Hoe dol was Dolle Mina? De geschiedenis van de Dolle Mina's in Vlaanderen. (Katrijn De Smit)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk 5. Organisatie

 

5. 1. Interne organisatie

 

‘A social movement must also have an organisation of some kind, however loosely structured; it must have leaders with strategies; and above all it must have supporters, and in some circumstances allies, if it is to fight and win campaigns’[870]. In dit hoofdstuk zal de organisatie van Dolle Mina nader toegelicht worden, onder andere door na te gaan of er een bepaalde hiërarchie in stand gehouden werd. Er zal echter ook aandacht uitgaan naar eventuele contacten met andere bewegingen, omdat die -zoals in het citaat aangegeven wordt- belangrijk waren om campagnes mee te voeren. Bovendien wordt zo een complex netwerk zichtbaar, waardoor het duidelijk wordt dat Dolle Mina, als autonome groep, toch geen alleenstaande beweging was.

 

Algemeen gesteld heeft de Vlaamse vrouwenbeweging altijd een lage organisatiegraad gekend, en volgens Marc Hooghe heeft dat voornamelijk te maken met vier factoren: een traditie van geringere politieke participatie door vrouwen, een gebrek aan voorafbestaande bruikbare netwerken, een verregaande versnippering, en een gebrek aan materiële hulpbronnen[871]. Over het algemeen ging het om kleine, lokale groepen, zonder overkoepelende structuur.

Dolle Mina Vlaanderen was een gedecentraliseerde beweging. De verschillende stedelijke kernen begin jaren zeventig hielden geen systematische contacten met elkaar om bijvoorbeeld gemeenschappelijk acties te voeren. Er was echter wel één gelegenheid toen er in Gent en Antwerpen tegelijkertijd actie gevoerd werd rond kinderkribben, maar de Dolle Mina-organisatie bleef algemeen beperkt tot de eigen groep. Er bestond dus geen formele overkoepeling tussen de verschillende kernen, maar er waren wel veel contacten op individuele basis, die vaak teruggingen tot gemeenschappelijke studie-ervaringen. Dat was bijvoorbeeld het geval met Chantal De Smet, die een centrale figuur was binnen Dolle Mina Gent, en Roos Proesmans van Dolle Mina Antwerpen, die vriendinnen waren. Zij hadden samen rechten gestudeerd aan de universiteit en waren daar een tijdje politiek actief geweest[872]. In het prille begin van Dolle Mina is er echter toch sprake geweest van de oprichting van een nationale raad of kern, waarin afgevaardigden van lokale Dolle Mina kernen zouden samenkomen. Het bleef echter bij een voorstel, toen men in Antwerpen tot een programma wou komen[873]. Er is geen enkele aanwijzing van de praktische verwezenlijking terug te vinden. Bovendien: “we waren te weinig gestructureerd dat we gingen zeggen: Gent gaat nu eens Antwerpen ontmoeten”[874]. Dit in tegenstelling tot Nederland, waar contacten tussen alle plaatselijke Dolle Mina afdelingen onderling wel moesten onderhouden worden. Het organiseren van Dolle Mina moest de doeltreffendheid van de beweging verhogen, en was gebaseerd op het recht op medebeslissing van alle leden. Dolle Mina werd in Nederland dus wel landelijk georganiseerd, door de zelfstandige en autonome afdelingen te vertegenwoordigen in een landelijke algemene vergadering. De taak hiervan was onder andere het opstellen van een concreet programma, waaraan de plaatselijke afdelingen gebonden waren, maar dit moest wel tot stand komen door samenwerking tussen de verschillende groepen[875].

In Vlaanderen hanteerden ook de afzonderlijke kernen een informele stijl: “dolle mina heeft geen leden en geen bestuur, net zomin als een voorzitster of vice-voorzitster. iedereen die naar de vergadering komt is welkom en heeft het recht er het woord te voeren”[876]. De mensen die naar de vergaderingen kwamen, beslisten wat de houdingen en de stellingen van de groep zouden zijn. De nood aan ‘leiders met strategieën’ ging voor Dolle Mina dus niet op. Dolle Mina was gekant tegen elke vorm van hiërarchie, wat trouwens een van de hoofdkenmerken was van vele feministische organisaties van de tweede golf. Dat was deels het resultaat van de vroegere ervaringen in andere progressieve bewegingen uit de jaren zestig, waardoor feministes zichzelf volledig wilden losmaken van de door mannen gedomineerde, hiërarchische machtsstructuren en politiek. De autonome vrouwenbeweging ontwikkelde zich als een ‘no-leadership movement’, leiders konden niet spreken voor de ‘leden’. Elke vorm van elitarisme moest vermeden worden. Enkele problemen hierbij waren wel dat zonder duidelijke structuur enige vorm van collectieve actie onmogelijk was, en dat sommige leden door de media op de voorgrond gebracht werden als woordvoerders, waarbij niemand zich tegen hun inzichten kon verzetten[877]. Daarom werd er binnen Dolle Mina geopperd dat er op vragen naar interviews en dergelijke slechts mocht ingegaan worden na bespreking[878]. Weinig structuur was dus, vooral in het begin een principieel uitgangspunt: “Je hoorde wel eens’geen hiërarchie, dat is van de mannen’. Maar later is men er beginnen over nadenken. Dan gingen vrouwen zich bijvoorbeeld alleen met de voornaam bekend maken. Dat waren zo van die pogingen om elke vorm van hiërarchie uit te bannen”[879].

De organisatie werd als het ware een voorafspiegeling van de ideale wereld die men hoopte te bereiken, ook als dat tactische nadelen had. In het geval van de vrouwenbeweging lag de nadruk zeer sterk op basisdemocratie. Rita Mulier, de eerste voorzitster van het VOK, zag hierin zelfs een bevestiging van de specifieke eigenheid van vrouwen: ‘wij vrouwen zijn de draagsters van een traditionele zachte cultuur (...) Feministen pleiten voor een andere samenleving, waar de maatschappelijke organisatie ook de vrouwelijke waarden weerspiegelt en geweld vervangen wordt door overreding, verdrukking door samenwerking’[880]. De diverse organisaties van de vrouwenbeweging hadden een verschillende structuur, die verschilde naargelang de ideologie die ze verdedigden[881]. Zo waren de reformistisch georiënteerde feministische strekkingen in het algemeen traditioneel formeel georganiseerd, waarbij er dus een vertikale structuur aanwezig was. Deze organisaties waren sterk geïnstitutionaliseerd. De socialistische en radicale strekking daarentegen kende een meer informele organisatievorm, met als kenmerk de structuurloosheid. De meeste autonome groepen hechtten erg veel belang aan een basisdemocratische wijze van beslissingen nemen binnen de groep. Binnen Dolle Mina dreef men dit zeer ver, en werd er zelfs benadrukt dat alle beslissingen bij consensus zouden moeten worden genomen: ‘Stemmen is geen noodzaak. Veel beter is het in de groep tot een akkoord te komen door discussie’[882]. In praktijk werkte dit blijkbaar niet altijd, want af en toe is er toch sprake van stemmingen, waarbij nieuwe leden verzocht werden niet mee te stemmen. Ze werden niet als onmondig beschouwd, maar er moest vermeden worden dat er gestemd werd zonder goed op de hoogte te zijn. Dolle Mina wilde een democratische beweging zijn, dus moest iedereen het recht hebben te spreken en zijn mening te zeggen. Daarbij wilde ze ook iedereen aanzetten te durven spreken in de groep, om mondigheid te bevorderen en opdat iedereens mening aan bod zou kunnen komen. Marc Hooghe wees er op dat deze basisdemocratische manier van besluitvorming onvermijdelijk veel langzamer en minder efficiënt was dan een meer gebureaucratiseerd en minder democratisch systeem. Dit zou de politieke rol van de vrouwenbeweging ondermijnen, want als men over elke beslissing urenlang moet beraadslagen, komt het vaak helemaal niet meer tot een beslissing. Hiermee wou hij uiteraard niet zeggen dat basisdemocratie moest worden afgezworen. Het was voor sociale bewegingen bijvoorbeeld ook niet altijd de bedoeling politieke successen te behalen. Het kon ook de bedoeling zijn, en dat was zeker het geval voor de vrouwenbeweging, de politieke spelregels zelf af te wijzen. Het interne reilen en zeilen van de organisatie werd zo een symbolische uitdaging aan de geldende maatschappelijke normen: het kon ook anders, en beter[883]. Rita Mulier zei begin jaren zeventig: ‘politiek is een vieze boel’[884], en Dolle Mina deelde ook die uitdrukking. Maar omdat veel emancipatie-eisen nu eenmaal met politiek te maken hadden, en omdat het dagelijkse leven bepaald wordt door politieke beslissingen, moesten vrouwen er interesse voor opbrengen, en voerde Dolle Mina haar dubbele strijd.

Er moet echter even stilgestaan worden bij de vraag in hoeverre de losse structuren ‘basisdemocratisch’ genoemd kunnen worden. Als men hiërarchie zoveel mogelijk tracht te verbannen, is het gevaar groot dat er toch autonoom een informeel leiderschap ontstaat. Achteraf bekeken leek het label ‘basisdemocratisch’ Ida Dequeecker niet echt toepasselijk: “Zo’n ding (open vergaderingen) lijkt superdemocratisch, maar eigenlijk is het niet democratisch. Want er zit niets van structuur in. Degenen die het gestart hadden en dan nog een aantal meer actieve vrouwen hadden de facto de zaak in handen en namen de beslissingen, alhoewel er op die vergaderingen wel dingen gestemd werden. Toen werd er niet over gediscussieerd of dat democratisch was of niet (...) Maar als je het niet structureert, dan ontstaat er toch een informeel leiderschap. En wie zijn dat dan? Diegene die het hoge woord voeren, het welbespraakst zijn, of zich het meest engageren. Maar die zijn dan niet verkozen”[885]. Het was niet noodzakelijk de oorspronkelijke initiatiefneemster die de zaak in handen wou houden. Dat was namelijk niet de bedoeling van Roos Proesmans: “Roos wou zeker geen leidsterrol vervullen. Ze zou niet op tafel gesprongen zijn om te zeggen hoe het gedaan moest worden. Ik had heel veel bewondering voor haar, vooral omdat ze heel consequent leefde volgens wat ze verkondigde”[886]. Ze startte Dolle Mina niet om zich te profileren, maar omdat ze de situatie van vrouwen onrechtvaardig vond. Bij de eerste acties nam ze nog wel het voortouw, maar nadien verdween ze steeds meer naar de achtergrond[887]. In Gent was dit blijkbaar wel meer het geval. Daar werd Chantal De Smet in de beginperiode wel aanzien als voorzitster, hoewel niet iedereen zich dat op dezelfde manier herinnerde. Chantal De Smet had Dolle Mina in Gent opgericht, en dus de eerste vergaderingen belegd. Voor bepaalde zaken was ze ook de verantwoordelijke uitgeefster en contactpersoon. Josiane Rimbaut herinnerde zich dat zij heel goed kon organiseren, maar snel leerde delegeren. Er werd met argusogen gekeken of Chantal De Smet de beweging niet naar zich zou toetrekken, omdat men niet meteen met structuren en hiërarchieën wilde werken, zoals bij andere vrouwenbewegingen. Het gedachtegoed mocht ook niet gemonopoliseerd zijn, maar eigen ideeën moesten binnen Dolle Mina aan bod kunnen komen[888]. Hoewel het de bedoeling was dat er geen vaste voorzitster was en dat alle taken verdeeld zouden worden, was er toch altijd iemand die de vergaderingen voorzat. Volgens Marina Hoornaert was dat diegene die het gemakkelijkst kon voorzitten en hierbij herinnerde ze zich toch vooral Chantal De Smet. Net zo voor de regeling van de organisatie: “Chantal deed dat. Ik was gewoon lid (...) De taken werden wel verdeeld”[889]. Er lijkt dus wel sprake geweest te zijn van een informeel leiderschap, wat Moniek Darge zeer teleurstellend vond toen ze zich pas aangesloten had bij Dolle Mina: “We gingen dus anders doen als vrouw. Ik had een beeld van de vrouwen die bij DM waren en dat klopte niet met de werkelijkheid. Na een aantal vergaderingen viel het me heel erg op dat Greta Craeymeersch altijd bereid was voor de praktische dingen. Zij is altijd een vrouw geweest die enorm veel gedaan heeft. De verslagen schrijven, die toen nog gestencild moesten worden! Op de vergaderingen werd er koffie gemaakt, en Greta ging dan de kopjes rondzetten. Op een keer had Chantal Greta aangesproken dat er iets niet in orde was over die praktische dingen. Ik vond dat zo een karikatuur van wat ik in mijn hoofd had van gelijkheid, waar ik Chantal zag die voorzitter speelde en Greta behandelde alsof ze personeel was die goed was voor de koffie en het praktische werk, dat ik kwaad ben geworden. Als ik kwaad ben, ben ik niet tactisch. Ik heb heel emotioneel gezegd: wij zijn een organisatie die voor gelijkwaardigheid tussen mensen streeft, en wat zie ik hier? Een machtsverhouding net zoals bij mannen en vrouwen. We hebben een voorzitter en ondergeschikten. Dat is net hetzelfde als de ongelijkheden. Dat heeft vuurwerk gegeven (...) Dit was in het begin. Later hadden we geen vaste voorzitster meer en de verslaggeefster werd afgesproken”[890].

