Bethune & fils: linnenhandel Kortrijk, 1735-1856. Voorbereidend onderzoek ter ontsluiting van het handelsarchief, bewaard op het kasteel De Bethune te Marke. (Annik Adriaenssens)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL 1: ACHTERGRONDINFORMATIE IN LINNENCONTEXT

 

IV. DE BELGISCHE LINNENNIJVERHEID: een uitdieping.

 

In ons vorig hoofdstuk, waarin wij de geschiedenis van Kortrijk belichtten, hebben wij de nadruk gelegd op de rol die het vlas speelde in de economische ontwikkelingen van deze stad. Zijdelings hebben wij ook reeds aangestipt dat de Leistreek, en meer bepaald Kortrijk in het bijzonder, evenwel niet mag gezien worden als de bakermat van de vlascultuur in ons land. Noch is het zo dat zij de vlas- en linnenindustrie, evenmin als de lijnwaadhandel in ons land, ten allen tijde zou hebben gedomineerd. Om Kortrijk en omstreken beter te kunnen kaderen in het totaalbeeld en haar de werkelijke plaats toe te kennen die ze verdient, willen wij nu dieper ingaan op het wordingsverhaal van de vlascultuur in het huidige België. Omdat het belang van de linnennijverheid slechts kan afgemeten worden aan de impact van haar producten op het buitenland, zullen wij hierbij de evoluties in de nijverheid steeds koppelen aan die van de in- en/of uitvoer die werd gerealiseerd. [287]

In deze “status quaestionis” willen wij, voor goed begrip, het volledige verhaal van de handnijverheid vertellen, m.a.w. van bij de eerste kiemen tot de finale ondergang. Vermits op het einde van de 19e eeuw deze ambachtelijke industrie nagenoeg was uitgestorven en ons onderzoeksonderwerp slechts de scharnierperiode 1750-1850 omvat, zullen wij niet dieper ingaan op de 20e eeuw. Dat die eeuw wél belangrijk was voor de Leiestreek, hebben we gezien in de geschiedenis van Kortrijk. Voor de rest van ons land speelde de vlasnijverheid toen geen rol van betekenis meer.

 

1. De genese van de vlascultuur in België.

 

Spinnen en weven van vlas was in West-Europa bekend vanaf het derde millenium B.C. Maar de feitelijke “wieg” van de linnennijverheid in de Zuidelijke Nederlanden moet zonder twijfel worden gelokaliseerd in de streek tussen Boulogne en Ieper, meer bepaald het toenmalige grondgebied van de Keltische Morini.

Reeds in 200 B.C. schreef Plautus: “Gallië is bedekt met linnenwerkhuizen” en 280 jaar later loofde Plinius in zijn Historia Naturalis het linnen van de Morinen nog steeds als het “mooiste linnen dat hij ooit door vrouwen had zien dragen” . Bekend is ook dat “Gallische servetten” ruim aftrek genoten in het Rome van keizer Diocletianus (eind 3e eeuw) en dat die wellicht afkomstig waren uit de ateliers van de Morinen.

 

Sommige vorsers associëren zelfs de naam België met het Keltisch woord belc’h, wat “vlas” betekent. [288]

Hoewel ongetwijfeld de val van het Romanum Imperium de uitvoer en wellicht ook de productie van linnen moet hebben afgeremd, kan de “crisis” niet lang aangesleept hebben vermits ook de binnenvallende Germanen en Franken vlastelers waren. [289] Vast staat dat de vlascultuur zich in de volgende eeuwen volop verspreidde naar de rest van Vlaanderen en vooral naar het Henegouwse waar de teelt en de bewerking binnen het stelsel van de wereldlijke én kerkelijke domaniale economie zeer sterk werden gestimuleerd. Ook tijdens de Karolingische periode lag het zwaartepunt zonder twijfel in Henegouwen, waarbij de productie van linnen nog steeds moet gesitueerd worden binnen het autarkisch systeem van de domeinen: van verhandeling van linnen weefsels was vóór de 10e – 11e eeuw nergens sprake.

De opkomst van de steden zou voor een kentering op dat vlak zorgen. De productie bleef nog wel uitsluitend een lokale landelijke aangelegenheid, maar voortaan werd linnen ook aan de man gebracht op de stedelijke markten (vb. Atrecht reeds in 1036). In de 12e eeuw zette deze tendens zich verder: in vergelijking evenwel met Frankrijk en Duitsland waar men toen reeds van een bloeiende handel mocht gewagen, bleef het hele vlasbedrijf in onze streken nog erg marginaal. Wellicht moet een en ander worden gerelateerd aan de sterke opkomst van de stedelijke wolnijverheid. [290]

 

2. De evolutie tot grootindustrie en exportbedrijf.

 

De 13e eeuw wordt gekenmerkt door twee fenomenen: enerzijds de uitbreiding van het vlasareaal naar andere regio’s in de Zuidelijke Nederlanden, meer bepaald Limburg, de Antwerpse Kempen, Brabant, Luxemburg en Namen. Anderzijds het opduiken van linnenweverij in verschillende steden in Artesië, Frans- en Vlaams-Vlaanderen. Steden als Dowaai, Rijsel, St. Omaars, Valencijn, Kamerijk, Bergen en Nijvel groeiden uit tot belangrijke centra. Doornik en Kortrijk specialiseerden zich

reeds in fijn tafellinnen en het St. Pietersdorp (Gent) genoot ruime bekendheid voor zijn “tijken”. [291] Ook in Gent zelf, in Ieper, Oudenaarde, Brugge en in Leuven wordt een beperkte industrie gesignaleerd.

Doch het belang van deze fenomenen mag niet worden overschat: hoewel “ in de XIIIe eeuw de linnenindustrie stevig gevestigd (werd) in een groot aantal steden, waarvan de meeste blijvende centra zouden zijn [292], blijken slechts Henegouwen en Kamerijk werkelijk belangrijke regio’s geweest te zijn. Elders bleef het ganse vlasbedrijf een kleine bijverdienste naast de steeds machtiger wordende lakennijverheid. En hoewel na 1250 ook de uitvoer vanuit enkele “Walsche” steden op gang kwam richting Engeland, Frankrijk en Genua, kon die onmogelijk concurreren met de superioriteit van de wijd vermaarde “Champenoises” en de Duitse weefsels die toen de Europese markt overspoelden.

In de 14e eeuw kwam de Henegouwse vlasnijverheid tot grote bloei. Het vervaardigen van linnen was nog grotendeels een landelijke aangelegenheid, maar vanuit enkele stedelijke centra – Ath op kop – zou het lijnwaadbedrijf uitgroeien tot grootindustrie via het invoeren van fabrikage-reglementen en markttoezicht op stapelmarkten. Het aldus gekeurd en gezegeld linnen, met uniforme afmetingen en weefwijze, kon nu pogingen ondernemen om een plaatsje te veroveren op de buitenlandse markten. Men verkocht aan Frankrijk en Duitsland, maar de meeste interesse kwam van Engelse zijde. Via de jaarmarkten van Antwerpen en Bergen-op-Zoom en de haven van Brugge werd het linnen aangeboden en verscheept.

Pionier voor de handel met Engeland blijkt Brabant te zijn geweest. In de 13e eeuw had zich namelijk in Nijvel een fijnlinnenindustrie ontwikkeld die zich kwalitatief stilaan met die van Reims en omstreken kon meten. Bovendien werd vrij snel een en ander industriëel georganiseerd, zodat zij in de 15e eeuw, bij het verval van de Champagne-nijverheid, het pleit gemakkelijk zou winnen.

Daarnaast voerde ook Kamerijk haar befaamde “molekijnen” (= fijn lijnwaad) uit naar Engeland, waarvoor eveneens stricte richtlijnen waren uitgewerkt.

 

Vlaanderen werd in die tijd nog overspoeld door Duits linnen. Enkel Rijsel en Dowaai waagden zich aan export ; elders werd de productie de vrije hand gelaten zodat de producten niet in aanmerking kwamen voor internationale verkoop.

 

In de 15e eeuw ging ook Vlaanderen, rijkelijk láát, de exporttoer op. De eerste reglementeringen werden ingevoerd in de tijk-branche, de specialiteit van Gent en Brugge. In plaats van nog langer in te voeren uit Frankrijk en Duitsland kwam nu een omgekeerde beweging op gang en daarbij voegden zich ook Italië en Engeland als afzetgebieden. De vlasbouw werd opgevoerd en het Land van Dendermonde, het Land van Waas, het Hulsterambacht en vooral het Land van Aalst, met een uitloper naar de streek van Oudenaarde, groeiden uit tot de vlasschuren van Vlaanderen. In dit laatste gebied (Aalst – Oudenaarde) floreerde ook de linnenweverij die volledig gericht was op verhandeling via Henegouwen.

Parallel werd de landelijke linnenweverij gestimuleerd door het stedelijk draperie-monopolie: laken mocht immers niet in de dorpen rond de grote steden worden geweven en door de stijgende bevolkingsgroei, gekoppeld aan steeds voortschrijdende grondverkaveling, moest de toenemende massa keuterboeren noodgedwongen op zoek gaan naar een aanvulling van haar inkomen. Wanneer de graanoogst was binnengehaald schakelde een groot deel van de plattelandsbevolking over op het spinnen en weven van vlas, thuis in familieverband. Vaak gebeurde dit in opdracht van stedelijke ambachtsmeesters zodat de productie steeds meer op de stad werd georiënteerd. Opmerkelijk is dat de Leiestreek, althans tot ca. 1460, nog geen tekenen van interesse vertoonde. Enkel rond Tielt, in de Mandelvallei, viel enige activiteit in die zin te bespeuren.

Gent begon een centralizerende rol te spelen in de Vlaamse linnenhandel met het oog op de aanzwellende export naar Engeland ; toch slaagde ze er niet in een stapelmonopolie in de wacht te slepen door tegenstand van Kortrijk dat zich, van zodra óók de Leiestreek het vlas had ontdekt, als globaliserende linnenmarkt wenste te profileren. De jaren van opstand tegen Maximiliaan van Oostenrijk aan het eind van de eeuw veroorzaakten een inzinking in de gehele Vlaamse linnenindustrie. Deze depressie was evenwel slechts een tijdelijke terugval van waaruit de opmerkelijke opbloei in de 16e eeuw zou ingezet worden.

Samenvattend laten we E. Sabbe aan het woord: “ Terwijl in Henegouwen de lijnwaadhandel in de steden was gekoncentreerd waar de wevers hun weefsels leverden, heerste in Vlaanderen een gemengde, half-stedelijke half-landelijke, lijnwaadhandelsorganizatie… Eerst in het midden van de XVIe eeuw zou de Vlaamse exportlinnenhandel met landelijk produktiegebied zijn koncentratie in de stad voltrekken. “ [293]

 

* DE “MYTHE” PIRENNE.

Rest ons, ter afsluiting van dit hoofdstukonderdeel, nog even in te gaan op het waarom van de geschetste evoluties. Een klassiek geworden “mythe” werd door H. PIRENNE de wereld in gestuurd toen hij in zijn “Histoire de Belgique” poneerde dat in Vlaanderen de vlasnijverheid de fakkel overnam toen de fameuse Vlaamse draperie bezweek onder de Engelse concurrentie, dus in de 15e eeuw. Pas in de daaropvolgende eeuw zou de export vanuit ons land op gang zijn gebracht, voortgetrokken door het superieure, in de Leie geroot Vlaams kwaliteitsvlas.

Deze stelling werd door latere onderzoekers, inzonderheid E. SABBE, onderuit gehaald.

1. De wolnijverheid in Vlaanderen was een karakteristieke stedelijke industrie, sterk georganizeerd en op export gericht. Het monopolie van de belangrijkste wolcentra was zo compleet dat het strict verboden was op het omringende platteland laken te weven. Juist omwille van dit monopolie was te lande een linnenindustrie opgebloeid die helemaal niet was gereglementeerd en zich quasi uitsluitend richtte op lokale verkoop. Zij bezat dus noch de infrastructuur, noch de organizatie van een grootindustrie die een vlugge omschakeling op linnenexport praktisch mogelijk had kunnen maken. De stedelijke wolcentra bezaten die infrastructuur wél, maar zij droomden van een nieuwe wolopbloei en investeerden liever in de “nieuwe draperie”. Op te merken valt ook dat in de sterkste wolcentra, zoals vb. Gent en Ieper, de linnennijverheid zich nooit sterk ontwikkeld heeft.

2. Toen in Vlaanderen de interesse voor het linnenbedrijf opdook volgde zij slechts het voorbeeld van Henegouwen, Nijvel en Kamerijk die haar hierin sinds eeuwen waren voorafgegaan. In die streken was de linnennijverheid wél uitgegroeid tot een exportindustrie zodat men niet kan stellen dat de linnenexport pas in Vlaanderen op gang kwam in de 16e eeuw.

3. De voortrekkersrol van de Leiestreek is helemaal een fabeltje vermits deze regio zowat als laatste in de rij belangstelling voor vlas ging vertonen en het kwalitatief superieur in-de-Leie-geroot vlas pas in de 19e eeuw een rol kon gaan spelen, gezien het Leieroten tot die tijd zondermeer verboden was. [294]

Volgens E. SABBE lijkt het daarom veel aanneemlijker de cruciale factor voor de opkomst van een grootlinnenindustrie in Vlaanderen én van de opbloei van de reeds bestaande Zuidnederlandse centra te relateren aan de Honderdjarige Oorlog (1337-1435) die de ondergang van de voor linnen wereldvermaarde Champagnestreek teweegbracht. Door het oorlogsgeweld moesten immers de bloeiende Jaarmarkten worden opgedoekt bij gebrek aan klanten en werd zowat de gehele Franse lijnwaadnijverheid vernield. Toevallig was in die zelfde periode in de vlakbij liggende Zuidelijke Nederlanden een grootlinnenindustrie ontstaan, waarvan de door Henegouwen, Kamerijk en Nijvel aangeboden kwaliteit de vergelijking met het Champagnelinnen moeiteloos kon doorstaan. Voor de vele Engelse, Duitse, Italiaanse en zelfs Franse traditionele Champagnekopers was de overstap naar ons aanbod, op een boogscheut van Reims en Troyes, dan ook evident. M.a.w.: het Zuidnederlandse linnen heeft gewoon de plaats ingenomen op de internationale markten van de “Champenoises” toen die niet langer beschikbaar waren.

Vlaanderen nam aan dit proces nauwelijks deel vermits hier de omschakeling van lokale nijverheid naar grootindustrie nog in haar kinderschoenen stond en van de Leiestreek als vlasgebied zelfs nog géén sprake was. [295]

Een belangrijke kanttekening dient hier echter te worden gemaakt. De Jaarmarkten van Champagne hadden hun omzet reeds zien dalen tijdens de 13e eeuw omdat de Hertogen van Bourgogne in Chalon een jaarmarkt hadden op poten gezet die de “Champenoises” snel naar de kroon ging steken. Wanneer in 1309 de Paus zich in Avignon vestigde groeide het belang van Chalon zienderogen zodat de perikelen van de Honderdjarige Oorlog hooguit als een finale doodsteek moeten worden gezien. Bovendien had de Champagnestreek reeds veel van haar pluimen verloren toen de directe “Grote Omvaart”-verbinding overzee rond 1270-1280 tot stand kwam tussen de Italiaanse havens en Brugge. [296]

 

Terecht merkt J.A. VAN HOUTTE op dat de landelijke vlasnijverheid profiteerde van de toenemende export van de opkomende eveneens landelijke “lichte” draperie. De vraag naar goedkopere weefsels nam immers toe, parallel met de verlegging van het economisch zwaartepunt van de Mediterrane regio naar het noorden, op haar beurt veroorzaakt door de opkomst van de zeeroute tussen Italië en de Nederlanden via Gibraltar. [297]

Wel is waar dat de toevallige samenloop van omstandigheden, nl. de teloorgang van de traditionele lakennijverheid en de gelijktijdig opkomende grootlinnenindustrie, ons land behoed heeft voor een al te grote economische terugval. De verliezen in de ene tak van de textielindustrie werden aldus enigermate gecompenseerd door de winsten in een andere tak. Tijdens de volgende eeuwen zou de vlasnijverheid in het Vlaamse land zich ontwikkelen tot dé sleutelindustrie van onze nationale economie en hierin een even grote plaats veroveren als de lakennijverheid voordien. [298] Toch zou naar onze mening het verpletterend overwicht van de Vlaamse draperie op de wereldmarkten, dat eeuwenlang kenmerkend was - zeker tot aan de Bourgondische periode - door het linnen niet worden geëvenaard. [299] Er begon immers een “nieuwe tijd” met “moderner” maar tevens moeilijker economische wetten en spelregels. Dit wordt meteen duidelijk wanneer we de perikelen van de 16e eeuw nader bekijken.

 

3. De Zuidnederlandse vlasnijverheid in de 16e eeuw.

 

De 16e eeuw wordt, wat linnen betreft, gekenmerkt door een opmerkelijke groei tot 1570-1580, in de eerste plaats van de Vlaamse nijverheid, gevolgd door een bijna fatale crisis. We zetten de verschillende factoren die hiertoe bijdroegen even op een rij:

 

a. DE OPBLOEI VAN DE VLAAMSE LINNENNIJVERHEID

 

Vanaf het begin van de eeuw verschoof het zwaartepunt van het vlasbedrijf in ons land zienderogen van Henegouwen naar Vlaanderen en in mindere mate ook naar Brabant. De reden hiervoor moet worden gezocht in het feit dat Antwerpen zich toen kon opwerken tot dé internationale handelsmetropool en hét financiëel centrum van Keizer Karels immense rijk, steunend op een prima gelegen haven “at the confluence of overland and maritime routes” [300], naast stapelrechten op specerijen, suiker en Engels laken en een wereldvermaarde permanente Jaarmarkt: een transito-markt van waaruit “de uitbouw van een dynamische wereldeconomie onder Habsburgse hegemonie werd georganiseerd “ en waarbij zij haar hoogste bloei te danken had aan de recent ontstane Spaans-Amerikaanse afzetmarkt. Meteen vond ook de groeiende linnenindustrie de geschikte laadkaden om haar producten naar Spanje te verschepen, van waaruit die dan verder werden aan de man gebracht in de Nieuwe Wereld. [301] Immers: “het vertrekpunt van de stijging der lijnwaadaksijnzen valt verrassend samen met de ontluiking (1505-1520) van de handel op Amerika” [302]. De Vlaamse vlasnijverheid heeft haar forse aangroei dus in de eerste plaats te danken aan het simpele feit dat Spanje, met wie wij dezelfde vorst deelden, op zeer korte tijd een “dikke” afnemer werd van “Hollands linnen” (Vlaams linnen gebleekt in Haarlem) dat inmiddels de weg naar de belangrijkste intermediair tussen Oost- en West Europa met Sevilla en tevens dé export-haven en vogue had gevonden.

