zijn veel eenduidiger, met een constante daling van de bedragen tot 49 pond, en een constante stijging van de bedragen tot 150, terwijl de tussencategorieën de hele eeuw stabiel blijven en weinig evolutie ondergaan. En net als bij de eigen regio’s zien we hier de sterkste stijging vanaf 1750-1759.

We kunnen dus samenvattend stellen dat dit de zoveelste indicatie is van de verbeterde economische situatie vanaf de tweede helft van de 18de eeuw, met een sterke start in de periode 1750-1760 en een echte bloeiperiode in de jaren 1770-1780.

 

 

Tabel 3: de afgeloste bedragen (in ponden)

Land van Herve

0-49

50-99

100-149

150 en +

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1700-09

64,23 %

20,13 %

7,56 %

8,08 %

 

 

1710-19

61,01 %

20,98 %

9,05 %

8,96 %

 

 

1720-29

59,80 %

22,15 %

8,28 %

9,77 %

 

 

1730-39

54,79 %

19,33 %

9,94 %

15,94 %

 

 

1740-49

50,18 %

23,43 %

10,45 %

15,94 %

 

 

1750-59

52,97 %

20,02 %

9,39 %

17,62 %

 

 

1760-69

46,26 %

19,82 %

11,24 %

22,68 %

 

 

1770-79

40,06 %

19,99 %

13,21 %

26,74 %

 

 

1780-89

31,26 %

21,04 %

13,86 %

33,84 %

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

regio Gent

0-49

50-99

100-149

150 en +

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1700

52,00 %

40,00 %

8,00 %

0,00 %

 

 

1710

62,50 %

12,50 %

25,00 %

0,00 %

 

 

1720

30,00 %

25,00 %

30,00 %

15,00 %

 

 

1730

54,55 %

18,18 %

13,64 %

13,64 %

 

 

1740

28,57 %

19,05 %

38,10 %

14,29 %

 

 

1750

18,18 %

36,36 %

31,82 %

13,64 %

 

 

1760

8,70 %

26,09 %

30,43 %

34,78 %

 

 

1770

15,38 %

23,08 %

7,69 %

53,85 %

 

 

1780

10,00 %

23,33 %

16,67 %

50,00 %

 

 

1790

16,67 %

16,67 %

16,67 %

50,00 %

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

regio Ieper

0-49

50-99

100-149

150 en +

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1700

 

 

 

 

 

 

1710

18,18 %

27,27 %

18,18 %

36,36 %

 

 

1720

25,00 %

12,50 %

25,00 %

37,50 %

 

 

1730

40,00 %

30,00 %

0,00 %

30,00 %

 

 

1740

40,00 %

0,00 %

40,00 %

20,00 %

 

 

1750

0,00 %

60,00 %

20,00 %

20,00 %

 

 

1760

25,00 %

37,50 %

12,50 %

25,00 %

 

 

1770

14,29 %

35,71 %

14,29 %

35,71 %

 

 

1780

30,00 %

20,00 %

10,00 %

40,00 %

 

 

1790

50,00 %

50,00 %

0,00 %

0,00 %

 

 

 

 

 

 

 

 

 

8. Het belast onderpand en de transport van renten

 

8.1. Het belast onderpand

 

De term 'belast onderpand' duidt erop dat de bezittingen van de renteverkoper al 'bezet zijn' met één of meer renten. Dit is een belangrijke indicatie van de economische situatie, want een gevoelige vermeerdering van het aantal renteverkopers dat een tweede of zelfs derde rente afsluit, zorgt ervoor dat de leningen zich opstapelen en de plattelandsbevolking meer schulden creëert die ze niet kan aflossen. De aangegane schulden van de plattelandsbewoners dienen dan ook niet meer als investering, maar om te overleven. Een logisch gevolg van dit alles is uiteraard een verarming en een hypotheek op de investeringsmogelijkheden. We zullen dit hoofdstuk vanuit verschillende invalshoeken onderzoeken, om zowel de totale als de gemiddelde bedragen te bespreken. In andere studies komt dit niet aan bod, zodat een vergelijking zoals in de vorige hoofdstukken, hier niet aan de orde is. Het aantal afgesloten renten dat we later ook als belast onderpand in de bronnen terugvinden, is vrij klein. Dit is het gevolg van het gebruik van de tienjaarlijkse steekproeven, waardoor er geen volledige continuïteit zit in ons onderzoek. Toch beschikken we over enkele voorbeelden: in maart van het jaar 1781 verkoopt Cornelis Morent uit Langemark een rente van 171 ponden 8 schellingen aan Josephine vanden Bogaerde uit Ieper. Drie maand later verkoopt hij aan een andere persoon een tweede rente van 213 ponden 5 schellingen. Het is in dit tweede contract dat we de vermelding van de vorige rente terugvinden. Opvallend hierbij is het feit dat het in beide contracten om net dezelfde voorwaarden gaat en dat de verandering van rentekoper dus niet werd aangegaan om een contract tegen betere voorwaarden.

Een eerste belangrijke gegevensreeks is die met het aantal renten waarvan het onderpand reeds belast is (tabel 1, grafiek bijlage 14). Hun aantal is voor een aantal steekproefjaren zeer klein, zodat de uitspraken over de evolutie enigszins gerelativeerd moeten worden. Ondanks deze handicap zijn ze zeker een indicatie van de realiteit. De situatie in de regio Gent is sterk afwijkend van die in de regio Ieper. Voor de regio Gent zien we meer dan een verdubbeling van het cijfer in het begin van de eeuw, om daarna onmiddellijk terug te vallen tot het beginniveau in 1720. In de periode 1720-1740 verviervoudigt dit cijfer (van 7 % naar 32 %), om daarna eerst langzaam terug te vallen, gevolgd door een sterkere daling. Er is nog een opflakkering in 1770, maar dit is eigenlijk een uitzondering op de tendens tussen 1740 en 1790. Op het einde van de eeuw duikt het percentage zelfs onder de 5 %. We kunnen de gegevens opdelen in twee periodes: in de eerste helft van de 18de eeuw stellen we een permanente stijging vast, en in het tweede deel van de eeuw een permanente daling. De invloed van de verschillende oorlogsperiodes op de schuldenlast van het platteland is niet echt duidelijk. De stijging in het begin van de eeuw kan eventueel door de Spaanse Successieoorlog verklaard worden, maar de stijging blijft een constante in de decennia daarna. In de periode van de Oostenrijkse Successieoorlog zien we echter geen stijging, maar een halvering. We zijn van mening dat de evolutie veeleer de algemene economische conjunctuur volgt.

De situatie in de regio Ieper is veel minder rooskleurig. Hier kunnen we spreken van een constante stijging gedurende de hele eeuw. Op het einde van de eeuw is bijna de helft van het onderpand al belast met één of meerdere renten. Alleen in de periode 1730-1750 volgt een sterke daling van het aantal (van 26,1 % naar 16,7 %). In 1710 ligt het cijfer nog onder dat van de regio Gent, om daarna vrij parallel te stijgen. De daling vanaf 1730 contrasteert met de blijvende stijging in de regio Gent, zodat het cijfer van de regio Ieper opnieuw onder dat van de regio Gent duikt. Daarna gaan beide cijfers definitief een eigen weg. Opvallend is wel dat we in de periode 1760-1770 een parallelle stijging zien. Waarschijnlijk is dit in de regio Ieper een logische stap in de constante stijging van het noodkrediet, terwijl dit in de regio Gent veeleer gaat om investeringskrediet. We vermoeden dit doordat we in 1780 een zeer sterke daling vaststellen, die alleen kan verklaard worden door de snelle afbetaling van deze renten, en bijgevolg een zekere rijkdom veronderstelt in deze regio. De sterke verschillen tussen beide regio's worden bevestigd in de gemiddelden voor de hele eeuw. In de regio Gent ligt dit cijfer ongeveer 20 % lager dan in de regio Ieper.

 

 

Tabel 1: aantal renten met belast onderpand

 

regio Gent

regio Ieper

 

aantal

% tov totaal

aantal

% tov totaal

 

 

 

 

 

1700

2

6,25 %

 

 

1710

3

20,00 %

3

14,29 %

1720

2

7,14 %

6

20,00 %

1730

4

16,00 %

6

26,09 %

1740

8

32,00 %

3

20,00 %

1750

8

29,63 %

3

16,67 %

1760

5

20,00 %

4

25,00 %

1770

12

26,67 %

7

30,43 %

1780

6

8,96 %

13

37,14 %

1790

2

3,85 %

14

38,89 %

 

 

 

 

 

gemiddelde

5,20

17,05 %

6,56

25,39 %

mediaan

4,50

18,00 %

6,00

25,00 %

 

Naast het aantal renten dat belast is, hebben we ook de som gemaakt van de verschillende renten om ze te vergelijken met de totale som geleend geld (tabel 2, grafiek bijlage 14). Voor een uitvoerige bespreking van het jaarlijkse kapitaalvolume verwijzen we graag naar hoofdstuk 5. Om volledig te zijn, hebben we hier ook het totale bedrag per steekproefjaar opgenomen. We zullen ons echter vooral concentreren op de verhouding tussen het totale belaste kapitaalvolume en het totale kapitaalvolume dat ontleend werd. Dat vertoont een sterk onregelmatig verloop. In de regio Gent is het cijfer tot 1720 zeer klein (onder de 5 %), om daarna een enorme stijging te kennen in 1730. Het cijfer is in 1730 twintig maal groter als tien jaar eerder, en dit terwijl het kapitaalvolume een lichte daling kent. Het percentage stijgt tussen 1720 en 1730 dan ook van 2,5 % tot 57 %. Eventueel gaat het nog om renten die afgesloten waren na de oorlogsjaren en die nog steeds niet afbetaald waren, omdat het economische klimaat het nog niet toeliet. Een fenomenale groei doordat het telkens om grote bedragen gaat (tussen 180 en 400 ponden). Die stijging wordt echter onmiddellijk teniet gedaan. Daarna treedt in deze verhouding een stabilisatie op rond 20 %, en dit tot 1770. Ondanks de sterke groei van het kapitaalvolume in 1770 blijft het percentage hoog, omdat ook het totale belast onderpand een sterke groei kent. Daarna daalt het cijfer terug onder de 10 %, ondanks een lichte stijging in 1790. Doorheen de hele eeuw zien we vooral dat de bedragen parallel stijgen met het totale geleende kapitaal, zodat de percentages vrij laag blijven.

De situatie in de regio Ieper is enigszins verschillend. In 1710 liggen de cijfers nog dicht bij elkaar, maar de sterke stijging in de regio Ieper komt in 1720, eventueel als gevolg van de Successieoorlog. We zien ook tien jaar eerder dan in de regio Gent een daling (1770). De cijfers blijven dan twee decennia schommelen, om in 1760 terug te pieken. Deze stijging is eventueel het gevolg van de oorlogsjaren, waarin meer renten worden afgesloten om te overleven. Daarna volgt over twee decennia een spectaculaire daling, maar een enorme stijging in 1790 tot boven de 60 %, terwijl in de regio Gent dat cijfer ruim 7 maal lager ligt (8,5 %). Het hoge cijfer in 1790 is een combinatie van een verdubbeling van het belast onderpand samen met een sterke daling van het totale kapitaalvolume. Het gemiddelde toont heel sterk de verschillen tussen beide regio's aan: het is in de regio Gent slechts de helft van de regio Ieper (16,4 % tegenover 30,8 %). De mediaan verschilt zelfs nog sterker (14 % tegenover 30 %).

