Municipale curatores in Italie en de westelijke provincies tijdens het principaat. (Véronique Bonkoffsky)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

HOOFDSTUK  IV: POLITIEK PROFIEL VAN DE MUNICIPALE CURATORES

 

4.1. DE CURATELE FUNCTIE

 

Alvorens we dieper ingaan op wat de titel ‘curator’ inhoudt en we een aantal bepalingen hierover uiteenzetten, wil ik eerst nog eens benadrukken dat een curator géén magistraat was en dus geen honos waarnam, hoewel aan de curatele functie toch ook prestige en eer kon verbonden zijn.  Een curator vervulde een ‘persoonlijke publieke verplichting’, in het Latijn een ‘munus personale’.  Dit betekende dat zowel een Romeins burger als een incola als privé-persoon kon worden belast met een curatele functie.[584]

 

4.1.1. Munus personale en munus mixtum

 

Zoals reeds duidelijk is gebleken bij voorgaande besprekingen, werd van een persoon die belast werd met een cura als munus personale in principe géén financiële bijdrage verwacht.  Het geld dat nodig was om de cura te bekostigen, werd aan de curator ter beschikking gesteld door de ordo decurionum en was afkomstig uit de gemeentekas.  Van de curator werd enkel verwacht dat hij toezicht hield en het geld, nodig voor de uitvoering van de cura, beheerde.  In de praktijk echter moesten de curatores vaak een aanzienlijk of het volledige bedrag uit het eigen patrimonium vrijmaken om de cura te bekostigen.  Op deze wijze veranderde de munus personale in een munus mixtum[585].  Wanneer de ordo decurionum iemand een cura als munus toewees, was die persoon zelf verplicht de cura uit te voeren.  Hij kon dus niet aan derden vragen om zijn plaats in te nemen voor deze cura.[586]

Een munus kon ook vrijwillig worden opgenomen en als blijk van erkentelijkheid gaf de ordo decurionum waarschijnlijk ook aan deze vrijwilligers de titel curator.  Dit impliceert dat enkel privé-personen die door de ordo decurionum werden aangesteld, de titel ‘curator’ droegen.  Tenzij het uitdrukkelijk werd vermeld, kan enkel op basis van de inscriptie niet worden achterhaald of de persoon de munus vrijwillig op zich had genomen of dat hij werd aangeduid en dus eigenlijk verplicht was door de ordo decurionum om een bepaalde cura uit te voeren.  Wanneer men aan bepaalde voorwaarden voldeed, kon men worden vrijgesteld van de munera civilia publica die doorgaans munera personale waren.  Dergelijke personen noemde men immunes.[587]

Wie kon nu belast worden met deze munera personalia?  Elke burger en incola vanaf zijn 25e  levensjaar tot het einde van zijn 60e, later uitgebreid tot het einde van zijn 70e levensjaar,  kwam in aanmerking om deze munera te vervullen.  Toch konden de leges municipii / coloniae andere leeftijdsgrenzen vastleggen.  Wanneer dit het geval was, hadden de bepalingen meestal betrekking op minderjarigen.[588]  De Digesten vermelden dat een publieke verplichting niet kon worden opgelegd aan iemand die een eervol ambt uitoefende, wat met betrekking tot de curatele functies betekent dat een magistraat in het jaar waarin hij zijn magistraatsambt bekleedde niet kon worden belast met een curatele functie die was losgemaakt uit het bevoegdheidsdomein van een andere magistraat.  De Digesten zeggen ook dat iemand die een publieke verplichting vervulde, onder andere de curator, daarentegen wel een eervol ambt te beurt kon vallen.[589] 

De munera personalia werden meestal voor de tijdsspanne van één jaar opgelegd voor het volbrengen van een éénmalige opdracht.  Het kon ook gebeuren dat de opdracht eerder was volbracht of dat de uitvoering méér dan een jaar in beslag nam.  De persoon die was belast met een bepaalde cura als munus personale of munus mixtum bleef curator tot zijn opdracht was beëindigd.[590]

In principe was het verboden dezelfde munus verschillende opeenvolgende ambtsjaren aan dezelfde persoon op te dragen.  Een tussenperiode van vijf jaar was vereist.  Op basis van de inscripties hebben we echter gemerkt dat het in de praktijk soms anders verliep en dat toch een aantal curatores dezelfde functie meerdere opeenvolgende jaren waarnam.  De duidelijkste voorbeelden hiervan zijn C. Nasennius C.f. Marcellus Senior die curator operum publicorum et aquarum perpetuus was, C. Nasennius C.f. Marcellus die eveneens curator perpetuus operum publicorum was en Cn. Voesius Cn.fil. Aper die curator annonae triennio continuus was.[591] 

De curae die uit het ambtsgebied van de magistraten waren losgemaakt en door de municipale curatores werden vervuld, behoorden tot de groep van  munera honoribus cohaerentia.  Dit impliceerde dat iemand die was belast met de uitvoering van een cura geen andere munus personale meer kon worden opgelegd.  Het curatorschap werd dus blijkbaar ervaren als een zware opdracht, zowel administratief als financieel.  Vandaar dat aan de uitvoering van deze functie toch ook een sociaal aanzien was verbonden, ondanks het feit dat het een munus bleef.[592] 

 

4.1.2 Curatele functies die meerdere malen werden uitgeoefend

 

In onderstaande tabel vinden we terug in welke mate men een bepaalde curatele functie uitoefende:

 

 

Categorie

Iterum

Zelfde persoon

Eeuw

Stand

Italië

fin

2x

 

?

4.2

 

 

2x

 

I

3.1

 

ow

perpetuus

 + water

II

2.2

 

 

perpetuus

 

II

4.0

 

spelen

2x

 

II

4.2

 

 

2x

 

III

4.1

 

 

2x

 

III

4.1

 

voedsel

3x

 + 3x spelen

?

4.2

 

 

2x

 

II / III

4.0

 

 

per[---]

 

III

?

 

 

4x

 

II

4.2

 

water

 per annos [---]

 

III / IV

2.1

 

wegen

2x

 

II

4.1

Provincies

ow

3x

 

III

4.0

 

 

3x

 

III

4.0

 

tempels

3x

 

?

?

 

In Italië treffen we 13 op 137 curatores aan die één of meerdere van hun curatele functies meerdere malen hebben uitgeoefend.[593]  Dit is 9.49 %, wat veeleer aan de lage kant is. 

Van deze 13 curatores waren twee personen die ‘curator voor het leven’ waren, namelijk C. Nasennius C.f. Marcellus Senior, die was belast met een samengestelde cura: de cura operum publicorum et aquarum,[594] en C. Nasennius C.f. Marcellus.[595]  Mogelijk was dit ook het geval voor een onbekende persoon die curator was binnen de categorie voedsel.  De inscriptie laat lezen curator pecuniae ad annonam per [---] en is hierna beschadigd.  ‘Per’ zou kunnen worden aangevuld tot ‘per[petuus]’.[596]  Van een eveneens onbekende curator weten we ook niet gedurende hoeveel jaren hij zijn functie heeft uitgeoefend.[597]  Aangezien een curator normaliter slechts voor één jaar verantwoordelijk was voor een bepaalde cura, zouden we hier kunnen veronderstellen dat de onbekende een aantal opéénvolgende jaren verantwoordelijk was voor dezelfde cura.  Toch mogen we niet uit het oog verliezen dat de termijn van één jaar werd overschreden wanneer de opdracht waarvoor de curator was aangesteld, nog niet was voltooid.  Deze onbekende curator was belast met de cura aquae, wat zou kunnen betekenen dat hij verantwoordelijk was voor het toezicht op bouw- of herstellingswerken aan een aquaduct.  Bij dit soort werken was het waarschijnlijk niet uitzonderlijk dat deze langer dan een jaar aansleepten en dat de curator zijn functie uitoefende tot zijn opdracht volledig was beëindigd.  De toevoeging ‘per annos [---]’ kan eveneens op een situatie als laatstgenoemde van toepassing zijn.

