Lidmaatschap van een vereniging

en sociale druk tot drinken bij adolescenten

 

Hans De Steur

 

Scriptie ingediend tot het behalen van de graad: Licentiaat in de Sociologie

Academiejaar: 2004-2005

Universiteit Gent

Faculteit Politieke en Sociale wetenschappen
Vakgroep Sociologie

Promotor: Prof. Dr. M. Van Houtte

home lijst scripties inhoud volgende  

 

Voorwoord

 

Inleiding

 

I. THEORETISCH KADER

    A. ADOLESCENTIE

    B. ALCOHOL

        1. Soorten alcohol

        2. Soorten drinkers

        3. Alcohol en de wet

        4. Ontstaansfactoren

        5. Werking en effecten

        6. Negatieve gevolgen

            6.1. Lichamelijk

            6.2. Geestelijk

            6.3. Sociaal

        7. Stadia van alcoholgebruik

            7.1. Eerste contact

            7.2. Experimenteerfase

            7.3. Regelmatig, sociaal gebruik

            7.4. Overmatig gebruik

            7.5. Afhankelijkheid

        8. Motieven

    C. DETERMINANTEN VAN ALCOHOLGEBRUIK

        1. Individuele determinanten

            1.1. Genetische en biologische factoren

            1.2. Persoonlijkheid

            1.3. Attitude

            1.4. Uitkomstverwachting

            1.5. Eigen effectiviteit

            1.6. Drinkgedrag

            1.7. Samenhang met andere gedragingen

        2. Sociaal-demografische determinanten

            2.1. Leeftijd

            2.2. Geslacht

            2.3. Sociaal-economische status (SES)

            2.4. Burgerlijke staat

            2.5. Cultuur, etniciteit en religie

        3. Maatschappelijke determinanten en omgevingsdeterminanten

            3.1. Wetgeving

            3.2. Beschikbaarheid

            3.3. Prijs

            3.4. Omgeving

            3.5. School- en buurtkenmerken

            3.6. Overige determinanten

        4. Sociale determinanten

            4.1. Sociale theorieŽn over alcoholgebruik

                4.1.1. Sociale leertheorie

                4.1.2. Sociale controletheorie

                4.1.3. Balanstheorie

                4.1.4. DifferentiŽle associatietheorie

                4.1.5. Referentiegroeptheorie

                    4.1.5.1. Geschiedenis

                    4.1.5.2. CategorieŽn

                         1. Groepen

                         2. Collectiviteiten

                         3. Sociale categorie

                         4. Referentie-individu

                         5. Significante anderen

                    4.1.5.3. Types

                         1. Normatieve referentiegroep

                         2. Vergelijkende referentiegroep

                             a.  Billijkheidsgroep

                             b. Legitimiteitsgroep

                             c. Rolmodel

                             d. Aanpassingsgroep

                         3. Statusreferentiegroep

                         4. Publiek of ďaudience groupĒ

                    4.1.5.4. Keuze van de referentiegroep

                         1. Sociale situatie

                         2. Eigen noden

                         3. Normatieve oriŽntatie

                         4. Sociale eisen

                             a. Lidmaatschap

                             b. Sociale structuur

                             c. Sociale afstand

                             d. Groepsaantrekkelijkheid en solidariteit

            4.2. Sociale invloed

                4.2.1. Cognitieve sociale invloeden

                    4.2.1.1. Modeling of imitatie

                    4.2.1.2. Waargenomen sociale norm of normatieve invloed

                4.2.2. Situationele sociale invloeden

                    4.2.2.1. Socialisatie

                    4.2.2.2. Sociale druk

                4.2.3. Reacties op sociale invloed

                    4.2.3.1. Toestemming

                    4.2.3.2. Identificatie

                    4.2.3.3. Internalisatie

            4.3. Ouders en de peergroep

                4.3.1. Ouders