Terecht wijzen andere auteurs op het feit dat de ontdekking van Amerika niet alleen de volle verantwoordelijkheid droeg voor de opbloei van de linnenindustrie in onze contreien. [303] “ De dynamiek van de Zuidnederlandse nijverheid werd ongetwijfeld in eerste instantie door de exportvraag bepaald. Het was echter de groeiende binnenlandse markt die haar een stevige basis bezorgde…(steunend op) snelle demografische expansie…en… urbanisatie”. [304] De late middeleeuwen kenmerkten zich immers door een aanhoudende demografische groei en een algeheel commerciëel en industriëel reveil in West-Europa, parallel met fors gestegen lonen en een toenemende levensstandaard. [305] Zowel op de binnenlandse als buitenlandse Europese markten, van Engeland tot Spanje, was de “vraag” reeds sterk gestegen toen de koloniale mogelijkheden zich aanboden.

De toenemende klandizie van Spanje en haar kolonies, evenals de intern Europese, heeft de geografische verspreiding van de Zuidnederlandse vlasnijverheid – en de Vlaamse in het bijzonder – in de hand gewerkt. De teeltuitbreiding situeerde zich vooral in de Leiestreek en in het gebied tussen Schelde en Leie, terwijl ook de bestaande industriegebieden naar mekaar toegroeiden en zich aaneen sloten tot één geheel. Henegouwen produceerde verder maar werd meer en meer door de Vlaamse nijverheid overvleugeld vermits zij zich te laat realizeerde dat haar stricte reglementen – opgelegd door stapelmonopoliecentrum Ath – haar kansen op deelname aan de Spaans-Amerikaanse trafiek van goedkoper lijnwaad beknotten. Inmiddels begon ook de Nijvelse fijnlinnenweverij tekenen van verval te tonen: toch slaagde ze erin haar producten verder te verkopen aan de Engelsen. ‘s Hertogenbosch en Herentals evenwel ontwikkelden zich tot nieuwe Brabantse centra, gericht op de koloniale handel.

Kortrijk specializeerde zich verder in de damastweverij. Aanvankelijk was zij begonnen met het inweven van geometrische figuren in haar fijn tafellinnen. Dankzij technische vernieuwingen kon zij aan haar gamma van decoratieve elementen bloemmotieven toevoegen die de weg openden voor een ware kunstindustrie met hooggewaardeerde gefigureerde en gehistoriëerde taferelen, waarover Sanderus vol lof zou schrijven in zijn Flandria Illustrata (17e eeuw). Brugge hield zich vooral bezig met het verven van bokraan (= blauw linnen) maar moest op dat vlak vaak de duimen leggen voor de fel gewaardeerde Yseghemsche blaeukens. De streken rond Gent, Dendermonde, Brugge en Oudenaarde zagen méér brood in het vervaardigen van smallekins, die rond Brussel en Turnhout in het weven van tijk, terwijl Doornik rustig verder ging met de reeds lang gereputeerde productie van haar schoonlakens en servetten. Oudenaarde en Gent legden zich ook toe op het twijnen van “wit garen” waarvoor zij het fabrikagemonopolie verkregen hadden, bestemd voor de uitvoer naar Spanje, Frankrijk en Engeland. En hier en daar gingen vrouwen aan de slag om kant te klossen die reeds in kleine hoeveelheden kon worden uitgevoerd. Kortom, quasi alom toenemende dynamiek, gepaard aan sterk stijgende linnenprijzen die her en der sommige wevers een volwaardige broodwinning bezorgden. [306]

Anderzijds zien we in de 16e eeuw, gelijklopend met de uitbreiding van de weverij, het aantal Vlaamse blekerijen toenemen. Gent ging nu ook bleken buiten de grenzen van de Muinkmeersen hoewel de bleekmethode op basis van karnemelk door de stadsmagistraat bestreden werd. Ze was niet gelukkig met het feit dat de prijzen van die melk – vanouds hét voedsel van de armen - door de stijgende industriële vraag de hoogte in gingen en verketterde de methode. De wevers wisten wel beter: het linnen of de garens, op deze zowel in Vlaanderen, Brabant als Holland algemeen gebruikte manier gebleekt, sloegen niet rossig bruin uit na verloop van tijd, zoals de schepenen beweerden, maar bleven integendeel onveranderlijk hagelwit. En om het tekort aan bleekvelden op te vangen richtten de Zuidnederlandse wevers zich naar nieuwe bleekcentra, zoals Herentals of ’s Hertogenbosch, en zelfs naar de Hollandse, waarvan Haarlem de grootste renommée had.

Terzelfdertijd echter “verwekte de machtige opbloei van de Zuidnederlandse linnenindustrie in de XVIe eeuw een latente vlaskrisis. Sommige industriegebieden hadden een werkelijk tekort aan grondstof”. [307] Dat was het geval in Kamerijk waar men Normandisch en Picardisch vlas invoerde om de behoeften te dekken. Vlaanderen betrok vlas vanuit het Waasland waar het nog steeds méér geteeld dan verwerkt werd, maar vermits er a./, door de handelsvrijheid die er heerste, een aanzienlijke hoeveelheid ruw vlas en garen naar Engeland, Spanje en Frankrijk werd uitgevoerd, b./ op het platteland door de stijgende linnenweverij intenser vlas werd gebruikt en c./ de stedelijke fijnlinnenindustrie bovendien de betere kwaliteiten uit het aanbod moest kunnen selecteren, kon de “vlasschuur” nauwelijks de vraag beantwoorden. Om dit euvel te bedwingen trokken de steden ten strijde tegen de verkoop van de gegeerde grondstof op de dorps- en lokale markten waar die massaal opgekocht werd door kutsers (= opkopers en doorverkopers van vlas en garen) om ze verder te verkopen aan de stedelijke wevers tegen woekerprijzen. De kutserpraktijken veroorzaakten garenbezuiniging bij de wevers, wat de kwaliteit van het linnen uiteraard niet ten goede kwam. Bovendien waren de vroegmarkten in de dorpen aangepast aan het matinale uurschema van de boeren, wat hen de gelegenheid gaf mindere kwaliteiten vlas te verkopen vermits de kopers de “marchandise” niet naar behoren konden keuren in de halve duisternis.

Hierbij moeten we echter een belangrijke kanttekening plaatsen. “ De opbloei van de Vlaamse lijnwaadweverij raakte alleen de landelijke, niet de stedelijke industrie. Tijdens de XVIe eeuw bevorderde geen enkele stadsmagistraat de uitbreiding van het aantal lijnwaadgetouwen. Volledig door een onvervulbare droom, de herwording van de voormalige wolnijverheid, achtervolgd, werd nergens beproefd deze dode industrie door de linnenweverij te vervangen. Nochtans stelde de verdwijning van de oude Vlaamse wolindustrie een prangend sociaal probleem. “ [308] Wél streefden de steden ernaar de HANDEL in linnen binnen hun eigen muren te concentreren. “ Dit werd het doel van de stedelijke vlaspolitiek in Vlaanderen: monopolie van de linnenmarkt ter vervanging van de uitgestorven lakenhandel, een oplossing … ten gunste van de middenstand, zonder enige bekommernis om de belangen van het proletariaat. “ [309]

In het kader van dat streven moet het ontstaan van verschillende stedelijke lijnwaadmarkten worden gezien, waarbij stilaan de volledige landelijke productie, vrijwillig of gedwongen, voor verkoop werd gecentralizeerd.

Wij vermelden als belangrijkste Roeselare: economisch zwaartepunt van de Mandelvallei, Tielt: profiterend van haar gunstige ligging in een opbloeiende linnenstreek, Deinze: doorgeefluik naar de Gentse linnenmarkt en Kortrijk, die evenwel haar eigen opbloei bemoeilijkte door zowel aksijnsen als “ellegeld” op vlaswaren te heffen en zo de producten tweemaal te belasten. De pogingen van Geraardsbergen en Menen op dat vlak waren minder succesvol, gezien de grotere concurrentiële kracht van respectievelijk Oudenaarde en Kortrijk.

 

Allerlei reklamemiddelen om kooplui te lokken, zoals vergoeding van reiskosten, het aanbieden van wijn of het financieren van eetfestijnen, haalden niet altijd het gewenste resultaat, immers: “ Doch naast deze nieuwe, fungeerden voorafbestaande lijnwaadmarkten te Oudenaarde, Gent, Brugge en Izegem, die zich het vroegst aan de evolutie van de Spaans-Amerikaanse trafiek aanpasten en de vorige in bloei overtroffen “. [310]

Hierbij moet ook Eeklo worden gerekend, reeds in de 15e eeuw méér in de handel van linnen dan in die van draperie geïnteresseerd. Deze markt was in menig opzicht, samen met Oudenaarde en Gent, de belangrijkste maar was in grote mate op de slabbakkende Brugse exporthandel gericht, terwijl Gent meer en meer de rol van transitmarkt richting Antwerpen en Engeland ging vervullen. Brugge zelf centraliseerde vooral blauwlinnen maar zag ook op dat vlak haar aantrekkingskracht slinken ten gunste van Gent, Kortrijk en Izegem. Oudenaarde was eerder spontaan gegroeid, toen de afzetmogelijkheden van de streek naar Ath minder begonnen te vlotten, en trok de ganse landelijke productie naar zich toe voor verdere export via Antwerpen.

 

Vermits de linnenweverij in de 16e eeuw nog steeds geen uniform nijverheidsstatuut bezat, speelden de stedelijke markten de belangrijkste reglementerende rol: het linnen werd er gekeurd en bezegeld, minimum en maximum breedtes of lengten werden er vastgelegd… Kortom, de steden controleerden landelijk linnen op kwaliteit en uniformiteit via hun marktpolitie om de export ervan te bevorderen.

Zo werd linnen in de 16e eeuw het voornaamste exportartikel vanuit de Zuidelijke Nederlanden. Niet zozeer naar Frankrijk, vermits door de vele oorlogen met dat land de handel veelal verboden werd, het land zelf inmiddels zijn productiecapaciteiten had

hersteld zodat de vraag naar buitenlands lijnwaad er afnam en ter bescherming waarvan het na 1550 bovendien de protectionistische toer opging. Aanvankelijk wél naar Engeland, maar in de commerciële chaos die ontstond in de tweede helft van de eeuw, richtte dat land zich voor bevoorrading in toenemende mate op Duitsland en Frankrijk.

 De moeilijkheden met Engeland waren het gevolg van de kortzichtige politiek door de Spaans-Nederlandse regering gevoerd: zij wilde immers de inheemse “nieuwe draperie”, een stedelijke industrie in moeilijkheden die werkte met ingevoerde Spaanse wol, bevorderen tegen de Engelse concurrentie. Hierbij schrok ze er niet voor terug de linnennijverheid, een vooral landelijke industrie die werkte met inheemse grondstoffen en reeds lang de draperie in belang overtrof, in gevaar te brengen. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat Vlaamse uitwijkelingen, op de vlucht wegens geloofsmotieven maar ook en misschien wel vooral uit onvrede met de onbegrijpelijke economische betutteling, in Engeland een concurrerende vlasindustrie op poten zette die ons de eeuwen nadien heel wat kopzorgen zou bezorgen.

 

Ons linnen werd ook uitgevoerd naar Duitsland, de Scandinavische en de Baltische landen, doch Duitsland was zélf een belangrijk productie- en uitvoerland, en de hoeveelheden die vertrokken richting Portugal en Italië waren het spreken (nog) niet waard.

De successen in de uitvoer komen dus quasi volledig op rekening van de handel met Spanje en haar koloniën. Het linnen moest wel worden verscheept via Sevilla, waar de “Casa de Contractacion” voor verdere verhandeling zorgde en later via Cadiz. De Vlamingen werden er aanvankelijk begunstigd doordat Franse producten in Spanje werden geweerd. Vanaf de vrede van Le Cateau-Cambrésis (1559) kwam daar verandering in en in de volgende eeuwen zou de Spaanse markt in toenemende mate worden overspoeld door Frans linnen.

 

b. DE ECONOMISCHE CRISIS OP HET EIND VAN DE EEUW

 

Het Spaanse fanatisme met betrekking tot de godsdiensttroebelen, die vanaf het aantreden van Filips II aanzienlijke vormen aannam, bracht een opstand teweeg van de bevolking tegen het beleid en mondde tenslotte uit in een splitsing tussen de Noordelijke en Zuidelijke provincies in de Nederlanden. Het oorlogsgeweld dat hiermee gepaard ging, de hongersnood, de uitwijking van andersdenkenden en de toenemende werkloosheid hadden een geweldige weerslag op de linnennijverheid. Wij geraakten immers van de buitenlandse afzetmarkten geïsoleerd en we zagen onze beste krachten – zowel “ketters” als economische vluchtelingen - vertrekken naar de “rustiger” buurlanden, waar ze de bestaande linnenindustrie met onze technisch vooraanstaande snufjes versterkten of er één uit de grond stampten. Vanaf 1580 werd de toestand dramatisch: dorpen waren spookdorpen geworden, de akkers waren vernield, de bevolking was gedecimeerd en leefde in schrijnende armoede.

 

4. De herleving in de 17e eeuw.

 

Na deze crisis - die zondermeer rampzalig mag worden genoemd en die, naargelang de regio, méér dan twintig jaar aansleepte - begon de Zuidnederlandse linnennijverheid aan een opgang zonder weerga: een buitengewone bloei, vooral in de eerste twee derden van de eeuw, overtrof ver die van de 16e eeuw.

De nieuwe take off kon zich doorzetten dankzij de pacificatiepolitiek waar de aartshertogen Albrecht en Isabella de motor van waren en die de buitenlandse handelsbetrekkingen trachtten te normalizeren, maar ook en misschien wel vooral dankzij de vele private én stedelijke initiatieven. Blauwververijen werden opgericht, de twijngarenindustrie werd bevorderd, nijverheidsreglementeringen werden afgekondigd en dit elan vond afzetmarkten omdat tegelijkertijd de regering ervoor zorgde dat de trafiek met Spanje opnieuw probleemloos kon verlopen en de grenzen van Frankrijk, Engeland en nu ook de Verenigde Republiek op een ruime kier werden open gelaten. De Kortrijkse lijnwaadmarkt bloeide op door de stimulering van de eigen damastindustrie maar vooral door de afschaffing van het linnenaksijns, waardoor nu de landelijke productie van heinde en verre naar deze stad werd gedraineerd. Moeiteloos slorpte zij de markten van Tielt, Izegem, Menen en zelfs Roeselare op en zowat de ganse Henegouwse productie werd via Kortrijk aan de man gebracht. Voor het eerst overtrof haar omzet die van Oudenaarde, die zich daarom meer en meer ging reconverteren tot vlasmarkt. De bloeiendste linnenmarkt van de vorige eeuw, Eeklo, werd stilaan opgeslorpt door die van Gent: de stad die het best was “geplaceerd” om de verloren gegane stapelrol van Antwerpen over te nemen. De Hollanders hielden immers de Scheldemonding gesloten, zodat de goederen nu werden verscheept vanuit Vlaamse havens: Sas van Gent, Duinkerken en deels ook Grevelingen. Rond het midden van de eeuw was Gent uitgegroeid tot de belangrijkste lijnwaadmarkt in de Zuidelijke Nederlanden. [311] In die tijd bouwde de Gentse koopmansstand aanzienlijke fortuinen op. [312]

De vlasindustrie ontwikkelde zich verder: er ontstonden nu ook markten in Aalst en Geraardsbergen, de Kamerijkse molechijn-fijnlinnenweverij verspreidde zich in de richting van Valencijn, een regio waar ook de twijnindustrie werd uitgebouwd ; Oudenaarde zag een eigen damastindustrie ontluiken, terwijl die van Doornik nu ook de exporttoer opging. In het Oudenaardse verdubbelde de productie t.o.v. de hoogste cijfers in de 16e eeuw, in het Kortrijkse kon men zelfs bogen op een viervoudiging!

In de eerste halve eeuw werd de heropbloei in de eerste plaats beïnvloed door de bevoorrechte positie van het Vlaamse linnen op de Spaans-Amerikaanse markt. In de globale Zuidnederlandse handel nam de uitvoer van linnen naar Spanje de meest winstgevende plaats in. Onze linnenexport werd zelfs nog bevorderd toen in 1635 Filips IV in Spanje de handel met Frankrijk verbood in het kader van de Dertigjarige Oorlog. Om aan de grote vraag te kunnen beantwoorden, smokkelden wij zelfs Hollands linnen via onze kanalen binnen in dat land!

De handelsbetrekkingen met Frankrijk en Engeland, daarentegen, waren wél op papier hersteld maar het vertrouwen van die landen in de Zuidelijke Nederlanden was door de perikelen van de vorige eeuw beschaamd, zodat hun interesse in onze producten eerder matig was. Wat Frankrijk betreft viel onze export nogal mee, ondanks hun protectionistische kantjes ter ondersteuning van de eigen ver-ontwikkelde vlasindustrie, omdat de Franse dames nu eenmaal ons fijnlinnen hoog waardeerden: een specializatie die toen nog in Frankrijk zelf ontbrak.