Verder stellen we vast dat 8 van de 13 curatores, dus meer dan de helft, hun curatele functie tweemaal uitoefenden.[598]  Slechts één curator, T. Calvisius T.f. Clu.Verus, oefende dezelfde curatele viermaal uit.[599]  Onze aandacht werd vooral getrokken door Cn. Voesius Cn. f. Aper, een curator die driemaal werd belast met de cura annonae en bovendien nog evenveel maal verantwoordelijk werd gesteld voor een cura muneris publici gladiatori.[600] 

We mogen dus besluiten dat wanneer een curator meerdere malen zijn zelfde cura uitoefende, dit in zeker de helft van het aantal geattesteerde gevallen niet meer dan  tweemaal gebeurde en dat curatores zoals C. Nasennius C.f. Marcellus Senior[601], C. Nasennius C.f. Marcellus[602] en Cn. Voesius Cn. f. Aper[603] als uitzonderingen moeten worden beschouwd.  Mogelijk was de titel curator operum publicorum (et aquarum) perpetuus in dit geval erfelijk aangezien het gaat om een grootvader en zijn kleinzoon.

Wanneer we onderzoeken binnen welke categorie de curatores hun functie meerdere malen hebben uitgeoefend, merken we dat dit meest frequent voorkomt binnen de categorieën van voedsel en spelen.  Het is ook in deze twee categorieën dat we Cn. Voesius Cn. f. Aper[604] moeten situeren.  T. Calvisius T.f. Clu.Verus, de curator die viermaal werd belast met dezelfde curatele functie moet ook binnen de categorie van het voedsel worden geplaatst.  We moeten de vaststelling dat de meeste curatele functies die meerdere malen werden uitgeoefend verband houden met voedsel en spelen, verklaren vanuit de wetenschap dat beide curatele functies vaak een munus mixtum waren.  De uitgaven die de cura annonae en de cura muneris vereisten waren een drukkende last voor de gemeentelijke schatkist.  Het grootste deel van het budget werd gespendeerd aan voedsel en spelen, maar aangezien vanaf de 2e eeuw de gemeentelijke schatkist vaak leeg was, werden de curae als munera personalia vaak omgevormd tot munera mixta.  Gezien de hoge uitgaven kon men deze curae enkel opleggen aan de rijksten van de gemeente en aangezien veel kandidaten voor deze beide curae al niet kapitaalkrachtig genoeg waren om de curae meer dan éénmaal uit te voeren, waren het steeds dezelfde zeer rijken die werden belast met de uitvoering hiervan.  Dit verklaart dus waarom personen tot drie- of viermaal toe werden belast met een zelfde cura.

Wanneer we nagaan tot welke stand deze curatores voornamelijk behoren, zien we dat 9 van de 13 curatores behoren tot de muncipale elite.[605]  Dit is 69,23 %.  Van deze 9 curatores waren er 3 die een functie op rijksniveau hebben uitgeoefend (status 4.1), 4 die het municipaal niveau nooit hebben verlaten (status 4.2) en 2 waarvan geen andere functies werden geattesteerd en dus enkel een curatele functie hebben uitgeoefend (status 4.0).  Twee leden van de functionele equites (status 2.1[606] en 2.2[607]) hebben hun curatele functie meerdere malen of beter gezegd langer dan één jaar uitgoefend.  Opvallend is dat men personen met een hoge sociale status, twee personen die deel uitmaakten van de rijkselite, met de cura aquae heeft belast.  Zoals reeds werd vermeld volbracht C. Nasennius C.f. Marcellus Senior[608] de cura aquae in combinatie met de cura operum publicorum.  Laatstgenoemde oefende deze curatele uit voor het leven, terwijl de tweede curator[609] (in de tabel terug te vinden als ‘per annos [---]’) er meerdere malen of meerdere opeenvolgende jaren met belast was.  Ook in deze gevallen zal de financiële inbreng de beweegreden zijn geweest om zeer gefortuneerde personen voor deze cura aan te stellen, vooral wanneer het ging om de bouw van een aquaduct.  Eén persoon behoorde tot de ere-equites die een functie op rijksniveau hadden uitgeoefend (status 3.1) en werd tweemaal belast met het beheer van de gemeentelijke financiën.[610]  Ten gevolge van beschadiging van de steen kon van één persoon niet worden bepaald tot welke stand hij behoorde.[611]  Om dezelfde reden konden we ook niet achterhalen hoelang hij zijn functie uitoefende.

We vestigen onze aandacht ook even op de chronologische spreiding van de iterumfuncties.  Van de 13 curatores konden er slechts twee niet worden gedateerd.

Helaas is één van hen Cn. Voesius Cn. f. Aper[612] die driemaal als verantwoordelijke optrad voor een cura met betrekking tot het voedsel en driemaal met betrekking tot de spelen. 

Van de 11 resterende curatores die hun curatele meerdere malen hebben uitgeoefend, kan ongeveer de helft, meer bepaald 5, in de 2e eeuw worden gesitueerd. [613] We laten hierbij de persoon die werd gedateerd aan het einde van de 2e en het begin van de 3e eeuw buiten beschouwing.[614]  Behalve de curator aquae die gedateerd werd aan het einde van de 3e en het begin van de 4e eeuw[615], bekleedden alle overige curatores hun functie in de 3e eeuw[616].  Slechts één curator werd gedateerd in de 1e eeuw.[617]   Het is dus opmerkelijk dat het aantal curatores die meerdere malen dezelfde curatele functie uitoefenden, sterk toenam vanaf de 2e eeuw.  Dit kan worden gerelateerd aan de financiële crisis die in de 2e eeuw manifester werd.  In de 1e eeuw waren er waarschijnlijk nog genoeg kandidaten die in aanmerking kwamen om te worden belast met een munus aangezien de cura dan mogelijk nog enkel een munus personale was en dus geen financiële bijdrage van de betrokkene vergde en men bovendien, wanneer het een munus mixtum betrof, nog makkelijker kapitaalkrachtige kandidaten vond dan in de 2e eeuw. 

Tenslotte werd nagegaan van welke regio en welk gebied in Italië deze 13 curatores afkomstig waren.[618]  Dit leverde spijtig genoeg geen bijzonderheden op.  Het énige wat het vermelden waard is, is dat 5 van de 13 curatores in regio I voorkwamen.[619]

In de provincies vinden we in totaal slechts 3 van de 29 curatores die hun functie meerdere malen na elkaar hebben uitgeoefend.[620]  Twee van hen waren gelijktijdig belast met dezelfde cura, namelijk de cura refectionis thermarum in Lepsis Magna (Africa) in de 3e eeuw na Chr..  Samen oefenden ze deze cura drie maal uit.[621]  Zij waren leden van de municipale elite waarvan geen andere functies werden geattesteerd (status 4.0).  de andere persoon was in Lindum (Britannia) ook driemaal curator, waarschijnlijk van een tempeltje.  Van deze curator zijn geen verdere gegevens bekend.[622]

4.1.3. Welke combinaties van curatele functies kwamen voor?

 

We hebben ook getracht na te gaan of in de combinaties van curatele functies een zekere regelmaat te ontdekken viel.  Hiermee wordt bedoeld dat werd onderzocht met welke curatele functies iemand die reeds een bepaalde cura op zich had genomen, nog werd belast en of de toegewezen curae van ongeveer dezelfde aard waren.  Wij onderzoeken hier dus niet of de genoemde curae tegelijkertijd werden uitgeoefend.  Onderstaande tabel geeft de gevonden combinaties weer:

 

 

Uitgeoefende curatelen door 1 persoon

Eeuw

Stand

Regio

Italië

fin

spelen

 

I

4.2

Ostia (LV)

 

 

adm

 

II

4.1

Ostia (LV)

 

 

tempels

 

II

2.2

Cales (CA)

 

 

ow

 

II / III

4.2

Sutrium (VII)

 

ow

tempels

 

II

2.1

Praeneste (LV)

 

 

wegen

 

II / III

4.2

Capua (CA)

 

 

water

 

I

3.2

Puteoli (CA)

 

 

water

 

II

2.2

Ostia (LV)

 

voedsel

spelen

 

?