Om geen scheiding te bekomen tussen theorie en praktijk moest iedereen alles doen, en mochten er geen vaste verantwoordelijkheden bestaan. Bovendien kan het voor een groep nadelige gevolgen hebben als er teveel op één persoon gesteund wordt in plaats van een taakverdeling. De bedoeling was dus dat men zich voor een bepaalde taak kandidaat stelde, waarna de verdeling op de vergadering beslist werd. Andere taken binnen Dolle Mina werden dan weer onderling afgewisseld; zo veranderden de verslaggeefster en de voorzitster bij elke vergadering, wat op de voorgaande vergadering werd afgesproken. Er was een beurtrol om alle vrouwen ertoe aan te zetten initiatief te nemen en te leren of te durven spreken: “Uiteindelijk zijn er mensen die dat in hun hebben, en mensen die zich laten leiden. Ik vind dat wel belangrijk zodat mensen ontdekken dat ze dat ook kunnen. Dat ze ontdekken waar ze goed in zijn”[891]. In praktijk gebeurde die afwisseling echter vaak binnen een beperkte groep. In de beginperiode werden er bij Dolle Mina Gent nog geen verslagen opgesteld: “Er was geen organisatie. Dat was eerder ‘we komen bijeen en we zien wel’. Het gebeurde naargelang het gebeurde”[892]. In Antwerpen startte men hiermee wel reeds na een maand of wat.

Dolle Mina zag namelijk snel in dat de oorspronkelijke vooropgestelde losse structuur wel uitstekend werkt als men met één, desnoods twee mensen is, maar niet langer indien men op de vergaderingen dertig vrouwen (in het geval van Gent) en meer vindt[893]. Daarom was er in Antwerpen al vanaf het begin, toen er nog zo’n tweehonderd mensen aanwezig waren op vergaderingen, een klein groepje ontstaan dat de vergaderingen voorbereidde. Als er acties moesten gebeuren, werd er al op voorhand nagedacht wat er voorgesteld kon worden. Op deze manier gaf een kern al snel een zeer minimale structuur aan Dolle Mina. Het slaat waarschijnlijk op deze kern (of specifieke mensen daaruit) toen Ida Dequeecker sprak van een informeel leiderschap in Antwerpen. De vergaderingen in Antwerpen trokken veel mensen aan, maar er bestond wel een vrij grote vaste kern. Uitnodigingen werden er echter niet gestuurd[894]. Heel snel achtte men het dus nodig enige vorm van structuur aan te brengen en werden er werkgroepen opgericht (cf. supra), hoewel men voorzichtig bleef de groep niet te overorganiseren. Een zekere organisatie is echter onontbeerlijk voor elke beweging, wil de beweging enige kans op succes hebben voor de verwezenlijking van haar doelstellingen. Zonder organisatie blijft een beweging immers afhankelijk van toevalligheden en korte termijn-acties. C. Kruithof stelde begin jaren zeventig daarom dat “de vrouwen moeten leren om een strategie te ontwikkelen die eigen is aan een van macht verstoken klasse. Maar opdat deze methode resultaten kan afwerpen, geldt een georganiseerd handelen als eerste eis”[895]. De organisatie moest wel soepel en democratisch blijven om niet tot dezelfde onderdrukking te komen[896]. In Antwerpen kwamen de Dolle Mina’s in de beginperiode wekelijks samen in zaal Cécil, maar de organisatie van Antwerpen is al eerder aan bod gekomen.

In Gent kwam enig ongenoegen over de te losse structuur ook aan de oppervlakte: ‘Voor het ogenblik is Dolle Mina een ‘losse’ beweging, niemand heeft een vastomschreven taak, wel of niet naar de vergaderingen komen is niet zo heel belangrijk met het gevolg dat niets af geraakt, dat de zaken altijd van nul moeten hernomen worden en dat er buiten de vergaderingen weinig of niets gebeurt’[897]. Voor een betere werking werd een indeling in werkgroepen voorgesteld. Dolle Mina Gent ging als volgt te werk: elke woensdagavond om de veertien dagen kwamen de militanten en geïnteresseerden bijeen in de algemene vergadering. Deze vond plaats in hotel/café Den IJzer, in de Vlaanderenstraat, in een zaaltje dat gratis beschikbaar was: “We hebben lang vergaderd in café Den IJzer. Toch wel een beetje merkwaardig. Het was een van de oudste cafés in Gent, bijna in de rosse buurt. Beneden was er een heel deftig kaarterspubliek en biljarters. Toch mochten wij vergaderen op de eerste verdieping”[898]. Er werd een vaste verantwoordelijke aangesteld voor het versturen van de uitnodigingen. In april 1975 vond Dolle Mina haar eigen ruimte en verhuisde ze naar het kelderlokaal van het Centrum Seksuele Voorlichting in de Willem Tellstraat, nummer 13, dankzij de contacten die Dolle Mina had met het CSV. Deze verandering ging gepaard met een oproep tot iedereen om een nieuwe start te nemen. Een eigen lokaal betekende nieuwe mogelijkheden, zeker na een periode van malaise binnen de groep, onder andere als gevolg van de organisatie: er gebeurde weinig of niets effectiefs meer[899]. In deze kelder werd iedere woensdagavond permanentie gehouden, om geïnteresseerden op te vangen, te informeren, vragen te beantwoorden, of om brochures, affiches en dergelijke te verkopen. Naast een vergaderruimte was deze kelder dus ook een informatie- en contactcentrum.

De militanten werden bijgevolg verzocht eveneens actief te zijn in één van de werkgroepen, waarvan enkelen reeds vermeld zijn. Deze werkgroepen werden opgericht om problemen nader te bespreken en te onderzoeken. Analyses, conclusies en discussiestukken die daaruit volgden moesten op de algemene vergadering worden besproken. De werkgroepen waren dus in feite enkel elementen om het werk vlotter en beter te laten verlopen[900]. Niet een stevigere structuur, wel een betere werkverdeling was vereist[901]. De werkgroepen specialiseerden zich elk op een verschillend terrein, omdat degelijke actie onmogelijk was zonder degelijke vorming. De acties moesten bovendien in de eerste plaats uitgaan van de werkgroepen, omdat ze voordien slechts ‘toevallig’ gebeurden: “we moeten leren efficiënt zijn en organiseren, toevallige acties moeten in de regel slechts “toevallig” zijn en uitgaan van de werkgroepen (...) Toevalligheid is de dood van Dolle Mina”[902]. Een werkgroep moest in staat zijn acties te lanceren met alle mensen van Dolle Mina. In de algemene vergadering werd er gestemd over de actievoorstellen van de werkgroepen. Door informatie te verzamelen en daarover te discussiëren was het de bedoeling standpunten te bepalen in verband met allerlei problemen. Iedereen kon behoren tot één of meer werkgroepen, op voorwaarde dat de taken regelmatig uitgevoerd werden[903]. Zo was er bijvoorbeeld een werkgroep ‘seksualiteit’, waar de problemen in verband met seks nader bekeken werden, aangezien begin jaren zeventig goede informatie hierover door Dolle Mina nog dringend bevonden werd. Men stelde dus een documentatiemap samen, waarbij verschillende aspecten behandeld werden, onder andere de biologische kant, de historische kant, anticonceptie. Bovendien was het belangrijk ‘nuttige adressen’ te verzamelen, om mensen met problemen (bijvoorbeeld in verband met homofilie, anticonceptie en dergelijke) te kunnen doorverwijzen. Het was overigens ook de taak van deze werkgroep een tactiek uit te werken voor de seksuele emancipatie van vrouw en man, wat volgens Dolle Mina totaal verwaarloosd werd door andere progressieve bewegingen ‘alhoewel ze een van de hoekstenen is van de totale bevrijding van de mens’[904]. De werkgroep lectuur werd in het leven geroepen om te beginnen lezen wat er reeds bestond over vrouwenemancipatie en moest het belangrijkste dat in de toekomst verscheen trachten bij te houden. Deze informatie moest via literatuurlijsten, korte discussiestukken, artikels in De Grote Kuis, eventueel speciale vergaderingen en stencils aan de anderen doorgegeven worden. Regelmatig zette men ook een werkgroep toneel op, voor het schrijven en opvoeren van stukjes, liedjes en dergelijke. De Dolle Mina’s speelden ook straattoneel, waarin men een heel ongelijke situatie tussen man en vrouw in sketches uitbeeldde. Ondertussen werden er pamfletten uitgedeeld en spraken ze de mensen aan. Het ludieke aspect bleef altijd voor een stuk aanwezig bij Dolle Mina: “we mogen niet gaan verzanden in de studie, en we moeten ook blijven gevoel voor humor hebben”[905]. Deze werkgroep kon zich inspireren op de problemen die in de andere werkgroepen werden uitgediept. Andere werkgroepen waren bijvoorbeeld nog onderwijs, sociale problematiek (wat zeer ruim was: van de vrouw in de politiek tot de thuiswerkende vrouw), en dergelijke. Het plan werd ook opgevat om de resultaten van de werkgroepen in Gent en Antwerpen te vergelijken, maar systematisch is dat alleszins niet gebeurd. Na de publicatie van een rapport kon de desbetreffende werkgroep uiteenvallen, waarna men zich kon aansluiten bij andere werkgroepen of een nieuw probleem aanpakken.

Er bestond ook zoiets als een coördinatiewerkgroep. Deze was samengesteld uit minstens één vertegenwoordiger per werkgroep en had als taak de vergaderingen voor te bereiden, tussentijdse snelle beslissingen te treffen indien deze absoluut noodzakelijk waren, en de coördinatie tussen de verschillende werkgroepen verzorgen. Bij een zeer dringende zaak moesten de vier vaste mensen van de coördinatie bereikt worden, en zoveel andere mensen van Dolle Mina. Bij een niet dringende zaak moesten er zes van de acht mensen bereikt worden.

De Grote Kuis (°1973) is van belang geweest voor het bekomen van een meer regelmatiger basis van de beweging[906]. Om het uit te geven moest er immers regelmatig bijeen gekomen worden. Zoveel mogelijk mensen moesten er aan meewerken. Alle werkgroepen moesten voor teksten zorgen, waardoor De Grote Kuis de verzameling van ideeën kon weergeven.

Bij deze werkgroepenindeling werd expliciet gesteld dat niemand “één welbepaalde, voor eeuwig aangestelde taak mag hebben. Iedereen moet openstaan voor opbouwende kritiek en in staat zijn tot zelfkritiek”[907]. Binnen deze werkgroepen zouden twee belangrijke taken van Dolle Mina naar binnen toe (ten aanzien van de leden) moeten gebeuren, namelijk het aanzetten tot persoonlijke bewustwording en de collectieve politieke vorming van ieder lid, door te praten, te discussiëren, te lezen en dergelijke[908].

 

Verloop algemene vergadering

Na ieder punt was er mogelijkheid tot discussie.

1) Ontvangen nieuwe mensen: voorstellen van iedereen en werkgroepen; waarom naar Dolle Mina gekomen?