Vanaf 1641 dreigden er moeilijkheden: de Franse legers rukten op en veroverden een hele reeks steden, waaronder de drie genoemde Vlaamse havens, Menen en Kortrijk. Door de smokkelrichting om te keren en het Kortrijks linnen – dat nog steeds in Haarlem werd gebleekt – nu via de Hollandse sluikhandel naar Spanje te versassen, bleef de schade voorlopig beperkt. Zwaardere gevolgen had de Vrede van Münster (1648) voor ons land, omdat toen Spanje verplicht werd door de overwinnende mogendheden (Holland, Engeland en Frankrijk) zijn grenzen en die van zijn kolonies voor hen open te zetten. Holland slaagde er zelfs in de meeste gunsten in de wacht te slepen, waardoor de Zuidnederlandse productie nu systematisch via Holland naar Spanje moest worden verscheept! Franse vlasproducten overspoelden de Spaanse markt, terwijl de goegemeente hier te lande werd gesust met de boutade dat de Zuidnederlandse productie nu eenmaal onvoldoende was om de vraag van de kolonies te beantwoorden. Frankrijk had inmiddels zijn eigen aanbod gediversifiëerd door uitgeweken Vlamingen te stimuleren bij hen tijk- en fijnlinnenweverijen op te richten en in Lyon en St. Quentin kantklosserijen uit de grond te stampen, die aanvankelijk dentelles façon de Flandre produceerden, maar met wat Franse creativiteit snel de kwaliteiten van de Vlaamse en Brabantse kant overtroffen. Al bij al blijkt de periode vooral voor de Kortrijkse lijnwaadmarkt nefaste gevolgen te hebben gehad wegens het verlies van Duinkerke (vanaf 1645, definitief in 1658) en Rijsel (1667) en een grotere impact van het oorlogsgewoel in het zuiden van de huidige provincies West- en Oost-Vlaanderen. Elders verlegden de uitvoerwegen zich naar het noorden waardoor de markten van Gent en Brugge als verzamelplaats aan representativiteit wonnen. [313]

Een ware doodsteek echter dreigde voor onze industrie en uitvoer vanaf 1664: het moment waarop Colbert zijn mercantilisme uitbouwde, hand in hand met de militaire expansie en strijd om de overmacht in Europa, door Lodewijk XIV geambiëerd en zo’n 50 jaar lang volgehouden. Maar niettegenstaande ganse regio’s in de Zuidelijke Nederlanden via de verschillende campagnes door de Fransen werden bezet en het internationaal protectionisme steeds wilder om zich heen greep, heeft noch het een noch het ander onze globale linnennijverheid de das om gedaan. Integendeel zelfs: het hoogtepunt van de 16e eeuw (jaren ’70) werd rond 1650 ingehaald en kort daarna zelfs overtroffen. [314] Kortrijk, die een malaise gekend had tussen 1645-1662 in haar damastindustrie (= vermoedelijk het gevolg van de internationale spanning rond 1648 en volgende jaren die in de eerste plaats de luxe-industrieën trof) bloeide opnieuw open en ook in Oudenaarde draaiden de zaken goed. In feite werd de crisis geneutraliseerd doordat de Vlaamse en Henegouwse productiecentra profiteerden van de Franse toltarieven vermits zij nu deel uitmaakten van Frankrijk. Ruw en courantlinnen vond via Frankrijk de weg naar de Spaanse markt en het fijnlinnen werd nu probleemloos in Frankrijk zelf te koop aangeboden. De Gentse en Kortrijkse markten draaiden op volle toeren – een tijdelijke verstoring van de Gentse tijdens de Hollandse Oorlog (1672-1678) niet te na gesproken [315] - en op het platteland werden zelfs de kleinste resterende overschotjes van de landelijke productie via lokale sluikmarktjes aan het buitenland verkocht. De twijnindustrie breidde zich uit in de regio’s Poperinge-Ieper , Bergen en Antwerpen. In Brussel, Antwerpen en Mechelen was men door en door bedrijvig in het kantklossen, gestimuleerd door uitvoermogelijkheden naar Frankrijk en Italië, dat eveneens grote hoeveelheden Kortrijks damast aankocht. [316]

Hoewel dus de protectiemaatregelen, via stricte verboden en dan weer versoepelende vergunningen voor de een of de ander, in Frankrijk vooral maar ook in Holland en Engeland, de modaliteiten voor de uitvoer voortdurend veranderden en hoewel vooral Frankrijk verwoede pogingen ondernam om haar eigen productie te diversifiëren, uit te breiden en te consolideren (- waarbij zij er in slaagde méér linnen te exporteren naar Spanje dan alle overige producenten in Europa samen -) en ondanks kleine malaises die her en der om uiteenlopende redenen de kop opstaken, wisten de Zuidelijke Nederlanden gedurende de ganse 17e eeuw de tendenzen uit de 16e eeuw onveranderlijk te behouden: “ drukste uitvoer naar Spanje, sekundaire naar Frankrijk, Engeland en Holland, onbeduidende naar Duitsland en de Baltische landen “. [317]

 

De concurrerende mogendheden hebben nochtans onaflatend hun “best” gedaan om de Zuidnederlandse linnennijverheid finaal uit te schakelen en hun eigen economische positie daardoor te versterken. Hoe Frankrijk dat deed hebben we zonet gezien. De aanpak van Colbert was ongetwijfeld zeer succesvol, maar mettertijd zou het systeem zich tegen Frankrijk zelf keren. Tevéél protectie lokt immers tegenmaatregelen uit die op de duur de eigen uitvoer gaan bedreigen. Engeland had het vooral op onze voorsprong in de kantklosserij gemunt. Lijnwaad zelf vonden ze op de Hamburgse, Ierse en Schotse markten in overvloed, zodat ze de Zuidnederlandse invoer ondanks allerlei handelsakkoorden konden afremmen. Maar kant kwam steeds meer in de mode bij hun burgerij. Zelf had Engeland de prille kantindustrie, die door uitgeweken Vlamingen op Engelse bodem was in gang gezet, met alle mogelijken middelen gestimuleerd. De kwaliteit van de Vlaamse en Brusselse kant werd evenwel zelden geëvenaard omdat de inheemse garens niet konden optornen tegen de onze. Tot aan het einde van de eeuw bleef onze kantuitvoer naar Engeland dan ook groeien, al moest de verkoop na een invoerverbod in 1662 wel via sluikhandel gebeuren.

Holland gooide het over een andere boeg. Ze zetten alles op alles om hun handelsactiviteiten uit te breiden, nog niet beseffend dat ze hierdoor hun eigen industriële belangen over het hoofd zagen. Amsterdam en Rotterdam hadden de rol als stapelplaats van Antwerpen overgenomen en verscheepten massaal Westfaals linnen naar Engeland. Na 1648 werd ook de trafiek op Spanje geïntensiveerd. Invoerverboden op Frans en Zuidnederlands linnen, gedicteerd door de Westfaalse Hanze, troffen de Haarlemse linnenbleek en de succesvolle twijnindustrie ging ten onder bij gebrek aan inheemse plattelandsweverijen. Gedurende de eerste helft van de eeuw had de Verenigde Republiek geteerd op en bijkomend geïnvesteerd in de bleeknijverheid, waarbij vooral linnen uit Vlaanderen, Artois en Henegouwen werd bewerkt. De zaken draaiden zo goed dat aan het uitbouwen van een eigen weverij weinig belang werd gehecht. Haarlem draaide echter op een “mythe”, nl. dat haar “wit” witter was dan elders. Eens deze hersenschim doorprikt kon het met de blekerijen nog slechts bergaf gaan, want eigen linnen om te bleken was er nauwelijks. De technische bleeksuperioriteit was immers slechts een fabeltje: het tekort aan bleekvelden in de Zuidelijke Nederlanden was een veel belangrijker factor. Na de godsdiensttroebelen werd aan dat tekort in steeds stijgende mate gewerkt door verschillende regio’s in ons land. In Kortrijk was men reeds vroeger van start gegaan met de zogenaamde menagebleek (= op basis van kalk in plaats van melk), mits aanwinst van bleekvelden op de landbouw, maar ook Gent won de strijd van haar schepenen en ontwikkelde een bleeknijverheid die de Haarlemse in kwaliteit evenaarde. Antwerpen had ontdekt dat het Haarlemse superieure wit met het gebruik van fijne witte potas uit Moscou te maken had en zette in Borgerhout een blekerij op stapel die een verwoede concurrentie met Holland inzette. Steeds meer werden garens gebleekt, wat minder velden vereiste en de weverij in geen enkel opzicht hinderde. Dat was het geval in Gent én in Antwerpen, maar ook in Rijsel en in Menen. Tenslotte gaf Nederland zelf zijn eigen blekerij de doodsteek door de tarieven op ruwlinnen in belangrijke mate te verhogen: een kortzichtige maatregel die de nog tegenpruttelende superieure-bleekmethode-mythe meteen finaal kelderde.

Door het oorlogsgewoel en de maneuvers van de concurrenten daalden de linnenprijzen naar het eind van de eeuw toe, de winsten van de handelaars met zich meesleurend, en de lonen van de wevers stagneerden zonder evenwel hun reële inkomsten zwaar aan te tasten vermits zij tijdens de vorige dertig jaar wegens de pan uitswingende toenamen van verloning een flinke marge hadden opgebouwd. [318] Wel ontwikkelde zich stilaan een gevaarlijke tendens: doordat de rurale bevolking in toenemende mate zocht haar inkomen door middel van huisnijverheid te verhogen, ondermijnde zij geleidelijk de invloed van traditionele sociale controles en werd het aanbod van arbeidskrachten op de textielmarkt buitensporig opgedreven. [319]

Al bij al lag het grootste probleem van onze vlasindustrie in de 17e eeuw in het tekort aan grondstoffen. De verwerkingsnijverheid eiste strenge reglementeringen om de steeds massaler wordende uitvoer van vlas naar de eveneens steeds groeiende Franse en Ierse concurrentie te beperken, want de eigen garen- en linnenproductie werd daardoor geplaagd met abnormale vlasprijzen en schaarste zonder meer. De vlasboeren zagen dat uiteraard anders, zodat dringend werk moest worden gemaakt van een bevredigend compromis voor beiden. Verder dan het in 1699 belasten van de uitvoer van ruw vlas, terwijl die van gezwingeld vlas vrij van rechten werd verklaard, kwam het echter niet, wat niet meteen een oplossing betekende voor de spinners en wevers. De boeren stelden dat de vlashandel niet met de vinger moest worden gewezen, maar wel de steeds toenemende binnenlandse productie van linnen, waarvoor er nu eenmaal niet voldoende landbouwgronden beschikbaar waren! Met dit gehakketak werd de overstap gezet naar een totaal nieuwe fase in de Belgische vlasnijverheid, die met het Verdrag van Utrecht (1713) werd ingezet.

 

5. De 18e eeuw of de “Overgangsfase” tijdens het Oostenrijks Bewind.

 

Wanneer ons land, met het Verdrag van Utrecht, onder Oostenrijks Bewind werd geplaatst, was dat een beslissing die werd getroffen door de grote mogendheden om een eind te maken aan de aanslepende Spaanse Successieoorlog (1702-1713), tevens een dieptepunt van de economische conjunctuur in Europa. [320]

De Vrede onderstreepte de ondergang van Frankrijks continentaal imperialisme en luidde het begin in van het Engels overwicht in en buiten Europa, waarbij wij echter het kind van de rekening werden. Het inmiddels eeuwenoude Zuidnederlandse vlasindustriegebied werd immers brutaal uit mekaar gerukt door de definitieve aanhechting bij Frankrijk van Frans-Vlaanderen, Waals-Henegouwen en het Kamerijkse, waardoor die gewesten voortaan, nu met de steun van de Franse regering, voor ons een geduchte concurrent zouden vormen. Het lot van de Zuidelijke Nederlanden werd in principe “politiek” aan dat van Oostenrijk gekoppeld, wat in praktijk echter meteen ook zo zijn consekwenties had op economisch vlak. Die waren, door de band genomen en gezien op lange termijn, eerder gunstig wanneer we de totaliteit van de getroffen maatregelen bekijken, maar wat de vlasnijverheid betreft moeten er, ons inziens, toch enkele kanttekeningen worden geplaatst.

 

a. DE ZUIDNEDERLANDSE VLASINDUSTRIE.

 

In de Zuidelijke Nederlanden zelf bloeide de vlasindustrie verder open volgens de tendenzen die in de vorige eeuwen waren ingezet, m.a.w. verdere decadentie van de linnenweverij in Henegouwen, gecompenseerd door verdere uitbreiding ervan in de Leiestreek en stijgende uitbouw van de nevenindustrieën, zodat de totale bilan van de linnenproductie in de loop van de 18e eeuw alsmaar groeide.

Hoewel Ath zich voorlopig als linnenmarkt nog enigszins wist te handhaven, ging de globale weverij in het Henegouwse erop achteruit. Het verval was zelfs zo reëel dat, ondanks herhaalde pogingen om de industrie nieuw leven in te blazen, het gros van de regionale productie aan vlas moest worden uitgevoerd. De vele spinsters in de regio’s Bergen en Binche schakelden over op het vervaardigen van kant. Ook de streek van Nijvel leek nu ten dode opgeschreven. Voor het overige was in Brabant vooral Turnhout uitgegroeid tot een belangrijk centrum voor tijk en courantlinnen, in hoofdzaak draaiend op garens ingevoerd uit Elberfeld, Silezië en Brunswijk. Enkele dorpen in de Antwerpse Kempen vervaardigden producten bestemd voor lokaal verbruik.

 

Het voormalige hertogdom zou echter vooral een reuzevoorsprong ontwikkelen op het vlak van de kantklosserij. In zowat alle dorpen waren vrouwen aan het werk in de fabrikage van grove kanten bestemd voor de Spaanse koloniën, terwijl in de steden Brussel, Mechelen en Antwerpen fijne luxewerkjes werden vervaardigd die de Zuidnederlandse kantindustrie de reputatie bezorgden veruit de deskundigste te zijn van het ganse Europese continent. [321]

In Vlaanderen werden deze voorbeelden druk nagebootst in enkele centra, vooral in het Land van Aalst, Geraardsbergen, Kortrijk en Menen, maar het accent lag er toch op de traditionele linnenweverij. “ Naar verhouding der uitgestrektheid van de kasselrijen, was de linnenweverij het levendigst in die van Kortrijk, die van Oudenaarde en in de heerlijkheid van Dendermonde. Daarna komen het Land van Aalst en de Gentse Oudburg. Ze werd het minst beoefend in het Brugse Vrije. “ [322] De bloeiendste kern lag nog steeds in de Mandelvallei ; de productie in het Land van Waas daarentegen wist nog niet de helft van de lokale behoeften te dekken. Overal echter bleef de linnenweverij een landelijke aangelegenheid, terwijl de verhandeling ervan zich nog steeds concentreerde op de stedelijke linnenmarkten. Kortrijks damast werd nog altijd erg gewaardeerd in Frankrijk en Engeland, maar ook Turnhout, Oudenaarde, Nijvel en Doornik legden zich toe op de productie van fijnlinnen ; grover linnen zoals brabantes en presillas, vervaardigd in de Oudburg, het Land van Aalst en de omgeving van Brugge vertrok met scheepsladingen vol richting Spanje ; de streek rond Oudenaarde en Geraardsbergen produceerde aan de lopende band ardoisées, alias grisettes (= grijs linnen, deels vervaardigd op basis van ongeroot vlas en klodden) die ook naar Spanje werden geëxporteerd en, uitsluitend in de steden Brugge, Gent, Kortrijk en Turnhout, werd blauw gestreept of gedamd linnen (= quadrillées) en tijk gemaakt, aangewend zowel voor zomervesten en beddegoed als in de meubel- en zelfs de schoenindustrie. Een grootschalig opgezette poging van een Roeselaarse “fabrikant” om op het vlak van blauwlinnen Brugge naar de kroon te steken mislukte want bleef tot de lokale markt beperkt. [323] Maar hun zogenaamde rollés waren vermaard. [324]

De twijnnijverheid verschoof van de voormalig productiefste regio’s Oudenaarde, Gent en Antwerpen naar Zuid-Vlaanderen, meer bepaald Kortrijk, Ieper, Poperinge en Roeselare. Wellicht had deze verschuiving te maken met de nabijheid van Frankrijk, dat veel garens importeerde, waarvan trouwens ook de twijnindustrie in Doornik profiteerde. Hier was ook een “Manufacture impériale et royale” opgericht die zich vooral bezig hield met het verven en bedrukken van zakdoeken. [325]

 

De Zuidnederlandse bleeknijverheid ging steeds meer haar eigen weg ten nadele van de Haarlemse, aan wie het zelfs de Franse klandizie wist te ontfutselen. Een en ander verliep evenwel niet zonder moeilijkheden. Hoewel in de eerste helft van de eeuw overal te lande, in het Kortrijkse, het Antwerpse en het Brusselse, blekerijen met stijgend succes bedrijvig waren, bleef de Kortrijkse linnenmarkt toch nog voor een deel afhankelijk van de Hollandse blekerijen, “ aangezien het verbruik van ruw linnen in Amerika, “pour contenter la fantaisie des Anglais”, het noodzakelijk maakte een hoeveelheid linnen te Haarlem te laten bleken dat vervolgens in “Hollands” lijnwaad herdoopt werd. “ [326] Tijdens de Franse bezetting van 1746 ontdekten de Fransen echter dat het fameuse Hollandse linnen, hen door de Nederlanders geleverd, in feite van Kortrijkse makelij was en dus evengoed rechtstreeks vanuit Kortrijk kon worden geïmporteerd, temeer daar de bleekkwaliteit hier inmiddels die van de Hollandse evenaarde.