4.2

Praeneste (LV)

 

 

spelen

 

III

4.1

Praeneste (LV)

 

 

water

 

II

4.2

Alba Fucens (IV)

 

 

ow

tempels

II

4.2

Alba Fucens (IV)

 

 

ow

 

I / II

4.2

Alba Fucens (IV)

 

 

tempels

 

?

4.2

Alba Fucens (IV)

Provincies

 /

 /

 /

 /

 /

 

 

Zoals de tabel aangeeft, werden enkel in Italië curatores teruggevonden die tijdens hun leven meerdere verschillende curatele functies hebben uitgeoefend.  De afwezigheid van dergelijke curatores in de provincies zou kunnen worden verklaard door in de eerste plaats te stellen dat hier minder behoefte was aan curatores en in de tweede plaats men over voldoende personen beschikte om de curae uit te voeren en eventueel ook te financieren zodat geen enkele curator meer dan één curatele functie moest uitoefenen.  Dezelfde verklaring is van toepassing op het geringe aantal curatores dat meerdere malen dezelfde curatele functie uitoefende. 

In Italië werden 14 curatores geattesteerd die elk verschillende soorten curatele functies hebben uitgeoefend.[623]  Alvorens we deze 14 curatores van naderbij bekijken, werd nagegaan in welke mate deze personen ook meerdere malen dezelfde curatele functie hebben uitgeoefend.  Slechts twee curatores behoorden tot beide onderzochte groepen.[624]

Een eerste categorie curatores, bestaande uit 4 personen was bevoegd voor het beheer van de gemeentelijke financiën.  Deze cura kon makkelijk worden gecombineerd met alle andere curatele functies aangezien deze functies vaak ook het beheer van een bepaald bedrag impliceerden dat hen ter beschikking werd gesteld door de ordo decurionum, in zoverre zij niet zelf moesten delen in de kosten, voor de uitvoering van hun cura.  De cura die het beheer van de gemeentelijke financiën inhield werd gecombineerd met curae uit de categorie spelen[625], administratie[626], tempels[627] en openbare werken[628].

Een tweede categorie curartores was bevoegd voor openbare werken.  Zoals we in de typologie aansneden, is dit een zeer uitgebreide categorie waaronder verschillende andere categorieën konden ressorteren, maar die we om organisatorische redenen hadden opgesplitst.  De combinaties hier geven duidelijk aan welke categorieën nog onder openbare werken eventueel konden worden geplaatst: de cura templi[629], de cura viarum[630] en ook de cura aquae.  Laatstgenoemde combinatie kwam zelfs tweemaal voor.[631]  De opgesomde curae kunnen worden beschouwd als specificaties van de algemene titel ‘cura operum publicorum’.  Deze combinaties zijn dan ook voor de hand liggend.

Een derde categorie wordt gevormd door combinaties met de curae met betrekking tot het voedsel.  Combinaties op basis van inhoudelijk overeenstemmende kenmerken met andere curae zijn hier niet terug te vinden.  Tweemaal werden naast de curae in verband met voedsel ook curae met betrekking tot de organisatie van spelen geattesteerd.[632]  Verder vonden we de combinaties voedsel-water[633], voedsel-tempels[634] en voedsel-openbare werken[635] terug.  Tenslotte werd een persoon geattesteerd die twee verschillende curae in verband met voedsel[636], één met openbare werken en één met water had uitgeoefend.[637] 

Met betrekking tot de sociale groep waartoe deze curatores behoorden, kunnen we zeggen dat het merendeel van de personen leden waren van de municipale elite.  Reeds 8 van de 14 personen waren leden van de municipale elite die het municipaal niveau nooit hebben verlaten (status 4.2)[638] en nog 2 andere waren leden van de municipale elite die een functie op rijksniveau hebben uitgeoefend (status 4.1)[639].  De curator die vier verschillende curatele functies uitoefende, was iemand die behoorde tot de municipale elite die nooit het municipaal niveau had verlaten (status 4.2).[640]  Eén persoon kwam uit het midden van de ere-equites die geen functie hebben uitgeoefend op rijksniveau (status 3.2).[641]  Drie leden van de rijkselite, waarvan twee de militiae equestres hebben doorlopen (status 2.2)[642] en één was doorgedrongen tot de procuratelen (status 2.1)[643], vervulden ook verschillende curatele functies.  Opnieuw komen we tot dezelfde conclusie, namelijk dat het hoofdzakelijk leden van de municipale elite waren die werden belast met meerdere en in dit geval ook verschillende curatele functies.

Bij het onderzoek in welke periode het uitoefenen van verschillende curatele functies door een zelfde persoon het meest frequent voorkwam, konden twee personen niet worden gedateerd.[644]  Van de overgebleven 12 curatores die wel konden worden gedateerd, situeerden er zich 6 in de 2e eeuw[645], 2 aan het einde van de 2e - begin 3e eeuw[646] en 1 in de 3e eeuw[647].  In de 1e eeuw konden 2 curatores worden gesitueerd[648] en 1 curator aan het einde van de 1e - begin 2e eeuw[649].  Ook hier zien we dat het merendeel van de curatores in de 2e eeuw leefde, maar de spreiding van de personen is verder gelijkmatiger verdeeld over de voorgaande en de volgende eeuw dan het geval was met de spreiding van de curatores die meer dan één keer dezelfde curatele uitoefenden.

In tegenstelling tot de curatores die meerdere malen dezelfde curatele uitoefenden, kunnen we hier wel iets zinvol naar voren schuiven wat de verspreiding van de curatores die in hun leven meerdere maar verschillende curae vervuld hebben.  De 14 curatores werden geattesteerd in slechts drie regio’s.  Negen van hen vervulden hun curatele functie in regio I, waarvan 6 in Latium Vetus en 3 in Campania.[650]  Vier andere oefenden hun curae uit in regio IV.[651]  Eén curator was afkomstig uit regio VII, waar hij ook zijn functie uitoefende.[652]  Het is opvallend dat de geografische spreiding hier sterk lijkt op de algemene geografische spreiding die we vaststelden in hoofdstuk II.  Blijkbaar was de behoefte aan curatores in regio I en IV zeer groot aangezien er zich niet alleen globaal bekeken al meer dan de helft van de curatores in deze regio’s bevonden (regio I: Latium Vetus: 32 van de in totaal 137 geattesteerde curatores in Italië + Campania: 18 van de 137 en regio IV: 24 van de 137 curatores), maar ook op één na alle curatores die meerdere verschillende curae uitoefenden.

 

4.1.4. Op welk tijdstip binnen hun carrière oefenden de curatores hun curatele functie uit?

 

We hebben getracht na te gaan, in de mate van het mogelijke, op welke plaats binnen hun carrière de geattesteerde curatores hun curatele functie uitoefenden.  Dit is echter geen makkelijke opgave aangezien we niet te maken hebben met een magistratuur, maar met een munus.  Deze kan op elk moment binnen de carrière worden uitgeoefend dus zowel de municipale als de rijkscarrière en heeft geen vaste plaats binnen de cursus honorum.  Daarom moeten we rekening houden met de mogelijkheid dat de plaats van de curatele functie op de steen niet overeenstemt met het tijdstip waarop deze werd uitgeoefend.  We hebben op basis van het onderzoeksmateriaal een diagram opgesteld waarbij onderstaande lettercode werd gehanteerd om aan te geven wanneer de curatele functie precies werd uitgeoefend tijdens het leven of de carrière van de betrokkene:

 

A: de cura werd uitgeoefend vóór de persoon zijn municipale carrière begon.