2) Binnengekomen brieven

3) Komende gebeurtenissen, actualiteit

4) Kort verslag van elke werkgroep en andere diverse organisaties (zoals bijvoorbeeld het VOK of het abortuscomité)

5) Mogelijke acties voorgesteld door de werkgroepen en de algemene vergadering

6) Deelname andere activiteiten

7) Takenverdeling, afspraken maken

8) Groepsdiscussie over een bepaald onderwerp in verband met vrouwen (bijvoorbeeld deeltijdse arbeid). Onderwerp afgesproken op voorafgaande vergadering, opdat iedereen kan voorbereiden

 

Het bleek echter dat veel vrouwen die voor de eerste keer naar Dolle Mina kwamen er vaak een verkeerd beeld van hadden. Soms wisten ze bijvoorbeeld niet dat het links was. Daarom werd er geregeld dat er één uur voor de vergadering al een paar vrouwen aanwezig waren om ‘nieuwelingen’ uit te leggen wat Dolle Mina was, welke visies ze had en hoe Dolle Mina werkte. Als het duidelijk werd dat Dolle Mina niet was wat ze zochten, konden ze eventueel doorverwezen worden naar een andere organisatie. Indien ze zich wel aansloten, werd er aandacht geschonken aan de scholing van deze nieuwe leden en hun opname in de werkgroepen.

Om in contact te komen met Dolle Mina was het niet noodzakelijk zich effectief aan te sluiten. Ludieke acties waren niet voldoende voor het propageren van ideeën en het verhogen van de aanhang. Het actieterrein werd verruimd met meer intensieve propaganda door middel van discussieavonden, publicaties, het geven van voordrachten en dergelijke, waardoor vrouwen een beter inzicht moesten krijgen in hun maatschappelijke toestand en langs discussies om tot gemeenschappelijke acties komen. In 1975 startte Dolle Mina bovendien met het organiseren van contactavonden (wat mogelijk was door de verhuis naar een eigen lokaal!). Op deze avonden kon iedereen –al dan niet lid van Dolle Mina- contact zoeken met anderen, om met elkaar van gedachten te wisselen over een vooraf bepaald onderwerp. Iedereen kon er zijn eigen visie verdedigen, ervaringen delen, problemen bespreken of gewoon luisteren. Zo kon men andere mensen en andere ideeën leren kennen. Deze contactavonden kwamen voort vanuit het bezwaar dat er naast de klassieke, nogal technische vergaderingen geen gelegenheid bestond om met nieuwe mensen, of mensen van Dolle Mina zelf contact te houden. Het doel was “geenszins de mensen die naar deze avond komen ‘in te palmen’ en te overtuigen bij ons aan te sluiten. Het is integendeel ons doel een confrontatie mogelijk te maken tussen verschillende zienswijzen. Men kan dus volledig vrijblijvend wegblijven”[909]. Op deze avonden waren ook mannen welkom. Het eerste thema ging over de discriminatie die men persoonlijk als vrouw ervoer of als man observeerde. Uit eigen ervaring dus, maar het was binnen Dolle Mina nooit de bedoeling om ook praatgroepen op te richten. In 1976 is er toch één opgericht, die bestond uit een vijftal vrouwen, omdat er vraag naar was. Bij de oprichting van het vrouwenhuis in Gent was het echter de bedoeling dat die praatgroepen daar zouden plaatsvinden, omdat dit binnen Dolle Mina eigenlijk minder goed paste. In praatgroepen werden ervaringen uitgewisseld en besproken, en dit bleek een uitstekend instrument te zijn om bewustwordingsprocessen te stimuleren[910]. Het doel was namelijk een eigen identiteit als vrouw te vinden én een bewustwording over de rol als vrouw in de maatschappij te ontwikkelen. Men ging er hierbij van uit dat vrouwen in de eerste plaats door vrouwen begrepen en geholpen kunnen worden. Dit wil zeggen dat vrouwen elkaar ondersteunden en elkaars eisen kracht bijzetten, bijvoorbeeld om een opleiding te gaan volgen of om met andere vrouwen te gaan samenwonen. Vele vrouwen die in een praatgroep samenkwamen, wilden zich losmaken van hun echtgenoot, maar vonden geen uitweg uit hun situatie[911]. Een praatgroep kon dus steun bieden bij het nemen van beslissingen op het individuele vlak, maar ging toch verder dan dat. Door de uitwisseling van ervaringen, kwamen vrouwen er achter dat veel van hun eigen problemen ook de problemen waren van andere vrouwen en dat deze problemen gemeenschappelijke maatschappelijke oorzaken hadden. De bewustwording groeide dus dat vele individuele problemen niet individueel waren op te lossen. Als uiteindelijk doel had een praatgroep dan ook na te gaan wat de maatschappelijke oorzaken waren van de positie van de vrouw in de maatschappij en hoe vrouwen gemeenschappelijk iets aan deze situatie zouden kunnen veranderen. Praatgroepen evolueerden op deze manier naar politieke actiegroepen. Deze praatgroepen behoorden tot de zogenaamde radicale strekking van het feminisme. Hoewel de slogan ‘het persoonlijke is politiek’ (één van de meest verspreide slogans van het tweede golf feminisme) ook door Dolle Mina in het vaandel werd gedragen, is dit een goed voorbeeld om te illustreren dat Dolle Mina zich toch meer toelegde op het economische in plaats van enkel op het louter individuele en ervaringsgerichte. De nadruk moest vooral blijven liggen op het socialistische aspect van de vrouwenbeweging[912].

In 1973 waren er al voorstellen gekomen in verband met ‘praatavonden’. Het doel hiervan zou geweest zijn ‘zich als Dolle Mina laten zien’, de groep voor te stellen, te praten over acties en ervaringen met of door Dolle Mina, waarbij persoonlijke ervaringen ook aan bod konden komen[913]. Deze hadden echter niet het opzet van de latere consciousness raising groups. Sommigen waren echter teleurgesteld omdat het persoonlijke aspect veel te weinig aan bod kwam binnen de vergadering. “Onze strategie is niet een praatgroep uitbouwen en toch is er zeker in vrouwengroeperingen een belangrijke behoefte aan persoonlijke discussies”[914]. Het ‘persoonlijke’ betekende voor Dolle Mina niet een individueel probleem bespreken, maar wel meer persoonlijke thema’s zoals jaloezie, seksualiteit en dergelijke[915]. Anderzijds bestond er bij verscheidene vrouwen ook een schrik voor dergelijke discussies, omdat zij voor het bespreken van bepaalde persoonlijke zaken te weinig vertrouwen en te weinig opvangmogelijkheden voelden in de groep[916].

Binnen Dolle Mina was er wel nood aan persoonlijk contact tussen de mensen die regelmatig naar de vergaderingen kwamen. Zo werd er bijvoorbeeld in 1974 geklaagd dat meer ‘menselijkheid’ geboden was binnen Dolle Mina; er was een ander soort contact nodig dan voorheen, en dit zou ook door de praatgroepen niet opgelost worden, omdat zij gewoon als vergaderingen ervoeren werden[917]. “Het kan niet goed gaan als mensen zich in een emancipatiebeweging onbehaaglijk voelen”[918]. Een grote vergadering, waar dan vooral praktische zaken besproken werden, liet niet echt toe elkaar op persoonlijker vlak te leren kennen. Daaraan wou men iets doen, en een eerste oplossing hiervoor was het meer uitdiepen van de werkgroepen[919]. Door regelmatig in kleinere groepen een aantal onderwerpen te bespreken, komen persoonlijke ervaringen meer aan bod. Daarenboven werden er voor dit doeleinde soms Dolle Mina activiteiten georganiseerd, zoals op weekend gaan of een fietstocht maken. In Antwerpen gebeurde dit niet; daarvoor heeft de groep niet lang genoeg bestaan. Persoonlijke, directe contacten waren belangrijk voor het hele gebeuren, onder andere voor persoonlijk vertrouwen. Over thema’s discussiëren met elkaar, was immers niet hetzelfde als elkaar leren kennen. Het is natuurlijk wel logisch dat sommigen vriendinnen worden en anderen niet.

 

De werking van Dolle Mina werd gedeeltelijk gefinancierd door subsidies via de Universiteit Gent. Dolle Mina kon rekenen op subsidies van het Politiek Convent, omdat een deel van haar leden verbonden was aan de universiteit. Binnen de universiteit was het immers zo dat een aantal organisaties, die leden hadden onder de studenten, ook een toelage konden krijgen van de universiteit en als een erkende organisatie konden geaccepteerd worden[920]. Dolle Mina was daarom vanaf 1973 vertegenwoordigd op de vergaderingen van het Politiek Convent[921], waarvan een te lange afwezigheid kon leiden tot het intrekken van de subsidie. Het Politiek Convent “is het coördinerend beleidsorgaan van de verenigingen van studenten die werken op politieke of filosofische basis of met zekere maatschappijvisie. Het stelt zich tot doel bij te dragen tot de politieke, filosofische en maatschappelijke ontwikkeling van de studenten door het aanmoedigen en coördineren van de activiteiten van de P.K. kringen. Elke vereniging van studenten die werkt op politieke, filosofische of maatschappelijke basis kan toetreden tot het konvent indien zij bewijzen van één jaar activiteit vertoont. Het P.K. oordeelt in die zin alleen over het al dan niet aktiviteiten hebben en niet over de strekking (...) Elke vereniging dient een begroting in en heeft dan recht op een vastgesteld bedrag ongeacht het aantal leden van de vereniging”[922]. Dolle Mina protesteerde toen in 1974 de subsidies van het Politiek Convent verdeeld zouden worden volgens grootte van de groep, omdat kleine groepen zoals Dolle Mina dan niet meer op subsidies zou kunnen rekenen[923]. Daarnaast waren activiteiten, zoals filmvoorstellingen, toneel of een feest, maar ook de verkoop van brochures, van De Grote Kuis en van stickers, ballonnen, T-shirts, steunkaarten... een kleine bron van inkomsten. Ook werd er van de leden zelf een bijdrage verwacht.

 

 

5. 2. Contacten met en houding ten opzichte van andere organisaties

 

Dolle Mina onderhield ook contacten met andere groeperingen. Hier zal ingegaan worden op de relatie die Dolle Mina had met andere organisaties, om Dolle Mina te plaatsen binnen het labyrint van de ontelbare organisaties van het tweede golf feminisme. Dolle Mina was geen op zichzelf staande beweging. Het geeft bovendien weer welke organisaties er uit Dolle Mina voortgekomen zijn. Het is onmogelijk een exhaustief overzicht te geven; enkel belangrijke of veel voorkomende connecties zullen kort aan bod komen. “The alliances into which feminism has been drawn in its need for support have also had an important influence upon the movement”[924].

Dolle Mina aanvaardde steun en samenwerking op concrete programmapunten van welke groep, organisatie of partij dan ook, zonder zich echter aan een groepering te binden in organisatorisch opzicht. Samenwerking met iedereen op actiepunten waar dat mogelijk was, met behoud van de eigen onafhankelijkheid, was de principiële opstelling van Dolle Mina ten aanzien van samenwerking met anderen[925]. Onderlinge meningsverschillen tussen en binnen de verschillende groepen en bewegingen verhinderen vaak een succesvol optreden. Een bundeling van krachten was echter een dwingende eis als vrouwen een machtspositie willen veroveren[926], of een concrete eis ingewilligd wilden zien. De abortusstrijd is daar een duidelijk voorbeeld van. De vrouwenbeweging werd wel gekenmerkt door een sterke verdeeldheid. Naast abortus was ook seksuele voorkeur een bron van onenigheid. Dolle Mina, die zich niet tot de main stream cultuur richtte, had hier minder problemen mee. Op 2 december 1970 richtte Dolle Mina gezamenlijk een T-dansant in met de werkgroep Homofilie[927]. Dit bleef geen eenmalige gebeurtenis. Jaren later, op 9 januari 1976, werd er nog één georganiseerd met Sappho, een werkgroep van heterofielen en lesbiennes aan de universiteit Gent[928]. Deze meningsverschillen impliceren trouwens niet dat er helemaal geen samenwerking zou geweest zijn tussen de verschillende organisaties. Vooral op het lokale vlak lijkt er dikwijls een intense samenwerking te hebben bestaan, waarbij men bijvoorbeeld de infrastructuur van een vrouwenhuis deelde met een aantal verschillende groepen, die niet noodzakelijk dezelfde ideologische opvattingen hadden[929]. Tussen de verschillende organisaties kon ook informatie uitgewisseld worden. Contacten met andere groeperingen konden zowel officieel als individueel, formeel als informeel zijn. De ene persoon neemt bovendien ook meer stappen om contacten te leggen dan een andere. Zo werd er in 1973 in Brussel gemanifesteerd voor de Portugese ambassade, als onderdeel van de internationale solidariteitsverklaring met de drie Portugese Maria’s. In april 1972 hadden deze drie vrouwen in een gezamenlijk boek de discriminatie van de Portugese vrouw aangeklaagd. Hun boek ‘Nieuwe Portugese Brieven’ werd een bestseller, maar het werd in beslag genomen omdat het een aanslag zou betekenen op de goede zeden. Het zou onder andere pornografische delen bevat hebben. Op de dag dat ze voor de rechtbank moesten verschijnen, werden er protestacties voorzien in verschillende Europese landen. In Brussel manifesteerden ook vertegenwoordigers van Dolle Mina. De drie Maria’s werden uiteindelijk toch vrijgesproken. Dolle Mina Moniek Darge was naar Portugal gegaan om de Maria’s te kunnen ontmoeten, en uiteindelijk heeft ze één ervan in het grootste geheim (ze was ondergedoken) kunnen spreken. Naar aanleiding hiervan werd informatie dan in België verspreid, aanmoedigingen verstuurd en dergelijke. Er werd bijvoorbeeld ook nagegaan welke acties rond vrouwenemancipatie er in Portugal gebeurden en of die ook op eigen bodem gebruikt konden worden. Hieruit volgde dan een artikel over Portugese vrouwen in het verzet in De Grote Kuis. Stappen als deze gebeurden dus vaak op individueel initiatief. Niet iedereen in Dolle Mina deed dit. Anderen legden hun actieterrein elders, bijvoorbeeld het ageren aan fabriekspoorten, terwijl nog anderen amper eigen initiatieven ondernamen[930].