 Een treffende anekdote in dit verband: de Kortrijkzanen hadden reeds lang door dat het witste wit verkrijgen iets te maken had met het gebruik van weedas. Zij hadden dit procédé ingevoerd, maar toch bleek Kortrijks linnen na enkele wasbeurten géél uit te slaan: iets wat niet het geval was bij in Haarlem gebleekt linnen. Jarenlang dacht men dat de minderwaardige bleek wel te wijten moest zijn aan een hogere zuiverheid van het Hollandse duinenwater. Niemand had door dat er iets anders aan de gang was. Weedas werd ons namelijk geleverd door de Hollanders. Ze hielden de beste kwaliteit voor zichzelf en solferden de Kortrijkzanen een ingenieus samengesteld minderwaardig mengsel op, wat voor een roestkleuriger bleek zorgde! Eens de ware oorzaak ontdekt, zocht men eerlijker bevoorraders en werd zonder problemen voortaan maagdelijk en onveranderlijk wit aan de klanten geleverd…

 

In de 18e eeuw kwam echter ook de Brugse blekerij tot grote bloei: het aantal blekerijen was er zelfs groter dan in Kortrijk, zodat er volop voor de Gentse linnenmarkt kon worden gebleekt. Gent zelf had nochtans haar eigen bleekbedrijven, maar haar bleekmethode, verschillend van de Kortrijkse, stond vaak ter discussie. Zelf stond deze stad pal achter haar bleekwijze: niet zelden gebeurde het dat ze stiekem het hooggeprezen wit van het Kortrijkse linnen nog eventjes in haar eigen ateliers liet “volbleken”! Een ander probleempje betrof het al dan niet gebruik van steenkolen in de loochhuüzen. Gent geloofde niet dat de bleekkwaliteit daaronder kon lijden, noodgedwongen wellicht wegens de schaarste en de dure prijzen van hout. Bovendien stookten ook andere Gentse industrieën, zoals brouwerijen en zout- of zeepziederijen, immers met kolen! Dat belette niet dat heel wat handelaars de methode afkeurden, bevreesd als zij waren voor roestvlekken veroorzaakt door eventuele “rookvlokken”, en hun linnen liever lieten bleken in Kortrijk waar het gebruik van steenkool in de bleeknijverheid zondermeer verboden was.

 

b. ORGANIZATIE VAN DE LINNENINDUSTRIE.

 

Stelselmatig, en dit vanaf de Middeleeuwen, had onze regering zich weinig of niet bemoeid met het reglementeren, uniformiseren van de linnenproductie en/of –handel, noch met het in goede banen leiden van het geheel van de vlasindustrie. Het wegwerken van de gerezen problemen werd overgelaten aan de steden en voor het overige liet men het spel van vraag en aanbod de gang van zaken bepalen. Men was er nl. van overtuigd dat de linnenweverij enkel onder een regime van doorgedreven vrijheid kon functioneren. Zelden stond men stil bij het gevaar dat een te soepel beleid dienaangaande misbruiken in de hand kon werken, die op termijn de faam van onze producten zou gaan schaden. Zo werd het bijvoorbeeld gebruikelijk het linnen te lijf te gaan met puimstenen, bijtende wittebollen (= terre à pipe) of zelfs zwavelzuur om het lijnwaad te verzachten en het een fijner uitzicht te bezorgen, zonder dat daar wezenlijk tegen opgetreden werd. [327] De sporadische ordonnanties ter zake (1753 –

1768) werden dan ook genegeerd. [328]

Aanvankelijk werd door de steden, die de producten probleemloos wilden verkopen, vooral gestreefd naar een uniforme geijkte breedte en het gebruik van kwalitatief goede verf, omdat de afnemers vooral dáár op hamerden. In de 18e eeuw kwam de problematiek van de maximumlengte van de stukken lijnwaad op de voorgrond. De export eiste stukken van 65 el omdat men vond dat die beter geweven én gebleekt waren dan de langere stukken. Bij langere stukken – 100 el en méér – werd hun gewicht naar het einde toe zo groot dat de rieten weefkammen het vaak begaven, waardoor het linnen defecten vertoonde. Bovendien werden die tijdens het bleken minder vaak omgedraaid omdat het manipuleren van die lange natte stukken voor blekers véél lastiger was en lichamelijke problemen als hernia veroorzaakte. De belangen van de handelaars waren hierbij tegenstrijdig aan die van de blekers, vermits de handelaars liever lange stukken lieten bleken, tegen betaling van een klein extra-loon op de bijkomende ellen, om de stukken daarna in twee te snijden, zodat ze theoretisch beantwoordden aan de eisen van de kopers.

De blekers bepleitten hun zaak met soms misleidende doch klinkende argumenten: bij het weven van kleinere stukken kwamen er méér stukken op de markt, zodat er méér omzet en dus winst kon worden gerealizeerd en de stukken zouden tevens beter gebleekt zijn, waardoor ze duurder konden worden verkocht. Bovendien konden de arme dorpswevers nooit voldoende kwaliteitsgaren aankopen voor het weven van zo’n lange stukken, zegden ze, zodat ze er noodgedwongen minderwaardige garens in verwerkten waardoor ongelijke weefsels met kleurverschillen hun ateliers verlieten. Tenslotte moesten vaak de beste blekers het beroep opgeven wegens rugklachten en waren de bleekweiden slechts voorzien op stukken van 55 m lang. [329]

 

De regering, sinds de 17e eeuw met regelmatige tussenpozen gecontacteerd door beide antagonisten, bepaalde aanvankelijk de lengte op 62 en 65 el maar de Oostenrijkers bleken op dat vlak gemakkelijker te beïnvloeden: eerst kozen ze voor een 65 el norm, dan weer pencheerden ze voor een maximum-lengte van 120 el, om die enkele jaren later weer terug te schroeven tot 65 el, zodat iedereen op de duur de regelingen gewoon aan zijn laars lapte. “ De plattelandswevers hadden er immers belang bij hun stukken zo lang mogelijk te weven, daar het recht, door de stad op het inkomend linnen geheven, niet berekend werd per el, doch per stuk.” [330]

Vast staat dat de stukken doorheen de eeuwen steeds langer werden geweven. In 1726 werd gedecreteerd dat op weven geen maximumlengte stond, maar dat blekers voor langere stukken dan 65 el behoorlijk en navenant moesten worden vergoed! [331] Aan het eind van het Ancien Regime was de lengte opgelopen tot een gemiddelde van 65 à 75 el, waar dat oorspronkelijk steeds 50 à 60 el was geweest. Stukken van 80 à 100 el waren geen uitzonderingen meer. [332]

Ook slaagde de regering er niet in de beperking op het aantal getouwen per ambachtsmeester in de hand te houden. De maatregel van maximum 4 getouwen, die reeds onder Keizer Karel van kracht was om de minder begoede ambachtslui te beschermen tegen de meer kapitaalkrachtige, werd al lang met de voeten getreden. De Oostenrijkse regering beperkte het maximaal toelaatbaar getouwen per “fabrikant” tot 10 (1736) maar deed verder of haar neus bloedde, [333] zodat vooral in de tijkweverij de huisweverij stilaan door grote koopman-ondernemers werd overgenomen: rond 1780 controleerde een Gentse handelaar 200 getouwen!

 

Dezelfde weifelende en willekeurige politiek vinden we terug in de reglementering van de root. Roten in de Leie en bijrivieren bleef in de 18e eeuw, net zoals in de vorige eeuwen, verboden op basis van dezelfde argumenten: schadelijk voor de visvangst en gevaar voor de openbare hygiëne. Toch waren ook hier de Oostenrijkers vatbaar voor de manipulaties van de lobbyisten: roten in stromend water verhoogde

de waarde van het vlas met de helft, volgens hen, en door het roten van de Fransen in de bovenloop van de Leie was het water toch reeds gepoluëerd! Dus stond Maria Theresia toe dat er kunstmatige grachten (= montées) werden aangelegd waarnaar het Leiewater werd afgeleid…

Het verhandelen van linnen was nog steeds in de steden gecentralizeerd, maar nu overwegend in Gent, waar de export in de eerste plaats op Spanje was gericht, in Kortrijk, waar het linnen vooral in de richting van Frankrijk vertrok, en in Brugge, die haar export meestal liet uitvoeren door Hollandse transiteurs zodat haar marktproducten vaak in Curaçao terecht kwamen.

Ondanks de concurrentie van Brugge en Kortrijk bleef de Gentse lijnwaadmarkt gedurende de ganse Oostenrijkse periode de belangrijkste van de Zuidelijke Nederlanden. [334] Tussen 1705 en 1735 verhandelde deze markt gemiddeld 50.000 stukken per jaar, een aantal dat opliep tot 61.000 tussen 1735 en 1750 en 80.000 in de periode 1750-1765. [335]

 

De winsten van de handelaars werden door de Raad van Financiën schromelijk onderschat: ze gingen er immers van uit dat de handelaars, in opdracht van het buitenland, linnen opkochten en het als “makelaars” doorverkochten tegen een commissieloon van 1,5 à 2 %. [336] In werkelijkheid handelden de handelaars dikwijls voor eigen rekening zodat er, zelfs in het geval van officiële uitvoer via Cadiz naar Amerika met dure tolrechten en hoge verzekeringskosten, minstens 10 % winst werd gerealizeerd!

In de 18e eeuw waren er reeds enkele marchands-manufacturiers bedrijvig. In grote lijnen bleef dit fenomeen bij ons echter beperkt tot de gespecializeerde weverij in de steden, nl. fijnlinnen en tijk. Courantlinnen werd quasi uitsluitend geproduceerd op het platteland, ten huize van kleine dorpswevers die zowel het spinnen als het weven voor hun eigen rekening namen, waarna ze de stukken zelf naar de stedelijke markt brachten of het verkochten aan rondtrekkende kutsers. Bleken deden ze echter niet zelf: het waren de kooplieden die daarvoor zorgden en het ook bekostigden.

Van bij haar ontstaan had de plattelandsweverij in de figuur van de kutser (= aanvankelijk een lokale dorpskoopman, nadien een rondreizende opkoper van weefsels, garens en ruw vlas) een nuttige bemiddelaar gevonden voor het versassen van haar productie naar de grote stedelijke markten. Ze trokken immers tot in de kleinste hoekjes van de vlasregio’s, zodat ze de wevertjes het afleggen van verre afstanden – te voet! - en tijdverlies bespaarden. Hun toekomstmogelijkheden waren aanzienlijk gestegen door het toenemend belang van de markten Gent, Brugge en Kortrijk in de 17e eeuw.

Vooral de beide laatst genoemden droegen hun voorkeur weg wegens de kortere marktel die er gehanteerd werd, zodat die markten dankzij de stelselmatige aanvoer door kutsers hun omzet zagen stijgen ten nadele van Gent. [337] Deze tussenhandelaars verstoorden het evenwicht tussen de markten want, van zodra de algemene conjunctuur iets ongunstiger werd, boden ze hun opgekocht lijnwaad opnieuw massaal aan op de Gentse markt. [338]

 

In de 18e eeuw waren ze echter zo talrijk geworden dat ze mekaar geleidelijk aan de das omdeden. Véél kapitaal hadden ze meestal niet: ze benutten hun liquide middelen doorgaans voor het aanleggen van speculatieve stocks. [339]

Door de band betaalden ze slechts voorschotten aan de wevers waardoor ze meteen een vast kliënteel opbouwden en de hele landelijke weverij monopoliseerden. De afrekening gebeurde derhalve ná verkoop. Wanneer ze dan, net voor het sluiten van de markt, door de gestegen concurrentie nog met grote voorraden bleven zitten, verkochten ze die liever aan dumpingprijzen dan met een half lege portemonnee de dag af te sluiten.

 

Ze kochten weefsels op van zelfstandige wevers die naar de stad kwamen, buiten de stadspoorten, en verkochten ze in herbergen, los van de verplichte markt. [340] In stijgende mate ontdoken ze zo elle- en zegelrechten, zodat ze met z’n allen steeds meer door de stedelijke handelaars als een ware plaag werden ervaren. Kwaliteitscontrole werd op die manier immers onmogelijk, met alle gevaren van misbruiken vandien. Een vinnige strijd om hen de toegang tot de markten te verhinderen kon dan ook niet uitblijven. Uiteraard ging die vooral uit van de Gentse kooplui, in perioden van stagnatie op de Gentse markt, terwijl de Bruggelingen en Kortrijkzanen de kutsers in bescherming namen. [341] Terzelfdertijd zetten de tussenhandelaars van hun kant de dorpswevers onder druk met chantage en andere terreurmiddelen, omdat die - enerzijds uit schrik voor een mogelijke faillissement van hun lokale koopman, waarvan precedenten bewezen hadden hoe die ganse dorpen in schrijnende ellende konden dompelen, anderzijds aangetrokken door de kontante betaling van de stedelijke kooplieden - hun linnen steeds vaker rechtstreeks naar de markt van Gent of Kortrijk brachten. Een en ander toont aan dat de economische rol van de kutsers niet alleen vandaag onder historici, maar ook reeds in de 18e eeuw fel omstreden was. [342]

 

c. STIJGENDE BUITENLANDSE CONCURRENTIE.

 

Frankrijk schijnt, naar de cijfers te beoordelen, na Spanje (invoerder van 5/8 van onze linnenproductie [343]) de belangrijkste afnemer geweest te zijn van onze vlasproducten in de 18e eeuw ondanks een volgehouden protectionisme. De Franse regering milderde, periodisch, wel eens haar toltarieven, maar op de keper beschouwd mag men toch stellen dat zij er nauwlettend op toe zag onze producten uit te sluiten van de Franse, ja zelfs van de Spaans-Amerikaanse markt. Een en ander wordt begrijpelijk wanneer we dit koppelen aan het heropstarten en uitbreiden van hun eigen vlasnijverheid, na haar terugval gedurende de Spaans-Franse strijd en in de tweede helft van de eeuw aan het beschermen van hun eigen productie, toen die neerwaartse tendenzen ging vertonen ten gevolge van de groeiende Engelse concurrentie. Het spel werd echter subtiel gespeeld: in wezen was er zelden sprake van invoerverbod, maar de invoerrechten liepen soms zo hoog op dat het praktisch neerkwam op prohibitie tout court.

In eerste instantie werd de Franse linnenweverij, aanvankelijk geconcentreerd in Normandië, Bretagne en Ile de France, versterkt door de aanwinst van de bloeiende voormalige Zuidnederlandse gebieden. Rijsel en omstreken bijvoorbeeld, werd met man en macht gesteund om er een bloeiende vlasindustrie uit te bouwen, vlakbij onze grenzen, mét de deskundige collaborerende hulp van Vlaamse specialisten terzake. Vermits echter zowel de eigen als de verworven gebieden het in de loop van de eeuw steeds moeilijker kregen ten gevolge van vlas- en garenschaarste (met toenemende afhankelijkheid van de Vlaamse vlasteelt: Pays Conquis voor 4/5en!), buitenlandse concurrentie en verhoging van de toltarieven in Spanje (vanaf 1774: vooral nefast voor de Bretoense uitvoer, toen Frankrijks belangrijkste productiegebied), werd

tenslotte liever werk gemaakt van het uit de markt prijzen van Zuidnederlandse producten. “ De Franse regering waakte nauwlettend op de productiedegelijkheid… Het grote voordeel van de Franse nijverheid was dat de regering de rol vervulde waarmee bij ons de steden belast waren. “ [344] De overheid zorgde immers voor algemene reglementering, waarbij voor iedere regio afzonderlijk de nodige nuances werden aangebracht. (Op de verschillende houding van de regering in de Oostenrijkse Nederlanden hebben we reeds gewezen en we komen er verder nog op terug.)

Daarnaast werden Vlaamse vaklui aangetrokken om die sectoren waar Frankrijk slecht of niet op scoorde wat leven in te blazen, waarbij er druk gejongleerd werd met allerhande premies, regelrechte staatssubsidies, belastingvrijstellingen en dies meer. Vooral onze specialiteiten werden hierbij geviseerd: gestreept Brugs lijnwaad, Brusselse tijk, Kortrijkse damast en uiteraard onze superieure kant. Bovendien werden ook de twijn- en de bleekindustrieën op niveau gebracht.

Nog problematischer voor ons land was echter de openstelling, sinds 1648 maar nog sterker vanaf 1713, van de Spaanse en haar koloniale markten voor onze concurrenten. Inzonderheid Frankrijk profiteerde schaamteloos van het simpele feit dat de voormalige staatkundige banden tussen Spanje en de Nederlanden waren opgeblazen, waarmee meteen ook de “morele” verplichtingen van de Spaanse kroon ten overstaan van ons land gekelderd werden. De Spaanse toldiensten schrokken er niet voor terug verschillende “maten en gewichten” te gebruiken, waarbij de Fransen veelvuldig werden gefavoriseerd. Soms moesten ze hun bevoorrechte positie voor een poosje delen met Engeland en het gebeurde zelfs wel eens dat onze regering, in haar onderhandelingen voor wat soepeler faciliteiten, een slag thuis kon halen. Maar al bij al vielen de voorwaarden voor de invoer in Spanje altijd voordeliger voor hén uit.

Naar de onderliggende redenen voor dit overduidelijk favoritisme kunnen we slechts gissen. Of zijn er toch subtiele aanduidingen die misschien opheldering brengen? Spanje dreef zijn invoerrechten t.o.v. de Nederlanden op, maar liet terzelfdertijd de import van Silesisch linnen vrij. Niet enkel de Fransen lagen dus in het bovenste schof! Bovendien kan hier de politieke onenigheid tussen Spanje en de Zuidelijke Nederlanden (1729-1748) niet ingeroepen worden vermits Silezië óók resorteerde onder Oostenrijks bewind.

 

Wanneer we hier evenwel een circulaire van de Staten van Vlaanderen aan vastkoppelen, waarin zij het hebben over toenemende fraude in de linnennijverheid en opgevangen echo’s over ronduit “slechte” kwaliteit, wordt een en ander een stuk duidelijker. [345] Het feit blijft dat Frankrijk ons niet alleen op zijn interne markt bekampte, maar evenzeer op de Spaanse!