In de regio Ieper zit het platteland dus opgescheept met een veel grotere schuldenlast dan in de regio Gent, en deze last zal de hele eeuw blijven wegen op deze regio. Waarschijnlijk gaat het hier om een indicatie van de slechte economische situatie en is deze schuldenlast er ook een gevolg van. De regio Ieper had al in de tweede helft van de 17de eeuw zwaar af te rekenen met verschillende oorlogen en ook industrieel was de regio op een eindpunt gekomen. We zagen in de eigentijdse documenten van de kasselrij Ieper al dat de regio verarmd was en dat veel plattelandsbewoners zware moeite hadden om de pacht en de fiscale lasten te betalen, zodat de enige weg het verkopen of hypothekeren was van het eigen stuk land.[77]

 

Tabel 2: percentage belast onderpand in verhouding tot het totale geleende kapitaalvolume (in ponden)

 

regio Gent

regio Ieper

 

 

belast onderpand

kapitaal-

volume

percentage

belast onderpand

kapitaal-volume

percentage

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1700

37,50

1762

2,13 %

 

 

 

 

1710

34,50

858

4,02 %

154,57

2144

7,21 %

 

1720

69,00

2717

2,54 %

493,57

1157

42,66 %

 

1730

1085,50

1902

57,07 %

212,14

850

24,96 %

 

1740

504,00

2433

20,72 %

135,71

438

30,98 %

 

1750

669,00

2723

24,57 %

74,95

457

16,39 %

 

1760

674,00

3427

19,67 %

424,29

875

48,47 %

 

1770

1773,00

9127

19,43 %

391,81

1307

29,99 %

 

1780

861,50

16447

5,24 %

380,76

2835

13,43 %

 

1790

771,80

9124

8,46 %

617,86

974

63,46 %

 

 

 

 

 

 

 

 

 

gemiddelde

647,98

5052

16,38 %

320,63

1226,26

30,84 %

 

mediaan

671,50

2723

13,94 %

380,76

973,67

29,99 %

 

 

8.2. Het transport of de overdracht van renten

 

Deze paragraaf is van minder belang voor de reconstructie van de economische situatie in de beide regio’s, bijgevolg zullen we er ook minder aandacht aan besteden. In de eerste plaats zullen we het percentage renten met een renteoverdracht bespreken en daarna de gemiddelde termijn van deze overdrachten. Dit systeem bestond erin dat een rentekoper zijn rente kon doorverkopen aan een derde persoon om zo zijn kapitaal terug te krijgen. We zagen in de inleiding al dat hij dit kapitaal niet kon terugeisen van de renteverkoper, dus dit was een handige manier om het toch terug in handen te krijgen. Deze procedure is in de andere studies telkens achterwege gelaten, enkel Servais maakt een uitvoerige bespreking.[78]

Zowel de aantallen als de percentages van de overdracht liggen voor beide regio’s zeer laag, in een aantal gevallen is het zelfs nul (tabel 3). Enkel in de regio Ieper ligt het cijfer in twee gevallen (1730 en 1750) hoger dan 10 %, het gaat dan respectievelijk om drie en vier contracten. Voor de rest gaat het telkens om één of twee contracten, niet echt cijfers om zekere informatie uit te halen. In de regio Ieper ligt het algemene cijfer een stuk hoger dan in de regio Gent, vooral dan als we het gemiddelde voor de hele 18de eeuw in beschouwing nemen. De medianen van beide regio’s liggen wel dichter bij elkaar. Kunnen we hieraan dus conclusies koppelen? We zijn van mening dat dit niet zo is, en dat we in het beste geval eventueel kunnen stellen dat bijzonder veel rentekopers niet de behoefte hadden hun kapitaal terug te vorderen. Dit kan erop wijzen dat de grote meerderheid van de rentekopers geen geldproblemen had en, als het nodig was, lange tijd kon wachten op het uitgeleende kapitaal. De vaststelling dat de cijfers in de regio Ieper gemiddeld een stuk hoger liggen, kan eventueel wijzen op een slechtere economische toestand van de rentekopers, maar het kan ook gaan om een verschuiving van de rijkdom in die regio. Men moet wel voor ogen houden dat de cijfers zeer laag liggen, en dat het hier telkens om hypothesen gaat die zeer moeilijk te toetsen zijn aan dit bronnenmateriaal. Een diepgaandere studie van de financiële toestand van de rentekopers in beide regio’s kan hier een oplossing bieden. Pas dan kunnen we in het beste geval een uitspraak doen over de motieven tot overdracht van renten.

 

Tabel 3: aantal en percentage overdracht

 

regio Gent

regio Ieper

 

aantal

percentage

aantal

percentage

 

 

 

 

 

1700

0

0,00 %

 

 

1710

1

6,67 %

1

4,76 %

1720

2

7,14 %

0

0,00 %

1730

0

0,00 %

4

17,39 %

1740

1

4,00 %

1

6,67 %

1750

1

3,70 %

3

16,67 %

1760

2

8,00 %

1

6,25 %

1770

2

4,44 %

1

4,35 %

1780

1

1,49 %

1

2,86 %

1790

2

3,85 %

0

0,00 %

 

 

 

 

 

gemiddelde

1,20

3,93 %

1,33

6,55 %

mediaan

1,00

3,93 %

1,00

4,76 %

 

Daarnaast hebben we ook de termijn onderzocht waarop werd afgelost, waarbij we eventueel kunnen achterhalen of het de rentekoper zelf is die de rente doorverkoopt, of als het gaat om iemand uit een volgende generatie. In de tekst hierboven hadden we al vastgesteld dat het om zeer beperkt cijfermateriaal gaat, en dat bijgevolg ook hier de cijfers op een zeer smalle gegevensbasis steunen. Het is dan ook logisch dat we niet voor elk steekproefjaar apart de termijn hebben vastgesteld, maar enkel voor de hele eeuw. We zijn van mening dat dit, ondanks deze handicap, binnen deze verhandeling relevante informatie kan opleveren. Het gaat voor beide regio’s om 12 akten met overdracht. In de regio Ieper is er een gemiddelde termijn van 10,9 jaar, in de regio Gent is dat 8,92 jaar. Er wordt dus vrij snel overgegaan tot overdracht, in een paar gevallen zelfs binnen de twee jaar. Dit is zeker geen veelzeggend cijfer over de economische situatie, maar we wilden het voor de volledigheid toch erbij geven.

 

 

9. De woonplaats van de rente(ver)kopers

 

De woonplaats van de rentekopers is in die zin belangrijk, dat ze ons kan inlichten over de uitgestrektheid van de kredietmarkt. We kunnen hierbij beroep doen op het boek van Postel-Vinay, waarin hij vaststelt dat er in Frankrijk heel duidelijk sprake is van een sterk regionale kredietmarkt: … de tenir compte du caractère local des marchés du crédit. Pour des raisons sur lesquelles on reviendra, ceux-ci sont généralement organisés autour d’un pôle urbain et rayonnent alentour dans des limites assez étroites.[79] Via deze gegevens kan ook nog eens de invloed van een naburige stad op het omliggende platteland aangetoond worden voor het ontlenen van geld (cf. hoofdstuk 5). De woonplaats van de renteverkopers is binnen ons onderzoek minder belangrijk. Het is logisch dat vooral de inwoners van Evergem in de renteregisters van Evergem hun akten inschrijven, en dat dit voor de registers van de kasselrij Ieper vooral mensen van binnen de kasselrij zijn.

Onze onderzoeksresultaten zijn verwerkt in een kaart van zowel de regio Gent als de regio Ieper, waarop zowat alle gemeenten met één of meerdere rentekopers aangeduid zijn, met daarbij ook hun aandeel in percentages (bijlage 15). We hebben ervoor gekozen het belang van elke gemeente te visualiseren door de cirkel aan te passen volgens het percentage. De diameter van elke cirkel is, uitgedrukt in millimeters, telkens gelijk aan het percentage. De enige uitzonderingen zijn de gemeenten beneden de 2 %, waar we voor een diameter van 2 mm gezorgd hebben, omdat de stippen anders nog moeilijk te zien zijn. Het is zo dat we alle gegevens voor de hele 18de eeuw samengenomen hebben, aangezien een opsplitsing per steekproefjaar weinig tot niets bijdraagt aan het onderzoek. De echt belangrijke evolutie tijdens de hele eeuw tussen stad en platteland is trouwens al eerder aan bod gekomen (cf. supra). Voor we aan de bespreking van de resultaten beginnen, willen we er nog op wijzen dat niet alle rentecontracten de woonplaats van de rentekoper vermelden. Er is voor beide regio’s een tekort van om en bij de 25 %. Dit is echter niet echt een handicap, aangezien het hier in het totaal om een vrij groot aantal personen gaat.

 

De stad Gent is de hele eeuw, na Antwerpen, het tweede kapitaalcentrum in de Zuidelijke Nederlanden geweest en dat blijkt ook uit de gegevens (kaart 1). Ongeveer tweederde (64,4 %) van de rentekopers is afkomstig uit Gent. Daarnaast is ook Evergem van een zeker belang (16,5 %), maar dit heeft uiteraard veel te maken met het feit dat we de registers van Evergem onderzocht hebben. En ook Sleidinge (6,5 %) is nog het vermelden waard. De andere gemeenten (11) bevinden zich eerder in de marge. Naast het belang van Gent, is ook het regionale aspect opvallend. Op de kaart van de regio Gent is duidelijk te zien dat meer dan 90 % van alle rentekopers zich binnen een straal van 15 km van Gent bevindt. We vermelden nog kort dat bij de renteverkopers Evergem (52 %) en Sleidinge (29 %) het meest voorkomen, terwijl het cijfer voor Gent (3 %) bijna te verwaarlozen is.

 

De regio Ieper verschilt op een aantal vlakken van de regio Gent. Een eerste verschil is het gevolg van een verschil in de registers. Het register van Evergem bevat voornamelijk de renten van deze ene gemeente, terwijl dat van de kasselrij Ieper de renten van een vrij groot gebied omvat, met meerdere gemeenten. Daarom is de kaart van de kasselrij Ieper drukker bezet (kaart 2). Een tweede oorzaak is het feit dat Ieper als stad in deze periode zeker niet met Gent vergeleken kan worden. De invloed van Ieper op het omliggende platteland is veel minder dwingend, zodat de rentekopers vaak afkomstig zijn uit verschillende gemeenten (30, tegenover 11 in de regio Gent) in de omgeving. De stad Ieper is de grootste leverancier van kapitaal (45 %), daar een heel stuk onder gevolgd door de parochie Sint-Jacobs en de gemeenten Langemark en Boezinge met elk 4,5 %. De rest van de gemeenten maakt ongeveer 40 % uit van het totaal, maar het gaat telkens om zeer kleine percentages. Ook hier hetzelfde beeld als in de regio Gent: een zeer regionale kapitaalmarkt met ongeveer 90 % van alle rentekopers binnen een straal van 15 km van Ieper. Een aantal gemeenten kon wegens plaatsgebrek niet worden toegevoegd op de kaart, het gaat om Brugge (1,95 %), Koolskamp (0,65 %), Gent (1,30 %), Kortrijk (1,95 %), Lokeren (0,65 %), Rosebeke (3,25 %) en Sint-Niklaas (1,30 %). Bij de renteverkopers komen we dezelfde gemeenten tegen. Ook hier is Ieper nog vrij sterk vertegenwoordigd (13 %), samen met Dikkebus, Boezinge, Langemark, Passendaele en Sint-Jacobs.