Een algemene houding van Dolle Mina was ook haar gekantheid tegen elke vrouwenbeweging, -vereniging of -partij, die niets wenste te veranderen aan de onderdrukking door het kapitalisme en die slechts oog had voor minieme veranderingen of verbeteringen binnen de maatschappij, doch aan de klassenstructuur niet durfde of wilde raken. Reformistische hervormingen waren voor Dolle Mina niet voldoende. Daarom vond Dolle Mina de oprichting van christelijke actiegroepen geen reden tot juichen[931]. Dolle Mina hield voor ogen dat er zowel linkse als rechtse vrouwengroeperingen bestonden: “Er kan maar één goed feminisme bestaan, het linkse feminisme. Rechtse feministen zijn in feite geen feministen, ze willen de maatschappij niet veranderen. Ze vertegenwoordigen het belangen-feminisme van een bevoorrechte groep”[932]. Dolle Mina beschouwde rechts als de vijand, ook in de gedaante van een vrouw.

 

5.2.1. Dolle Mina Nederland

 

Het kwam al aan bod dat Dolle Mina Vlaanderen en Dolle Mina Nederland niet systematisch contact met elkaar zijn blijven houden. De Vlaamse Dolle Mina’s zijn in bepaalde zaken wel beïnvloed door hun noorderburen, maar hebben toch hun eigen weg gevolgd. Verder dan een vrijblijvend uitwisselen van informatie kwam er niet[933].

 

5.2.2. Dolle Mina- unief

 

Binnen Dolle Mina waren ook studenten actief. Om meer studenten aan te spreken kende Dolle Mina ook een werking naar de universiteit toe, bijvoorbeeld in de vorm van een werkgroep met als doel en actiethema studenten proberen wakker te schudden voor de vrouwenzaak. “Waarom aan de unief? Vele vrouwen zijn zich niet bewust van de dubbele onderdrukking: als mens door de maatschappij, als vrouw door de man. Het is niet omdat je aan de unief studeert dat je daar geen last van hebt: aan de faculteiten zwaaien mannen de plak. Studies van vrouwen worden minder ernstig opgevat (mannen kostwinner). Zelfs mét diploma zullen vrouwen voor kinderen zorgen en thuisblijven. Na de studies komt iedereen terecht in de mannenmaatschappij waartegen je je moet wapenen”[934]. Studenten die zich interesseerden voor vrouwenproblemen konden dus vanaf 1970 terecht bij Dolle Mina[935]. Aangezien Dolle Mina subsidies kreeg van het Politiek Convent, was ze wel erkend als een universitaire beweging, maar oorspronkelijk was Dolle Mina geen afzonderlijke studentenvereniging als zodanig. Eind jaren zeventig/begin jaren tachtig is dit wel geresulteerd in een volwaardige studentenbeweging, die een aparte werking kende. Deels omdat de werking van de facultaire en interfacultaire werkgroepen beheersd werden door debat en strijd rond een bepaalde problematiek, met verwaarlozing van tal van vrouwelijke aspecten[936]. Deze groep probeerde elk jaar op de universiteit meer beweegruimte te creëren voor meisjes. Zo waren er bijvoorbeeld aanklachten tegen professoren die notoir meisjes het hof maakten en lieten doorschemeren dat ze gemakkelijker zouden slagen als ze gewillig waren[937]. Acties werden ondernomen tegen de verhoging van het inschrijvingsgeld, zoals de ‘Actie tegen de 10.000’, rond bezoek en bezoekuren in de studentenhomes, of tegen de numerus clausus. Hierbij werd er onder andere als argument opgeworpen dat er geen objectief toelatingscriterium bestaat. Dolle Mina was van mening dat iedereen zijn of haar kans moest kunnen wagen. Er moest ook een juiste voorlichting gebeuren op middelbare scholen, opdat ieder de richting zou kunnen kiezen die hem of haar paste. Wanneer het aantal studenten steeg, moesten er meer personeel, meer toestellen en lokalen voorzien worden: “er moest niet op studenten gespaard worden, maar op de structuren zelf”[938]. Er werden ook filmavonden georganiseerd over ‘vrouwen’, waarin problemen behandeld werden die inherent zijn aan de vrouwenproblematiek, zoals het huishouden, revolutie, verkrachting en dergelijke. Na de vertoning van de film kon erover gediscussieerd worden. Soms werden er ook praatavonden voor vrouwelijke studenten ingericht. Zo was het in februari 1984 bijvoorbeeld de bedoeling om van daaruit de Dolle Mina-werking rond de sociaal-economische en politieke positie van de vrouw gerichter af te stemmen op wat er concreet onder de studentes leefde[939]. Er werden ook veel vormingsavonden ingericht rond uiteenlopende onderwerpen.

De banden met de universiteit werden steeds losser, en Dolle Mina werd in 1987 aan de RUG vervangen door Viktoria.

 

5.2.3. Marie Mineur

 

Terwijl Dolle Mina Vlaanderen duidelijk geïnspireerd was op wat er in Nederland gebeurde, gaf Vlaanderen op zijn beurt de fakkel door aan Franstalig België. Daar ontstond de groep ‘Marie Mineur’ naar aanleiding van een interview met Chantal De Smet op de RTB-radio. De radio-uitzending waarin ze sprak, werd zowel door huisvrouwen als arbeidsters gevolgd. Toen Jeanne Vercheval uit La Louvière dit interview en het enthousiasme van Chantal De Smet hoorde, belde ze op staande voet naar het programma: “S’il y a des Dolle Mina en Wallonie, j’en suis!”[940]. Beide militanten merkten al snel dat ze op dezelfde golflengte zaten. Chantal ontdekte het verhaal van een arbeidster die Marie Mineur heette. Deze vrouw uit Luik was een “fille de fosse” en werkte in de mijnen. Ze was sterk actief in de strijd voor werktijdverkorting en de afschaffing van kinderarbeid in de mijnen, tijdens de stakingen van de jaren 1870. Ze was één van de grote vrouwelijk figuren uit de arbeidersbeweging in de 19e eeuw. Een naam voor de nieuwe groep was dus gevonden, naar analogie met het verhaal van Wilhelmina Drucker. De voornaam ‘Marie’ was een vrouwelijk symbool, terwijl ‘Mineur’ verwees naar de mijnen maar ook naar de harde werkelijkheid van vrouwen. “Nous avons adopté ce nom parce qu’ il nous distinque des mouvement d’émancipation féminine. En effet notre but vise principalement à toucher les femmes de milieu modeste. Femme travailleuse, épouse et fille de trivialer, notre mouvement se met donc au service des moins favorisés”[941]. In Mons, Charleroi en La Louvière, mijnstreken en kleine industriezones die sterk geraakt werden door de sluiting van de mijnschachten en de economische crisis, werd begonnen met acties voor de bewustmaking van vrouwen door het houden van enquêtes in de fabrieken[942]. Ook Marie Mineur had aandacht voor kinderkribben, de dubbele dagtaak v an de vrouw, gelijk loon, de zaak Peers en abortus en dergelijke. Ze wilden ook vrouwen in de strijd van hun schuldgevoel bevrijden, die onder druk van de vakbonden hun specifieke eisen in verband met gelijk loon, de oprichting van crèches en dergelijke lieten vallen.

Op de eerste vrouwendag in 1972 waren Dolle Mina en Marie Mineur paraat: samen hadden ze ‘Het rode boekje voor de vrouw(en)’ samengesteld, zowel in Nederlandstalige als in Franstalige versie, waar ze op de vrouwendag voor het eerst mee naar buiten kwamen. Het werd het kassucces van de eerste vrouwendag[943]. “Ons rode boekje werd voor alle vrouwen geschreven. Voor jong, minder jong, gehuwden, vrijgezellinnen,... Het zegt, het vertelt wat wij leven, wat we voelen en wat we denken. Het is het leven van de vrouwen. Indien het niet het jouwe is, is het dat van je zuster of je buurvrouw”[944]. Het boekje bevatte in feite een analyse van de onderdrukking en een uitdrukking van een revolte. De beknopte hoofdstukken ontleedden de verschillen tussen rolpatronen, de dubbele werklast van vrouwen, de ongelijkheid in opvoeding, de exploitatie van het huishoudelijk werk. De stereotypes van de vrouw als object werden aangeklaagd, het recht op zelfbeschikking van het eigen lichaam benadrukt, gepaard gaand met de eis voor contraceptie en de liberalisering van abortus. Alle soorten discriminaties werden er in opgesomd[945]. De aanklachten waren vol helderheid en humor geformuleerd.

 

5.2.4. Vrouwenoverlegcomité

 

Wat het VOK precies is, was reeds te lezen in hoofdstuk 1. Volgens Renée van Mechelen heeft geen groep een zwaardere stempel gedrukt op de tweede feministische golf in Vlaanderen dan het VOK. Natuurlijk zijn er de vrouwendagen die het VOK elk jaar op of rond 11 november organiseert, maar het VOK is veel meer dan dat. Het is een broedplaats geweest voor tal van andere feministische initiatieven en een forum voor personen en groepen die op een of andere manier te maken hebben gehad met het feminisme in België[946]. In het VOK zaten dus vrouwen uit verschillende organisaties (partijpolitieke en andere vrouwengroepen), zonder gehinderd te worden door beperkingen die politieke partijen vrouwen kunnen opleggen. Men bracht er verslag uit over acties en andere zaken waar men mee bezig was[947]. Alle vrouwengroepen van Vlaanderen werden er voor een stuk vertegenwoordigd. De bedoeling was om samen dingen te bespreken en die dan in de diverse organisaties te verdedigen of uit te dragen[948]. Ook Dolle Mina was vertegenwoordigd in het VOK. Deze mensen uit de verschillende groepen vertegenwoordigden eigenlijk hun groep niet als zodanig[949]. Het VOK was dus eerder een contactorgaan, maar ook een organisatie die acties kon doen. De groepen waartoe de mensen, die in het VOK zaten, behoorden konden zich hierbij wel aansluiten als groep.

Zo heeft Dolle Mina zich bijvoorbeeld ooit aangesloten bij het VOK voor de pamfletactie rond abortus. De afbeelding van het pamflet werd internationaal gebruikt: op de foto stond een zwangere jongeman, met als onderschrift ‘would you be more careful if it was you that got pregnant?’ De prent werd later, in 1978, ook gebruikt als postkaart ter ondersteuning van het wetsvoorstel Detiège.