Engeland was een heel ander verhaal, al lijkt het op het eerste gezicht wél hetzelfde: de uitbouw van een eigen industrie en een doelmatige beschermingspolitiek. Tot op het einde van de 17e eeuw was Engeland aangewezen op invoer van linnen uit het buitenland, bij gebrek aan een eigen weverij. In de 15e en 16e eeuw waren wij de grote leveranciers geweest, maar zoals we gezien hebben waren de relaties nadien wat bekoeld. Vanuit Amsterdam, via Hamburg, werd daarna vooral Saksisch en Silezisch linnen ingevoerd en werd ook Frankrijk een steeds steviger voetje aan de grond gegund.

In Ierland was mettertijd echter een ruim verbreide huisnijverheid ontstaan die vlasgarens en smal bandlelinnen produceerde. Via een goed uitgekiende economische beschermingspolitiek werd deze vanaf het begin van de 18e eeuw omgevormd tot exportindustrie.

Door privé-initiatieven van Hugenoten vooral – o.a. een afstammeling van een in de 16e eeuw naar Frankrijk uitgeweken Vlaming, die na de opheffing aldaar van het Edict van Nantes (1685) de benen had genomen naar Ierland [346] - maar gesteund door de regering, langdurige landbouwpachten vanwege de Ierse adel en allerlei corporations, werden de Ieren omgeschoold tot vakkundige vlastelers, wevers, twijnders en blekers, waardoor de Ierse linnenweverij aan een nooit geziene opmars begon. Vertienvoudigde productie tussen 1712 en 1755, maal 2,5 tussen 1750 en 1771 en nogmaals verdubbeling tussen 1784 en 1796 zijn cijfers die klinken.

 

Na 1725 werd ook in Schotland dezelfde tactiek toegepast. Weldra vond het Iers en Schots courantlinnen, evenals Londens batist en in Manchester vervaardigd gestreept ginga-linnen, zijn weg naar de West Indies en Noord-Amerika.

Volledig synchroon met de opbloei van de Engelse lijnwaadnijverheid, werden de toltarieven ten opzichte van onze linnenhandel aangepast. De zogenaamde linenpolitic begon reeds in 1698 met de fameuse “bill” die tolvrijheid verleende aan het Ierse linnen. Voortdurend was de Engelse regering nadien tot onderhandelen met de Zuidelijke Nederlanden bereid maar tot akkoorden kwam men niet: de invoerrechten bleven voor ons land ontzaglijk hoog zodat verkoop van onze producten quasi onmogelijk was, temeer daar die rechten driemaal hoger lagen dan die bepaald voor Hollands linnen en zelfs zesmaal hoger dan die voor Silezië. Omgekeerd konden, door een clausule bij het Barrièretractaat (1715), Engelse producten moeiteloos in ons land ingevoerd worden, vermits die bepaalde dat de keizer niet zomaar onze toltarieven kon verhogen wanneer het hem zinde.

Op één vlak stonden wij wat sterker: de Engelse dames prefereerden immers onze Brusselse fijne kant, met steeds nieuwe patronen, boven de grove namaak die de Engelsen zelf produceerden nadat zij hiervoor Brabantse kantwerksters met slinkse middelen hadden aangetrokken. Treffend in dit verband is de opmerking van onze Gevolmachtigd Minister graaf L.B. di Belgiojoso, die de situatie perfect beschrijft: “ De Engelse kantindustrie verwerkt Frans-Vlaams garen in de Oostenrijkse Nederlanden gesponnen en in Holland gebleekt “. [347] Vermits echter ook op dat vlak de linenpolitic systematisch doorgevoerd werd, moesten onze producten vooral naar de Britse eilanden worden gesmokkeld, desnoods in doodkisten! Zo ontdook men de hoge toltarieven, terwijl men kleine hoeveelheden van de kostbaarste stukken officiëel invoerde… pour sauver les apparences…

Onze relaties met de Verenigde Republiek waren voor ons heel wat positiever. Na de strijdvaardigheid van weerszijden vóór de scheiding, waren de gemoederen wat bedaard na de Vrede van Münster en hoewel wij aanvankelijk niet op kado’s moesten rekenen van hun kant, zorgde de afschaffing van hun voormalige prohibitieve handelspolitiek en een aanhoudende tolstabiliteit voor normale, zij het beperkte handelscontacten.

Hun vlasindustrietje was voor ons niet echt concurrentiëel, terwijl zij zelf al liever onze producten invoerden dan hun eigen weefsels te verbruiken. Haarlem bleekte nog steeds wat Vlaams linnen, maar dat was stilaan het spreken niet meer waard. Sinds de Vrede van Utrecht hadden zij bovendien hun handelshegemonie aan Engeland verloren en daalde de welvaart in het land zienderogen nu hun Gouden Eeuw zijn beste tijd had gehad. [348] Om te redden wat er nog te redden viel, traden zij gretig op als handelsagenten voor de invoer van koloniale waren en de heruitvoer van allerlei producten van hun buurlanden, waaronder Duits en Zuidnederlands linnen.

 

Na 1750 nam onze uitvoer naar Nederland aanzienlijk toe. Steeds meer handelaars zagen af van de dure, risicovolle rechtstreekse export naar Spanje, ten gunste van de gematigde bemiddeling van onze Noorderburen die ons linnen wel via hun kanalen verder aan de man brachten. Via Hollandse expediteurs leerden heel wat landen ons linnen kennen en snel verkiezen boven Silezische, Hamburgse of Bretoense weefsels, veroverden wij de harten in de Hollandse kolonies en ontweken wij de hoge invoerrechten naar Latijns-Amerika, doordat onze goederen er nu, in plaats van via Spanje, door de Hollandse sluikhandel over St. Eustachius en Curaçao werden ingevoerd.

 

d. VLASPROBLEMEN EN DE HOUDING VAN DE OOSTENRIJKSE REGERING.

 

Naast stijgende concurrentie, buitenlandse én binnenlandse, werd onze vlasindustrie geconfronteerd met een reeks andere problemen van diverse aard. We vermeldden reeds het gebrek aan goede reglementeringen, waardoor onze concurrentiekracht stilaan werd uitgehold, gezien de vastberadener aanpak van de buitenlandse regeringen. Er was de toenemende broodroof door kutsers t.o.v. stedelijke marktkramers en die van koopman-ondernemers t.o.v. kleine tijkwevers. Daarnaast was er de strijd van de roters voor het recht om te roten in de Leie zelf en die van de exporteurs tegen de kutsers enerzijds en de blekers anderzijds. Het grootste probleem was echter de verbeten strijd die gevoerd werd tussen de vlasboeren en de verzamelde vlasnijverheid (inclusief handelaars en twijnders), veroorzaakt door de voortdurende “tekorten” aan vlas (die er in feite bij normale oogsten door de recent nog sterk uitgebreide teelt steeds minder waren) en bemoeilijkt door het feit dat de kwaliteit van het vlas verschilde naar gelang de bodemgesteldheid van de diverse regio’s, waardoor sommige vezels voor onze industrie niet waren geschikt. De moeilijkheden op dit vlak waren niet nieuw: reeds in de 16e eeuw stak een latente vlascrisis de kop op die met het herhaaldelijk uitvaardigen van vlasuitvoerverboden werd bestreden. [349] In de 18e eeuw kwam het tot een regelrechte oorlog die niet alleen met behulp van pamfletten pro en contra werd uitgevochten: er zijn nogal wat gevallen bekend waarbij beide partijen mekaar met de blote vuist te lijf gingen. Eens te meer wist de regering zich géén raad, hoe ze deze tweespalt moest aanpakken.

Wat was er in feite aan de hand? De typische nijverheidsregio’s vormden nu vrijwel een aaneengesloten geheel in het hart van het voormalige graafschap Vlaanderen. Zij verbouwden her en der vlas maar waren grotendeels aangewezen op de teelt van de feitelijke hierin gespecialiseerde kultuurgebieden die het industriegebied rondom begrensden: het Waasland, het Westland en Henegouwen-Brabant. Vermits ook Frankrijk en Nederland schreeuwden om grondstoffen zagen de vlasboeren er geen graten in te leveren in beide richtingen: een beetje aan de Vlaamse industrie en een beetje aan de concurrentie. Logisch eigenlijk, vermits de buitenlandse verwerkers te kampen hadden met reële schromelijke tekorten en dan ook bereid gevonden werden hoge prijzen te betalen, terwijl de inlandse industriëlen vooral kieskeurig waren, superkwaliteit eisten op regelmatige basis en dan nog liefst tegen zo laag mogelijke prijzen. Voor de boeren was de keuze vlug gemaakt!

De regering werd van weerszijden met “memoires”, petities en rapporten bestookt terwijl de Staten van Vlaanderen een pro-nijverheid campagne voerden, hoewel ook hier de meningen intern waren verdeeld tussen de teelt- en de nijverheidsgebieden. (De stem van de Gentse Handelskamer gaf blijkbaar nog steeds een gevoelige doorslag.)

De boeren beweerden dat zij wel vier keer zoveel vlas oogsten als er nodig was voor de inlandse industrie, zodat niemand benadeligd zou worden wanneer de export van ruw vlas veroorloofd werd. De industrie anderzijds hield vol dat de industrie vier keer méér opbracht aan het land maar dat die bloei afhing van goedkope grondstoffen, terwijl nu juist het toestaan van vlasuitvoer de prijzen de hoogte injaagde. “ Het vlas vervulde in Vlaanderen dezelfde rol als de wol in Engeland. Bijgevolg waren de redenen waarom Engeland de uitvoer van onbewerkte wol verbood, ook geldig voor het Vlaamse vlas “. [350] Bovendien werd stelselmatig het betere vlas uitgevoerd, zegden ze, terwijl de eigen industrie het maar moest zien te rooien met de rest. De boeren betoogden net het tegendeel: ze verlapten slechts de mindere kwaliteiten aan het buitenland – zoals het voor ons onbruikbaar té fijn Henegouws “geraamd” vlas, dat slechts als scheringsdraad in de Franse zijdehandel kon dienst doen - beweerden ze, vermits die toch geen fijnlinnenindustrie van betekenis hadden en de kwaliteitsvezels dus niet konden gebruiken…

 

De regering probeerde een geschikte middenweg te vinden tussen de belangen van de industrie en die van de landbouw en bevoordeligde daarom eens de een en dan weer de ander. Grenzen werden doorgaans geopend of gesloten naargelang het niveau van de oogsten. [351]

In feite zat zij zelf, zeker vanaf de tweede helft van de eeuw, met een prangend vraagstuk waar ze het goede antwoord niet op vond, nl. het dilemma tussen mercantilisme en het motto Laissez faire, laissez passer, hen ingefluisterd door de Fysiocraten. Immers, wie kon nu met zekerheid aanwijzen wat belangrijker voor de staatskas was: een bloeiende landbouw gekoppeld aan vrijhandel of het bewust promoten van handel en industrie, via het sluiten van de grenzen voor de uitvoer van grondstoffen en de invoer van afgewerkte producten en de openstelling ervan voor de omgekeerde beweging? [352]

Bovendien zat de regering geplaagd met de betutteling van de grote mogendheden, waardoor zij tussen 1713en 1748 niet zelf kon kiezen welke politiek zij wilde volgen en de keuze voor protectionisme door Frankrijk en Engeland, waarop zij wel verplicht was te reageren met gelijkaardige maatregelen. De hele strijd werd dus in feite nodeloos gevoerd: de uitvoer van vlas werd door de band noodgedwongen verboden, tijdelijke opheffing- of afzwakkingperiodes niet te na gesproken. W. HAAGEN confirmeert deze stelling zo: “Samenvattend kan men stellen dat de vrije legale vlasexport slechts gedurende een zeer beperkte periode heeft bestaan.” [353]

 

Een rechtstreeks gevolg van de inlandse prohibitieve maatregelen t.o.v. de vlasuitvoer én de invoerbeperkingen op onze afgewerkte producten via te hoge toltarieven in het buitenland, was het weelderig tieren van sluikhandel op beide fronten. Wij zagen reeds hoe linnen en kant gesmokkeld werd naar de Spaanse koloniën, via de bereidwillige medewerking van de Hollanders, evenals naar Engeland. Wat Frankrijk betreft was er een ganse constructie opgesteld om de hoge Franse tolrechten te omzeilen. De invoerrechten verschilden nl. naargelang de bestemming en de kwaliteit: in de Pays-Conquis waren ze een stuk lager dan die rechtstreeks naar de rest van Frankrijk en grof linnen werd minder zwaar getaxeerd.

Een en ander was het gevolg van de interesse die Frankrijk voor de nieuw veroverde linnenstreken had getoond. Frans-Vlaanderen en –Henegouwen eisten bij de verdere uitbouw van hun industrie, gestimuleerd door de regering, de nodige uitvoerfaciliteiten naar de rest van het land maar ook soepele invoertarieven m.b.t. de Zuidelijke Nederlanden, ter bevordering van een lokale twijn- en bleekindustrie die nog helemaal niet vlotte en wat steun kon gebruiken.

 

De uitvoer van Rijselse producten over de inlandse tolgrens met het Franse binnenland kostte daarom niet veel. Bovendien was Rijsel vrijgesteld van transitorechten naar de kolonies en genoot zij uitgebreide privileges op de diverse jaarmarkten. Dus koppelden wij de zaken aan mekaar, met medewerking van Rijselse opkopers. Zuidnederlands linnen met bestemming Oud-Frankrijk vertrok in eerste instantie naar Rijsel, mét een verklaring dat de producten voor verkoop of bleek in de Pays-Conquis waren bestemd en dat het om grof lijnwaad ging. Zo kregen ze meteen aan de grens ook een acquits à caution (= borgbrief) mee, waardoor het verdere transport naar Rijsel probleemloos kon verlopen. In Rijsel aangekomen voorzagen de collaborerende handelaars ons linnen van een Frans-Vlaams grof-linnen-fabrikagezegel, waarna het zijn weg kon vervolgen over de inlandse tolgrens naar de uiteindelijke klant. De Franse regering probeerde de smokkel met allerlei middelen te bestrijden maar het enige effectieve middel, nl. de verhoging van de invoerrechten naar de recent veroverde gebieden, werd door de lokale handelaars daar, gesteund door hun notabelen, met evenveel strijdvaardigheid afgeweerd, vermits zij goed aan het frauduleuze handeltje verdienden. Bovendien was de Franse clientèle erg tuk op ons fijn linnen en helemaal niet bereid zich tevreden te stellen met de grovere inlandse fabricaties, zodat de sluikhandel wel met veel lawaai en wetten werd bestreden, maar zelden repressief werd beteugeld.

Het uitvoerverbod op ruw vlas in ons land zorgde enkel voor een even intens gesmokkel naar Frankrijk en ook naar Nederland. Hierbij echter werden géén slinkse truken gebruikt maar trokken goed georganizeerde benden, vaak honderden mannen sterk, in het holst van de nacht over de grenzen, geladen met kruiwagens vol vlas.

Wanneer tegenstand werd gevreesd, begeleidden gewapende kerels de smokkelconvooien. Vooral t.o.v. Franse douaniers schrok men niet terug vuurwapens te gebruiken: gesnapt worden door de Fransen betekende immers prompte veroordeling tot de galeien! De “onzen” waren veel redelijker in hun bestraffing: meestal kwamen smokkelaars ervan af met verbeuring van de goederen en enkele maanden gevangenis. Het gebruik van vuurwapens verergerde de zaken, waardoor het vermeden werd. [354]

 

Aan de rivieren ging het nog vlotter: men haalde het vlas op aan de Franse oever van de montées, dat aan de Zuidnederlandse oever ervan te roten was gelegd!

De bestrijding van dergelijke grootschalige acties verliep mank bij gebrek aan voldoende personeel, de openlijke sympathie van de grensbewoners – die bij arrestaties de douaniers met stenen bekogelden - en de beschermende hand boven het hoofd van de smokkelaars door notabelen en zelfs pastoors die in de sluikhandel waren betrokken.

“ De lokale bevolking beschouwde de smokkelaar zeker niet als misdadiger, integendeel. Hij bracht een zekere welvaart in de streek en nam het op tegen een stuk wetgeving die als onrechtvaardig en volksvreemd werd ervaren. “ Er bestonden zelfs smokkelaarsverenigingen die, in geval een smokkelaar werd aangehouden, diens huisgezin ondersteunden met gelden uit de maatschappelijke kas. [355]

 

Naast echte beroepssmokkelaars die, in groepsverband, de grens overtrokken volgens uitgestippelde routes en met een ploeg bespieders en helpers, waren er ook gelegenheidssmokkelaars die om uitzonderlijke kosten te dekken of bij speciale gelegenheden op kleinere schaal gingen smokkelen. Meestal ging het dan om kleine hoeveelheden zout, koffie, tabak of … kant.

 

De vindingrijkheid kende hierbij géén grenzen: men smokkelde met roeibootjes vanuit Koksijde en omgeving naar de vrijhaven Duinkerken en overland zette men speciaal getrainde herdershonden in. Beladen met zakken tabak of kant en beschermd tegen de vijand – de honden van de douane – door gordels met vervaarlijke scherpe pinnen, spurtten zij de grens over. Ze waren zo goed gedresseerd dat ze wisten wanneer ze moesten sluipen door het struikgewas of zich verschuilen tot het gevaar geweken was, en ze kenden alle vluchtpaadjes.

Toch werden er tussen 1820 en 1836 bijvoorbeeld langs de Frans-Belgische grens niet minder dan 40.300 kanthonden neergeschoten: de douaniers kregen een premie per hondepoot die ze binnenbrachten. [356]

 

Ondanks diverse maatregelen, zoals vervoerverboden waardoor de bevoorrading van de eigen markten in het gedrang kwam en steeds strengere wetten ter beteugeling, bleef deze smokkel dus de ganse eeuw lang de economische protectionistische politiek van de Oostenrijkers ontwrichten.