 

 

 

 

10. De sociale stratificatie van de rente(ver)kopers

 

In dit hoofdstuk zullen we onze aandacht richten op de sociale positie van de verschillende actoren op de private kredietmarkt. We zullen de beroepen proberen in kaart te brengen, en ook per beroep proberen te achterhalen wat hun aandeel was in die kapitaalmarkt. Een niet te onderschatten deel van de rentekopers bestaat uit vrouwen, vaak gaat het om weduwen, die vrij vaak actief zijn op de private kredietmarkt. In de laatste paragraaf van dit hoofdstuk, zullen we het kort hebben over de rente(ver)kopers die verschillende malen actief zijn op de kredietmarkt. We hebben ervoor gekozen de alleenstaande vrouwen apart te bespreken, omdat zij tot verschillende sociale klassen behoorden.

Wie er het artikel van Hoffman, Postel-Vinay en Rosenthal over de private kredietmarkt in Parijs op naslaat, komt onder andere bij een tabel over de sociale stratificatie van de rentekopers en renteverkopers. Rosenthal heeft een gelijkaardig onderzoek uitgevoerd voor Nuits St. Georges. Ook voor onze gewesten zijn er gegevens bekend, ondermeer door Dambruyne en Soly. Het gaat voor onze gewesten echter telkens om periodes van vóór de 18de eeuw.[80]

 

Dit soort onderzoek kan dan wel bijzonder interessant lijken, de bronnen moeten het uiteraard toelaten. Dit is voor onze beide regio's grotendeels het geval. Het beroep of de sociale positie wordt vrij vaak vermeld, maar het gaat wel veel meer over de rentekopers (tabel 1). Zo leent Francois Steyaert als landtsman in Evergem op 25 februari 1700 de som van 120 ponden tegen de penning zestien bij heer Pieter Cocquijt. Sieur Jan Bom is koopman in Gent, en leent op 21 april 1700 de som van 70 ponden tegen de penning twintig aan Jooris Bral, die landtsman is in Sleydinge.[81] Deze twee voorbeelden zijn vrij uitzonderlijk, aangezien hier van beide personen de functie vermeld wordt. We vinden in de akten ook steeds dezelfde beroepen terug, terwijl er aan andere geen aandacht besteed wordt. Daarom kunnen we in dit hoofdstuk geen volledigheid nastreven, maar zullen we ons noodgedwongen moeten beperken tot een beschrijving van wat we wel teruggevonden hebben. Vooral het feit dat de landbouwers niet vermeld worden, zorgt ervoor dat er belangrijke informatie over de evolutie van hun sociale positie als groep ontbreekt. Zeker als men dit verbindt met de veranderende plattelandssituatie in de tweede helft van de 18de eeuw, waarbij het platteland op het vlak van kapitaal deels zelfvoorzienend wordt. Dit probleem kan eventueel in een groter onderzoek gedeeltelijk opgelost worden door andere bronnen te gebruiken om het beroep van de verschillende rentekopers terug te vinden.

 

In een eerste tabel hebben we voor de regio Gent per steekproefjaar het percentage weergeven waarbij we een beroepsaanduiding hebben, en dit zowel voor de renteverkopers als de rentekopers (tabel 1). Het probleem blijft uiteraard de representativiteit van ons onderzoek. Wat voor de regio Gent onmiddellijk opvalt, is het feit dat de percentages voor de renteverkopers veel lager liggen dan bij de rentekopers. Bij de renteverkopers komen we voor geen enkel steekproefjaar aan 20 %, terwijl het voor de rentekopers steeds rond de 50 % schommelt. De verklaring voor de lage cijfers bij de renteverkopers ligt waarschijnlijk vooral in het feit dat vooral landbouwers een rente afsluiten en dat deze groep nooit in de bronnen vermeld wordt. Het hogere cijfer bij de rentekopers kan op dezelfde wijze verklaard worden, aangezien dit vooral personen uit Gent zijn, die vaak een hogere politieke functie uitvoeren, waarvan wel melding wordt gemaakt in de akten. We hebben voor de gegevens over de regio Gent het jaar 1790 getest op de hypothese of de beroepsaanduiding in verband stond met het opkomen van de notarissen, en dat klopt. Bij 20 van de 25 akten die voor een notaris zijn geregeld, vonden we ook het beroep van de rentekopers terug. Dus 20 van de 21 akten met beroepsaanduiding zijn via een notaris geregeld.

 

Tabel 1: aantal akten met beroepsaanduiding (regio Gent)

 

renteverkopers

rentekopers

 

aantal

percentage

aantal

percentage

 

 

 

 

 

1700

4

12,50 %

21

65,63 %

1710

1

6,67 %

9

60,00 %

1720

1

3,57 %

11

39,29 %

1730

1

4,00 %

7

28,00 %

1740

1

4,00 %

13

52,00 %

1750

1

3,70 %

12

44,44 %

1760

2

8,00 %

9

36,00 %

1770

2

4,44 %

20

44,44 %

1780

5

7,46 %

30

44,78 %

1790

9

17,31 %

21

40,38 %

 

 

 

 

 

gemiddelde

2,7

7,17 %

15,3

45,50 %

mediaan

1,5

5,56 %

12,5

44,44 %

 

Voor de regio Ieper liggen de cijfers voor de rentekopers in dezelfde lijn. In de kleine helft van de akten hebben we een beroepsaanduiding teruggevonden. Hoewel de cijfers voor de renteverkopers veel lager liggen, bezitten we toch veel meer informatie dan voor de regio Gent (26 % tegenover 7 %). Deze lage cijfers zijn vermoedelijk ook hier een aanduiding van hun mindere sociale status en het voorkomen van meer landbouwers, die niet in de bronnen aangeduid worden. Daarnaast zien we heel duidelijk een stijging naar het einde van de eeuw, eventueel kan dit verklaard worden doordat steeds meer notarissen de administratie regelen en zij meer aandacht schenken aan extra informatie over de personen die een document laten opstellen, zoals we al voor de regio Gent konden aanduiden. In de regio Ieper zien we echter deels een ander beeld. In 1790 zijn alle renten via een notaris geregeld, maar in slechts 55 % van de akten vinden we een beroepsaanduiding terug. De stelling gaat hier dus niet op.

 

Tabel 2: aantal akten met beroepsaanduiding (regio Ieper)

 

renteverkopers

rentekopers

 

aantal

percentage

aantal

percentage

 

 

 

 

 

1710

4

19,05 %

7

33,33 %

1720

6

20,00 %

10

33,33 %

1730

2

8,70 %

9

39,13 %

1740

3

20,00 %

8

53,33 %

1750

3

16,67 %

4

22,22 %

1760

2

12,50 %

9

56,25 %

1770

7

30,43 %

14

60,87 %

1780

17

48,57 %

24

68,57 %

1790

20

55,56 %

20

55,56 %

 

 

 

 

 

gemiddelde

7,11

25,72 %

11,67

46,96 %

mediaan

4,00

20,00 %

9,00

53,33 %

 

We hebben de beroepen onderverdeeld in verschillende sociale klassen, naar analogie met de onderverdeling in de andere studies (cf. supra). Daarnaast zullen we ook aandacht besteden aan de grootte van de bedragen die de verschillende sociale klassen uitlenen. Dit kan ons een beter beeld geven van de waardeverhoudingen op de kredietmarkt.

 

Voor de renteverkopers in de regio Gent kunnen we, als gevolg van de kleine aantallen, weinig conclusies trekken (tabel 3). We zouden kunnen stellen dat nogal wat personen uit de adel geld lenen (20 %), maar eigenlijk gaat het hier op het totale aantal bronnen slechts om 6 personen op een totaal van 341 akten (=1,8 %). Daarom lijkt het ons beter om wat langer stil te staan bij de sociale status van de rentekopers (tabel 4). We kennen van 150 personen hun functie, wat overeenkomt met de kleine helft van alle rentekopers uit de akten. De grootste groep zijn de geestelijken, gevolgd door de ambtenaren en de adel. Zij maken samen bijna 75 % van het geheel uit. Dit is niet verwonderlijk, aangezien zij aan de top van de maatschappij staan en de nodige kapitaalreserves bezitten om uit te lenen aan bijvoorbeeld plattelandsbewoners. Enkel voor de ambtenaren kan dit enigszins vreemd overkomen, daar zij ook vaak actief waren op de publieke rentemarkt.[82] Met een veel lager percentage volgen dan de handelaars (12 %) en de ambachtslui (11 %), en ook nog een verwaarloosbaar percentage voor de grondbezitters (3 %). Het merendeel van deze personen woont in Gent (66 %), tegenover slechts 11 % in Evergem. Deze gegevens bewijzen eens te meer dat de stad Gent voor het omliggende platteland de belangrijkste kapitaalverschaffer was. Het zijn ook de handelaars, de adel en de ambtenaren die de grootste sommen geld uitlenen (tabel 5). Alle handelaars wonen in Gent en deze sociale groep is in de 18de eeuw zeer welvarend. Ook de adel is nog steeds als groep welvarend. Daarna volgen de ambachtslui, de geestelijken en de grondbezitters, met bedragen onder het gemiddelde. De ambachtslui beschikken over minder kapitaal, wat we ook al zagen bij de renteverkopers. Dit was in de 16de eeuw volledig anders, zeker tijdens periodes van economische hoogconjunctuur waren heel wat meesters zeer welvarend.[83] De geestelijken treden vaak op als rentekoper, maar blijkbaar steeds voor vrij kleine bedragen. De grondbezitters lenen bijzonder lage bedragen uit. Bij grondbezitters moet uiteraard niet altijd gedacht worden aan personen met uitgestrekte landerijen, maar veeleer aan kleine, onafhankelijke boeren die ontsnapt zijn aan de extreme verpachting. We weten dat van het totale aantal akten het gemiddelde bedrag 124 ponden bedraagt, wat een stuk lager is dan het cijfer hier (145 ponden). Ofwel ontbreken er in de bronnen dus één of meerdere sociale klassen, die kleine bedragen ontlenen, ofwel wordt bij nogal wat grondbezitters en geestelijken de beroepsaanduiding niet vermeld, want zij lenen bedragen uit die lager liggen dan het algemene gemiddelde.