Het VOK richtte ook de vrouwendagen in, waar ze haar eigen standpunten verdedigde, maar ook andere groepen werden er op uitgenodigd. Dolle Mina was altijd aanwezig op de vrouwendag, waar ze een eigen informatiestand hield en soms sketches opvoerde. Dit was onder andere belangrijk voor publiciteit. Toen de vrouwendag in 1974 plaatsvond in Gent, in het Casino-Citadelpark, heeft Dolle Mina deze dag mee georganiseerd in samenwerking met andere Gentse vrouwengroepen en het VOK.

Bovendien was Dolle Mina zelf begonnen met het organiseren van ‘mini-vrouwendagen’ (kleinschaliger dan het VOK) op verschillende plaatsen, in samenwerking met allerlei organisaties, zoals jeugdclubs[950]. Daarvoor werd een permanent rondreizende tentoonstelling op touw gezet, met fotomateriaal, diamontages, teksten, boeken en dergelijke. Zo een eerste V-dag ging door in februari 1973 te Rumst, ingericht door de Jongsocialisten[951].

 

5.2.5. PAG

 

Ook een voorstelling van de PAG is reeds in hoofdstuk 1 aan bod gekomen. Het grootste verschil tussen Dolle Mina en PAG had te maken met de maatschappelijke situering van het vrouwenprobleem. PAG kaderde de vrouwenstrijd niet in de strijd voor een socialistische samenleving. De opvattingen van Dolle Mina en PAG verschilden over de extreme doelstellingen, de te gebruiken methodes en de te volgen weg. PAG wilde pragmatisch te werk gaan: duidelijke discriminaties aanklagen en trachten de wereld uit te helpen. Vandaar de nadruk op het pluralisme: dat wil zeggen dat de leden zowel mannen als vrouwen konden zijn, van verschillende ideologische of politieke instellingen. De PAG sprak van de vriendelijke revolutie, de glimlach in plaats van de vuist[952]. Er kan gesteld worden dat Dolle Mina en PAG twee feministische organisaties waren die elkaar aanvulden. De in vraag gestelde toestanden waren dezelfde, maar het verschil in tactische aanpak gaf aanleiding tot het bereiken van een verschillend publiek. Dolle Mina kwam ook enkel voor in de grote steden zoals Gent en Antwerpen, terwijl het werkterrein van PAG vooral in de middelgrote steden lag, zoals Brugge, Roeselare of Mechelen. Dolle Mina choqueerde, dus vond niet overal een voedingsbodem om opgericht te worden. Bovendien zorgde het stijl- en leeftijdsverschil er ook voor dat er weinig communicatie op gang kwam tussen PAG en Dolle Mina ondanks enkele pogingen daartoe: “wij hadden met die vrouwen totaal geen binding (...) Wij zaten nog met onze kop aan de unief en zij dat waren echte madammen, van een dokter of zo. Er was gewoon totaal geen communicatie”[953].

Dolle Mina was eigenlijk gekant tegen PAG omdat deze laatste dus niet stelt dat er een andere, socialistische maatschappij nodig is om een aantal fundamentele zaken te kunnen realiseren. PAG kende een reformistische oriëntatie, wat in de ogen van Dolle Mina niet kon leiden tot een werkelijke emancipatie van de mens. Bovendien vond Dolle Mina dat “pluralistisch” zijn leidde tot immobilisme zodat ze voor een aantal fundamentele stellingen geen standpunt kon innemen. Zo kon PAG om die reden bijvoorbeeld niet deelnemen aan een actie voor abortus. “Dolle Mina gelooft dus absoluut niet in dat pluralisme noch in een werking die de maatschappij niet in vraag stelt”[954].

 

5.2.6. Verenigde Feministische Partij of VFP

 

De VFP had als doel gelijkheid te bekomen tussen vrouwen en mannen, dus wettelijk overal 50% vrouwen vertegenwoordigd te krijgen. De VFP wou vrouwen van alle politieke strekkingen aantrekken. Zo was er op 20 maart 1974 een afvaardiging van de VFP aanwezig op de vergadering van Dolle Mina. Ze hadden de wens samen met Dolle Mina naar punten van overeenkomst te zoeken en daar waar het mogelijk was samen te werken. Er werd dan een informatieve vergadering belegd om de standpunten van beide groepen te bekijken[955]. Zoals aangehaald in hoofdstuk 1 geloofde Dolle Mina echter niet dat het werken binnen de bestaande regering anders kon werken dan systeembevestigend. Als vrouwen wensten te werken in een vrouwenpartij, vond Dolle Mina dit een partij met een veel te beperkte opzet. Er zou immers zeker ook een duidelijk sociaal, economisch, binnenlands, buitenlands, milieu- en dergelijk beleid uitgestippeld worden[956].

Volgens Dolle Mina zat het fundamenteel fout met de stelling van de VFP dat “als je voor alles solidair bent met alle vrouwen, je het hele klassensysteem overhoop gooit op een manier die geen enkele andere beweging ooit deed”. Dolle Mina stelde immers radicaal dat het onmogelijk was solidariteit te bekomen tussen alle vrouwen (het verhaal is reeds bekend: een rijke vrouw zal in essentie niet solidair zijn met een arbeidster, maar zal de kant van haar man kiezen ook al ondervindt ze vormen van onderdrukking als vrouw). Daarom stelde Dolle Mina: “beter een strijdbare man dan een reactionaire vrouw”[957]. Dit was ook de verklaring waarom Dolle Mina tijdens de verkiezingen afstand genomen heeft van de slogan ‘Stem op de partij die je wenst, maar stem vrouw’ en zelf de slogan ‘Stem links, stem op een linkse vrouw’ verspreid heeft.

Voor Dolle Mina had een VFP dus geen zin van bestaan[958].

 

Deze houding was ook van toepassing op de traditionele vrouwengroepen die banden hebben met partijen of rechtstreeks verbonden zijn aan partijen, zoals de SVV (Socialistisch Vooruitziende Vrouwen), SV (Socialistische Vrouwen), KAV (Katholieke Arbeidersvrouwen), CVP-vrouwen, en dergelijke. Werken binnen bestaande burgerlijke partijen vond Dolle Mina ook systeembevestigend. “Dat vrouwen binnen deze partijen eisen overgenomen hebben van ons is voor Dolle Mina geen reden tot juichen; het is een feit dat de fundamentele eisen toch niet kunnen doorgevoerd worden zonder de maatschappij in vraag te stellen”[959]. Dolle Mina kon wel vrouwen steunen die werkten in partijen of vakbonden die beroep deden op de strijd van de onderdrukten. Daar kwam het op aan die vrouwen en mannen aan de basis voldoende bewust te maken dat ze zelf binnen in die partij strijd moesten leveren om tot een andere, betere samenleving te komen[960].

 

5.2.7. Vrouwenhuis

 

In de tweede helft van de jaren zeventig schoten over heel het land vrouwenhuizen als paddestoelen uit de grond. Het klaagfeminisme voorbij, gingen vrouwen zelf de zaken aanpakken. Ze staken ook letterlijk de handen uit de mouwen, wat leidde tot de opgang van de vrouwenhuizen, die meestal uit praatgroepen zijn ontstaan. Praatgroepen kwamen oorspronkelijk bijeen bij iemand thuis, maar al vlug groeide er de behoefte aan een vaste ruimte, waar meer kon gebeuren dan praten: een vast onthaal organiseren om nieuwe vrouwen over de vloer te krijgen, een ontmoetingsruimte en een eigen café te hebben[961]. De vrouwenhuizen boden ook ruimte voor specifieke groepen. Dit wil zeggen, het vrouwenhuis stond open voor alle individuen, maar niet voor groepen om te voorkomen dat een rechtse putsch kon uitgevoerd worden[962]. Deze groepen konden daarentegen wel een actie doen in het vrouwenhuis. Uit de vrouwenhuizen zijn later de vluchthuizen gegroeid. Voor deze bestonden konden mishandelde vrouwen ook met hun problemen terecht in het vrouwenhuis.

Rond 1975 is het vrouwenhuis in Gent ontstaan. Het vrouwenhuis en Dolle Mina hadden veel contact met elkaar. Sommige Dolle Mina’s waren ook actief in het vrouwenhuis: “Een aantal mensen van DM werkten in een vrouwenhuis, of zijn er definitief naar overgestapt, omdat ze liever in de praktijk met vrouwen werkten. Dat was een andere manier van werken: minder theoretisch”[963]. Voor sommigen zijn de twee organisaties zelfs moeilijk van elkaar te scheiden: “Je kan eigenlijk niet spreken van de vrouwen van DM en de vrouwen van het vrouwenhuis. We gingen naar de twee, we hadden contacten… eigenlijk zag je minstens een of twee keer in de week vrouwen in het vrouwenhuis die zich eigenlijk meer als DM profileerden, en zag je minstens eenmaal in de maand vrouwen uit het vrouwenhuis die naar een DM vergadering gingen. Voor mij is dat zeer sterk verbonden. Maar niet voor iedereen”[964]. Vrouwen uit beide groepen konden deelnemen aan elkaars activiteiten. Zo deed het vrouwenhuis aan praktisch werk en richtte het geregeld cursussen in rond vaardigheden, zoals het plaatsen van elektriciteit. Dit was bijvoorbeeld nuttig voor vrouwen die plots alleenstaand werden. Dolle Mina’s konden daaraan deelnemen, en gaf bekendheid aan activiteiten van het vrouwenhuis door ze te vermelden in De Grote Kuis. Soms verzorgde Dolle Mina thema-avonden die in het vrouwenhuis georganiseerd werden. Discussieavonden, vormingscycli en dergelijke die van Dolle Mina uitgingen, konden op hun beurt plaatsvinden in het vrouwenhuis.

Voor bepaalde thema’s werkten deze twee groepen ook samen, in de vorm van discussieavonden of door samenwerking rond acties. Enkele thema’s waren werkloosheid en werktijdverkorting, maar zeker ook verkrachting en dagelijks geweld. Zo zochten ze bijvoorbeeld contact met vrouwen op de zondagsmarkt van Ledeberg via een pamflet rond dit onderwerp[965]. Een andere actie had dan weer als doel mannen duidelijk te maken ‘dat vrouwen het niet meer nemen lastig gevallen te worden’[966]. Rond items als verkrachting en geweld gaf Dolle Mina ook steeds het adres van het vrouwenhuis door.

In 1978 werd het vrouwenhuis verkocht, dus moest er een nieuw adres gevonden worden. Ook Dolle Mina vond het heel belangrijk dat het vrouwenhuis kon blijven bestaan. Daarom zette ook Dolle Mina zich in om een nieuw pand te vinden, of om druk uit te oefenen op de stad Gent om een nieuw huis ter beschikking te stellen. Er werd steun gevraagd aan de stad, omdat de politie en sociale instellingen immers ook vrouwen met problemen naar het vrouwenhuis doorstuurden[967]. Het antwoord was echter negatief, dus werd er actie gevoerd door middel van petitielijsten, telefoonacties, ballonverkoop, steunkaarten en een autokaravaan[968]. Dolle Mina wilde zelfs proberen de gemoederen warm te maken voor een eventuele bezetting van een huis van de stad. Het vrouwenhuis vond toch een nieuwe locatie. Het was belangrijk op kritieke momenten te kunnen terugvallen op vele vrouwen die het voortbestaan van het vrouwenhuis van groot belang vonden. Daarom vroeg het vrouwenhuis ook een schriftelijke solidariteitsbetuiging (belangrijk voor het verkrijgen van subsidies). Ook op die manier steunden organisaties elkaar: “Dolle Mina was een feministische aanwezigheid die belangrijk was ter ondersteuning van het vrouwenhuis en vluchthuis, die in de praktijk werkten”[969].

 

5.2.8. Abortuscomités

 

In het vorige hoofdstuk is de betrokkenheid van Dolle Mina bij de abortuszaak wel duidelijk geworden. Eerst deden ze zelf acties rond abortus, later steunde Dolle Mina de abortuscomités en namen ze deel aan collectieve acties. Het abortuscomité van Gent kwam samen in de kelder van de Willem Tellstraat, het lokaal van Dolle Mina. Een aantal mensen van Dolle Mina waren ook actief in het abortuscomité; Greta Craeymeersch zegt dat Dolle Mina het abortuscomité altijd voor een groot deel ‘gevoed’ heeft[970]. “Mensen die in DM zaten, zaten met anderen in het abortuscollectief. Die hielden zich heel speciaal bezig met de strijd voor het recht op abortus. Dat kon op verschillende manieren gebeuren: betogingen, acties, folders…. Maar die zijn ook begonnen met het echt helpen van vrouwen die een abortus wilden”[971]. De abortuscomités begonnen met het uitbouwen van abortuscentra, waar vrouwen direct geholpen konden worden ofwel doorverwezen werden naar het buitenland (en dan wel begeleid werden). Dolle Mina Greta Craeymeersch is iemand die hier pionierswerk heeft verricht. De abortuscomités wisten zich gesteund door de vrouwenbeweging, die betogingen organiseerden en acties voor het stopzetten van vervolgingen[972]. Dolle Mina is dus mede zeer belangrijk geweest voor de ondersteuning van de abortusbeweging.