B: de cura werd uitgeoefend tijdens de municipale carrière.

C: de cura werd uitgeoefend nadat het hoogste municipale ambt werd bekleed.

D: de cura werd uitgeoefend onmiddellijk voor de aanvang van een carrière op

rijksniveau zonder dat municipale magistraturen werden bekleed.

E: de cura werd uitgeoefend tijdens de rijkscarrière.

F: de cura werd uitgeoefend na een carrière op rijksniveau.

G: curatores waarvan enkel hun curatele functie werd vermeld.

H: personen waarvan niet kon worden achterhaald wanneer ze hun curatele functie hebben uitgeoefend of waarover we te weinig zekerheid hebben.

 

Alvorens we de resultaten voor Italië bekijken, willen we nog enkele criteria aanstippen die we hebben gehanteerd bij het toekennen van een letter uit bovenstaand classificatie-systeem.

Om te beginnen werd uiteraard geen rekening gehouden met priesterfuncties, maar enkel met de ambten uit de municipale cursus honorum.  Vervolgens hebben we de quaestuur,

wanneer die op een onregelmatige plaats voorkwam en de betrokkene kon worden gedateerd in de 3e eeuw, beschouwd als een munus en niet langer meer als een honos.[653]

Tenslotte willen we er nog op wijzen dat we curatores die hun curatele functie hebben uitgeoefend na het hoogste municipale ambt en voordat ze bijvoorbeeld tot curator kalendarii waren aangesteld, opgenomen hebben in de categorie van curatores die hun curatele functie hebben uitgeoefend aan het einde van hun municipale carrière.

 

Resultaten voor Italië[654]

Zoals verwacht, kon van een betrekkelijk aantal curatores (25) niet worden gezegd wanneer precies ze hun curatele functie(s) hebben uitgeoefend (H = 18,25 %).

Van de 137 municipale curatores konden er dus 112 geplaatst worden, wat ons volgende tabel oplevert:

 

Code

A

B

C

D

E

F

G

Aantal

26

10

36

8

3

5

24

Procent

23.21

8.93

32.14

7.14

2.68

4.46

21.43

 

 

Onmiddellijk valt op dat de meeste personen hun curatele functie hebben uitgeoefend nadat ze hun municipale carrière hadden beëindigd (C).  De meeste curatele functies werden dus vervuld door ex-magistraten.  Het gaat om  32,14 %.  Dit kan worden verklaard vanuit hun ervaring die zij gedurende hun carrière hadden opgedaan inzake administratie en financieel beheer. 

Ook nog een aanzienlijk aantal personen werd belast met een curatele functie vooraleer zij de quaestuur of het ambt van aedilis bekleedden (A).  Het gaat om  23,21 %.  De toewijzing van een curatele functie aan het begin van de carrière was een geschikte manier om iemand ervaring te laten opdoen inzake administratie en beheer, met andere woorden een curatele functie kon worden beschouwd als een leerzame voorbereiding op de uitoefening van magistraatsfuncties.

Vele curatores (21,43 %) oefenden enkel een curatele functie uit (G) en bouwden verder geen municipale carrière uit.  Van deze curatores kan dus enkel worden gezegd dat zij deel  uitmaakten van de municipale elite aangezien de curae die uit het bevoegdheidsdomein van de magistraten waren onttrokken tot de munera honoribus cohaerentia behoorden.  Aan deze munera honoribus cohaerentia was sociaal aanzien verbonden maar het  impliceerde vaak ook een hoge financiële bijdrage van diegene die met de cura was belast.

Slechts 8,93 % van de curatores vervulden hun curatele functie tijdens hun municipale carrière (B).  Wat de uitoefening van een cura betrof vóór de rijkscarrière terwijl geen andere municipale ambten werden bekleed, moet worden gezegd dat het in dit geval meestal ging om curatores fani Herculis Victoris (D = 7,14 %).  De curatele functie werd zelden tijdens of na de rijkscarrière uitgeoefend (E = 2,68 % en F = 4,46 %).

 

Resultaten voor de provincies[655]

 

Van de 29 municipale curatores konden er 25 worden geplaatst ( 80,62 %), wat ons volgende tabel oplevert:

 

Code

A

B

C

D

E

F

G

Aantal

1

0

7

0

0

0

17

Procent

4.00

0.00

28.00

0.00

0.00

0.00

68.00

 

De resultaten voor de provincies werden niet voorgesteld door middel van een diagram.  Het eerste wat onze aandacht trekt is het grote aantal curatores waarvan enkel hun curatele functie werd vermeld (G).  Het gaat om 17 van de 25 resterende personen.  Zij hebben dus geen municipale ambten bekleed.  Verder oefenden de curatores uit de provincies hun curatele functie meestal uit na hun municipale carrière (C).  Het betreft hier 7 curatores.  Slechts één persoon was curator alvorens een magistratuur te bekleden (A). 

 

In hoofdstuk VI zal voor elke categorie worden nagegaan op welk tijdstip binnen hun carrière de curatores hun curatele functie uitoefenden.

 

 

4.2. IN WELKE MATE BEKLEEDDE DE CURATOR ANDERE MUNICIPALE FUNCTIES?

 

4.2.1. In welke mate bekleedde de curator ambten uit de cursus honorum: Italië

 

In dit deelhoofdstuk willen we nagaan hoeveel curatores één of meerdere  magistraatsfuncties hebben bekleed.  Met magistraatsfuncties bedoelen we dus de quaestuur, het aedilitas, het duumviraat, de functie van quinquennalis en de praetuur.  Ook de personen die omnibus honoribus functus zijn, worden hierbij gerekend.  Met betrekking tot het duumviraat willen we nog meegeven dat de meeste magistraten gekozen werden uit de ordo decurionum.[656]  Zelfs wanneer magistraten hun functie als decurio niet vermeldden, mag men aannemen dat zij dit wel waren geweest.

Van de 137 curatores die in Italië werden geattesteerd, hebben er 89 minstens één van deze ambten bekleed.  Dit is 64,96 %.

 

Onderstaande tabel en grafiek geven weer welke magistraatsfuncties de curatores het meest bekleedden:

 

Functies

Italië

 cursus hon.

Aantal

%

 Quaestor

43

31.39

 Aedilis

42

30.66

 II Vir / IIII Vir / VIII Vir

69

50.36

 Quinquennalis

34

24.82

 Decurio

8

5.84

 Praetor

6

4.38

 Omn.Honor.

6

4.38

 

 

 

We stellen vast dat de helft van de curatores (50,36 %) het duumviraat heeft bereikt.  Hiertoe moest men uiteraard aedilis en quaestor zijn geweest, om het even in welke volgorde men deze magistraturen uitoefende.  We zien dat ook deze ambten door de curatores vrij vaak werd bekleed, respectievelijk 30,66 % en 31,39 %.  Het percentage dat één van beide of beide ambten vermeldt, ligt lager dan het percentage dat het tot duumvir gebracht heeft.  Een verklaring hiervoor is dat men enkel de hoogste functie die men had bereikt op een inscriptie vermeldde.  Met betrekking tot het duumviraat wist iedereen dat vóór dit ambt kon worden bekleed, men reeds aedilis en quaestor moest zijn geweest.

 

 

Opvallend is wel het lage percentage curatores dat lid was van de ordo decurionum (5,84%).  Van de 8 decuriones die werden geattesteerd, kregen L. Vitrasius Silvester[657] en Tullius Marcelli lib. Achileus[658] de ornamenta decurionalia toegekend.  In de praktijk waren zij dus geen echte decurio.