 

Tabel 3: sociale klassen van de renteverkopers (regio Gent)

 

aantal

percentage

 

 

 

 

 

adel

3

10,00 %

 

ambachtslui

10

33,33 %

 

ambtenaren

5

16,67 %

 

geestelijken

2

6,67 %

 

grondbezitters

7

23,33 %

 

handelaars

3

10,00 %

 

 

 

 

 

totaal

30

100 %

 

 

 

 

 

 

Tabel 4: sociale klassen van de rentekopers (regio Gent)

 

aantal

percentage

 

 

 

 

 

adel

30

20,00 %

 

ambachtslui

17

11,33 %

 

ambtenaren

34

22,67 %

 

geestelijken

46

30,67 %

 

grondbezitters

5

3,33 %

 

handelaars

18

12,00 %

 

 

 

 

 

totaal

150

100 %

 

 

 

Tabel 5: gemiddelde uitgeleende bedrag per sociale klasse: regio Gent (in ponden)

 

 

 

 

 

adel

175

 

 

ambachtslui

131

 

 

ambtenaren

165

 

 

geestelijken

101

 

 

grondbezitters

84

 

 

handelaars

212

 

 

 

 

 

 

gemiddelde

145

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ook voor de regio Ieper hebben we dergelijke tabellen gemaakt. In tegenstelling tot de renteverkopers uit de regio Gent, beschikken we voor deze regio wel over genoeg gegevens om degelijke conclusies te trekken. Bij de renteverkopers zijn de ambachtslui het sterkst vertegenwoordigd (35 %), gevolgd door de adel en de grondbezitters (tabel 6). Het is logisch dat de handelaars, de geestelijken en de ambtenaren sterk in de minderheid zijn. De handelaars zijn kapitaalkrachtig en treden veeleer op als rentekopers. Hetzelfde kan gezegd worden van de ambtenaren en de geestelijken. De ambachtslui zijn de grootste groep, omdat zij vaak lenen om in hun bedrijf te investeren of om grondstoffen aan te kopen. In vergelijking met de regio Gent valt vooral het groter aandeel van de adel op in de regio Ieper, met daartegenover een kleiner aantal bij de ambtenaren en de handelaars.

Bij de rentekopers zien we een overwicht van de ambtenaren, gevolgd door de adel en geestelijken (tabel 7). De adel was dus ook als rentekoper zeer actief. Bij de geestelijken en de ambtenaren zagen we dat beide groepen weinig geld leenden, maar dus wel vaak geld uitleenden. Voor de geestelijken was dit de enige manier om hun geld te beleggen, zonder de kerkelijke voorschriften te overtreden. Ook hier bengelen de ambachtslui en de grondbezitters, samen met de handelaars, onderaan de lijst. De verklaring voor het lage cijfer bij de handelaars ligt ongetwijfeld in het feit dat er gedurende de hele 18de eeuw zeer weinig handelaars aanwezig waren in de stad Ieper, vooral als een gevolg van de penibele economische situatie. De verschillen met de regio Gent zijn hier minder uitgesproken: de adel en de grondbezitters zijn in de regio Ieper meer vertegenwoordigd, daarentegen zijn de geestelijken hier veel minder aanwezig.

De gemiddelde bedragen liggen vrij hoog (196 ponden), zeker als we weten dat van alle akten het gemiddelde 152 ponden bedraagt (tabel 8). Het zijn vooral de ambtenaren en de geestelijken die grote bedragen ontlenen, gemiddeld het dubbel van het algemene gemiddelde. De ambachtslui volgen meer het gemiddelde, hoewel ze er net onder zitten. Een serieus eind daaronder vinden we dan de adel, de handelaars en de grondbezitters. De sommen liggen in de regio Ieper dus beduidend hoger dan in de regio Gent, net zoals bij het algemene gemiddelde van alle renten. Als we dan per sociale klasse vergelijken, dan vallen in de regio Ieper vooral de hogere bedragen van de ambtenaren en de geestelijken op, waarbij het voor de ambtenaren om het dubbele en voor de geestelijken zelfs het driedubbele gaat. De handelaars zijn in de regio Ieper de kleinste groep, wat duidelijk een indicatie is van de verschillende economische situatie in beide regio’s.

 

Tabel 6: sociale klassen van de renteverkopers (regio Ieper)

 

 

aantal

percentage

 

 

 

 

 

adel

17

26,56 %

 

ambachtslui

22

34,38 %

 

ambtenaren

6

9,38 %

 

geestelijken

4

6,25 %

 

grondbezitters

13

20,31 %

 

handelaars

2

3,13 %

 

 

 

 

 

totaal

64

100 %

 

 

 

 

 

 

Tabel 7: sociale klassen van de rentekopers (regio Ieper)

 

 

aantal

percentage

 

 

 

 

 

adel

27

25,71 %

 

ambachtslui

10

9,52 %

 

ambtenaren

32

30,48 %

 

geestelijken

19

18,10 %

 

grondbezitters

9

8,57 %

 

handelaars

8

7,62 %

 

 

 

 

 

totaal

105

100 %

 

 

 

Tabel 8: gemiddelde uitgeleende bedrag per sociale klasse: regio Ieper (in ponden)

 

 

 

 

adel

147

 

ambachtslui

189

 

ambtenaren

299

 

geestelijken

297

 

grondbezitters

115

 

handelaars

131

 

 

 

 

gemiddelde

196

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De alleenstaande vrouw is vrij actief op de private kredietmarkt. Het gaat hier zowel om weduwen als om vrouwen die niet getrouwd waren. Af en toe vonden we in de contracten de vermelding van de vrouw samen met haar man: … sijne huijsvrauwe …. Met deze gegevens hebben we geen rekening gehouden, omdat het hier eigenlijk de man is die optreedt als rentekoper. De motivatie voor deze vrouwen lag vooral in het feit dat zij op de rentemarkt hun kapitaal gemakkelijk en zonder veel risico toch konden laten renderen.[84] In de regio Gent zijn er 30,21 % vrouwen actief op de rentemarkt, waarvan 10,56 % weduwen. In de regio Ieper gaat het om 16,59 % vrouwen, waarvan 6,91 % weduwen. In de regio Gent gaat het dus bijna om 1/3 van alle rentekopers, wat toch een hoog cijfer is. Als we dan de vergelijking maken tussen beide regio’s, dan zien we dat er in de regio Gent ongeveer dubbel zoveel vrouwen actief zijn als in de regio Ieper. In de stad Gent woonden veel kapitaalkrachtige, alleenstaande vrouwen, die hun geld belegden, terwijl in de stad Ieper waarschijnlijk eenzelfde aantal alleenstaande vrouwen woonde, maar zij veel minder kapitaalkrachtig waren. Dit kan weer in verband gebracht worden met het belang van de stad Gent als kapitaalverschaffer en haar invloed op het omliggende platteland; terwijl de stad Ieper een veel minder sterke invloed had en ook veel minder economisch welvarend was.

 

Hoewel we slechts om de tien jaar een steekproef uitgevoerd hebben, kwamen we in de rentecontracten vaak dezelfde personen tegen (tabel 9). In beide regio’s stellen we een gelijkaardig percentage vast (ca. 35 %). In de regio Gent gaat het om 72 contracten van 22 rentekopers (waarvan 18 uit de stad Gent) en 46 contracten van 18 renteverkopers (waarvan 13 uit Evergem). Zowel rentekopers als renteverkopers waren dus verschillende malen actief op de kredietmarkt. Bij de meest actieve personen gaat het telkens om rentekopers uit Gent. Carel Bauwens treedt in de periode 1720-1750 zeven maal op als rentekoper, voor Isabelle Marie Buents is dat zes maal in de periode 1720-1760 en voor Francois Schellynck vijf maal in het jaar 1700. In de regio Ieper vinden we 50 contracten van 11 rentekopers terug en 41 contracten van 20 renteverkopers. Ook in deze regio zijn het de rentekopers die meest actief zijn. In de periode 1720-1730 treedt Nicolaijs Spannit vier maal op als rentekoper, Philippus Vandermeersch drie maal in de periode 1730-1740 en Thomas le Pouve drie maal in het jaar 1710. De kleine helft van de rentekopers die meerdere keren voorkomen, zijn afkomstig uit de stad Gent. Dit wijst nogmaals op het belang van Gent als kapitaalverschaffer voor het omliggende platteland, en het verschil met de rol van de stad Ieper, die veel minder invloed had en ook veel minder een kapitaalverschaffer was. In de regio Ieper zijn er ook meer renteverkopers dan kopers die verschillende malen actief zijn, terwijl het in de regio Gent net omgekeerd is. Dit is opnieuw een indicatie van de slechtere economische situatie in de regio Ieper, zowel voor de renteverkopers als voor de rentekopers.

 

Tabel 9: rente(ver)kopers die verschillende malen actief zijn op de kredietmarkt

 

 

regio Gent

regio Ieper

 

 

 

 

 

contracten

118

77

 

percentage

34,50 %

35,48 %

 

personen

40

31

 

 

11. De levenscyclus en de seizoenscyclus

 

In dit hoofdstuk zullen we eerst proberen te achterhalen op welke leeftijd de renteverkopers van de gemeente Evergem hun rente afsloten, en wat daar de verklaringen voor kunnen zijn. Het afsluiten van een rente hangt vaak nauw samen met belangrijke gebeurtenissen in het leven, zoals een huwelijk. In een tweede deel zullen we dan aandacht besteden aan de leeftijden waarop deze renten worden afgelost. In een aantal levensjaren is de plattelandsbewoner in de 18de eeuw economisch veel welvarender dan andere, en heeft hij bijgevolg meer mogelijkheden om leningen af te betalen. Ook dit hangt samen met een aantal cruciale fasen in het leven. En in een laatste paragraaf zullen we voor beide regio’s onderzoeken op welk moment in het jaar renteverkopers een rente afsluiten. Aangezien het vooral om landbouwers gaat, zullen vooral agrarische factoren aan de basis liggen van belangrijke schommelingen.

 

11.1. Het afsluiten van een rente tegenover de huwelijksdatum

 

Een bijzonder interessante uitbreiding op het onderzoek van de rentemarkt is de studie van de levenscyclus. De relatie met de levenscyclus komt vooral aan bod in Franse studies. Het is zo dat in het Ancien Régime personen in een aantal cruciale levensjaren economisch actiever zijn dan in andere. Postel-Vinay vat het perfect samen: … on emprunte surtout à deux moments de l'existence: avant trente ans, au moment du mariage ou dans les quelques années suivant, et de 45 à 55 ans quand il faut installer la nouvelle génération. Een gelijkaardige stelling vinden we terug in een artikel van Servais: l'achat d'un bien immeuble marque un moment crucial de la vie d'un individu et de sa famille.[85]

Het probleem dat zich stelt, is het feit dat de leeftijd van de renteverkoper(s) of rentekoper(s) nooit vermeld is in de rentecontracten, zodat we deze informatie via een omweg moeten bekomen. Aangezien we enkel willen achterhalen wanneer personen een rente afsluiten, hebben we enkel rekening gehouden met de renteverkopers. De naam van de renteverkoper hebben we in de huwelijksregisters opgezocht, zodat we de huwelijksdatum kenden. We hebben ons voor dit onderdeel beperkt tot de regio Gent, maar niet alle renteverkopers uit Evergem hebben we teruggevonden in deze registers. Een bijkomend probleem is het feit dat een aantal namen verschillende malen voorkomen in de registers, zodat we niet weten om welke persoon het gaat. We hebben enkel zekerheid over de huwelijksdatum als in de rentecontracten de echtgenote ook vermeld wordt, zoals we verder nog zullen zien. De huwelijksregisters van Evergem zijn voor de 18de eeuw pas bewaard vanaf 1751, zodat we ons noodgedwongen beperkt hebben tot de periode 1760-1790.[86] Aangezien we uit onze steekproefjaren een vrij klein aantal namen verzameld hadden, hebben we elke steekproef uitgebreid met twee jaar ervoor en twee jaar erna. Op die manier konden we zeker zijn dat de resultaten op basis van een statistisch verantwoord staal waren opgesteld. Wanneer we de huwelijksdatum kennen, weten we echter nog niet wanneer een bepaalde persoon geboren is. Hier kunnen we echter beroep doen op demografische studies, waaruit blijkt dat de gemiddelde huwelijksleeftijd in deze periode rond de 27 jaar schommelt.[87] De grafiek zal dus niet exact zijn.