 

5.2.9. Linkse Vrouwengroep

 

In juli 1975 ontstond naast Dolle Mina de Linkse Vrouwengroep-Gent. Na een discussieavond in mei 1975 over vrouwenemancipatie besloten verschillende groeperingen, waaronder Dolle Mina, RAL, Rood Gent en het vrouwenhuis, en personen een breder front te vormen om gezamenlijk actie te voeren voor de bevrijding van de vrouw, tegen onderdrukking en voor een andere maatschappij[973]. Het uitgangspunt was het voeren van acties rond thema’s die rechtstreeks verwezen naar de plaats en de situatie van de vrouw in de samenleving. De strijd voor de bevrijding van de vrouw werd ook hier, zoals het een linkse groepering betaamt, verbonden aan de strijd voor een socialistische samenleving: “Geen feminisme zonder socialisme, geen socialisme zonder feminisme”[974]. Er werd gemeend dat langs de seksuele problematiek de vrouwen bewuster konden gemaakt worden van hun onderdrukte situatie. Het streven naar vrije abortus werd gekozen als eerste actiepunt, omdat dit erg concreet en dringend was. De regeling van vruchtbaarheid werd namelijk bepaald door de heersende patriarchale mentaliteit. Er werd gesteld dat ‘abortus moet als een wettelijke medische ingreep erkend worden, moet verkrijgbaar zijn op verzoek van de vrouw en moet terugbetaald worden door het ziekenfonds’[975]. Tegelijk werd er gestreefd naar betere informatie over en verspreiding van voorbehoedsmiddelen. De opvattingen van de Linkse Vrouwengroep over abortus liepen noodzakelijk gelijk met die van Dolle Mina (aangezien Dolle Mina deel uitmaakte van deze beweging en niet akkoord kan gaan met standpunten die ze niet steunden). De Linkse Vrouwengroep voerde acties om het probleem onder de aandacht te brengen, door enkele plak- en spuitacties in het Gentse met de slogan ‘Abortus Vrij’. Ook door het vertonen van een kortfilm ‘Abortus doe je niet zomaar’, waarin de ingreep zelf getoond werd en vrouwen vertelden hoe ze tot hun beslissing gekomen waren. Er werden ook sketches opgevoerd die het probleem ‘ongewenste zwangerschap’ aan de orde stelden. Men wilde meer concrete hulp verlenen door het verspreiden van pamfletten in verschillende wijken met praktische informatie over abortus, en door het samenstellen van een abortusbrochure. In maart 1976 werd er een benefietavond georganiseerd om meer bekendheid te geven aan het bestaan en de acties van de Linkse Vrouwengroep en om mensen naar de groep te krijgen. Het contactadres van deze groep was ook het Dolle Mina adres.

De groep heeft dus een aantal belangrijke acties rond de legalisering van abortus gevoerd, maar bleek in haar werkzaamheden die van Dolle Mina te overlappen. Na een discussie in juli 1976 werd besloten om de Linkse Vrouwengroep op te heffen. Een aantal vrouwen van deze groep sloot zich bij Dolle Mina aan. Deze fusie had een belangrijke consequentie voor Dolle Mina, namelijk dat er in de Dolle Mina kelder geen plaats was voor mannen. Binnen Dolle Mina waren er al een hele poos geen mannen meer aanwezig op de algemene vergadering. De Linkse Vrouwengroep was wel gemengd geweest en de dominantie van mannen werd er als zeer hinderlijk ervaren[976].

 

5.2.10. Vrouwen Tegen Verkrachting

 

In maart 1976 vond het Internationaal Tribunaal over Misdaden tegen de Vrouw plaats. Onder ‘misdaad’ werden alle vormen van vrouwenonderdrukking verstaan: zowel moord en verkrachting als de uitbuiting van vrouwen op het werk en thuis en de onvrije beschikking over anticonceptie en abortus. Op het Tribunaal werden getuigenissen van misbruikte gehoord. Verkrachting werd een belangrijk thema voor de vrouwenbeweging. Uit het Tribunaal groeiden twee soorten vrouwengroepen: de vluchthuizen aan de ene kant en de Vrouwen tegen Verkrachting aan de andere kant[977].

In Gent werd de groep Vrouwen tegen Verkrachting opgericht in 1978 op initiatief van Moniek Darge, die actief was in Dolle Mina. Deze groep ontstond feitelijk vanuit Dolle Mina; het was een scheurgroep: “We hebben binnen Dolle Mina lange tijd een werkgroep gehad rond verkrachting. Omdat we ons meer daarop wilden fixeren, zijn we afzonderlijk gaan werken[978]. Met abortus is het net zo gegaan: na verloop van tijd ontstonden er abortuscomités omdat er nog meer actie gedaan moest kunnen worden. “Je kan dat zien als een boom met takken, wat allemaal DM was, maar na een tijd hebben die takken gelost en zijn die als afzonderlijke groepen gaan werken. Er kruipt enorm veel tijd in als je wil actief zijn, dus je kan niet op alle fronten gelijk actief zijn. Meer en meer splitsten wij ons op”[979]. Een aantal vrouwen uit Dolle Mina zijn mee gaan werken in Vrouwen tegen Verkrachting. Moniek Darge schreef in 1982 een boek over Vrouwen tegen Verkrachting, waarin uitgelegd wordt hoe alles gegaan is, vanuit haar eigen ervaring. Lijf tegen Lijf is geschreven in dagboekvorm[980]. Het boek maakte nogal wat ophef: het geeft informatie over over verkrachting en vertelt hoe vrouwen verkrachting ervaren. Maar vooral geeft het een persoonlijk beeld over de op- en afgang van een feministische groep: interne discussies, verwachtingen en discussies worden publiek gemaakt. Gevolg van de strategietwisten waren slecht werkende groepen, weinig bekendheid en weinig opvangaanvragen, en een uiteindelijk opheffen van de groep[981].

Vrouwenmishandeling en verkrachting waren geen nieuwe problemen. Nieuw was dat ze openlijk besproken werden en dit had grotendeels te maken met de evolutie van het feminisme. De idee van ‘zelfbeschikking’ is mettertijd belangrijker geworden en letterlijk opgevat. Het had geen zin over emancipatie te praten als men nog niet over het eigen lichaam kon beschikken, als men bang moest zijn voor aanranding[982]. Daarom werden zelfverdedigingcursussen belangrijk binnen het feminisme. Zoals de abortusdiscussie eerder uit de sfeer van de clandestiniteit gehaald werd, gebeurde dit nu met onderwerpen als mishandeling en verkrachting.

De ervaring dat verkrachte vrouwen nergens opvang vonden omdat de vooroordelen rond verkrachting (‘je zal het zelf wel uitgelokt hebben’) zowel bij kennissen als bij de overheid (voornamelijk de politie) nog welig tierden, deed in Gent de idee groeien de groep Vrouwen tegen Verkrachting op te richten. Het startpunt van de groep situeerde zich in oktober 1978, door een samenwerkingsverband tussen Dolle Mina’s en het Centrum voor Seksuele Voorlichting: “ik [Moniek Darge] heb een aantal vrouwen aangesproken en met de meest radicale een groepje gevormd. Zij die tijd hebben en bereid zijn een woedend gevecht te leveren”[983]. Het ging erom een stuk angst om te zetten in woede en strijdbaarheid[984]. Er werd gezocht naar een beginpunt, een merkteken. Iets dat de buitenwereld duidelijk zou maken dat ze vastberaden waren de strijd aan te binden. Dit kreeg vorm in een fakkeltocht, naar buitenlands voorbeeld, met een grote spandoek ‘wij vrouwen eisen de straat op’ (cf Groot-Brittannië, waar ook een ‘reclaim the night’ fakkeltocht plaatsvond). Het was immers niet veilig voor vrouwen om ’s nachts alleen de straat op te gaan. Bij Dolle Mina en het CSV juichte iedereen het iedereen het idee geestdriftig toe. Er werd weinig ruchtbaarheid aan gegeven, enkel de pers was gewaarschuwd en daar bleef het bij. Het bericht had zich echter als een lopend vuurtje verspreid. Op 11 oktober was de kelder van Dolle Mina, waar de persconferentie die de tocht voorafging plaatsvond, te klein om iedereen binnen te laten. Er waren zeker honderd vrouwen, terwijl men slechts op een twintigtal vrouwen durven hopen had. Het onderwerp lag velen blijkbaar nauw aan het hart: “Het is dus niet alleen het probleem van een paar vrouwen. Het is een probleem van ons, dat is doodgezwegen, dat steeds verdrukt is”[985].

Dolle Mina hielp mee met de bekendmaking van de groep, het uitdelen van pamfletten om de actie te verduidelijken, en maakte stickers met telefoonnummers waar men terecht kon als men aangerand werd. Dit verscheen ook in de kranten. Dolle Mina bleef ook haar functie behouden als referentiekader en als versterking van de nieuwe beweging[986].

Oorspronkelijk was de opzet van Vrouwen tegen Verkrachting drievoudig: 1) de groep deed aan hulpverlening. De vrouw kon haar verhaal vertellen, zonder dat er op enige wijze gesuggereerd werd dat ze het zelf had uitgelokt, dat het een ‘verdiende loon’ was omdat ze zo opzichtig gekleed liep of liftte, ... De vrouw werd ook aangeraden alles bij de politie aan te geven, omdat een man die één vrouw verkracht heeft, het opnieuw doet. Dit werd gezien als een stukje verantwoordelijkheid opnemen, opdat andere vrouwen niet weer hetzelfde zouden moeten meemaken. Indien dit gewenst was, ging iemand van Vrouwen tegen Verkrachting mee naar de dokter en de politie. 2) Het was ook de bedoeling niet enkel ‘pleisters te plakken’ als het kwaad al is geschied, maar ook door preventieve acties een mentaliteitsverandering teweeg te brengen, bijvoorbeeld rond processen of seksfilms. Men ging soms ook de straat afschuimen en wachten tot iemand lastig werd gevallen. 3) Het feit op zich dat een groep Vrouwen tegen Verkrachting bestond, toonde aan dat vrouwen verkrachting niet hoefden te nemen en dat er iets aan kon en zou gedaan worden: “een teken dat verkrachting effectief bestaat, dat wij vrouwen het niet zelf uitlokken, dat we er genoég van hebben, dat ‘als een vrouw nee zegt, nee bedoeld wordt”[987].

De organisatie verzette zich ook tegen het stereotype beeld van de ‘minirok en de psychopaat’. Volgens deze mythe zouden uitdagend geklede vrouwen verkrachting uitlokken. De verkrachters worden daarbij voorgesteld als vieze, psychopathische, ongehuwde mannetjes. Vrouwen tegen Verkrachting verzette zich tegen dit maatschappelijk aanvaarde beeld en beschouwde verkrachting in de eerste plaats als een geweldmisdrijf, ‘waar de ene de andere onderdrukt en weigert het gelijkheidsprincipe te aanvaarden’[988].

 

Al snel groeiden ook in andere steden Vrouwen tegen Verkrachting-kernen. Ook bij hen was het de bedoeling begeleiding en actie hand in hand te laten gaan. Het liep echter niet goed met de groepen. In 1982 en 1983 draaiden zij op een erg laag pitje of bloedden dood. Dit laatste was in Gent het geval.