 

De curatores die praetor waren geweest, waren eveneens weinig talrijk (4,38 %).  De praetuur kan worden vergeleken met de consuls op rijksniveau.  Zij beschikten ook over de rechterlijke macht.[659]  Het lage percentage is niet verwonderlijk aangezien tijdens de Keizertijd dit ambt meestal werd overgenomen door de II viri of de IIII viri.  In sommige gevallen is deze transformatie nog merkbaar in de titulatuur die dan luidt praetores II vir of praetores IIII vir.[660]

Een andere municipale functie is de praefectura iure dicundo.  Zij behoort echter niet tot de cursus honorum.  Slechts 8.03 % van de curatores is in hun leven praefectus iure dicundo geweest.[661]

 

4.2.2. In welke mate bekleedde de curator ambten uit de cursus honorum: Provincies

 

In de provincies bekleedde 41,38 % van de curatores één of meerdere municipale ambten uit de cursus honorum.

Onderstaande tabel en diagram geven de situatie in de provincies weer:

 

Functies

Provincies

 cursus hon.

Aantal

%

 Quaestor

3

10.34

 Aedilis

5

17.24

 II Vir / IIII Vir / VIII Vir

9

31.03

 Quinquennalis

2

6.90

 Decurio

2

6.90

 Praetor

0

0.00

 Omn.Honor.

1

3.45

 

 

In de provincies zien we grotendeels dezelfde tendens als in Italië, behalve dat het percentage curatores dat quaestor was geweest lager lag dan in Italië en dat geen enkele curator het ambt van praetor uitoefende of alleszins niet deze titel droeg.

Slechts één curator is praefectus iure dicundo geweest.[662] 

 

4.2.3. In welke mate werden curatores tot patroni gekozen: Italië en provincies?

 

We kunnen de patronus omschrijven als een vooraanstaande, in de Keizertijd vaak een lid van de ordo senatorius of van de ordo equester, die de belangen van zijn gemeente bij de centrale overheid behartigt.  Er bestond institutioneel gezien immers geen tussenpersoon tussen de gemeente en de centrale overheid.  De relatie was echter niet éénzijdig aangezien de patronus in ruil voor de politieke bescherming die hij verschafte, prestige en respect van de inwoners van de gemeente kreeg.[663] 

 

Groep

Aantal

Procent

Status

Aantal

Procent

1

4

17.39

1

4

17.39

 

 

 

2.1

2

8.70

2

6

26.09

2.2

2

8.70

 

 

 

2.3

2

8.70

 

 

 

3.1

4

17.39

3

5

21.74

3.2

1

4.35

 

 

 

3.3

0

0.00

 

 

 

4.0

0

0.00

4

8

34.78

4.1

3

13.04

 

 

 

4.2

5

21.74

5

0

0.00

5

0

0.00

 

Van alle geattesteerde curatores is 16,79 %  patronus van de eigen of een andere gemeente geweest.  Omwille van het kleine aantal curatores dat patronus is geweest per sociale subcategorie, geven we onmiddellijk de verdeling over de grote sociale groepen.  We  stellen vast dat 17,39 % behoorde tot de ordo senatorius (status 1)[664], 26,09 % tot de functionele equites (status 2)[665], 21,74 % tot de ere-equites (status 3)[666] en 34,78 % behoorde tot de municipale elite (status 4)[667].  Aangezien deze cijfers op zichzelf weinig zeggen, vergelijken we ze kort met die van het algemeen sociaal profiel van de municipale patroni dat werd opgesteld door R. Duthoy en totnogtoe het meest recente overzicht geeft.[668] 

De vergelijking van onze resultaten voor de curatores wordt vergeleken met de percentages per grote sociale groep waarin de incerti buiten beschouwing werden gelaten.  Het algemeen sociaal profiel van de patroni toont dat de ordo senatorius en de ere-equites een zelfde percentage en bovendien het hoogste percentage patroni bevatten (29,34 %).  Vervolgens komen de meeste patroni uit de municipale elite (22,06 %).  Het kleinste percentage  patroni behoort tot de functionele equites (18,63 %).  Onze resultaten van de curatores die patroni zijn geweest, zien er heel anders uit.  De meeste patroni behoorden tot de muncipale elite (status 4: 34,78 %), terwijl het kleinste percentage, in tegenstelling tot wat de cijfers van R.Duthouy ons meedelen, dat van de patroni is die tot de ordo senatorius (status 1) behoorden (17,39 %).  De curatores uit de kringen van de ere-equites (status 3) die patroni waren, die in het overzicht van R. Duthoy een even grote inbreng hadden als de patroni uit de ordo senatorius, nemen in onze berekeningen slechts de derde plaats in (21,74 %).

 

In de provincies werd geen enkele municipale curator geattesteerd die patroni is geweest. 

 

Het lage percentage curatores dat patroni is geweest in Italië (4.65 %[669]) en het ontbreken van curatores als patroni in de provincies, kan makkelijk worden verklaard.  Aangezien de municipale curatores grotendeels behoorden tot de municipale elite die nooit het municipaal niveau had verlaten (status 4.2), was het voor de inwoners van de gemeente vanuit politiek oogpunt niet interessant om een persoon te kiezen die geen connecties had met het rijksniveau.  Het bewijs wordt geleverd door het onderzoeksmateriaal.  We merken dat 73,91 % van de curatores die als patronus werden geattesteerd, behoorden tot de rijkselite (status 1en 2) of minstens een functie op rijksniveau hadden uitgeoefend (status 3.1 en 4.1). 

 

4.2.4. Welke priesterfuncties bekleedden curatores en in welke mate: Italië en provincies?

 

Vooraleer we de resultaten bekijken, willen we eerst kort toelichten welke de belangrijkste priesterfuncties waren en wat ze inhielden.  De belangrijkste priesterfunctie was het flaminaat.  De flamen verzorgde de lokale keizercultus en vertegenwoordigde deze.[670]

Een tweede municipale priester was de pontifex.  Hij stond in voor de eredienst van de officiële Romeinse goden.[671]  De religieuze taak van de augures bestond uit het interpreteren van de wil van de goden aan de hand van allerhande natuurlijke tekenen en uit het afwenden van de toorn van de goden.[672]

Het dient nog te worden vermeld dat ook deze priesters tijdens het uitoefenen van hun functie, net zoals de magistraten, waren vrijgesteld van munera publica waartoe de curatele functies behoorden.[673]

Onderstaande tabel geeft de geattesteerde cijfers weer van curatores die één of meerdere van de drie belangrijkste priesterfuncties uitoefenden:

 

Priester-

Italië

Provincies

functies

Aantal

%

Aantal

%

Augur

6

4.38

0

0.00

Flamen

16

11.68

7

24.14

Pontifex

11

8.03

2

6.90

 

In Italië oefende 24,09 %  van de curatores één van de voornoemde priesterfuncties uit.  Deze priesterfuncties waren beladen met prestige en hun uitvoerders behoorden tot de hoogste stedelijke kringen.[674]  Hoewel dit percentage niet echt hoog ligt, vormt het opnieuw een indicatie dat de curatores tot de notabelen van de gemeente behoorden.  Zij bekleedden ook het vaakst de twee belangrijkste priesterfuncties, namelijk het flaminaat en het pontificaat.

Wat de provincies betreft, oefende 31,04 % van de curatores één of meerdere priesterfuncties uit.[675]  Opvallend is hier het grote aandeel van de flamines (24,14 %).  Van de 7 flamines uit de provincies waren er 4 afkomstig uit Hispanica.[676]

 

Deze priesterambten waren niet de énige die werden geattesteerd.  Zowel in Italië als in de provincies werd nog een aantal curatores teruggevonden die sacerdos waren.  Ook deze priesterfunctie stond vrij hoog in aanzien.[677]  Dit zijn speciale priesters die instonden voor de lokale niet-Romeinse culten die naast de Romeinse culten bestonden.  Elke godheid had normaliter een eigen sacerdos.[678]  In Italië betreft het 4 personen[679], in de provincies 2 [680].   