De gegevens van ons eigen onderzoek beginnen met de renten die negen tot vijf jaar voor het huwelijk zijn afgesloten, of omgerekend de leeftijdscategorie 18-22 jaar (tabel 1, grafiek 1). De leeftijd werd, zoals hierboven vermeld, berekend via de gemiddelde huwelijksleeftijd van 27 jaar. We zijn begonnen bij de leeftijdscategorie 18-22 jaar. Hoewel we een klein aantal gegevens hadden waarbij de rente vóór het 18de levensjaar werd afgesloten, zijn we ervan uitgegaan dat deze gegevens niet correct kunnen zijn. Het gaat hier dan ongetwijfeld om een tweede huwelijk, maar daarover hadden we geen gegevens. Dit tekort zorgt ongetwijfeld ook in de grafiek voor een lichte afwijking, maar naar onze mening beïnvloedt dit de resultaten weinig. De tweede en derde categorie overlappen elkaar, omdat de renten die tijdens het huwelijksjaar zijn gecreëerd, bij beide zijn opgeteld. De opdeling in 'alle' en 'zekerheid' is er noodgedwongen gekomen, omdat we voor het grootste deel van de personen geen absolute zekerheid hebben over de huwelijksleeftijd. Diegene waarvan we wel zeker zijn, zijn de rentecontracten waarbij ook de echtgenote van de renteverkoper vermeld wordt. Dit extra gegeven kon in de huwelijksregisters als controlemiddel gebruikt worden.

Het aantal personen waarvan we zeker zijn, bedraagt ongeveer 25 % van het totale aantal. Aangezien 34 personen een vrij klein aantal is om conclusies uit te trekken, zullen we ons vooral concentreren op de andere grafiek. Het valt op dat het afsluiten van renten pas echt van start gaat kort vóór het huwelijk, en daarna vrij hoog blijft tot tien jaar na het huwelijk, wanneer de persoon ongeveer de leeftijd van 45 jaar bereikt heeft. Het hoogtepunt wordt, met 25 %, wel al bereikt binnen de vijf jaar na het huwelijk. Daarna blijft het cijfer boven de 10 % tot omstreeks 20 jaar na het huwelijk, wanneer men ongeveer 45 jaar is. Het percentage renten dat binnen die vijf leeftijdscategorieën wordt afgesloten, bedraagt 90 %, wat we duidelijk kunnen aflezen uit de tabel met de cumulatieve gegevens. Het aantal wordt daarna zo klein, dat het bijna verwaarloosbaar is, wat ook gezegd kan worden van de renten die vijf of meer jaar vóór het huwelijk worden afgesloten. De grafiek die alleen de absoluut zekere gegevens bevat, wijkt daar enigszins van af, met een hoogtepunt in de categorie 5-14 jaar na het huwelijk. We hebben hier ook een nog hoger cijfer voor de vijf belangrijkste leeftijdscategorieën (94 %). Het is duidelijk dat de plattelandsbewoners vanaf het huwelijk (27 jaar) tot 20 jaar erna (45 jaar) economisch actief zijn op de private kredietmarkt, om zich dan bijna volledig terug te trekken.

 

Bij het zoeken naar een verklaring, moeten we vooral aandacht hebben voor de situatie van de plattelandsbewoners en ambachtslui. Kort na het huwelijk moet ze mogelijk op zoek naar een eigen stuk land en een hoeve of geld om materieel te kopen of renovatiewerken uit te voeren. Daarnaast krijgen ze op korte tijd meerdere kinderen die nog niet economisch actief zijn en dus onderhouden moeten worden. De gemakkelijkste oplossing om aan geld te geraken is dan ook een lening, hetzij in de stad, hetzij bij oudere boeren, die zelf al een spaarpotje hebben aangelegd. Tot eenzelfde conclusie komen ook Hoffman, Postel-Vinay en Rosenthal bij de studie van de kredietmarkt in Parijs.[88] Zij komen voor de renteverkopers jonger dan 40 jaar op 68 %, gevolgd door 25 % voor de personen tussen 40 en 60 jaar, en een magere 7 % voor de personen ouder dan 60 jaar. Onze eigen resultaten liggen in dezelfde lijn, met 78 % voor de personen tot 40 jaar, gevolgd door 20 % en 2 %. Ondanks het feit dat we hetzelfde onderzoek voor de rentekopers niet hebben uitgevoerd, lijkt het ons vrij logisch dat ook deze tabel de evolutie van de kredietmarkt in Parijs vrij goed zou volgen. De leeftijd van de rentekopers ligt over het algemeen een stuk hoger, aangezien zij hun spaargeld willen investeren. Dit geldt niet alleen voor de rijkere klassen van de maatschappij, maar ook voor oudere boeren die hun schulden hebben afgelost en door de vrij goede economische situatie nu zelf kunnen optreden als rentekoper. We willen er nog op wijzen dat Postel-Vinay dezelfde resultaten bekomt, met uitzondering van de stijging in de leeftijdscategorie 45-55 jaar, wanneer men te maken krijgt met de geboorte van de tweede generatie (cf. voetnoot 1).

 

Tabel 1: leeftijd waarop renteverkopers een lening afsluiten (regio Gent)

leeftijd

t.o.v.

alle renteverkopers

zekerheid

 

huwelijk

aantal

percentage

cumulatief

aantal

percentage

cumulatief

 

 

 

 

 

 

 

 

18-22 jaar

-9-5 jaar

2

1,56 %

1,56 %

0

0,00 %

0,00 %

23-27 jaar

-4-0 jaar

17

13,28 %

14,84 %

2

5,88 %

5,88 %

27-31 jaar

0-4 jaar

33

25,78 %

40,63 %

5

14,71 %

20,59 %

32-36 jaar

5-9 jaar

28

21,88 %

62,50 %

9

26,47 %

47,06 %

37-41 jaar

10-14 jaar

20

15,63 %

78,13 %

11

32,35 %

79,41 %

42-46 jaar

15-19 jaar

17

13,28 %

91,41 %

5

14,71 %

94,12 %

47-51 jaar

20-24 jaar

5

3,91 %

95,31 %

0

0,00 %

94,12 %

52-56 jaar

25-29 jaar

2

1,56 %

96,88 %

1

2,94 %

97,06 %

57-61 jaar

30-34 jaar

2

1,56 %

98,44 %

0

0,00 %

97,06 %

62-66 jaar

35-39 jaar

2

1,56 %

100,00 %

1

2,94 %

100,00 %

 

 

 

 

 

 

 

 

 

totaal

128

100 %

 

34

100 %

 

 

 

 

11.2. De aflossing tegenover de huwelijksdatum

 

De gegevens over de aflossing laten toe om uitspraken te doen over het tijdstip waarop de plattelandsbevolking genoeg geld heeft verzameld om de gemaakte schulden af te lossen. Dit zal ongetwijfeld op latere leeftijd gebeuren, aangezien de meeste schulden kort na het huwelijk gemaakt werden en het een tijd duurt vooraleer het geïnvesteerde geld opbrengt. We werken hierbij enkel over de periode 1760-1790, zodat we via onze gegevens enkel de economische bloeiperiode van de tweede helft van de 18de eeuw beschrijven. Het gaat ook om een vrij klein aantal aflossingen, maar ze geven wel een indicatie van de reële situatie. Er kan eventueel een vertekening optreden, omdat we niet weten of het gaat om een éérste of volgende huwelijk.

De grafiek vertoont een drieledig verloop, met hoogtepunten in de leeftijdscategorieën 32-36 jaar, 42-46 jaar en 52-56 jaar (tabel 2, grafiek 2). Heel kort na het huwelijk wordt er zeer weinig afgelost, omdat in deze periode de meeste renten worden afgesloten en deze renten een aantal jaren blijven. Zoals we zagen bij het hoofdstuk over de aflossing gaat het in deze periode om gemiddelde aflossingstermijnen tussen 5 en 10 jaar. Daarna volgt een eerste piek in de leeftijdscategorie 32-36 jaar, waarbij het gaat om renten die kort na het huwelijk zijn afgesloten. Dit is logisch als we rekening houden met de gemiddelde aflossingstermijn: de categorie 32-36 jaar komt ongeveer overeen met 5 tot 10 jaar na het huwelijk. Daarna volgt een lichte daling, gevolgd door een nieuwe piek. Bij de leeftijdscategorie 42-46 jaar is al meer dan 75 % van de renten afgelost. We zien daarna ook een gevoelige daling van het aantal aflossingen. Tien jaar later (52-56 jaar) zijn alle renten afgelost. Als we rekening houden met de aflossingstermijn, dan stellen we vast dat de meeste renten afgesloten zijn tegen de leeftijd van 42-46 jaar, wat overeenkomt met tabel 1.

De renteverkopers hadden in de periode 1760-1790 al vrij vroeg na het huwelijk de middelen om de renten af te lossen. In tegenstelling tot grafiek 1, waarbij we na de eerste piek een constante daling zien, stellen we vast dat het aflossen van renten nog twee pieken kent, terwijl het aantal afgesloten renten dan al sterk gedaald is. Zeer waarschijnlijk gaat het hier om renten die ook al kort na het huwelijk werden afgesloten, maar door omstandigheden langer bleven openstaan.

 

Tabel 2: leeftijd waarop renten worden afgelost

leeftijd

t.o.v.

alle renteverkopers

zekerheid

 

huwelijk

aantal

percentage

cumulatief

aantal

percentage

cumulatief

 

 

 

 

 

 

 

 

23-27 jaar

-4-0

1

2,38 %

2,38 %

1

7,14 %

7,14 %

27-31 jaar

0-4

3

7,14 %

9,52 %

0

0,00 %

7,14 %

32-36 jaar

5-9

11

26,19 %

35,71 %

4

28,57 %

35,71 %

37-41 jaar

10-14

7

16,67 %

52,38 %

1

7,14 %

42,86 %

42-46 jaar

15-19

11

26,19 %

78,57 %

2

14,29 %

57,14 %

47-51 jaar

20-24

2

4,76 %

83,33 %

1

7,14 %

64,29 %

52-56 jaar

25-29

7

16,67 %

100,00 %

5

35,71 %

100,00 %

57-61 jaar

30-34

0

0,00 %

100,00 %

0

0,00 %

100,00 %

62-66 jaar

35-39

0

0,00 %

100,00 %

0

0,00 %

100,00 %

 

 

 

 

 

 

 

 

 

totaal

42

100 %

 

14

100 %

 

 

 

11.3. De seizoenscyclus

 

Via deze paragraaf kunnen we nagaan op welk moment in het jaar renten werden afgesloten (tabel 3). Dit hing nauw samen met de seizoenscyclus van de plattelandsbewoner, die sterk werd georiënteerd op de oogst. In de rentecontracten vinden we twee data terug, de dag waarop de rente is afgesloten en de dag waarop de akte wordt ingeschreven. Omdat het vaak lang duurt voor die akten ingeschreven worden in de registers, konden we enkel beroep doen op de reeks gegevens met de datum waarop de afspraak gemaakt is, en niet de datum waarop de rente ingeschreven is. We zien twee grote bewegingen: een éérste is een opgang van januari tot maart, gevolgd door een daling vanaf mei tot augustus. Een tweede beweging is opnieuw een opgang vanaf augustus tot oktober, gevolgd door een daling tot het einde van het jaar. Het dieptepunt in augustus heeft alles te maken met de oogstperiode, wanneer de landbouwer geen tijd heeft om zich met andere zaken bezig te houden. Terwijl de pieken in de periode maart-mei veroorzaakt worden door een geldtekort van de plattelandsbevolking. De vorige oogst is opgebruikt en de volgende oogst laat nog op zich wachten, zodat de landbouwers genoodzaakt zijn geld te lenen om te overleven.