Vrouwen tegen Verkrachting in Gent is ten onder gegaan aan de discussie rond pornografie. Oorspronkelijk was de hele groep gekant tegen pornografie, en wilde men daar acties tegen voeren. Een deel van hen vond echter dat er eerst gekeken moest worden naar datgene waar ze tegen waren. Vele tegenstanders van porno hebben nooit porno bekeken en zaten met stapels vooroordelen die met materiaal weerlegd konden worden. “We gingen dus naar seksbioscopen, kochten pornoblaadjes en zijn dat beginnen bestuderen. Dat was eigenlijk zodanig onschuldig dat ik daar met de beste wil van de wereld niet tegen kon zijn. Die pornofilms zijn eigenlijk zielig tot en met, wij lagen daar altijd te gieren van het lachen. Het was hilarisch. Tegen wat ga je dan protesteren?”[989]. Er ontstonden toen twee kampen binnen de groep: het ene was ervan overtuigd dat men tegen elke vorm van pornografie moest gekant zijn, omdat porno de oorzaak van verkrachting zou zijn. ‘Porno is de theorie en verkrachting de praktijk’, was een veelgehoorde slogan. Anti-porno acties, zoals het ingooien van de ruiten van een seksbioscoop, of het vormen van een menselijke haag om iedereen te verhinderen naar binnen te gaan bleven niet uit. De eis voor censuur klonk luid. Het tweede kamp was daar integendeel helemaal niet van overtuigd en vond porno eerder een uitlaatklep. Als het verboden zou worden, zou er nog veel meer agressiviteit uitgelokt worden[990]. Porno is fantasie en geen werkelijkheid. Die fantasie is geen vernedering voor de vrouw, doet niet fysiek pijn en is geen uiting van vrouwenhaat[991]. Deze twee strekkingen konden na verloop van tijd niet meer met elkaar overweg, en de discussie had ook weerslag op de manier hoe men vrouwen wilde opvangen. Er kwam dan zo veel discussie, dat er steeds minder vrouwen naar de vergaderingen kwamen, zodat Vrouwen tegen Verkrachting uiteindelijk, tweeënhalf jaar na de oprichting, gestopt is. Het eindeloos gevit en het wantrouwen tegenover elkaar maakten de avonden zinloos. Uiteindelijk is de beweging doodgebloed omdat men met te weinig was: “Als je nog met drie, vier vrouwen bent kun je niet meer verder werken, want het was echt veel werk. Als er een vrouw bij u terecht wil, moet je ook zorgen dat je ze goed opvangt. Met te weinig kun je daar niet meer voor instaan”[992].

In Gent kwamen in december 1983 vrouwen samen die het roer van Moniek Darge overnamen, waarna een nieuwe Vrouwen tegen Verkrachting-kern ontstond. Ook in andere steden kregen de groepen een nieuwe impuls. In 1985 veranderde de naam van de beweging in Gent in ‘Tegen haar Wil’[993].

 

De discussie over pornografie bleef niet beperkt tot Vrouwen tegen Verkrachting. Het was een onderwerp waar internationaal veel over gedebatteerd werd binnen bewegingen van het feminisme van de tweede golf. De ideeën van Dolle Mina over pornografie werden ingekaderd in hun ideeën over maatschappijverandering en de bevrijding van de vrouw. Dolle Mina ijverde voor een andere houding tegenover seksualiteit: het moest uit de taboesfeer gehaald worden in de opvoeding. Seksuele prikkelingen moesten als normaal gezien worden, zowel door porno als door iets anders op voorwaarde dat er niet ingespeeld werd op de onderdrukking van de vrouw of op taboes. Dolle Mina was tegen censuur. Men betreurde ook de verkeerde vorm van censuur, want het waren goede boekjes over seksuele voorlichting die gecensureerd werden als zijnde pornografisch. De Dolle Mina’s pleitten voor een ruimer seksueel voorlichtingsbeleid. Porno moest bovendien een persoonlijke zaak zijn, daarom wou Dolle Mina geen verbod op porno in de wetgeving, maar enkel op voorwaarde dat er geen commerciële uitbuiting mee gebeurde[994].

Binnen Dolle Mina kwam het onderwerp verkrachting ook aan bod. Er is reeds melding gemaakt van de actie die Dolle Mina samen met het vrouwenhuis hier rond deed. De oorzaak lag volgens Dolle Mina bij de manier waarop vrouwen en mannen in de maatschappij met elkaar omgingen: “het wordt ons reeds van jongsaf aangeleerd. Jongens leren leiding geven, initiatief nemen. Meisjes leren ondergaan, verdragen. Wij vinden dat het moet gedaan zijn, dat vrouwen niet langer tot seks mogen gedwongen worden. Wij vinden dat een vrouw, evenals een man, het recht moet hebben zelf te beslissen over haar gedragingen”[995]. Enkele jaren later was de opinie van Dolle Mina rond porno toch veranderd. Dan werd er gesteld dat men als feministe nooit pro porno mocht zijn, omdat de vrouw als object werd gezien en het alle vooroordelen over vrouwen in de hand werkte, bijvoorbeeld het feit dat een vrouw ‘ja’ zou bedoelen wanneer ze ‘neen’ zegt[996].

Zoals gezegd werden zelfverdedigingcursussen belangrijk binnen het feminisme, toen de nadruk op zelfbeschikking kwam te liggen. In 1975 werd er in Brussel zelfs een feministische zelfverdediging opgericht. Ook Dolle Mina richtte zelfverdediginglessen in vanaf 1976, in samenwerking met het vrouwenhuis, gericht tegen geweld en verkrachting. Dolle Mina riep vrouwen op om zich beter te leren verdedigen tegen agressiviteit. Deze agressiviteit liet zich trouwens even goed voelen op psychologisch vlak als op lichamelijk vlak. Het waren overigens niet alleen vrouwen die ’s avonds zonder begeleider uitgingen die kans liepen om aangevallen te worden. Vrouwen moesten in vele gevallen ook geweldplegingen van hun partner ondergaan. Enkel een efficiënte zelfverdediging zou de vrijheid van beweging kunnen vrijwaren. Dolle Mina vond het jammer dat het twee mannen waren die als lesgever fungeerden, maar de oefeningen zouden dan toegepast kunnen worden omdat ze als aanrander zouden optreden. Maar omdat zelfverdediging voor sommige vrouwen iets was dat ze wilden inkaderen in de ganse strijd voor vrouwenbevrijding, wilde Dolle Mina toch een vrouwelijke lesgeefster die daardoor ook andere vrouwen steunde in hun strijd[997]. Dolle Mina kon echter geen vrouwelijke instructrice vinden, dus voor het tweede jaar dat ze de cursus zelfverdediging gaf, zocht ze contact met een zelfverdedigingsgroep in het buitenland met de vraag of die iemand naar België kon sturen om leerkrachten op te leiden. Het werd namelijk onmogelijk bevonden nog langer met een man samen te werken, omdat problemen zoals verkrachting en geweld niet met een man bespreekbaar waren[998].

 

5.2.11. Links en Feministisch collectief

 

Of kortweg LeF, ontstaan in 1977. Dit was een studiecollectief en geen actiegroep. Het had de bedoeling discussiemateriaal te bieden in de vorm van geregeld verschijnende themanummers. LeF ontstond als discussiegroep en denktank op initiatief van Chantal De Smet. Heel gauw ging echter alle energie en tijd naar het klaarstomen van de cahiers zelf[999]. Naargelang het onderwerp werden vrouwen en soms ook mannen van buitenaf door het collectief aangetrokken om aan een specifiek nummer mee te werken. Het eerste nummer werd gelanceerd in het najaar van 1977 en pakte de kwestie thuisblijvende vrouw versus beroepsactieve vrouw aan. Volgende nummers waren van wisselend niveau en handelden over kinderopvang, vrouwenarbeid, relaties, psychiatrie, kunst en lesbische liefde[1000]. Het laatste cahier verscheen in 1981.

LeF vertrok vanuit een marxistische ideologie en wetenschappelijke basis.

LeF was een vereniging van vrouwen, reeds actief in groepen, partijen en vakbonden, die door hun vorming de mogelijkheid hadden om onderzoekswerk te doen. De meeste leden waren ook actief (geweest) in andere organisaties. Chantal De Smet en Roos Proesmans waren beiden Dolle Mina’s geweest, maar er waren onder andere ook medewerksters van het VOK actief. Netwerken die gecreëerd werden in het begin van de tweede feministische golf bleken weer rekruteringsnetwerken voor latere organisaties te zijn[1001].

 

5.2.12. Vrouwen tegen de Crisis

 

In de vroege jaren tachtig was de Fem-Soc Coördinatie (waarbij Dolle Mina aangesloten was, maar daarover meer in het volgende hoofdstuk) een van de gangmakers van de coördinatie ‘Vrouwen tegen de Crisis’. Op 8 maart 1980 organiseerde de Fem-Soc de Linkse Vrouwen Konferentie’. Hierop werden alle vrouwengroepen uitgenodigd die zowel de vrouwenstrijd als de klassenstrijd in het vaandel droegen. Mogelijkheden voor samenwerking rond concrete punten werd nagegaan. Het was de bedoeling een bredere basis te leggen voor samenwerking rond de vrouweneisen. Wat hierin duidelijk centraal stond, was de crisis en de maatregelen die vooral de vrouwen troffen[1002]. Uit deze conferentie groeide de Linkse Vrouweneenheid, dat later tot het front ‘Vrouwen tegen de Crisis’ werd omgedoopt[1003]. De naam was niet meer zo ludiek, maar realistisch. Vrouwen waren immers altijd de eerste en zwaarste slachtoffers van de crisis. Deze groepering wilde protesteren tegen besparingen in de sociale zekerheid die vooral vrouwen troffen. Maatregelen om de vrouw terug naar haar haard te sturen staken opnieuw de kop op. De crisis en de werkloosheid lieten zich immers terug scherper gevoelen en ging naar een nieuw dieptepunt. Recht op arbeid en op economische onafhankelijkheid was vanzelfsprekend een prioriteit voor ‘Vrouwen tegen de Crisis’. In de jaren 1981-1985 werd er massaal betoogd. Dit thema tekende ook de vrouwendagen van die jaren.

“Vrouwen tegen de Crisis is ruimer dan de Fem-Soc, maar ik denk dat de idee vanuit de Fem-Soc is gekomen en dat andere vrouwengroepen, vrouwenhuizen enz. daar bij aangesloten zijn. Als Dolle Mina hebben wij ook meegewerkt aan die betogingen van Vrouwen tegen de Crisis”[1004]. Men hoopte door massale betogingen het beleid van de eerste regering Martens te kunnen beïnvloeden. De eerste grote betoging van ‘Vrouwen tegen de Crisis’ vond plaats op 7 maart 1981 en haalde 7.000 deelnemers[1005]. De Fem-Soc groepen lagen aan de basis hiervan[1006]. De eisenplatformen werden ondertekend door diverse geledingen van het ABVV, door de KP, RAL en Fem-Soc. De SP kwam niet voor op de lijst van ondertekenaars.

 

Eisen[1007]

 

1) neen aan de werkloosheid, neen aan de aanvallen op de werkloze vrouw

2) voor een radicale werktijdverkorting met behoud van loon en met evenredige aanwervingen, neen aan de uitbreiding van parttime

3) geen verborgen huisvrouwenloon, noch onder de vorm van SPT, onder de vorm van splitting, noch door enige andere vorm

4) gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de sociale zekerheid

5) toepassing van de wet op de gelijke behandeling van vrouwen en mannen in het arbeidsproces en van CAO 25 (gelijk loon voor gelijkwaardig werk)

6) geen besparingen in collectieve voorzieningen, goede en goedkope kinderkribben, bereikbaar voor iedereen

7) abortus uit het strafrecht, de vrouw beslist, abortus aan terugbetalingstarieven

 

In de eerste betoging werd de eis ‘abortus uit het strafrecht’ nog meegedragen, wat met zich meebracht dat het ACV niet deelnam aan de betoging. Om katholieke vrouwenorganisaties de mogelijkheid te bieden mee te lopen in de betoging tegen de vrouwonvriendelijke crisismaatregelen een jaar later, werd dit punt uit het platform weggelaten[1008]. Christelijke en socialistische vrouwen, en ook mannen, stapten samen met de autonome vrouwenbewegingen op voor het recht op arbeid, het behoud van koopkracht en economische onafhankelijkheid. Eisen die de Dolle Mina’s al eerder de straat hadden opgedreven. Elk jaar werd er rond 8 maart een nieuwe betoging georganiseerd, tot 1985. Toen werd er geen betoging meer georganiseerd, vanwege de moeilijkheid voldoende vrouwen te mobiliseren, omdat de eisen toch niet werden ingewilligd. In plaats daarvan kwam een Vrouwen tegen de Crisis-discussiedag.