 

 

4.3. IN WELKE MATE BEKLEEDDE  DE CURATOR FUNCTIES OP RIJKSNIVEAU?

 

Wanneer we het hebben over de functies op rijksniveau, verwijzen we naar functies zoals de cura rei publicae, de cura kalendarii, iudex, de praefectura imperatoris en de praefectura fabrum.

Vooraleer we onderzoeken in welke mate de curatores dergelijke functies hebben bekleed, leggen we kort uit wat elk van deze functies inhoudt.

De curatores rei publicae waren buitengewone functionarissen die door de keizer werden aangesteld om het beheer van de publieke grond en de publieke bezittingen waar te nemen waardoor het in hun macht lag illegale bezetters van de grond te verjagen[681]; verder stonden zij in voor de verpachting van deze publieke gronden en zij zagen erop toe dat gemeen-schapsgeld nuttig werd besteed en dat schulden aan de gemeente tijdig werden betaald.[682]

De curatores kalendarii werden eveneens door de keizer aangeduid en waren verantwoordelijk voor het toezicht op het rekeningboek van de gemeente.[683]

De iudices van één van de vijf decuria waren rechters die zetelden in de juryrechtbanken.  Tijdens de laatste eeuwen van de Republiek waren deze rechtbanken het onderwerp van strijd tussen de senatoren en de equites.  Vanaf Caesar werd echter een reorganisatie van het recruteringsproces doorgevoerd die werd verdergezet door Augustus en zijn opvolgers waardoor deze rechtbanken meer en meer werden bevolkt door niet-ridders en door provincialen.[684]

De praefectus imperatoris was een keizerlijk afgevaardigde in de gemeente.  Hij werd mogelijk door de keizer zelf aangeduid of door de ordo decurionum wanneer de keizer dit recht tot aanstellen overdroeg.[685]

Over wat de praefectura fabrum precies inhield, bestaat niet echt duidelijkheid.  We weten wel met zekerheid dat men twee soorten praefecti fabri onderscheidde.  Enerzijds kon de praefectus fabrum behoren tot de staf van een militair bevelhebber of een magistraat cum imperio.  Anderzijds bestonden er in de gemeenten ook praefecti fabri die  verbonden wa-ren aan het college van de fabri.[686]

 

4.3.1. Welke rijksfuncties bekleedde de curator in Italië?

 

Onderstaande tabel en diagram geven aan hoeveel curatores een functie op rijksniveau hebben uitgeoefend:

 

Rijks-

Italië

functies

Aantal

%

 CRP

2

1.46

 CK

9

6.57

 Iudex

2

1.46

 PF

9

6.57

 PI

2

1.46

 

 

In totaal heeft 17,52 %  van de curatores één van deze rijksfuncties uitgeoefend.  Dit percentage ligt zeer laag.  Opvallend is het percentage van curatores die praefectus fabrum (6,57 %) en curator kalendarii (6,57 %) zijn geweest.

 

4.3.2. Welke rijksfuncties bekleedde de curator in de provincies?

 

In de provincies werd slechts één curator geattesteerd die een functie op rijksniveau heeft uitgeoefend.  Deze curator was afkomstig uit Hispania en was iudex decuriae IIII.[687] 

 

4.3.4. De municipale curator aangeduid door de keizer

 

Tenslotte willen we nog even de aandacht vestigen op een aantal curatores die door de keizer werden aangeduid om erop toe te zien of het geld dat door hem aan een gemeente was geschonken voor de bestemde doeleinden werd aangewend en om toe te zien op het verloop van de werken die met dit geld werden uitgevoerd.[688]  Door hun aanstelling door de keizer behoort deze groep curatores tot de municipale elite die een functie heeft uitgeoefend op rijksniveau.  Er werden 6 dergelijke curatores geattesteerd, allen in Italië en verspreid over verschillende regio’s[689], waarvan één tweemaal met een soortgelijke cura (wegen) door de keizer werd belast[690].  Het gaat in al deze gevallen om curatores die werden belast met het toezicht op openbare werken en op de aanleg of het onderhoud van wegen.  De eerste keizer die een municipaal curator belastte met deze taak was keizer Claudius.[691]  Het is pas onder de regering van keizer Hadrianus en Antoninus Pius dat we dit soort curatores regelmatig waarnemen.  Keizer Hadrianus duidde drie van deze curatores aan[692], terwijl keizer Antoninus Pius twee curatores aanstelde[693].  De keizerlijke inmenging in gemeentelijke aangelegenheden en in dit geval op het gebied van wegen en openbare gebouwen, wees reeds in de eerste decennia van de 2e eeuw op slechte toestand waarin de gemeentelijke infrastructuur verkeerde.  Men besteedde vaak geld aan het optrekken van nieuwe bouwwerken die het prestige van de gemeente zouden vergroten in plaats van het geld te spenderen aan de renovatie van oude, vervallen bouwwerken.  Daarenboven ging men vaak van start met nieuwe bouwwerken die wegens geldgebrek onafgewerkt bleven en zo het stadsbeeld ontsierden.  De Antonijnen waren de eersten die door middel van een aantal rescripten maatregelen tegen dergelijke wantoestanden uitvaardigden.[694]

Indien hun door de keizer toegewezen curatele functie de enige functie op rijksniveau was, werd deze curator de status 4.1 toegekend.  

 

4.4. BESLUIT

 

Op basis van de geattesteerde curatores die meermaals dezelfde curatele functies of meerdere verschillende curatele functies uitoefenden, kunnen we besluiten dat de municipale curatores behoorden tot de meest welgestelde burgers van de gemeente, mogelijk zelfs kapitaalkrachtiger dan de meeste magistraten.  Dat zij uit de vooraanstaande kringen van de gemeente afkomstig waren, wordt bevestigd door het bekleden van belangrijke priesterfuncties zoals het pontificaat en het flaminaat en dit zowel in Italië als in de provincies.

Van alle patroni die werden geattesteerd door R. Duthoy had slechts 4,65 % een curatele functie uitgeoefend.  Ook hun activiteiten op rijksniveau bleven beperkt.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[584] LANGHAMMER, W., Die rechtliche und soziale Stellung der Magistratus municipales und der Decuriones, pp.240-1.

[585] Een munus mixtum hield het midden tussen een munus personale en een munus patrimonii.  Een munus patrimonii was verbonden met het bezit van onroerende goederen binnen de gemeente en vormde een soort vermogensbelasting.  Deze munera hielden verplichtingen in met betrekking tot het vermogen van diegene die met de munus was belast.  Alvorens een munus patrimonii aan iemand werd toegekend, onderzocht men diens financiële capaciteit om te controleren of het vermogen van die bepaalde persoon voldoende groot was om de munus te kunnen dragen.  In het geval dit niet kon, werd die persoon voorlopig vrijgesteld van zijn taak tot zijn vermogen wel in staat was een dergelijke last te kunnen dragen.  Dit betekende echter niet dat hij niet meer moest voldoen aan zijn verplichtingen wat de munera personalia betrof.  De munera patrimoniorum werden toegekend aan personen-possessores vanaf 13 jaar. 

[586] LANGHAMMER, W., Die rechtliche und soziale Stellung der Magistratus municipales und der Decuriones, p.245.

[587] LANGHAMMER, W., Die rechtliche und soziale Stellung der Magistratus municipales und der Decuriones, p.262.

[588] LANGHAMMER, W., Die rechtliche und soziale Stellung der Magistratus municipales und der Decuriones, p.242.

[589] Dig. 50.4.10: ‘Honorem sustinenti munus imponi non potest: munus sustinenti honor deferri potest.

[590] LANGHAMMER, W., Die rechtliche und soziale Stellung der Magistratus municipales und der Decuriones, p.243.

[591] CIL XIV, 171 (I.6.); CIL XIV, 4457 (I.7.); CIL XIV, 172 (I.8.) ; CIL X, 1791 (I.9.); CIL XIV, 3014 (I.12.).