 

Tabel 3: afgesloten renten per maand (regio Gent en Ieper)

maand

aantal

percentage

 

 

 

januari

22

7,64 %

februari

27

9,38 %

maart

34

11,81 %

april

32

11,11 %

mei

32

11,11 %

juni

29

10,07 %

juli

17

5,90 %

augustus

13

4,51 %

september

23

7,99 %

oktober

28

9,72 %

november

17

5,90 %

december

14

4,86 %

 

 

 

totaal

288

100 %

 

 

12. De bedrijfsgrootte

 

Dit hoofdstuk is een aanvulling op het onderzoek naar de evolutie van de kredietmarkt. Zoals vermeld in de bronnenbespreking, hebben we voor drie steekproefjaren de ommestellingen van Evergem doorgenomen (1699, 1739 en 1789). In deze belastingslijsten hebben we alle renteverkopers opgezocht. Via deze bron wilden we de bedrijfsgrootte achterhalen van de renteverkopers. Het is zo dat we zeer weinig personen hebben teruggevonden in deze lijsten, bijgevolg is de statistische basis nogal smal, maar we konden dit deels ondervangen doordat er al onderzoek gedaan is naar de bedrijfsgrootte in de regio Gent.[89] We zullen de eigen gegevens daarom met deze tabel aanvullen. Het mag wel duidelijk zijn dat het hier enkel om een vrij ruwe aanduiding van de bedrijfsgrootte gaat, maar we zijn van mening dat dit toch een verrijking is voor ons onderzoek. Voor de regio Ieper baseren we ons op twee publicaties met daarin twee algemene tabellen over de bedrijfsgrootte, respectievelijk met de situatie in 1695 en 1796.[90]

Er is de laatste jaren nogal wat onderzoek gedaan naar de bedrijfsgrootte, vooral dan in de gebieden waar de proto-industrie sterk aanwezig was. Daaruit is duidelijk gebleken dat het graafschap Vlaanderen in de 18de eeuw gekenmerkt wordt door een verkleining van de bedrijfsgrootte, een proces dat al in de 16de eeuw gestart was, maar nu versnelde. Dit was ondermeer het gevolg van een grotere productiviteit en de invoer van de aardappel. Het werd tevens mogelijk gemaakt door een uitbreiding van de huisnijverheid, een evolutie die we vooral in Binnen-Vlaanderen zien. De regio Gent is onderdeel van deze evolutie, daar het zich in de kern van de proto-industrie bevindt.[91]

Vergelijken we de eigen resultaten (tabel 1) van de renteverkopers met die van alle grondeigenaars in de regio Gent, dan zien we heel duidelijk dat deze bijna perfect parallel lopen. In deze regio waren zowel kleine als grote bedrijven belast met renten. De kleine bedrijven (tot 1 ha) omvatten bijna de helft van het totale aantal (ca. 40 %). De bedrijven tot 5 ha omvatten net geen 80 %, de andere bedrijven zijn slechts aanwezig in de rand. Let wel, het gaat hier om het samenbrengen van gegevens voor de hele 18de eeuw. Behouden we de tabel uit De geschiedenis van Evergem, dan zien we heel duidelijk een evolutie naar een verkleining van de bedrijfsgrootte (tabel 2).[92] Via deze vijf tijdsopnames krijgen we een nauwkeurig beeld van de hele eeuw. De bedrijven met een grootte tot 3 ha, worden allemaal doorheen de 18de eeuw gekenmerkt door een stijging. Het gaat hier uiteraard niet altijd om een rechtlijnige evolutie, maar tussen 1701 en 1790 is overal een stijging waar te nemen, vooral voor de bedrijven tussen 2 en 3 ha. Een omgekeerde evolutie zien we bij de bedrijven tot 20 ha, die allemaal een daling kennen, tot een halvering voor de bedrijven van 5 tot 10 ha. De zeer grote bedrijven (+ 20 ha) blijven op een stabiel peil. Het gaat hier wel om een evolutie die al een zekere tijd aan de gang was, want al in 1701 is 1/3 van de bedrijven beperkt tot 1 ha of minder.

 

Tabel 1: De bedrijfsgrootte van de renteverkopers (regio Gent) [93]

grootte

nominaal

percentage

cumulatief

percentage

 

 

 

 

 

< 100 r

2

9,5 %

2

9,5 %

100r-1 ha

7

33,3 %

9

42,9 %

1-5 ha

7

33,3 %

16

76,2 %

5-10 ha

3

14,3 %

19

90,5 %

> 10 ha

2

9,5 %

21

100,0 %

 

 

 

 

 

totaal

21

100 %

 

 

 

 

 

 

 

 

nominaal

percentage

cumulatief

percentage

 

 

 

 

 

< 100 r

453

15,2 %

453

15,2 %

100r-1 ha

769

25,8 %

1222

41,0 %

1-5 ha

1140

38,3 %

2362

79,3 %

5-10 ha

347

11,6 %

2709

90,9 %

> 10 ha

270

9,1 %

2979

100,0 %

 

 

 

 

 

totaal

2979

100 %

 

 

 

Tabel 2: De bedrijfsgrootte in de regio Gent

 

1701

1720

1740

1780

1790

grootte

aantal

%

aantal

%

aantal

%

aantal

%

aantal

%

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

< 100 r

71

15,4 %

58

10,4 %

72

12,7 %

121

17,6 %

131

18,7 %

100r-1 ha

101

21,9 %

142

25,4 %

137

24,1 %

191

27,7 %

198

28,3 %

1-2 ha

64

13,9 %

104

18,6 %

113

19,9 %

105

15,2 %

108

15,4 %

2-3 ha

38

8,2 %

65

11,6 %

75

13,2 %

95

13,8 %

96

13,7 %

3-4 ha

31

6,7 %

43

7,7 %

27

4,7 %

37

5,4 %

32

4,6 %

4-5 ha

19

4,1 %

26

4,6 %

24

4,2 %

19

2,8 %

19

2,7 %

5-10 ha

78

16,9 %

70

12,5 %

64

11,2 %

69

10,0 %

66

9,4 %

10-15 ha

28

6,1 %

28

5,0 %

29

5,1 %

34

4,9 %

32

4,6 %

15-20 ha

20

4,3 %

15

2,7 %

19

3,3 %

9

1,3 %

8

1,1 %

20-25 ha

6

1,3 %

6

1,1 %

7

1,2 %

8

1,2 %

9

1,3 %

> 25 ha

5

1,1 %

3

0,5 %

2

0,4 %

1

0,1 %

1

0,1 %

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

totaal

461

100 %

560

100 %

569

100 %

689

100 %

700

100 %

 

De situatie is in de regio Ieper gedeeltelijk anders, aangezien deze regio geen deel uitmaakt van het kerngebied van de proto-industrie, zodat we in het begin van de 18de eeuw nog te maken hebben met grotere bedrijven dan in de regio Gent. De evolutie tot verkleining van de bedrijven zal, in tegenstelling tot de regio Gent, pas in de 18de eeuw een aanvang nemen. De tabellen van Dalle staan in gemeten, en moeten dus omgerekend worden naar hectare.[94] Na die omrekening bekomen we uiteraard geen mooi afgeronde getallen, maar dit stoort niet echt in de vergelijking, want we willen enkel een algemene trend aanduiden (tabel 3). In 1695 zien we heel duidelijk een overwicht van de bedrijven van 2-8,5 ha, met een uitloper tot 13 ha. Deze drie categorieën maken ongeveer 2/3 van het totaal uit. In 1796 zien we een volledig veranderde situatie, met een extreem overwicht van de bedrijven tot 0,5 ha, en meer dan 75 % van de bedrijven tot 5 ha. Vooral de zeer kleine bedrijven (< 1 ha) hebben dus een exponentiële groei gekend gedurende de 18de eeuw (van 3 % tot 57 %), en dit ter vervanging van de bedrijven groter dan 2 ha. De bedrijven tussen 1 en 2 ha bleven op een gelijk peil. Aangezien we maar over twee momentopnames beschikken, is het niet uit te maken wanneer deze verkleining een aanvang nam.

 

Tabel 3: De bedrijfsgrootte in de regio Ieper[95]

bedrijfsgrootte 1695

 

bedrijfsgrootte 1796

 

aantal

percentage

 

 

percentage

 

 

 

 

 

 

-1,3 ha

39

2,97 %

 

tot 0,5 ha

50,05 %

1,3-2,1 ha

100

7,63 %

 

0,5-1 ha

7,43 %

2,2-4,3 ha

265

20,21 %

 

1-2 ha

8,77 %

4,4-8,7 ha

370

28,22 %

 

2-3 ha

5,70 %

8,8-13,1 ha

181

13,81 %

 

3-4 ha

3,98 %

13,2-17,5 ha

120

9,15 %

 

4-5 ha

2,63 %

17,6-21,9 ha

74

5,64 %

 

> 5 ha

21,44 %

22,0-26,3 ha

52

3,97 %

 

 

 

26,4-44,0 ha

77

5,87 %

 

 

 

+44,0 ha

33

2,52 %

 

 

 

 

 

 

 

 

 

totaal

1311

100 %

 

totaal

100 %

 

We hebben het geluk dat Dalle in zijn artikel over de bedrijfsgrootte in 1695 ook een tabel heeft opgenomen met de eigendommen die belast zijn met een hypotheek of schulden (tabel 4). Het gaat om een zeer rudimentaire tabel, zonder onderverdelingen voor de kleine bedrijven. We hebben te maken met 3 categorieën van bedrijven: percentage eigendommen waarvan de landbouwer 100 % eigenaar is, meer dan 50 % eigenaar is, of minder dan 50 % eigenaar is. Deze tabel toont aan dat vooral de bedrijven tot 26 ha met schulden of hypotheek belast zijn, en dat het daarbij vooral gaat om bedrijven die volledig eigendom zijn van de landbouwer. Opvallend is misschien wel het totaal, met het hoogste cijfer voor de bedrijven tussen 9 en 26 ha. De cijfers uit 1695 blijven waarschijnlijk in de eerste helft van de 18de eeuw behouden, want in de beschrijving van de kasselrij in 1765 lezen we: … ende het resterende vierde, synde propretarissen hun eyghen landen ghebruyckende, dogh verscheyde belast met swaere renten, ….[96]

 

Tabel 4: De eigendommen met hypotheek of schulden belast in de regio Ieper (1695)[97]

grootte

100 %

> 50 %

< 50 %

totaal

 

 

eigendom

eigendom

eigendom

 

 

 

 

 

 

 

 

< 9 ha

23,6 %

5,1 %

7,0 %

15,6 %

 

9-26 ha

30,0 %

9,0 %

16,2 %

17,9 %

 

> 26 ha

-

12,5 %

4,0 %

5,7 %

 

 

Beide regio’s hebben dus een zeer sterke verkleining van de bedrijven doorgemaakt, maar in de regio Gent was het een voortzetting van een fenomeen uit de 17de eeuw, terwijl deze verkleining in de regio Ieper pas een start nam in de 18de eeuw. Het is wel zo dat op het einde van de 18de eeuw, de percentages voor elk bedrijfstype voor beide regio's ongeveer overeen komen. In de regio Gent zien we dat alle types van bedrijven met renten belast zijn, en dat de percentages gelijk lopen met het totale aantal bedrijven. In de regio Ieper gaat het vooral om bedrijven tot 26 ha, maar die maken procentueel ook het grootste deel uit van het totale aantal bedrijven.