 

“ Het land werd zodanig leeggepompt, dat de nijverheid verplicht was voor haar bevoorrading vlas binnen te smokkelen. “ [357] De massale vlasexport jaagde bovendien de prijzen op, terwijl de kwaliteit van het linnen soms zo te wensen overliet dat de buitenlandse afnemers begonnen te klagen. Grote slachtoffers van de prijsschommelingen van grondstoffen waren de spinners en de kleine wevertjes die geringe hoeveelheden vlas kochten op de markt, telkens hun voorraad opgebruikt was en de verkoop van hun afgewerkt product wat geld opbracht. Voor handelaars-commissionarissen was een “hausse” ronduit desastreus: zij kochten slechts linnen voor buitenlandse correspondenten op bestelling tegen vooraf afgesproken prijzen. Bij plotse prijsstijgingen waren zij dus de pineut! [358] Steeds sterker gingen er stemmen op om de vlasexport nog strenger te verbieden en werk te maken van de repressie. Maar de boeren? Die smokkelden rustig verder.

 

Het optreden van de Oostenrijkse regering bij dit alles roept vragen op: stond zij dan werkelijk zo machteloos? Wij denken van niet: alleen waren er onuitgesproken onderliggende redenen die in grote mate hun houding bepaalden. Tot aan de eerste Industriële Revolutie was de situatie meestal zo dat de belangen van de gecentraliseerde staat en die van de economie slechts gedeeltelijk gelijklopend waren en vaak aan mekaar tegengesteld. [359] Hierbij moet er evenwel een onderscheid gemaakt worden tussen het bewind van Karel VI (tot 1740) en dat van zijn dochter. Van de keizer kan worden gezegd dat hij onze economische belangen in het algemeen niet echt behartigde, omdat die hem onverschillig lieten zolang de ontvangsten van de schatkist in voldoende mate naar Oostenrijk vloeiden. De economische clausule van het Barrièretractaat (waarbij wij door de mogendheden verplicht werden onze invoertarieven belachelijk laag te houden, terwijl zij de hunne mochten verhogen naar willekeur) was wel van die aard dat zij noch het Oostenrijks-Nederlands staatsbelang, noch dat van onze handel en industrie ten goede kwam. Karel VI verkoos nochtans de mogendheden ter wille te zijn, met het oog op het doordrukken van zijn Pragmatieke Sanctie (1725) die zijn dochter de troon moest garanderen. Kansen voor ons land, zoals de oprichting van de Oostendse Compagnie, werden dus opgeofferd aan de dynastieke belangen van de Habsburgse keizer.

Ook werden in die jaren de culturele of economische banden met Oostenrijk zelf weinig gestimuleerd: al bij al interesseerden die Nederlanden hem slechts matig. De landvoogdes Maria Elizabeth drong regelmatig aan om onderhandelingen te mogen starten i.v.m. die wanverhouding in toltarieven, ook wat linnen betrof, maar vanuit Wenen kwam hooguit gesus niet zo hard van stapel te lopen, zodat haar handen gebonden waren.

 

Maria Theresia, in tegenstelling tot haar vader, had wél oog voor de algemene belangen van ons land en vaarde een heel andere koers. Onder haar beleid werd eindelijk werk gemaakt van het beschermen van onze industrie en het bevorderen van onze handel. [360] Kanalen werden gegraven, steenwegen werden aangelegd, havens werden uitgebouwd, de landbouw werd flink onder handen genomen – naast graan vulden nu ook aardappelen de magen - en in een voorzichtige “verlichte” sfeer werd ons land ook cultureel op niveau gebracht, zij het vooral via het invoeren van het Frans als omgangstaal in de elitaire kringen en het optrekken van gebouwen in de moderne rococostijl. [361] De Raad van Financiën werd omgetoverd in een soort Ministerie van Economische Zaken dat de geschikte strategieën moest uitwerken en voortaan werd met octrooien en protectionistische douanemaatregelen gestreefd naar zo groot mogelijke bloei op alle fronten, … behalve in het vlasbedrijf.

Wél werd de Borgerhoutse blekerij met allerlei tolvrijstellingen sterk bevorderd om de Haarlemse concurrentie finaal uit te schakelen: dat was ook reeds zo ten tijde van haar vader, maar het was de enige nevenindustrie van de linnennijverheid waarvoor een krachtige stimuleringspolitiek werd gevoerd. De vlaswetgeving bijvoorbeeld, probeerde vooral de tegengestelde standpunten van landbouw en nijverheid met mekaar te verzoenen, met weinig succes overigens, zoals we hebben gezien. De bestrijding van de sluikhandel in vlas schoot schromelijk tekort, zodat de industrie er onder ging lijden.

 

Wanneer het vlas betrof, kwam men bij onderhandelingen zelden tot akkoorden waar wij gelukkig mee waren en de handelsbetrekkingen met Oostenrijk zelf op dat vlak werden systematisch geremd. Daar moest dus een reden voor zijn en die is niet zo moeilijk te vinden, vermits de Silezisch-Boheemse garens en weefsels met de Zuidnederlandse producten in concurrentie waren op de Spaans-Amerikaanse, Engelse en Noordnederlandse markten! Om voor de Oostenrijkse industrie een poort te openen op koloniale handel was Karel VI zo vlug te vinden geweest voor de oprichting van de Oostendse Compagnie. (Toen hij nadien die kans moest laten varen, probeerde hij een alternatief uit via Triëste, poging die evenwel uitdraaide op bankroet.) De ganse eeuw lang werd er gepleit voor matige invoerrechten in de Nederlanden t.o.v. Oostenrijkse producten en liefst zo zwaar mogelijke of zelfs prohibitieve vanuit de Nederlanden naar Oostenrijk toe. Pas in 1777 zou een wederkerig handelsakkoord tot stand komen… mét protectionistische toltarieven aan weerszijden. Van bevoorrechte linnenbanden met de erflanden van onze Oostenrijkse vorsten, zoals dat met de Spaanse was geweest, kan dus helemaal geen sprake zijn.

 

e. HET SOCIO – ECONOMISCH “DEBAT”.

 

Wanneer wij op zoek gaan naar de feitelijke sociaal-economische betekenis van de 18e eeuw met betrekking tot de vlassector, blijkt vrij vlug dat die slechts moeilijk éénduidig te evalueren valt. Er zijn nogal wat “tendenzen” die mekaar lijnrecht tegenspreken zodat er ruimte ontstaat om te “interpreteren” in verschillende richtingen, naargelang men meer de nadruk legt op pure cijfers dan wel op meer diverse nevensymptomen. Het concreet voorhanden zijnde cijfermateriaal is té disparaat om onomstotelijke bewijzen op te enten. De cijferreeksen zijn onvolledig, er wordt voortdurend “geschat” en “geëxtrapoleerd” en men werkt met “gemiddelden” waardoor de extremen worden “genuanceerd”. In sommige gevallen is dat een voordeel, maar voor de 18e eeuw veeleer gevaarlijk omdat juist die extremen de eigenlijke socio-economische betekenis kunnen duiden.

Zoals wel vaker het geval is, lijkt de sociale realiteit ons een stuk gevariëerder dan de puur economische statistieken op het eerste gezicht laten vermoeden. J. STENGERS waarschuwde hiervoor: “ Vooral de mens van vlees en bloed, verscholen achter de abstracte cijfers, moet men vatten.” [362] Om dit naar behoren te doen lijkt een round-up aangewezen.

 

Vast staat dat gedurende de ganse eeuw de vlasnijverheid de enige grootindustrie was in Vlaanderen. De aanverwante industriële bedrijvigheid rond vlas had nu ook de steden ingepalmd, terwijl landelijke vlasactiviteiten doordrongen tot in de kleinste hoekjes van ons land, zodat de productie onafgebroken steeg. [363] De Gentse linnenmarkt realizeerde rond 1780 haar grootste omzetten ooit. [364] Steeds baseert men zich op het toenemend aantal op de markten aangevoerde stukken:

 

Hierbij zou het fenomeen van de langer wordende stukken moeten worden gevoegd, waarmee men al te zelden rekening houdt maar waarmee de feitelijke productie nog verhoogt. Ter vergelijking en wellicht duidelijker geven we een overzicht in ellen van de Vlaamse en Brabantse productie [366]:

 

Periode

Aantal ellen

Index

1510-1515

6.483.750

100

1560-1565

12.825.925

197.8

1610-1615

11.833.450

182.5

1660-1665

16.184.675

249.6

1710-1715

18.343.913

282.9

1760-1765

24.681.864

380.7

1812

31.662.253

488.3

Vlaamse en Brabantse linnenproductie in ellen.

 

Een andere indicator van toenemende productie vinden we in micro-studies waarin, op basis van “staten van goed”, gepeild wordt naar de activiteit van de bevolking. Hieruit blijkt dat het aantal spinnewielen en weefgetouwen gestaag aangroeide gedurende de ganse eeuw. [367] Nationale handelsstatistieken tonen aan dat onze export voortdurend toenam, in de tweede helft van de eeuw zelfs met 32 %. [368] Officiële cijfers houden dan nog geen rekening met de omvang van de smokkel, waardoor die export ongetwijfeld een veelvoud hoger moet worden ingeschat.

Maar ook de landbouw en de globale industrie deden het vrij goed, zodat zeker de middengroepen erop vooruit gingen en de gemiddelde binnenlandse koopkracht steeg. Parallel hiermee nam de bevolking toe waardoor de interne markten konden uitgebouwd worden. Een duidelijke toename van textielverbruik kan onmiskenbaar vastgesteld worden, inclusief een stijging van wollen en gemengde stoffen. [369] C. VANDENBROEKE berekende zelfs dat de reële inkomsten van wevers maximale waarden bereikten omstreeks 1750-1755. [370] Kortom: een hele reeks groei-indicatoren, op het eerste gezicht onomstotelijk wijzend op een “bloeiende” linnenindustrie met heel wat potentiëel.

Terecht evenwel waarschuwt J.A. VAN HOUTTE voor een al te groot optimisme: méér productie is op zich immers niet zo relevant. De hamvraag is veeleer of die productie ook probleemloos verkocht geraakte, renderend was voor de producenten zowel als voor de verkopers en winsten opleverde voor iedereen die in de nijverheid van begin tot eindfase werkzaam was. Dat is allemaal véél minder evident! [371]

 

Laten we eerst even de verkoop van de productie op zich bekijken. We zagen dat de “omstandigheden” waarin het hele gebeuren zich moest voltrekken allesbehalve gunstig te noemen waren. Verlies van een van onze bloeiendste regio’s aan Frankrijk, strijd op zowat alle fronten binnen de vlassector (wijzend op evenzoveel “frustraties”), voortdurende afzetmoeilijkheden door doelmatige protectiemaatregelen in het buitenland (slechts te omzeilen via sluikhandel) en goed georganizeerde, sterke uitbouw van de concurrentie buiten onze grenzen in tegenstelling tot weinig doeltreffende stimulansen vanwege onze regering. Maar er was méér.

Vanaf de 18e eeuw zocht een toenemend aantal mensen – gedreven “door de sterker wordende bevolkingsdruk enerzijds en de extreem doorgedreven vormen van bedrijfsversnippering anderzijds” - een aanvullend inkomen in de vlassector. In sommige regio’s liep hun aantal op tot 50 % van de actieve bevolking. [372]

“Cumulatie bleek in de bestaande agrarische structuren een noodzakelijkheid: slechts langs deze weg kon men de hoge pachtprijzen voor de soms minuscule oppervlakten opbrengen.” [373] E. DUBOIS preciseert: 200.000 spinners en wevers in 1765. FAIPOULT heeft het in zijn “mémoire” met betrekking tot enkel het Scheldedepartement over 123.000 spinners en wevers in 1800. [374]

 

De potentiële koek moest dus in stijgende mate worden verdeeld. Dat dit problemen stelde blijkt uit een aantal dingen. Enerzijds staat vast dat de stedelijke linnenhandelaars, met hun monopolie op de markten, fortuin maakten tijdens de 18e eeuw [375] , maar evenzeer dat ze met z’n allen vrij inert waren en hun verkoop traditioneel verder zetten o.b.v. commissielonen. Bij de wevers zelf valt op dat ook bij hen geen greintje modernisering te bespeuren valt. Traditionalisme, ongetwijfeld, maar wellicht ook noodgedwongen bij gebrek aan voldoende inkomsten. Ondertussen verschenen op de markten vooral grovere weefsels: het beste vlas verdween immers via smokkel over de grenzen! En de Staten van Vlaanderen constateerden in 1766 in toenemende mate dat ons linnen in het buitenland een slechte reputatie gekregen had. Het frauderen bij wevers, blekers én handelaars nam zulke proporties aan dat zelfs Spanje steeds hogere invoerrechten ging heffen om het euvel te bestrijden. [376] Tenslotte was er het probleem van de onaangepaste productie aan de wisselende vraag en het feit dat op de markt zelden een compleet assortiment te vinden was van éénzelde soort linnen of kwaliteit. De hele linnennijverheid, stelt E. DUBOIS, was in feite een orkest zonder dirigent. [377]

Bovendien lijkt een dergelijke éénzijdige gerichtheid op en zelfs “afhankelijkheid” van één industrie, die zich daarenboven ontwikkelt in een niet zo denderend klimaat, ons een zeer gevaarlijke tendens. [378]Des te meer was dit het geval, daar ook de grond- en pachtprijzen evenals de huishuren en de prijzen van levensmiddelen over langere termijn bleven stijgen en de koopkracht uitholden.” [379] We zien inderdaad dat naar het eind van de eeuw toe de lonen stilaan in mekaar zakken om een historisch dieptepunt te bereiken halverwege de volgende eeuw. Tevens zien we dat wevers in toenemende mate meer dagen en langere uren moeten werken om het gezinsbudget in evenwicht te houden. [380]

Wat winsten betreft, dient o.i. onderscheid te worden gemaakt tussen de verschillende betrokkenen bij de linnenindustrie: in eerste instantie tussen “producenten” en “handelaars”, want slechts zelden vielen beide functies samen. [381] Het lijkt ons heel aanneemlijk dat pientere stedelijke handelaars, die volop in smokkel bedrijvig waren, niet vies waren van wat fraude en wier inkomsten door de Raad van Financiën onderschat werden (supra) zich in die jaren aanzienlijk konden verrijken. Velen behoorden tot families die reeds fortuinen hadden opgebouwd in de voorgaande eeuw. Kleine tussenhandelaars evenwel, zoals kutsers, hadden het moeilijker. Daarenboven staat vast dat de winsten van alle linnenhandelaars doorheen de eeuwen systematisch werden uitgehold door toenemende productiekosten en afzetmoeilijkheden. Dit was heel zeker het geval vanaf de late 18e eeuw. [382] We zien immers dat de interesse voor linnenstoffen in de stedelijke detailhandel procentueel terugloopt t.o.v. wollen, katoenen en gemengde weefsels en dat het lijnwaad steeds meer opgestapeld blijft liggen in de pakhuizen van de Gentse exporteurs. [383] Dit kán, zoals E. MEERSSCHAUT zegt, wijzen op grotere buitenlandse vraag (= méér aanvoer nodig) maar o.i. net zo goed op verkoopsmoeilijkheden (= onverkochte stukken die blijven liggen of speculatie op “betere” tijden).

Bovendien moeten producenten zelf ook onderverdeeld worden in een aantal categorieën. “Les tisserands ne sont pas des salariés qui travaillent la matière première pour le compte d’un manufacturier. Ce sont des petits entrepreneurs indépendants qui produisent ou achètent eux-mëmes le lin dont ils ont besoin.” [384] Deze veralgemening van H. VAN HOUTTE klopt niet meer voor de 18e eeuw. Enerzijds waren er landbouwer-wevers, boeren die 2 à 3 ha grond pachtten waarop ze hun eigen behoeften aan voeding kweekten en ook wat vlas.

Om aan de klimmende pachtprijzen te ontsnappen probeerden zij grondbezit te verwerven. Sommigen slaagden daarin maar het areaal dat ze verwierven was zeer klein. Naar het eind van de 18e eeuw toe lukten ze daar steeds minder in: het leger van bezitlozen groeide voortdurend. [385]

 

Ze verwerkten hun eigen oogst tijdens de wintermaanden tot weefsels en deden alle bewerkingen zelf met behulp van hun familie en enkele knechten, in eerste instantie voor eigen comsumptie. De zonen vanaf twaalf jaar weefden mee en de dochters stonden, samen met hun moeder, in voor het spinnen. Het surplus aan vlas en linnen verkochten ze zelf op de markt. Aanvankelijk was dit soort wevers in de meerderheid: door de combinatie van landbouw en industrie hadden ze het beter dan andere boeren. Maar in wezen ging hun voorliefde uit naar landbouw: ze snakten naar verse lucht en het weven werd er enkel bij genomen als welkome aanvulling van inkomsten. [386]

Hier en daar ontpopte één van de grotere landbouwer-wevers zich tot “kleine ondernemer”. Vaak deed hij dit noodgedwongen omdat het bewerken en verwerken van vlas in belangrijke mate afhing van de verhouding mannen-vrouwen in zijn gezin. Hij deed beroep op arbeiders of arbeidsters naargelang, en specialiseerde zich, hetzij in vlasvezelbewerking hetzij in spinnen en weven. [387]

 

In toenemende mate tijdens de 18e eeuw kwam deze praktijk tegemoet aan de behoeften van dagloner-wevers, levend in een klein huisje op gepachte perceeltjes van een halve of kwart hektare, die hun eigen vlas niet konden verbouwen en vlas kochten op krediet om het in gezinsverband te verwerken. Een kleine minderheid onder hen weefde jaar in jaar uit: de meesten werkten in principe als dagloners bij een boer in de omgeving en vulden enkel het dode seizoen aan met wat weven.

Meestal bezaten ze een eigen getouw maar hierop produceerden ze slechts groflinnen. [388] Hun loon lag dan ook veel lager dan dat van de loonarbeiders in gecentraliseerde, vaak stedelijke ateliers, of dat van regelmatige wevers die fijnere stoffen en zelfs damast weefden. [389]

 

De grote meerderheid tijdens de 18e eeuw waren de zogenaamde “thuiswevers”. Ze werkten voor eigen rekening als “kleine zelfstandige ondernemer” voor de markt of weefden linnen op bestelling van “fabrikanten” en kooplui. Meestal waren ze eigenaar van hun getouw maar hun situatie was allesbehalve briljant.