[592] LANGHAMMER, W., Die rechtliche und soziale Stellung der Magistratus municipales und der Decuriones, pp.243-4.

[593] CIL XIV, 171 (I.6.); CIL XIV, 4457 (I.7.); CIL XIV, 172 (I.8.) ; CIL X, 1791 (I.9.); CIL XIV, 3014 (I.12.); CIL X, 1491 (I.60.); CIL X, 1805 (I.65.); AE 1986, 195 (I.75.); CIL IX, 690 (I.78.); CIL X, 226 (I.85.); CIL IX, 2655 (I.87.); CIL IX, 5016 (I.111.); CIL XI 4579 (I.118.); AE 1990, 342 (I.126.); CIL XI, 3382 (I.134.).

[594] CIL XIV, 171 (I.6.); CIL XIV, 4457 (I.7.).

[595] CIL XIV, 172 (I.8.) ; CIL X, 1791 (I.9.).

[596] AE 1986, 195 (I.75.).

[597] CIL X, 1805 (I.65.).

[598] CIL XIV, 3014 (I.12.); CIL X, 1491 (I.60.); CIL IX, 690 (I.78.); CIL X, 226 (I.85.); CIL IX, 2655 (I.87.); CIL IX, 5016 (I.111.); AE 1990, 342 (I.126.); CIL XI, 3382 (I.134.).

[599] CIL XI 4579 I.118.).

[600] CIL XIV, 3014 (I.12.).

[601] CIL XIV, 171 (I.6.); CIL XIV, 4457 (I.7.).

[602] CIL XIV, 172 (I.8.) ; CIL X, 1791 (I.9.).

[603] CIL XIV, 3014 (I.12.).

[604] CIL XIV, 3014 (I.12.).

[605] CIL XIV, 172 (I.8.) ; CIL X, 1791 (I.9.); CIL XIV, 3014 (I.12.); CIL X, 1491 (I.60.); CIL IX, 690 (I.78.); CIL X, 226 (I.85.); CIL IX, 2655 (I.87.); CIL IX, 5016 (I.111.;) CIL XI 4579 (I.118.); AE 1990, 342 (I.126.).

[606] CIL X, 1805 (I.65.).

[607] CIL XIV, 171 (I.6.); CIL XIV, 4457 (I.7.).

[608] CIL XIV, 171 (I.6.); CIL XIV, 4457 (I.7.).

[609] CIL X, 1805 (I.65.).

[610] CIL XI 3382 (I.134.).

[611] AE 1986, 195 (I.75.).

[612] CIL XIV, 3014 (I.12.).

[613] CIL XIV, 171 (I.6.); CIL XIV, 4457 (I.7.); CIL XIV, 172 (I.8.); CIL X, 1791 (I.9.); CIL IX, 690 (I.78.); CIL IX, 2655 (I.87.); CIL XI 4579 (I.118.).

[614] CIL X, 1491 (I.60.).

[615] CIL X, 1805 (I.65.).

[616] AE 1986, 195 (I.75.); CIL X, 226 (I.85.); CIL IX, 5016 (I.111).

[617] CIL XI 3382 (I.134).

[618] Ostia (LV): CIL XIV, 171 (I.6.); CIL XIV, 4457 (I.7.); CIL XIV, 172 (I.8.) ; CIL X, 1791 (I.9.), Praeneste (LV): CIL XIV, 3014 (I.12.), Neapolis (CA): CIL X, 1491 (I.60.), Puteoli (CA): CIL X, 1805 (I.65.); Canusium (II): AE 1986, 195 (I.75); Herdoniae (II): CIL IX, 690 (I.78.); Grumentum (III): CIL X, 226 (I.85.); Aesernia (IV): CIL IX, 2655 (I.87.); Hadria (V): CIL IX, 5016 (I.111.); Carsulae (VI): CIL XI 4579 (I.118.); Fabrica di Roma (VII): (I.126.); Tarquinii (VII): CIL XI 3382 (I.134.).

[619] 2 in Ostia (LV): CIL XIV, 171 (I.6.); CIL XIV, 4457 (I.7.); CIL XIV, 172 (I.8.) ; CIL X, 1791 (I.9.),1 in Praeneste (LV: I.12.), 1 in Neapolis (CA: I.60.) en 1 in Puteoli (CA: I.65.).

[620] REYNOLDS J.M. & WARD PERKINS J.B.: The Inscriptions of Roman Tripolitania, London, s.d., 263 (P.8.);  EE VII, 916 (P.30.).

[621] REYNOLDS J.M. & WARD PERKINS J.B.: The Inscriptions of Roman Tripolitania, London, s.d., 263 (P.8.);

[622] EE VII, 916 (P.30.).

[623] CIL XIV, 375 (I.3.); CIL XIV, 376 (I.4.); CIL XIV, 171 (I.6.); CIL XIV, 4457 (I.7.); CIL XIV, 3014 (I.12.); CIL XIV, 2972 (I.13.); CIL XIV, 2922 (I.16.); CIL X, 4873 (I.57.); CIL X, 3910 (I.58.); AE 1983, 193 (I.67.); CIL IX, 3922 (I.89.); CIL IX, 3923 (I.90.); AE 1984, 360 (I.91.); CIL IX, 3949 (I.92.); CIL XI, 3258 (I.132.).

[624] CIL XIV, 171 (I.6.); CIL XIV, 4457 (I.7.); CIL XIV, 3014 (I.12.).

[625] CIL XIV, 375 (I.3.).

[626] CIL XIV, 376 (I.4.).

[627] CIL X, 4873 (I.57.).

[628] CIL XI, 3258 (I.132.).

[629] CIL XIV, 2922  (I.16.).

[630] CIL X, 3910 (I..58).

[631]  CIL XIV, 171 (I.6.); CIL XIV, 4457 (I.7.); AE 1983, 193 (I.67.).

[632] CIL XIV, 3014 (I.12.); CIL XIV, 2972 (I.13.).

[633] CIL IX, 3922 (I.89.).

[634] CIL IX, 3949 (I.92.).

[635] AE 1984, 360 (I.91.).

[636] De indeling werd hier niet gemaakt op basis van de verschillende curae binnen de categorie van het voedsel, maar op basis van de gehele categorie.  Met verschillende curae met betrekking tot het voedsel wordt bedoeld dat de persoon in kwestie een cura annonae had uitgevoerd en daarnaast een cura die specifiek te maken had met het geld uit de keizerlijke voedselkas.

[637] CIL IX, 3923 (I.90.).

[638] CIL XIV, 375 (I.3.); CIL XIV, 3014 (I.12.); CIL X, 3910 (I.58.); CIL IX, 3922 (I.89.); CIL IX, 3923 (I.90.); AE 1984, 360 (I.91.); CIL IX, 3949 (I.92.); CIL XI, 3258 (I.132.).

[639] CIL XIV, 376 (I.4.); CIL XIV, 2972 (I.13.).

[640] CIL IX, 3923 (I.90.).

[641] AE 1983, 193 (I.67.).

[642] CIL XIV, 171 (I.6.); CIL XIV, 4457 (I.7.); CIL X, 4873 (I.57.).

[643] CIL XIV, 2922 (I.16.).

[644] CIL XIV, 3014 (I.12.); CIL IX, 3949 (I.92.).

[645] CIL XIV, 376 (I.4.); CIL XIV, 171 (I.6.); CIL XIV, 4457 (I.7.); CIL XIV, 2922 (I.16.); CIL X, 4873 (I.57.); CIL IX, 3922 (I.89.); CIL IX, 3923 (I.90.) .

[646] CIL X, 3910 (I.58.); CIL XI, 3258 (I.132.).

[647] CIL XIV, 2972 (I.13.).

[648] CIL XIV, 375 (I.3.); AE 1983, 193 (I.67.).

[649] AE 1984, 360 (I.91.).