 

 

13. De relatie met de immobiliënmarkt

 

De immobiliënmarkt stond tijdens het Ancien Régime in rechtstreeks verband met de rentemarkt. Béaur schrijft in één van zijn artikels: …, la conclusion est simple. La majeure partie de la terre s’achète à crédit, … . Voor onze gewesten lezen we bij Baert: Het verkopen van een rente was voor velen de mogelijkheid om grond of een hofstede te verwerven.[98] Dit is echter niet uit de rentecontracten te halen, aangezien we, zoals eerder vermeld, nooit enige motivering voor de renteverkoop terugvinden. Dus werden we verplicht opnieuw, zoals bij de levenscyclus, via een extra bron aan informatie te geraken. Net zoals bij de levenscyclus, hebben we dit enkel voor de regio Gent onderzocht. We hebben voor Evergem drie steekproefjaren (1700, 1740, 1790) de registers van erfenissen en onterfenissen doorgenomen, waarin de immobiliëntransacties ingeschreven zijn. Via de namen in deze registers konden we een typologie opstellen van de personen die in deze drie jaren een rente afsloten en tevens een stuk grond kochten, en op die manier de bedragen vergelijken. Het gaat maar om drie steekproeven, zodat we slechts een gefragmenteerd beeld van de 18de-eeuwse evolutie zullen bekomen, maar we zijn van mening dat ook een dergelijke vergelijking een verrijking is binnen ons onderzoek.

We beginnen onze bespreking bij het aantal transacties per steekproefjaar, en een vergelijking met het aantal renten dat in die jaren werd afgesloten (tabel 1). Zowel voor de immobiliën als de renten stellen we een gelijkaardige evolutie vast: een daling, gevolgd door een sterke stijging. In de periode 1740-1790 gaat het om ongeveer dezelfde stijging (ongeveer een verdubbeling), in de periode 1700-1740 daarentegen zien we een sterke inkrimping van het aantal immobiliëntransacties (een halvering), terwijl dit voor de renten veel minder het geval is, door het lagere begincijfer (25 tegenover 32). Als het aantal renten in een bepaalde regio stijgt, dan stijgt ook de vraag naar grond in die regio (‘landhonger’), omdat landbouwers zich wilden ontdoen van schommelende en vaak hoge pachtprijzen.[99] Dit blijkt duidelijk uit de tabel, zeker voor de periode 1740-1790, toen de plattelandsbewoners, als gevolg van de betere economische situatie, niet meer vooral moesten lenen om te overleven, maar ook konden investeren in een eigen stuk grond. Het hoge aantal transacties in 1700 is waarschijnlijk een gevolg van de slechte economische situatie op het einde van de 17de eeuw, waarbij het vooral gaat om boeren die hun stuk land uit nood moesten verkopen. We hebben voor de transacties van het jaar 1700 het minst namen teruggevonden in de rentecontracten, en bij twee gaat het dan nog om rentekopers.

 

Tabel 1: vergelijking tussen aantal immobiliëntransacties en aantal renten (regio Gent)

steekproefjaar

immobiliën

renten

 

 

 

1700

53

32

1740

28

25

1790

52

52

 

 

 

 

Naast het aantal transacties, kunnen we uiteraard ook het kapitaalvolume en de gemiddelde bedragen vergelijken, om zo de evolutie te verfijnen (tabellen 2 en 3). Uiteraard zien we hier terug dezelfde evolutie als bij het aantal transacties en renten. Wat hier opvalt is het verschil in de waarde van het totale aantal transacties tussen 1700 en 1790, terwijl het om ongeveer hetzelfde aantal gaat (53 en 52). Dit weerspiegelt zich uiteraard in de gemiddelde bedragen, waarbij we een stijging zien van meer dan 500 % (van 47,7 ponden naar 249,6 ponden), zodat deze ver uitsteken boven de gemiddelde bedragen voor renten (172 ponden). Het gaat bij deze totalen uiteraard niet enkel om investeringen van landbouwers, maar het is wel een indicatie dat boeren op het einde van de eeuw grotere bedragen betaalden om gronden te kopen.

De ‘landhonger’ had ervoor gezorgd dat de grondprijzen sterk waren gestegen. Bijgevolg moesten er ook grotere renten afgesloten worden. Het was voor de landbouwers ook mogelijk om grotere bedragen te investeren in gronden, wat dan weer wijst op een betere economische toestand.

 

Tabel 2: vergelijking tussen kapitaalvolume transacties en renten in de regio Gent (in ponden)

steekproefjaar

immobiliën

renten

 

 

 

1700

2527

1762

1740

1294

2433

1790

12981

9124

 

 

Tabel 3: vergelijking tussen gemiddelde bedragen voor transacties en renten in de regio Gent (in ponden)

 

steekproefjaar

immobiliën

renten

 

 

 

1700

47,7

55,0

1740

46,2

97,2

1790

249,6

172,1

 

 

 

 

 

Dit is de algemene informatie over de transacties, maar we hebben ook geprobeerd te achterhalen welke transacties zeker met renten gefinancierd werden. Dit hebben we gedaan door de namenlijsten te vergelijken. Daarbij kwamen we uit op 31 personen die in één van de drie jaren zowel op de rentemarkt als op de immobiliënmarkt actief waren geweest. Omdat we maar om de tien jaar een reeks gegevens hebben opgetekend en dus geen continue reeks, missen we uiteraard een deel van deze personen. Het gaat dus om 31 personen (=23 % van het totale aantal transacties), waarvan 26 renteverkopers en 5 rentekopers. Bij die 26 renteverkopers zijn we van 25 quasi zeker dat ze geld geleend hebben om daarmee immobiliën aan te kopen. We bekomen dit getal, doordat we de datum van de rentecontracten vergeleken hebben met die van de immobiliëntransacties. Volledige zekerheid kunnen we niet garanderen, omdat een expliciete vermelding in beide bronnen ontbreekt.

Bij de renteverkopers hebben we de percentages berekend die zij spendeerden voor de aankoop (tabel 4) en ze onderverdeeld in vijf categorieën. De cijfers schommelen zeer sterk, waarbij we vaststellen dat bijna altijd meer dan 24 % van de rente gebruikt werd, en dat ook in 25 % van de gevallen 75 % of meer van de rente werd gebruikt. Opvallend is wel dat meer dan 33 % van de renten niet volstonden, en dat de rente dus diende om het totale bedrag te vervolledigen. In 4 gevallen gaat het zelfs om bedragen die tweemaal hoger liggen dan de rente zelf. Als we deze gegevens achterwege laten, dan wordt de kleine helft van de renten (44 %) voor meer dan 75 % gebruikt voor de transactie.

 

Tabel 4: percentage van de rente gebruikt bij de transactie (regio Gent)

 

aantal

percentage

cumulatief

 

 

 

 

 

 

0-24 %

1

4,0 %

4,0 %

 

25-49 %

6

24,0 %

28,0 %

 

50-74 %

2

8,0 %

36,0 %

 

75-100 %

7

28,0 %

64,0 %

 

> 100 %

9

36,0 %

100,0 %

 

 

 

 

 

 

totaal

25

100 %

 

 

 

Een volgende tabel brengt ons bij de bedragen die per steekproefjaar gebruikt werden voor transacties en met renten gefinancierd waren (tabel 5). We zien heel duidelijk een constante stijging doorheen de hele eeuw (van 7 % naar 39,5 %). Maar vooral een heel sterke stijging van het aantal transacties dat deels of helemaal met renten was gefinancierd, en dit tussen 1740 en 1790. In diezelfde periode krijgen we ook een enorme stijging van het gemiddelde bedrag dat daarvoor geleend werd. Deze fasering zagen we ook al bij het bespreken van de gegevens van alle transacties, zowel bij de aantallen als bij de gemiddelde bedragen, maar hier zijn de stijgingen wel veel extremer. Dit heeft uiteraard ook te maken met de grotere gemiddelde bedragen die ontleend werden op het einde van de eeuw, en het mobieler worden van de private kredietmarkt, zodat ook het aantal renten sterk steeg. De hogere bedragen staan, zoals eerder vermeld, uiteraard ook in verband met de hogere grondprijzen. Op het einde van de 18de eeuw werden renten dus veel meer en in veel grotere bedragen aangewend om immobiliën aan te kopen, terwijl we kunnen aannemen dat het in het begin van de eeuw vooral om noodkrediet ging. Bij een vergelijking met het percentage kapitaal op de kredietmarkt dat voor deze transacties geleend werd, stelden we vast dat de evolutie gelijk verloopt. In 1700 gaat het om 6,36 % van het totale kapitaalvolume, in 1740 om 22,07 %, en tenslotte om 39,28 % in 1790.

 

Tabel 5: percentage kapitaalvolume van de transacties gefinancierd met renten in de regio Gent (in ponden)

 

totale

met renten

percentage

aantal

gemiddelde

 

kapitaalvol.

gefinancierd

 

 

bedrag

 

 

 

 

 

 

1700

2527

181

7,16 %

3

60,33

1740

1294

276

21,33 %

5

55,20

1790

12981

5130

39,52 %

18

285,00

 

De verhouding tussen de bedragen voor immobiliën gefinancierd met renten en de bedragen voor andere doelen (tabel 6), laten duidelijk zien dat in de eerste groep de bedragen een stuk hoger liggen. Het gaat hierbij vooral om een groot verschil in de categorie 0-50 ponden (20 % tegenover 53 %), wat gecompenseerd wordt in volgende categorieën, want voor de bedragen tot 200 ponden liggen de cumulatieve percentages voor de renten met andere doeleinden hoger. Bij investeringen in immobiliën via renten worden dus vooral bedragen ontleend tussen 51 en 150 ponden (60 % van het totaal), terwijl dit voor de andere aankopen zonder renten meestal gaat om bedragen tot 100 ponden (72,5 %). Het gaat bij de eerste groep wel om kleine aantallen, zodat we een enigszins vertekend beeld kunnen krijgen, desondanks is het toch een sterke indicatie.