Ze leefden geïsoleerd in miserabele omstandigheden, werkten met hun ganse familie, die spon en spoelen opwond, vaak van 4 in de ochtend tot 9 uur ’s avonds. Ze verdienden zeer weinig want moesten alle kosten zelf dragen: het onderhoud van hun getouw, verlichting, verplaatsingkosten bij het leveren van hun producten, bier voor de buren die de schering hielpen klaarzetten, tot de grillen van het klimaat toe. Men schat dat ze 3 dagen loon verloren aan kosten op één maand tijd. Dat zuur verdiende loon kregen ze in handen op de markt en gebruikten het meteen voor de aankoop van een nieuwe hoeveelheid vlas. [390]

 

Nu realizeerden ze nog wat winst wanneer ze zelf hun producten op de markt gingen verkopen, maar in toenemende mate werden ze gechanteerd door de kutsers. In de 19e eeuw zullen ze het nog moeilijker krijgen en steeds meer in opdracht van een koopman of fabrikant zijn grondstoffen verwerken op zijn getouw. M.a.w. ze waren nog autonoom maar stonden op het punt te evolueren naar loonarbeiders, die nu nog in de minderheid waren, maar het veel beter hadden. [391] Iets of wat wever kon dankzij zijn vakmanschap en een inzet van 12 à 15 uur, door het wegvallen van de kosten, veel meer overhouden aan loon dan een zelfstandige thuiswever.

In de 18e eeuw beperkten linnenhandelaars, allen behorend tot de stedelijke kapitaalkrachtige burgerij, zich tot het verhandelen van weefsels en het laten bleken of verven. In het Kortrijkse, waar quasi volledig gewerkt werd op bestelling (= 75 % voor Frankrijk, de rest voor Spanje of het binnenland) waren de meeste handelaars slechts commissionairs. [392] Feitelijke fabrikanten (= handelaars-ondernemers) waren tot 1850 grote uitzonderingen: ze kochten vlas, hadden twee à zes getouwen waarop ze loonarbeiders aan het werk zetten en soms schakelden ze thuiswevers in à façon, die ze lieten bevoorraden, controleren en betalen via hun contremaître. [393]

Er waren er zo wel reeds enkele, vooral in grote centra zoals Gent, Kortrijk, St. Niklaas en Aalst. Kortrijkse fabrikanten hadden rond 1800 elk 2 à 13 weefstoelen in werking, evenwel slechts uitzonderlijk opgesteld in een centraal atelier. [394] In Brugge is het geval bekend van een fabrikant die 12 wevers tewerkstelde maar eveneens 27 hekelaars en 12 spinners. [395]

 

Dergelijke fabrikanten zullen in de volgende eeuw aan belang winnen: voor veel wevers waren zij een redplank, al werden ze slechts betaald na controle van het werk (waarbij voor foutjes een niet vastgesteld tarief kon worden afgetrokken van het afgesproken loon) en al betaalde de ondernemer slechts type-lengtes, ook wanneer het geweven stuk langer was. Vooral bij fijn werk met goede kwaliteit van garen – dat gemakkelijker verwerkte – verdienden zij beter hun kost dan hun minder fortuinlijke collega’s. [396]

Uit dit overzicht blijkt dat er een heuse hiërarchie bestond onder de wevers. Een juiste afbakening van goede verdieners t.o.v. mindere is onmogelijk omdat er bijna altijd per stuk werd betaald maar zonder type-tarief.

Het loon hing af van de lengte en breedte van het stuk, maar ook van de fijnheid, de moeilijkheidsgraad en de kwaliteit. Daarbij kon de wever geluk hebben dat zijn garen vlot spon, dat het weer meeviel en dat hij gemakkelijk helpers vond zodat hij kon doorweven. (Net zo goed kon het allemaal tegenzitten!)

 

Toch voelt men met de ellebogen aan dat dagloner-wevers en thuiswevers het kwetsbaarst waren. Dit wordt trouwens bevestigd door het feit dat ze sociaal geminacht werden. [397]

Sommige “grote” wevers uit deze bonte mengelmoes, vooral de fabrikanten en die met wat grond, slaagden erin te profiteren van de algemeen gunstige conjunctuur gedurende de 18e eeuw en bouwden een zekere welstand op. Dit werd vrij overtuigend aangetoond door W. COOLSAET in zijn studie over Moorsele. Uit zijn relaas kunnen we evenwel opmaken dat velen onder hen de sociale ladder opklommen dankzij allerlei vormen van “cumul” en erfenissen… langs de kant van hun echtgenotes! Evenzeer moest hij tenslotte concluderen: “geen enkele van die families naar het einde van de eeuw en in het begin van de 19e eeuw kon echt welstellend blijven “ en “ de kooplui waren blijkbaar uitgesproken rijke mensen…Het is een constante dat – heel zeker in de laatste decennia van de 18e eeuw – de wevers niet tot de rijke klasse gerekend worden.” [398] De gunstige reële inkomsten voor eenvoudige wevers, waarvan C. VANDENBROEKE sprak, waren uiteraard slechts van toepassing op “loonarbeiders” die evenwel óók betaald werden volgens stukloon terwijl de stukken steeds langer werden. Of dat correct verrekend werd is niet duidelijk. Het gros van het weverscontingent kan men bestempelen als compleet bezitloze “kleine zelfstandigen”. [399] Door die bezitloosheid was hun sociale toestand volledig of toch grotendeels afhankelijk van de situatie op de arbeids- en productiemarkt. [400] Zowel in de stad als op het platteland pachtten ze hun werkruimte en moesten ze zorgen voor hun eigen “alaam” – wat op zich niet duur was [401] – maar ook voor eigen grondstoffen. [402] De nominale prijzen hiervan stegen onafgebroken en al bleven die in reële termen “gemiddeld” eerder stabiel door het toegenomen vlasareaal [403] , toch werden de wevers ongetwijfeld getroffen door periodieke moeilijkheden in de bevoorrading wegens wisselend aanbod (= goede oogst, mindere oogst) of smokkelactiviteiten en daardoor allicht toch sterk fluctuërende prijzen. Plotse schommelingen treffen op korte termijn vooral die mensen die weinig “reserves” hebben. De mogelijk rond 1750 opgebouwde spaarreserves waren enkele decennia later allicht reeds lang uitgehold, vermits ook hun pachten toenamen evenals de prijzen van andere verbruiksproducten, waaronder voeding. We geloven derhalve niet dat ze het zo gemakkelijk hadden. [404] Hetzelfde geldt voor de meeste blekers: veel kapitaal hadden ze niet, een blekerscorporatie evenmin zodat ze met handen en voeten overgeleverd waren aan de willekeur van hun economisch veel sterker staande kooplieden-opdrachtgevers en de goodwill van hun grondeigenaars. [405]

Naast wevers waren er grote hoeveelheden hulpkrachten vandoen die traditioneel zeer laag verloond werden: “spoelers” en “bommers” maar ook een legertje spinners en spinsters dat op z’n minst vier à vijf maal hoger in aantal was dan het aantal wevers waarvoor zij werkten. [406]

Spinners hebben nooit een corporatie gehad om hun rechten te verdedigen. [407] Spinsters, in het Land van Waas zowat het enig denkbaar vrouwelijk beroep, sponnen doorgaans ook voor eigen rekening. Wekelijks gingen ze op de markt een hoeveelheid vlas kopen voor één week. De week daarop verkochten ze hun garens en legden een nieuwe voorraad aan. Zij waren dus ook onderhevig aan de schommelingen van de vlasprijzen en bovendien verdienden ze een belachelijk loon. Velen waren zo arm dat ze veroordeeld waren tot het celibaat en samenleefden met enkele lotgenoten in “spinhuizen” om het hoofd boven water te houden. [408]

 

En wat te denken van de duizenden kantklostertjes, die door de band nog lager werden vergoed dan spinsters? Of al die mensen óók konden genieten van de “algemeen” gunstige conjunctuur met toenemende “gemiddelde” koopkracht – althans tot de laatste decennia van de eeuw - lijkt ons op z’n minst twijfelachtig. Enkele subtiele indicaties wijzen hierop: het restrictief huwelijkspatroon sinds de late 18e eeuw en vooral het ontzagwekkend stijgend analfabetisme, geconcentreerd in de epicentra van de huisnijverheid, reeds vanaf het midden van de 18e eeuw! Hier kan men slechts één reden voor bedenken: hogere participatie van kinderen in het productieproces, een fenomeen dat zelden wijst op gunstige koopkracht van arbeiders. [409]

 

De globale socio-economische betekenis van de Vlaamse linnennijverheid loopt, ons inziens, dus in twee richtingen uiteen: relatief gunstig voor enkelingen maar net zo goed pure miserie voor al de rest. Tot 1770 kan een “gemiddelde” welstand aangetoond worden – ook in de linnennijverheid - maar zelfs dan was ze vast en zeker relatief: een middenmoot tussen vrij hoge en vrij lage verdieners. Het vinnig “debat”, wereldwijd tussen historici hieromtrent ontsponnen, wijst trouwens in die richting. Bovendien zal de evolutie in de 19e eeuw aantonen dat het niet helemaal pluis was in de linnensector van de 18e eeuw.

De “weelde” was weliswaaar een tijd lang beter verdeeld, waardoor grotere lagen van de bevolking konden genieten van de algehele bloeiende economie (wat zich vooral uitte in een toenemend verbruik van allerlei “luxegoederen”). De “New Husbandry” in de landbouw leverde immers vruchten af voor de vele kleine boeren die wat grond in hun bezit hadden. [410] Door over te schakelen op aardappelen in combinatie met industriële gewassen en die zelf te verwerken, konden zij vrij gemakkelijk méérwinsten realiseren en zelfs een spaarreserve aanleggen. In het kielzog van die goed-boerende landbouwers profiteerden ook dagloners van de gunstige conjunctuur. We spreken nu van de periode 1730-1740 tot 1760-1770. Maar…: de weverij bleef in essentie een typische plattelandsaangelegenheid, stilaan geplaagd met serieuze overbevolking en overproductie. Zeker vanaf de tweede helft van de 18e eeuw groeide de landelijke bevolking in ons land sterk aan. [411]

“ Tegen het einde van het Ancien Regime kende het gebied gelegen binnen de vierhoek Roeselare – Tielt – Kortrijk – Menen (= het epicentrum van de linnenweverij) de grootste bevolkingsdichtheid en vermoedelijk de jongste bevolking van het land.” [412]

 

Die mensen zochten in het wilde weg een aanvullend inkomen in de vlasindustrie, verblind als zij waren door het succes van hun vaders, waardoor de mogelijke winsten systematisch werden uitgehold. Zowel het traditionalisme, de fraude als de oplopende frustraties tussen de verschillende linnenwerkers wijzen daarop. Na verloop van tijd waren dalende lonen en evenzeer dalende linnenprijzen hiervan het gevolg. [413] Enkel méér uren kloppen bleef voor hen als oplossing over, vermits hoger

rendement behalen via investering in betere getouwen niet in hun mogelijkheden lag. [414] Het probleem nam dus gestaag toe. Meer dan de helft van de wevers woonde in uniforme, verdieploze tweekamerhuisjes in kleine geïsoleerde dorpen. ’s Zomers waren sommigen actief als wieders of slijters bij een of andere vlasboer, ’s winters weefden ze linnen in gezelschap van moeder de vrouw en de kinderen die garen sponnen. Ze werkten dag in dag uit tegen een hongerloontje, waarmee ze nauwelijks wat karnemelkpap, roggebrood en enkele aardappelen op tafel kregen. [415]

 

Typisch wevershuisje

Op het platteland.

 

Ondanks groeiende productie en diversifiëring hebben we, bij nader toezicht, dus veeleer te maken met een overgangseeuw op vlasgebied “ die reeds de kiemen van haar verval, een eeuw later, in zich droeg. “ [416] En de enige grootindustrie in Vlaanderen zorgde ons inziens allesbehalve voor welvaart voor allen!

 

Eén opmerkelijke conclusie wat betreft de 18e eeuw dringt zich derhalve op: de productie nam toe en de handel bloeide, maar grotendeels dankzij de vindingrijkheid van onze boeren en handelaars die de officiële kanalen omzeilden en via een alom toegepaste sluikhandel hun omzet op peil hielden. M.a.w. de quasi volledige vlasnijverheid “overleefde” zéér succesvol dankzij smokkel en gesjoemel! En uiteraard het zweet van duizenden kleine lieden, die via het vlasbedrijf probeerden het hoofd boven water te houden, in een regelrechte struggle for life

 OPMERKING: Opdat de lezer geen verkeerde conclusies zou trekken, willen wij benadrukken dat de mening die wij vertolken omtrent het aspect smokkel géén enkele “veroordeling” inhoudt betreffende de houding van onze voorvaderen. Eerder zijn wij geneigd een zekere sympathie te koesteren in de zin van “faut le faire!” Wij wilden vooral aantonen dat een industrie die zijn toevlucht moet nemen tot smokkel om te kunnen groeien of aan de bak te komen, bezwaarlijk een “gezonde” nijverheid kan worden genoemd. Want waarom smokkelt men? Door de band omdat men via verkoop langs officiële kanalen te weinig winsten overhoudt. M.a.w., de douanereglementeringen zitten er voor iets tussen maar ook de winsten zelf!

 

Vooral de omvang ervan verraste ons: exacte cijfers hebben wij uiteráárd niet gevonden, maar de Handelskamer te Amiens “schatte” de omvang van de smokkel rond 1780 op 100.000 stuks, zijnde twee derden tegenover een officiële handel van één derde! [417] In diezelfde periode gewaagt men van een mogelijke omvang van 80 % smokkelactiviteit in Zeeland. [418]

Als we de zaken op die manier bekijken, blijft van de traditionele theorie als zou het linnen aan de “basis” liggen van onze stijgende welvaart in de Oostenrijkse periode, niet veel meer over. De vlasnijverheid was inderdaad van “cruciaal” belang voor de Vlaamse bevolking maar de link naar “welvaart” voor het gros van de mensen lijkt ons overtrokken. Bloei in de vlassector? Zeker, althans voor sommige grote wevers tot rond 1770, handige linnenhandelaars en grondbezittende vlasboeren: zij komen voorlopig als enige overwinnaars uit de strijd. Voor zowat alle anderen die in de vlasindustrie een broodwinning zochten – en dat waren er vélen! – was het al die tijd werkelijk knokken geblazen, wat veeleer op bloei-met-ondermijnende-tendenzen-in-zich wijst. Familiale huisnijverheid zonder broodnodige moderniseringen bij gebrek aan voldoende kapitaal, éénzijdige overtrokken plattelandsbelangstelling voor de vlasindustrie, piepkleine landbouwareaaltjes, dalende lonen en prijzen in de vlassector, sterk uitvergrote buitenlandse concurrentie en smokkel om de zaken draaiende te houden, zijn evenzoveel factoren die daarop wijzen. [419] Na 1770 zullen het ook deze elementen zijn die het definitieve verval van de proto-industriële vlasnijverheid zullen bespoedigen.

 

6. De 19e eeuw: op weg naar de ondergang.

 

a. ONDER FRANS BEWIND.

 

Toen wij in 1794 door Frankrijk werden geannexeerd was het meteen ook afgelopen met het Ancien Régime, zoals dat eeuwenlang had gefunctioneerd op juridisch en institutioneel vlak. Een hele reeks maatregelen en meer spontane omschakelingen op diverse terreinen luidden nieuwe tendenzen in, waarvan de meeste tot op de dag van vandaag zijn blijven bestaan. Eén daarvan, helaas, was het in gang zetten van het definitieve verval van de Vlaamse huiselijke vlasnijverheid.

Aanvankelijk waren de verwachtingen nochtans hoog gespannen: door de aanhechting viel immers de tolbarricade tussen Vlaanderen en Frankrijk weg waardoor voor ons, eindelijk, dat immens Franse afzetgebied openging. Tussen 1795 en 1810 kende de Leistreek gouden jaren: het Leieroten werd nu volop toegepast ondanks een nog steeds gehandhaafd officiëel verbod en het in-kwaliteit-stijgende-linnen vond afnemers in overvloed over de Franse grens. Enkele belangrijke legerbestellingen hielpen daarbij. [420] Ook in Gent hielden de meeste sectoren stand tot omstreeks 1808. [421] Uit gegevens, verzameld door C. VANDENBROEKE, blijkt bovendien dat de handelsomzet op de diverse markten, met uitzondering van die van Gent en Aalst, onverminderd expansief verder ging tot en mét het eerste kwart van de 19e eeuw, met hooguit enkele jaren van crisis op het einde van de Franse periode. [422] De belangrijkste verzamelmarkt was inmiddels Tielt geworden, beter geöriënteerd voor Franse bevoorrading. [423]

Het gunstige effect van de annexatie wordt wellicht enigszins overschat, vermits onze uitvoer naar dat land voordien reeds aanzienlijk was via de sluikhandel. (Een exacte orde van grootte valt uiteraard niet in te schatten, maar de globale uitvoer richting Frankrijk moet voor de 18e eeuw zeer zeker heel wat hoger worden ingeschat dan de officiële cijfers laten vermoeden.) Niettemin werd er ongetwijfeld flinke aanwinst geboekt op de Franse markt zelf. Daartegenover stonden evenwel belangrijke verliezen die onze linnennijverheid te verwerken kreeg op andere fronten. Zo zorgde het Franse uitvoerverbod naar Spanje en haar koloniën (1794) ervoor dat voor ons die markt quasi totaal verloren ging.

Parallel trouwens deed Frankrijk zichzelf de das om, vermits met die prohibitie eveneens voor hun beste klant de deuren gesloten werden. Zelfs nadat het verbod terug ingetrokken was (1795) normalizeerden de betrekkingen zich slechts ten dele wegens de té grote gevaren op zee door het oorlogsgewoel (o.a. Maritieme oorlog 1798).