                    4.3.1.1. Opvoedingsgerelateerde factoren

                    4.3.1.2. Gezinsgerelateerde factoren

                4.3.2. De peergroep

                    4.3.2.1. Functies van de peergroep

                    4.3.2.2. De peergroep als subcultuur

                    4.3.2.3. Gelijkenissen in de peergroep: invloed of selectie?

                4.3.3. Peerinvloed en alcoholgebruik

                    4.3.3.1. Toepassing van de sociale theorieŽn op alcoholgebruik

                    4.3.3.2. Peergroep als referentiegroep bij drinkgedrag

                    4.3.3.3. Bevindingen in wetenschappelijk onderzoek

                    4.3.3.4. Peerdruk en alcoholgebruik

                4.3.4. Peerinvloed versus ouderlijke invloed

    D. VERENIGINGEN

        1. De Sportvereniging

            1.1. Sport en sportvereniging

            1.2. Sport en alcoholgebruik

        2. De Studentenvereniging

            2.1. Studenten en studentenvereniging

            2.2. Studenten en alcoholgebruik

        3. De Jeugdbeweging

            3.1. Jeugd en jeugdbeweging

        3.2. Jeugdbeweging en alcoholgebruik

    Besluit

 

II. HET ONDERZOEK

    1. Inleiding

    2. Methode

        2.1. Dataverzameling

        2.2. Onderzoekspopulatie

        2.3. De vragenlijst

            2.3.1. De afhankelijke variabele: Alcoholgebruik

            2.3.2. Socio-demografische variabelen

                2.3.2.1. Leeftijd

                2.3.2.2. Geslacht

                2.3.2.3. Burgerlijke staat

                2.3.2.4. Gezinsklimaat

                2.3.2.5. Socio-economische status

                2.3.2.6. Opleidings- en werkgerelateerde variabelen

                2.3.2.7. Inkomensgerelateerde variabelen

            2.3.3. Verenigingsgerelateerde variabelen

                2.3.3.1. Lidmaatschap van een vereniging

                2.3.3.2. Verhouding van de geslachten binnen een vereniging

                2.3.3.3. Lidmaatschap van een andere vereniging

                2.3.3.4. Referentiegroep

                2.3.3.5. Voorbeeldfunctie binnen de vereniging

            2.3.4. Sociale druk

            2.3.5. Alcoholgerelateerde variabelen

                2.3.5.1. Redenen

                2.3.5.2. Soorten alcohol

                2.3.5.3. Drinklocaties

            2.3.6. Attituden

            2.3.7. Andere variabelen

                2.3.7.1. Rol van alcohol in het leven van de adolescent

                2.3.7.2. Vooroordelen van alcoholgebruik in de vereniging

    3. Resultaten

        3.1. Verbanden tussen de variabelen en alcoholgebruik

            3.1.1. Socio-demografische variabelen

            3.1.2. Verenigingsgerelateerde variabelen

            3.1.3. Sociale druk

            3.1.4. Attituden

            3.1.5. Andere variabelen

        3.2. Verbanden tussen de determinanten van alcoholgebruik en lidmaatschap van een vereniging?

Vraag 1. Verschilt het alcoholgebruik naargelang het lidmaatschap van een vereniging?

Vraag 2. Verschillen de drie maten voor sociale druk tot drinken naargelang het lidmaatschap van een vereniging?

Vraag 3. Verschillen de overige determinanten van alcoholgebruik naargelang het lidmaatschap van een vereniging?

Vraag 3a. Verschillen de drie metrische determinanten van alcoholgebruik naargelang het lidmaatschap van een vereniging?

Vraag 3b. Verschillen de zes ordinale determinanten van alcoholgebruik naargelang het lidmaatschap van een vereniging?

Vraag 3c. Verschillen de drie nominale determinanten van alcoholgebruik naargelang het lidmaatschap van een vereniging?

        3.3. Meervoudige regressie

Vraag 4. BeÔnvloedt het toevoegen van de verschillende onafhankelijke variabelen het verband tussen het lidmaatschap van een vereniging en alcoholgebruik?

Vraag 5. Verklaart het toevoegen van sociale druk tot drinken het verband tussen het lidmaatschap van een vereniging en alcoholgebruik?

 

Discussie

 

Besluit

 

Referenties

 

home lijst scripties inhoud volgende