 

Tabel 6: verhouding tussen immobiliën gefinancierd met renten en andere immobiliën (regio Gent)

 

immobiliën via renten

andere immobiliën

 

bedrag (p.)

aantal

percentage

cumulatief

aantal

percentage

cumulatief

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0-50

5

20,00 %

20,00 %

52

53,06 %

53,06 %

 

51-100

9

36,00 %

56,00 %

19

19,39 %

72,45 %

 

101-150

5

20,00 %

76,00 %

10

10,20 %

82,65 %

 

151-200

1

4,00 %

80,00 %

4

4,08 %

86,73 %

 

> 200

5

20,00 %

100,00 %

13

13,27 %

100,00 %

 

 

 

 

 

 

 

 

 

totaal

25

100 %

 

98

100 %

 

 

 

Voor de rentekopers beschikken we slechts over een minimum aan gegevens (5 personen). Het gaat hier dus niet om renten voor het aankopen van immobiliën, maar om personen die én geld uitlenen én immobiliën aankopen, zodat we hier uiteraard geen relatie kunnen vaststellen tussen beide contracten. Als gevolg van het kleine aantal gegevens hebben we deze groep dan ook achterwege gelaten in onze bespreking.

Wat kunnen dan de conclusies zijn? Een eerste belangrijke vaststelling is de sterke groei van de immobiliënmarkt tussen 1740 en 1790, waarbij we door de gegevenskeuze, onmogelijk kunnen bepalen wanneer deze groei begonnen is. De groei manifesteert zich niet enkel in het kapitaalvolume, maar ook in veel grotere gemiddelde bedragen voor immobiliën. De rente werd meestal voor meer dan 25 % gebruikt voor de aankoop, maar vaak was ze maar een onderdeel van een groter bedrag. Dezelfde groei tussen 1740 en 1790 komt ook naar voor in de uitbouw van het gebruik van renten voor de transacties, zowel in de percentages, in de aantallen, als in de veel grotere gemiddelde bedragen.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[38] Godding, Ph., Le droit privé dans les Pays-Bas méridionaux du 12e au 18e siècle, Brussel, 1987; Britz, M.J., Code de l'ancien droit belgique, ou histoire de la jurisprudence et de la législation, suivie de l'exposé du droit civil des provinces belgiques, Brussel, 1847, 2 dln..

[39] Schnapper, B., op.cit., 1956, p. 67.

[40] Aerts, E., ‘Geld, krediet en financiën in de Zuidelijke Nederlanden ca. 1500-1550’, in: Buylaert-Vermeule, L. ed., Keizer Karels geldbeurs: geld en financiën in de XVIe eeuw, Brussel, 2000, p. 59; Godding, Ph., op.cit., 1987, p.184.

[41] Lenders, P., ‘Het Juridisch Statuut van de Rentebrieven der Openbare Besturen in de Oostenrijkse Nederlanden’, in: Veremans, J. ed., Liber Amicorum Prof. Dr. G. Degroote, Brussel, 1980, p. 76-77; Bigwood, G., ‘Un point d’histoire économique. La question des rentes payables en grains dans la seconde moitié du XVIe siècle, aux anciens Pays-Bas’, in: Annales de la Société d’Archéologie de Bruxelles, Brussel, 1903, p. 6-7.

[42] Britz, M.J., op.cit., 1847,dl. 2, p. 602.

[43] Soly, H., ‘Urbanisme en kapitalisme te Antwerpen in de 16de eeuw: de stedebouwkundige en industriële ondernemingen van Gilbert van Schoonbeke’, Brussel, 1977, p. 58; Godding, Ph., op.cit., 1987, p. 174.

[44] Godding, Ph., op.cit., 1987, p. 181, 190-195.

[45] Lenders, P., ‘Controversen over de intrestvoet in de achttiende eeuw bij de conversie van de renten in Vlaanderen (1755-1777)’, in: Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis, 55 (4), 1977, p. 1037.

[46] Ibid., p. 1037-1068.

[47] Vilain XIIII, J.J.P., Réflexions sur les Finances de la Flandre, 1755, p. 137.

[48] Dambruyne, J., Mensen en centen. Het 16de-eeuwse Gent in demografisch en economisch perspectief, Gent, 2001, p. 112.

[49] Universiteit Gent, hs. 996; Dievoet, G. van, ‘Notarisboeken en formulierboeken voor notarissen in de Zuidelijke Nederlanden van 1500 tot 1800’, in Nève, P.L. en Verbeek, J.J. eds., Forma Servata. Vijf opstellen over formulieren en formulierboeken in het notariaat van de Middeleeuwen tot vandaag, Amsterdam, 1998, p. 73.

[50] Vos, A. de-werkgroep, op.cit., 1994, p. 238.

[51] Deprez, P., art.cit., 1966, p. 144.

[52] Thoen, E., art.cit., 1978, p. 375.

[53] Deprez, P., art.cit., 1966, p. 144.

[54] Soly, H., art.cit., 1974, p. 522.

[55] Voor de gegevens van de regio Ieper gaat het dus telkens om het gemiddelde van drie jaren: de gegevens van het jaar 1710 zijn dus eigenlijk het gemiddelde van de periode 1709-1711.

[56] Godding, Het notariaat in België van de Middeleeuwen tot heden, Brussel, 1998, p. 154-155.

[57] Vos, A. de-werkgroep, op.cit., 1994, p. 293.

[58] Dambruyne, J., Mensen en centen. Het 16de-eeuwse Gent in demografisch en economisch perspectief, Gent, 2001, p. 20.

[59] Blomme, J., art.cit., 1984, p. 198 en 202; Wilssens, M.-A., op.cit., 1992, p. 46; Baert, J., art.cit., 1998, p. 114; Deprez, P., art.cit., 1966, p. 143-144.

[60] Deprez, P., art.cit., 1966, p. 144.

[61] Ibid., p. 143-144.

[62] Ibid., p. 146.

[63] Blomme, J., art.cit., 1984, p. 202.

 

[64] RAG, Oud Archief Evergem, nr. 601, f° 235.

[65] RAG, Oud Archief Evergem, nr. 601, f° 207.

[66] Deprez, P., art.cit., 1966, p. 145-146.

[67] Riley, J.C., 'Interest rates in Antwerp, 1664-1787', in: Klep, P. en Cauwenberghe, E. Van eds., Entrepreneurship and the Transformation of the Economy (10th-20th centuries). Essays in Honour of Herman van der Wee, 1994, p. 500; Blomme, J., art.cit., 1984, p. 197.

[68] RAG, Oud Archief Evergem, nr. 60, f° 236.

[69] Riley, J.C., 1994, art.cit., p. 500.

[70] Wever, F. de, art.cit., 1978, p. 60-63; Deprez, P., art.cit., 1966, p. 145; Blomme, J., art.cit., 1984, p. 203; Wilssens, M.-A., op.cit., 1992, p. 47; Riley, J.C., art.cit., 1994, p. 505.

 

[71] Blomme, J., art.cit., 1984, p. 203.

[72] RAG, Oud Archief Evergem, nr. 604, f°174.

[73] Deprez, P., art.cit., 1966, p. 147; Thoen, E., Landbouwekonomie en bevolking in Vlaanderen gedurende de Middeleeuwen en het begin van de Moderne Tijd, Leuven, 1988, p. 925 en 933-934.

[74] Thoen, E., art.cit., 1978, p. 368.

[75] Deprez, P., art.cit., 1966, p. 147.

[76] Deprez, P., art.cit., 1966, p. 143; Blomme, J., art.cit., 1984, p. 204; Servais, P., op.cit., 1982, p. 123.

 

[77] Cf. hoofdstuk 2, waarbij we een aantal citaten vermeldden uit twee eigentijdse documenten uit 1749 en 1765 met de beschrijving van de kasselrij Ieper.

 

[78] Servais, P., op.cit., 1982, p. 119-120.

[79] Postel-Vinay, G., La terre et l'argent. L'agriculture et le crédit en France du XVIIIe au début du XXe siècle, Parijs, 1998, p. 38.

 

[80] Hoffman, P.T., Postel-Vinay, G. en Rosenthal, J.-L., 'Private Credit Markets in Paris, 1690-1840', in: The Journal of Economic History, 52 (2), 1992, p. 299; Rosenthal, J.-L., 'Rural Credit Markets and Aggregate Shocks: The Experience of Nuits St. Georges, 1756-1776', in: The Journal of Economic History, 54 (2), 1994, p. 292; Dambruyne, J., op.cit., 2001, p.138-139; Soly, H., op.cit., 1977, p. 81.

[81] RAG, Oud Archief Evergem, nr. 589, f° 39.

[82] Dambruyne, J., op.cit., 2001, p. 139.

[83] Ibid., p. 138.

[84] Dambruyne, J., op.cit., 2001, p. 138.

[85] Postel-Vinay, G., op.cit., 1998, p. 58; Servais, P., 'De la rente au crédit hypothécaire en période de transition industrielle. Stratégies familiales en région liégeoise au XVIIIe siècle', in: Annales. HSS, 49 (6), 1994, p. 1407.

[86] VVF Gent, table des actes de mariages des anciens registres paroissiaux (1751-1794).

[87] Devos, I., ‘Marriage and economic conditions since 1700: the Belgian case’, in: Devos, I. en Kennedy, L. eds., Marriage and rural economy. Western Europe since 1400, Turnhout, Brepols, 1999, p. 121.

[88] Hoffman, P.T., Postel-Vinay, G. en Rosenthal, J.-L., art.cit., 1992, p. 300.

[89] Vos, A. de-werkgroep, op.cit., 1994, p. 238.

[90] Dalle, D., ‘Landbouwbedrijven in het Ieperse in 1695’, in: Handelingen van het genootschap voor geschiedenis, gesticht onder de benaming: Société d’Emulation te Brugge, 101, 1964, p. 243; Gryson, B., op.cit., 1999, p. 33.

[91] Thoen, E., 'A 'commercial survival economy' in evolution. The Flemish countryside and the transition to capitalism (Middle Ages-19th century)', in: Hoppenbrouwers, P. en Zanden, J.L. Van eds., Peasants into farmers? The transformation of rural economy and society in the Low Countries (middle ages-19th century) in light of the Brenner debate, Turnhout, Brepols, 2001, p. 118, 133 en 137.

[92] Vos, A. de-werkgroep, op.cit., 1994, p. 238.

[93] Ibid., p. 238 (herwerkte tabel).

[94] Vandewalle, P., Oude maten, gewichten en muntstelsels in Vlaanderen, Brabant en Limburg, Oostende, 1984.

[95] voor 1695: Dalle, D., art.cit., 1964, p. 244; voor 1795: Gryson, B., op.cit., 1999, p. 33.

[96] Het Zonneheem, 32 (2), 2003, p. 15.

[97] Dalle, D., art.cit., 1964, p. 243.

[98] Béaur, G., ‘Au comptant ou à crédit: comment financer une acquisition foncière au XVIIIe siècle?’, in: Paris et ses campagnes sous l’Ancien Régime. Mélanges offerts à Jean Jacquart, Parijs, 1994, p. 55; Baert, J., art.cit., 1998, p. 115.

[99] Baert, J., op.cit., 1998, p. 115.