[650] Latium Vetus: CIL XIV, 375 (I.3.); CIL XIV, 376 (I.4.); CIL XIV, 171 (I.6.); CIL XIV, 4457 (I.7.); CIL XIV, 3014 (I.12.); CIL XIV, 2972 (I.13.); CIL XIV, 2922 (I.16.), Campania: CIL X, 4873 (I.57.); CIL X, 3910 (I.58.); AE 1983, 193 (I.67.).

[651] CIL IX, 3922 (I.89.); CIL IX, 3923 (I.90.); AE 1984, 360 (I.91.); CIL IX, 3949 (I.92.).

[652] CIL XI, 3258 (I.132.).

[653] LANGHAMMER, W., Die rechtliche und soziale Stellung der Magistratus Municipales und der Decuriones, p.160.

[654] Wij hebben ervoor gekozen de referenties naar de nummers in het corpus en de prosopografie hier niet bij elke letter van het classificatiesysteem op te sommen.  Wij verwijzen hiervoor naar hoofdstuk VI waar voor elke categorie bij elke letter de referenties naar de nummers in het corpus en de prosopografie werden vermeld.

[655] Wij hebben ervoor gekozen de referenties naar de nummers in het corpus en de prosopografie hier niet bij elke letter van het classificatiesysteem op te sommen.  Wij verwijzen hiervoor naar hoofdstuk VI waar voor elke categorie bij elke letter de referenties naar de nummers in het corpus en de prosopografie werden vermeld.

 

[656] LANGHAMMER, W., Die rechtliche und soziale Stellung der Magistratus Municipales und der Decuriones, pp.188-9.

[657] CIL X, 4643 (I.56.).

[658] ILS 6742 (I.147.).

[659] MARQUARDT, J., L’Organisation de l’empire romain, I, pp.202-3.

[660] MARQUARDT, J., L’Organisation de l’empire romain, I, pp.204-5.

[661] CIL X, 5714 (I.51.); CIL X, 3910 (I.58.); CIL IX, 4519 (I.94.); AE 1991, 535 (I.98.); CIL IX, 3385 (I.100.); CIL IX, 3384 (I.101.); CIL IX, 3437 (I.102.); CIL IX, 3434 (I.103.); CIL V, 2504 (I.138.); CIL V, 2861 (I.140.); AE 1953, 33 (I.141.).

[662] CIL XII, 1529 (P.18.).

[663] DUTHOY, R., Sens et fonction du patronat municipal durant le Principat, Antiquité Classique, 1986 (27), p.150.

[664] CIL XIV, 4244 (I.21); CIL XIV, 3601 (I.22.); CIL XIV, 3609  (I.23.); CIL XIV, 3599 (I.30.); CIL XIV, 3610 (I.32.).  Dit waren allen personen die curator fani Herculis Victoris waren geweest.

[665] CIL XIV, 171 (I.6.); CIL XIV, 4457 (I.7.); CIL XIV, 2922 (I.16.); CIL X, 6090 (I.49.); CIL X, 4873 (I.57.); CIL XIV, 4244 (I.21); CIL XIV, 3601 (I.22.); CIL XIV, 3609 (I.23.).

[666] CIL XIV, 4457 (I.7.); CIL XIV, 3674 (I.24.) ; CIL XIV, 3650 (I.26.) ; CIL X, 6555 (I.53.) ; CIL IX, 2600 (I.107).

[667] CIL XIV, 4258 (I.31.); CIL X, 6094 (I.48.); CIL IX, 804 (I.79.); CIL IX, 1160 (I.80.); CIL X, 451 (I.84.); CIL IX, 2655 (I.87.);  CIL XI, 4579 (I.118.); CIL XI, 417 (I.137.).

[668] DUTHOY, R., Le profil social des patrons municipaux en Italie sous le Haut-Empire, in: Ancient Society, 1984-1986, 15-17, pp.121-154.  Wij hebben ons voor de cijfergegevens gebaseerd op de tabel op p.132.

[669] Dit cijfer werd berekend op basis van het totaal aantal geattesteerde patroni in het artikel van R. Duthoy.

[670] MARQUARDT, J., L’Organisation de l’empire romain, I, pp.242-6.

[671] MARQUARDT, J., L’Organisation de l’empire romain, I, p.241.

[672] LADAGE, D., Städtischen Priester-und Kultämter im Lateinischen Westen des Imperium Romanum zur Kaiserzeit, p.53.

[673] MARQUARDT, J., L’Organisation de l’empire romain, I, p.240.

[674] LADAGE, D., Städtischen Priester-und Kultämter im Lateinischen Westen des Imperium Romanum zur Kaiserzeit, p.99.

[675] CIL VIII, 24 (P.10.) CIL XII, 1585 (P.15.) CIL XII, 1529 (P.18.) CIL II, 4610 (P.23.) CIL II, 4248 (P.24.) CIL II, 4202 (P.25.) ALFÖLDY, G. : Die römischen Inschriften von Tarraco, pp.402-3, nr.922 (P.26.).

[676] CIL II, 4610 (P.23.) CIL II, 4248 (P.24.) CIL II, 4202 (P.25.) ALFÖLDY, G. : Die römischen Inschriften von Tarraco, pp.402-3, nr.922 (P.26.). Voor de rest 2 uit Gallia Narbonnensis: CIL XII, 1585 (P.15) CIL XII, 1529 (P.18) en 1 uit Africa: CIL VIII, 24 (P.10.).

[677] LADAGE, D., Städtischen Priester-und Kultämter im Lateinischen Westen des Imperium Romanum zur Kaiserzeit, p.89.

[678] MARQUARDT, J., L’Organisation de l’empire romain, I, p.242.

[679] CIL XIV, 373 (I.5.); CIL X, 3759 (I.55.); CIL X, 1805 (I.65.); CIL X, 1578 (I.69.).  

[680] CIL VIII, 1225 (P.6.); CIL II, 4248 (P.24.).

[681] COMPARETTE, T.L., The Reorganization of the municipal administration under the Antonines, in: American Journal of Philology, 27, 1906, p.176.

[682] LIEBENAM, W., Städteverwaltung im römischen Kaiserreiche, p.481.

[683] LIEBENAM, W., Städteverwaltung im römischen Kaiserreiche, p.482.

[684] DEMOUGIN, S., Les juges des cinq décuries originaires de l’Italie, in: Ancient Society, 6, 1975, p.143.

[685] LANGHAMMER, W., Die rechtliche und soziale Stellung der Magistratus Municipales und der Decuriones, p.213.

[686] DOBSON, B., The praefectus fabrum in the early Principate, in: Britain and Rome. Essays presented to E. Birley on his sixtieth birthday, pp.61-84.

[687] ALFÖLDY, G. : Die römischen Inschriften von Tarraco, pp.402-3, nr.922 (P.26.).

[688] CIL XIV, 3607 (I.18.); CIL X, 1266 (I.61.); CIL IX, 1419 (I.72.); CIL IX, 1160 (I.80.); CIL IX, 2655 (I.87.); CIL XIV, 3544 (I.120.); CIL XIV, 4244 (I.121.).

[689] CIL XIV, 3607 (I.18.): Latium Vetus;  CIL X, 1266 (I.61.): Campania; CIL IX, 1419 (I.72.); CIL IX, 1160 (I.80.): regio II; CIL IX, 2655 (I.87.): regio IV; CIL XIV, 3544 (I.120.); CIL XIV, 4244 (I.121.): regio VI.

[690] CIL IX, 2655 (I.87.).

[691] CIL XIV, 3607 (I.18.).

[692] (I.72.) (I.80.) CIL IX, 2655 (I.87.).

[693] CIL IX, 2655 (I.87.) CIL XIV, 3544 (I.120.); CIL XIV, 4244 (I.121.).

[694] COMPARETTE, T.L., The Reorganization of the municipal administration under the Antonines, in: American Journal of Philology, 27, 1906, p.171.