De eerste betoging van Vrouwen tegen de Crisis werd door Dolle Mina Gent aangekondigd door op 31 januari 1981 een prikactie te doen aan een grootwarenhuis in de Veldstraat. Ze hadden winkelwagentjes van de GB meegenomen, en die versierd met preien, margarine en dergelijke, en ook met ludieke teksten. ‘Wij hebben niets in de pap te brokken. Wij geven onze pijp aan Martens’ was een van de slogans. Daarmee hielden ze dan een tocht door de Veldstraat. Met deze actie wilden ze de vermindering van de koopkracht demonstreren[1009].

 

Dolle Mina vond het heel belangrijk dat het contact tussen al de groepen die werkten naar een zelfde toekomst voor de bevrijding van de vrouw, gerealiseerd werd en kon uitgroeien naar gezamenlijke actie.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[870] BANKS, O., op.cit, p. 245.

[871] HOOGHE, M., ‘De organisatiestructuur...’, p. 151.

[872] SOMERS, S., ‘Roos Proesmans tegen wil en dank op de barricades, in: De Morgen, 14 augustus 2002.

[873] Voorstel tot minimum programma, RoSa, organisatiemap Dolle Mina 1970, ongeïnventariseerd.

[874] Interview Ida Dequeecker, 18 november 2002.

[875] Voorstel voor organisatievorm van Dolle Mina, RoSa, organisatiemap Dolle Mina 1970, ongeïnventariseerd.

[876] De Grote Kuis, 1973, 1 (4), p. 3.

[877] BOUCHIER, D., op.cit., p. 130.

[878] Voorstel tot minimum programma, RoSa, organisatiemap Dolle Mina 1970, ongeïnventariseerd.

[879] Interview Ida Dequeecker door Wendy Wageman, 10 april 2002, privé-archief interviewer.

[880] HOOGHE, M., ‘Het ondergrondse feminisme...’, p. 22-23.

[881] DECOCK, A-M., op.cit, p. 95.

[882] De Grote Kuis, 1973, 1 (1), p. 1.

[883] HOOGHE, M., ‘Het ondergrondse feminisme...’, p. 23.

[884] VAN MECHELEN, R., ‘De meerderheid...’, p. 143.

[885] Interview Ida Dequeecker door Wendy Wageman, 10 april 2002, privé-archief interviewer.

[886] Interview Els Van Loon, 9 december 2002.

[887] SOMERS, S., ‘Roos Proesmans tegen wil en dank op de barricades, in: De Morgen, 14 augustus 2002.

[888] Interview Josiane Rimbaut, 20 januari 2003.

[889] Interview Marina Hoornaert, 14 januari 2003.

[890] Interview Moniek Darge, 30 december 2002.

[891] Interview Els Van Loon, 9 december 2002.

[892] Interview Chantal De Smet, 12 november 2002.

[893] De Grote Kuis, 1973, 1 (4), p. 3.

[894] Interview Ida Dequeecker, 18 november 2002.

[895] KRUITHOF, C., op.cit., p. 258.

[896] Interview Els Van Loon, 9 december 2002.

[897] Voorstel reorganisatie Dolle Mina, RoSa, archief Chantal De Smet, ongeïnventariseerd.

[898] Interview Josiane Rimbaut, 20 januari 2003.

[899] Dringend bericht, privé-archief Moniek Darge.

[900] De Grote Kuis, 1973, 1 (4), p. 3.

[901] Ongetiteld, privé-archief Moniek Darge.

[902] Brief Chantal De Smet, RoSa, Archief Chantal De Smet, ongeïnventariseerd.

[903] Voorstel reorganisatie Dolle Mina, RoSa, archief Chantal De Smet, ongeïnventariseerd.

[904] ibid., p. 3.

[905] Schoppenvrouw, 1978, 1 (1), p. 5.

[906] Interview Chantal De Smet, 12 november 2002.

[907] De Grote Kuis, 1973, 1 (4), p. 3.

[908] Nogmaals reorganisatievoorstel voor Dolle Mina, RoSa, Archief Chantal De Smet, ongeïnventariseerd.

[909] Aankondiging, Archief RUG, Dolle Mina 1974-1975, ongeïnventariseerd.

[910] DEGROOTE, A., op.cit., p. 88.

[911] De Grote Kuis, 1976, 3 (3), p. 31.

[912] Verslag vergadering Dolle Mina 14 april 1979, AMSAB, Archief Godelieve Van Geertruyen, ongeïnventariseerd.

[913] De Grote Kuis, 1973, 1 (2), p. 8.

[914] Huidige werking van Dolle Mina en problemen daarrond 1979-1980, AMSAB, Archief Godelieve Van Geertruyen, ongeïnventariseerd.

[915] Verslag vergadering Dolle Mina 27 september 1978, AMSAB, Archief Godelieve Van Geertruyen, ongeïnventariseerd.

[916] Huidige werking van Dolle Mina en problemen daarrond 1979-1980, op.cit.

[917] Brief Chantal De Smet, Privé-archief Moniek Darge.

[918] ibid.

[919] De Grote Kuis, 1974, 1 (4), p. 4.

[920] Interview Godelieve Van Geertruyen, 8 januari 2003.

[921] Verslag vergadering Politiek Convent 10 mei 1973, Archief RUG, Politiek Convent, ongeïnventariseerd.

[922] Statuten van het Politiek en Filosofisch Konvent 1974, Archief RUG, Politiek Convent, ongeïnventariseerd.

[923] Verslag vergadering Dolle Mina 11 december 1974, privé-archief Moniek Darge.

[924] BANKS, O., op.cit., p. 248.

[925] Voorstel voor organisatievorm van Dolle Mina, RoSa, organisatiemap Dolle Mina 1970, ongeïnventariseerd.

[926] DELANOTE, A-M., op.cit., p. 139.

[927] De Grote Kuis, 1974, 2 (3), p. 8.

[928] Pamflet ‘T-dansant met Sappho’, privé-archief Moniek Darge.

[929] HOOGHE, M., ‘De organisatiestructuur...’, p. 153.

[930] Interview Moniek Darge, 30 december 2002.

[931] DARGE, M., ‘Linkse en rechtse vrouwenbewegingen’, in: De Grote Kuis, 1974, 2 (2), p. 15.

[932] Interview Nadine Crappé, in: Schoppenvrouw, 1978, 1 (1), p. 5.

[933] VAN MECHELEN, R., Uit eigen beweging..., p. 46-47.

[934] De Grote Kuis, 1977, 4 (1), p. 35.

[935] ’20 jaar studentenbeweging te Gent 1968-1988’, http://aivwww.rug.ac.be/ArchiefRUG/1968-1988/engagement/buitenwereld/seksuele.html.

[936] Dolle Mina’s...jazeker ook aan de unief, Archief RUG, Dolle Mina 1983-1984, ongeïnventariseerd.

[937] interview Anne Apostel, 3 januari 2003.

[938] Archief RUG, numerus clausus, PAM0243.

[939] Dolle Mina-unief, Archief RUG, Dolle Mina 1983-1984, ongeïnventariseerd.

[940] DENIS, M., VAN ROCKEGHEM, S., Le féminisme est dans la rue, Belgique 1970-1975, Brussel, 1991, p. 45.

[941] ibid., p. 45.

[942] AUBENAS-BASTIE, J., ’68-78: Dix ans de feminisme en Belgique’, in: MACCIOCCHI, M-A., Les femmes et leurs maîtres, Parijs, 1978, p. 309.

[943] VAN MECHELEN, R., op.cit., p. 65.

[944] DOLLE MINA, MARIE MINEUR, Het rode boekje van de vrouw(en), 1972, speciale editie V-dag 11 november 1972.

[945] AUBENAS-BASTIE, J., op.cit., p. 311.

[946] VAN MECHELEN, R., De meerderheid. Een minderheid..., p. 33.

[947] Interview Els Van Loon, 9 december 2002.

[948] Interview Ida Dequeecker, 18 november 2002.

[949] DOLLE MINA, Ontstaan, basisstandpunten..., p. 13.

[950] Ongetiteld, Archief RUG, Dolle Mina 1972-1973, ongeïnventariseerd.

[951] Dolle Mina tot nu toe, in: De Grote Kuis, 1974, 2 (3), p. 10.

[952] VAN MECHELEN, R., De meerderheid. Een minderheid..., p. 20.

[953] Interview Roos Proesmans, in: HOOGHE, M., Nieuwkomers op het middenveld..., p. 205.

[954] DOLLE MINA, Ontstaan, basisstandpunten..., p. 14.

[955] Verslag vergadering Dolle Mina Gent 20 maart 1974, privé-archief Moniek Darge.

[956] ibid., p. 13.

[957] ibid., p. 13.

[958] ibid., p. 13.

[959] ibid., p. 14.

[960] ibid., p. 14.

[961] VAN MECHELEN, R., De meerderheid. Een minderheid..., pp. 81-82.

[962] Verslag vergadering Dolle Mina 29 september 1976, AMSAB, Archief Godelieve Van Geertruyen, ongeïnventariseerd.

[963] Interview Godelieve Van Geertruyen, 8 januari 2003.

[964] Interview Anne Apostel, 3 januari 2003.

[965] De Grote Kuis, 1977, 4 (1), p. 3.

[966] ibid., p. 3.

[967] De Grote Kuis, 1978, 4 (3), p. 22.

[968] ibid., p. 22.

[969] Interview Anne Apostel, 3 januari 2003.

[970] Interview Greta Craeymeersch, 12 december 2002.

[971] Interview Godelieve Van Geertruyen, 8 januari 2003.

[972] VAN MECHELEN, R., De meerderheid. Een minderheid..., p. 99.

[973] Pamflet Linkse Vrouwengroep-Gent, privé-archief Moniek Darge.

[974] ibid.

[975] ibid.

[976] ‘Evolutie van Dolle Mina Gent 1970-1978’, overdruk uit De Grote Kuis’, 1978, 4 (3), p. 13.

[977] NUYTS, K., op.cit., p. 131.

[978] Interview Moniek Darge, 30 december 2002.

[979] ibid.

[980] Zie: DARGE, M., Lijf tegen Lijf. Een dagboek over Vrouwen tegen Verkrachting, Leuven, 1982.

[981] NUYTS, K., op.cit., p. 133.

[982] VAN MECHELEN, R., uit eigen beweging..., p. 150.

[983] ibid., p. 15-16.

[984] De Grote Kuis, 1978, 4 (3), p. 23.

[985] ibid., p. 17.

[986] Verslag vergadering Dolle Mina 27 september 1978, AMSAB, Archief Godelieve Van Geertruyen, ongeïnventariseerd.

[987] DARGE, M., Lijf tegen lijf..., p. 19.

[988] http://www.rosadoc.be

[989] Interview Moniek Darge, 30 december 2002.

[990] ibid.

[991] DARGE, M., Lijf tegen lijf..., p. 115.

[992] Interview Moniek Darge, 30 december 2002.

[993] NUYTS, K., op.cit., p. 133.

[994] Verslag vergadering Dolle Mina 30 juni 1976, AMSAB, Archief Godelieve Van Geertruyen, ongeïnventariseerd.

[995] Pamflet ‘Verkrachting’, Archief RUG, Dolle Mina 1976-1977, ongeïnventariseerd.

[996] Verslag vergadering Dolle Mina 23 januari 1980, AMSAB, Archief Godelieve Van Geertruyen, ongeïnventariseerd.

[997] Verslag vergadering Dolle Mina 8 september 1976, privé-archief Moniek Darge.

[998] Brief zelfverdediging 1977, privé-archief Moniek Darge.

[999] VAN MECHELEN, R., op.cit., p. 90.

[1000] ibid., p. 91.

[1001] HOOGHE, M., Nieuwkomers op het middenveld..., p. 217.

[1002] De Grote Kuis, 1980, 5 (3), p. 3.

[1003] NUYTS, K., op.cit., p. 98.

[1004] Interview Greta Craeymeersch, 12 december 2002.

[1005] HOOGHE, M., Nieuwkomers op het middenveld..., p. 217.

[1006] Interview Greta Craeymeersch, 12 december 2002.

[1007] De Grote Kuis, 1980, 5 (3), p. 5.

[1008] NUYTS, K., op.cit., p. 91.

[1009] De Grote Kuis, 1981, 5 (4), p. 3.