 

De Engelsen daarentegen zagen hun omzet op een jaar of vijf met 400 % stijgen, vermits zij moeiteloos de Vlaamse en Franse producten vervingen op de Spaanse en Amerikaanse markten. Gelukkig werd duur en traag transit overland via Frankrijk opnieuw toegelaten en waren er steeds Franse en Spaanse schepen te vinden in vredestijd en “neutralen” in oorlogstijd om de vaart te wagen, zodat Faipoult kon opscheppen met een verkoop van 5/8en van de linnenproductie van het Scheldedepartement aan Spanje. [424] Door de “continentale blokkade” (1806) werd de handel met Spanje nagenoeg onmogelijk. Tijdens de Spaanse oorlog (1808-1813) verminderde wat ons nog restte aan trafiek op Spanje opnieuw met de helft. De fabrikage van linnen in ons land viel terug op zowat één tiende van het normale productiepeil: talrijke bedrijven gingen over kop. Cijfers met betrekking tot de productie van het Scheldedepartement – traditioneel gericht op de Gentse lijnwaadmarkt en dus op Spanje – verduidelijken veel:

 1792:  200.000 stuks

 1804:  175.000 stuks

 1812:  129.474 stuks

 1813:  100.000 stuks [425]

 

Bovendien was het belangrijkste resultaat van Napoleon’s blokkade, ingevoerd als antwoord op de Engelse represailles t.o.v. de Franse handel, de intensivering van de Engelse handelsbetrekkingen met Amerika: een concurrentie, gebaseerd op mechanisatie, die zich aldaar zo stevig inburgerde dat onze plattelandsindustrie op basis van huiselijke handarbeid er tussen 1815 en 1848 zou aan tenonder gaan. Het enige lichtpuntje voor het Vlaamse linnenbedrijf was, buiten de Franse aanwinsten, de stagnatie van de Silezische weverij, na de bezetting van Pruisen. Dat dit echter de rampzalige verliezen voor ons land in Spanje niet kon compenseren, hoeft nauwelijks betoog.

De door de Fransen veroorzaakte miserie liet zich voelen in alle sectoren van het vlasbedrijf: de verschillende soorten weefsels kwamen naast dezelfde Franse artikelen op de markten terecht, vermits de Franse bedrijven nu grotendeels bevoorraad werden met Vlaams kwaliteitsvlas ; de bleeknijverheid onderging de weerslag van de productievermindering en zelfs onze nationale trots, de Brusselse kantnijverheid, kwam in zeer nijpende schoentjes te staan. Nochtans bereikten onze kantgarenspinsters inmiddels nooit geziene fijnheden (metrisch nr. 1310). [426] Het gebrek aan uitvoermogelijkheden stimuleerde de concurrerende Saksische en Zwitserse kantindustrie, terwijl mechanisch geweven “tule” geweldig in de mode kwam. Dit laatste fenomeen hoeft ons niet te verbazen, wanneer we bedenken dat één mechanische wever op één dag de kwantiteit produceerde waar een kantwerkster 15 maanden mee bezig was, zodat het prijsverschil tussen tule en handgekloste kant per meter in de orde lag van 15 fr. t.o.v. 1.000 fr.

Hoewel tule slechts een à jour geweven product was en géén mechanische nabootsing van gekloste kant, viel het zeer in de smaak van de volksklasse voor het opsmukken van hun kledij. Frankrijk volgde het in Engeland uitgevonden procédé, maar ook Gent sprong op de boot. In 1822 richtten enkele Engelsen er een vennootschap op die een fabriek opzette waarin tegen 1830 zo’n 400 arbeiders tewerkgesteld waren, naast een 2000-tal thuiswerkers. Ondanks het enorme succes van het product overleefde het bedrijf de Belgische Omwenteling niet. [427]

 

Inmiddels ging ook wat restte aan Henegouwse weverij ter ziele, zodat de linnenweverij nu een exclusief Vlaamse aangelegenheid geworden was, met het Leiedepartement als motor.

Ook wat de Franse periode betreft mogen we concluderen dat de productie gedurende het grootste gedeelte van die jaren aangroeide, maar dat de “omstandigheden” er niet op verbeterden. “ In 1765 werkten er in Vlaanderen ongeveer 200.000 mensen in de linnenindustrie. In het jaar IX (1800-1801) werkten er in het Scheldedepartement alleen 101.033 personen in het spinnen en 21.821 in het weven. “ [428] De globale betekenis van de linnennijverheid in verhouding tot het fysisch product uit de primaire sector liep sterk terug, de reële lonen van de wevers bedroegen nog slechts de helft van die rond 1770-1780, linnenprijzen daalden verder terwijl de vlasprijzen stegen. Kortom: de sociale aftakeling, ingezet rond 1770-1780, ging onverminderd verder. [429]

 

b. HET HOLLANDSE TIJDVAK.

 

De kortstondige vereniging met Nederland (1814-1830) zorgde al evenmin voor voorspoed in de Vlaamse vlasindustrie. Cijfers, die de handelsomzet van linnen in Vlaanderen opgeven in aantal stuks, tonen nochtans topscores. Nog nooit in haar geschiedenis had de Vlaamse linnennijverheid méér geproduceerd. [430] Eens te meer, helaas, hebben we het over productie en niet over stijgende winsten en welvaart. Bovendien begon de Gentse markt met een reprise vanaf 1815 om vrij vlug te stagneren en definitief af te takelen rond 1825. [431]

Frankrijk immers, met het oog op de uitbouw van een eigen moderne linnenindustrie, hernam zijn protectionistisch tolbeleid met verdubbelde krachten, terwijl ook de Spaans-Amerikaanse markt voor ons definitief verloren ging. De vereniging met Nederland was daarenboven géén optimale keuze, gezien wij in de eeuwen van scheiding uiteenlopende wegen waren ingeslagen die het gemeenschappelijk beleid met moeilijke problemen confronteerde. Wij, het industriële Zuiden, hadden nood aan een beschermend tolstelsel, terwijl het handeldrijvende Noorden juist baat had bij zo laag mogelijke toltarieven.

Nochtans streefde Willem I er onverpoosd naar onze economische opbloei te bevorderen. Zijn inspanningen leverden onmiskenbaar vruchten op voor Wallonië: de steenkool- en metaalindustrie, die omgevormd werden tot grootindustrieën en de wolnijverheid van Verviers. De vereniging van krachten was met Vlaanderen minder evident, vermits wij slechts de vlasindustrie als gespreksonderwerp hadden – naast een ontluikende gemechaniseerde katoennijverheid - waarbij onze vlasbelangen indruisten tegen die van Holland. In het Noorden werd immers veel vlas geteeld, maar dat werd traditioneel aan onze concurrent Engeland geleverd, vermits Nederland zelf geen verwerkingsindustrie van betekenis terzake had en wij van oudsher nooit enige interesse voor hun vlas hadden betoond omdat we hun vlas kwaliteitshalve onbruikbaar vonden. Bovendien importeerden zij sinds mensenheugnis grote hoeveelheden linnen uit Silezië en Westfalen die vóór de vereniging met het Zuiden opliepen tot 80 % van de totale invoer aan vlasproducten en verzorgden zij de transitohandel van Duits linnen naar Engeland. Willem I wenste deze jarenlange goede relaties met zijn Duitse en Engelse bloedverwanten niet op het spel te zetten en handhaafde dus zeer matige invoerrechten, waardoor nu ook het Zuiden overspoeld werd met Duits linnen. Tegelijkertijd veroverden mechanisch vervaardigde Engelse katoentjes de Belgische markt: een niet te onderschatten concurrentie voor ons linnen. [432] Tot een voor ons bevredigende consensus kwam het niet: de Vlaamse industriële belangen delfden steevast het onderspit t.o.v. de Hollandse handelsbelangen. In de tijd van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden emigreerden dan ook heel wat linnenhandelaars en –wevers naar Frankrijk, waaronder Kortrijkse damastwevers die hier bezweken onder de buitenlandse concurrentie.

Het vlasvraagstuk was in het bijzonder onoplosbaar doordat hetzelfde dilemma nu tussen de beide entiteiten bestond dat voordien reeds in het binnenland voor gevechten op leven en dood had gezorgd: Nederland was een vlasteeltgebied, wij waren linnenwevers. Franse en Engelse opkopers kregen nu de vrije hand om massaal ook óns vlas te verwerven, via de bereidwillige tussenkomst van Hollandse handelaars. Terwijl de dure prijzen die ze betaalden onze industrie in moeilijkheden bracht, draaiden de hunne op volle toeren met onze superieure vezels, waardoor hun concurrentiële kracht nog werd vergroot. Tussen 1814 en 1819 verdubbelden de vlasprijzen in eigen land, iets waar enkel de Henegouwse boeren gelukkig mee waren. Aan Vlaamse kant hadden nu ook de boeren stilaan door dat bij de hele toestand op termijn niemand in Vlaanderen nog baat zou hebben.

Al bij al exporteerden wij redelijk goed want door de dalende lonen bleef ons linnen competitief, inclusief op de Hollandse markt. [433] Onze industrie, in eigen land ondermijnd door de stijgende kostprijs van de grondstoffen (dat slechts kon worden te lijf gegaan met een vermindering van het weversloon met een derde, waardoor de verpaupering bij het Vlaamse textielproletariaat nog aanzienlijker werd) en de verpletterende concurrentie van Duits linnen, was echter in hoofdzaak aangewezen op afzet van haar productie naar Frankrijk en Spanje. Welnu, op beide markten - Frankrijk, voor 50 % afnemer van onze productie en Spanje, voor een vierde - verliep de handel allesbehalve vlot. Spanje was in de latere Franse periode voor onze linnenexport gesloten geweest: Engeland had het gat gevuld, maar daaruit was vlug een voorkeur voor Engels linnen bij de Spanjaarden en hun kolonisten gegroeid. Onze handelaars moesten dus van meet af aan herbeginnen met het promoten van de Vlaamse goederen. Bovendien was de Onafhankelijkheidsstrijd die in de Spaanse koloniën werd gevoerd (1810-1823) niet van die aard om de zaken voor ons te bespoedigen. De Spaanse regering was nochtans bereid de zaken voor ons te herzien. Ze eiste echter compensaties in de vorm van een soepeler regeling voor haar eigen wijn: een kans die onze onderhandelaars lieten liggen. [434]

Wat Frankrijk betreft: daar werd de moordlustige ondermijningspolitiek t.o.v. onze industrie met vereende krachten opnieuw verdergezet. Reeds in 1814 werden de linnenrechten op onze export verdubbeld en het transito over Frankrijk naar Spanje werd zondermeer verboden. Omdat Frankrijk zijn bleekindustrie wilde beschermen werd ons gebleekt linnen extreem zwaar belast, zodat de Vlaamse blekerij er aan ten onder ging. Kortrijkzanen openden noodgedwongen bijhuizen op Frans grondgebied. Willem I had legaal gezien een represaillerecht op de gevoerde Franse protectionistische politiek, maar wachtte jarenlang af of de pogingen tot onderhandelen iets zouden opleveren. Pas in 1824 keurde hij een wet goed die de invoer van een hele reeks Franse producten (van porselein over graanolie tot wijn) viseerde, via hoge invoerrechten enerzijds en verbod op invoer van andere producten anderzijds. De Fransen reageerden heftig met een verhoogd tarief in 1825 [435], maar Willem dreigde nog verder te gaan als de onderhandelingen niet tot een voor beide partijen aanneemlijke consensus leidden. In Franse industriële kringen gingen nu stemmen op om ernstig werk te maken van een handelsakkoord, terwijl men in de Kortrijkse linnensector aandrong op voorzichtigheid en voorstelde dat men misschien beter verhoogde invoerrechten op secundaire importartikelen (zoals koffie en tabak) als pressiemiddel zou gebruiken, dan wel Frankrijks voornaamste exportproduct – wijn – daarvoor te gebruiken, uit vrees voor represailles die onze industrie finaal zouden kelderen. De wet van 1824 en de represaille van 1825 hadden immers in het Kortrijkse reeds voor een gevoelige daling van de linnenuitvoer naar Frankrijk gezorgd: men vreesde nu werkelijk het ergste.

In Oost-Vlaanderen was de toestand toen nog niet zo dramatisch: volgens een rapport – uit 1852! – realizeerde de provincie in 1825 haar hoogste exportcijfer ooit naar Frankrijk [436]

 

Wanneer we de optelsom maken van het verlies van de Spaanse overzeese afzetgebieden en de terugloop van de handel op Frankrijk, mag het jaar 1825 als een eerste coup de grâce worden beschouwd. Sindsdien wijzen alle productie- en marktcijfers voor het eerst in eenzelfde dalende richting. [437] Steeds meer wevers uit de grensstreken gingen immers tijdens de week in Noord-Frankrijk weven om aan de hoge douanetarieven te ontsnappen! [438]

 

Ondertussen waren de roters ervan overtuigd geraakt dat roten in stromend water betere garanties gaf op kwaliteit. In brede kringen wist men nog niet dat het Leiewater bijkomende chemische bestanddelen bezat die het Leieroten in de komende eeuw wereldfaam zou bezorgen. Men aasde vooral op de hoeveelheid “stromend” water, dat in de diverse rivieren en kanalen in Vlaanderen voor betere kansen kon zorgen. Onomwonden werd nu - en dat is nieuw - door de Vlaamse Handelskamers naar voor geschoven dat de belangen van de vlasindustrie primeerden boven die van de visserij. Nochtans bleef het rootverbod in de rivieren gehandhaafd, zowel onder het Franse als onder het Hollandse bewind. Maar de overtuiging van de boeren was onderhand zo sterk geworden dat het verbod steeds vaker aan de laars werd gelapt en de boeren liever een verbalizering riskeerden, dan nog verder te blijven roten in hun putten en montées.

Een laatste aspect van belang voor de Hollandse tijd, lijkt ons het volgende: de vereniging met Nederland had voor onze linnenindustrie heilzaam kúnnen zijn zo wij ons zouden gericht hebben op uitvoer naar de Hollandse koloniën. Een toenemende trafiek overzee had de continentale verliezen kunnen compenseren. Waarom hebben wij dat niet geprobeerd? Het is natuurlijk wél zo dat de Nederlandse liberale tolpolitiek het vreemde linnen begunstigde t.o.v. onze producten, zodat het Vlaamse handelsvolume so wie so slechts een fractie zou vertegenwoordigd hebben in de totale export naar Java en consoorten. En het is ook zo dat de vereniging met Nederland té kortstondig was om die nieuwe trafiek kansen te geven. Maar er was méér aan de hand. Vlaanderen is immers nooit een zeevarende natie geweest: de idee alleen al schrok ons af! Daarom hebben wij, reeds van in de Middeleeuwen, steevast beroep gedaan op vreemde schippers om onze producten te verschepen en de sluiting van de Schelde heeft deze houding enkel versterkt.

Een belangrijke nuance moet hier worden gemaakt: er waren wél pogingen geweest in de 17e-18e eeuw om koloniale handelscompagnieën op te richten, maar die waren steevast in de kiem gesmoord door de mogendheden. [439]

 

Zich inlaten met koloniale handel vereiste kapitaalkrachtige ondernemers, geassociëerd in allerlei verbanden. De Vlaamse industrie echter, en de linnenhandel in het bijzonder, zat sinds eeuwen in handen van kleine handelaars, wier horizon noodgedwongen niet verder reikte dan Frankrijk en Spanje. “ De Vlaamse linnenweverij bleef onverschillig tegenover de koloniale trafiek. Het was voor haar, bij gebrek aan geld, materiëel onmogelijk. “ [440] Omdat onze lokale katoenindustrie reeds gemechaniseerd was, de touwtjes er in de hand gehouden werden door kapitaalkrachtige katoenbaronnen en de concurrentie op dat vlak ook niet vergelijkbaar was, kon deze industrie wél op de boot naar de Nederlandse koloniën springen en haar import aldaar met de factor 17 vermenigvuldigen. Het stijgend succes van de gemechaniseerde katoen- én wolindustrie ontketende bovendien een belangrijke bijkomende concurrentie voor de proto-industriële linnennijverheid. [441] Niet te verwonderen dus dat de Orangisten in 1830 veeleer in die kringen zullen moeten worden gezocht en niet in die van het linnenbedrijf!

 

c. DE BELGISCHE OMWENTELING EN DE CRISIS NA 1830.

 

De revolutie van 1830 maakte België onafhankelijk maar veroorzaakte tevens een grondige malaise in de vlasindustrie. De sluiting van de Hollandse binnen- en buitenlandse markten stortte de gehele Belgische economie in een drie jaar durende depressie, terwijl de vlasnijverheid vooral de gevolgen ondervond van de Franse gelijktijdige revolutie die een stagnatie van de Franse markt met zich meebracht. De linnenuitvoer kreeg een terugval van een dikke 25 % te verwerken, waarvan 22 % te wijten was aan de verminderde afname door Frankrijk.

Vandaar dat de Handelskamer van Kortrijk, die inmiddels de leidende rol gaan spelen was in de verdediging en stimulering van het vlasbedrijf, onafgebroken bleef hameren op het sluiten van een wederkerig gunstig handelsakkoord met Frankrijk Ze eiste eveneens een protectionistisch beleid t.o.v. Saksisch en Silezisch linnen, dat door het behoud van de Hollandse toltarieven nog steeds ons land binnen stroomde – hoewel juist die Hollandse tarieven één van de vele motieven waren geweest, die aan de basis lagen van de hele revolutie! -.

 

Leopold I zag aanvankelijk méér heil in een uitbreiding van de afzetmarkten en vond dat België stilaan werk moest maken van een grotere oriëntering op overzeese landen. Toltarieven waren daarbij van ondergeschikt belang: bovendien wenste hij de relaties met Duitsland niet te hypothekeren. Maar: “ De Vlaamse linnenweverij kon de Franse markt niet missen. Sinds eeuwen was onze lijnwaadhandel grotendeels naar Frankrijk gericht. Het verlies van de Spaanse markt, alsook de tegenzin om overzeese afzetgebieden te winnen, hadden na 1830 deze eenzijdige oriëntering nog verscherpt. De linnenweverij klampte zich aan Frankrijk als aan een redplank vast. “ [442]

De Nijverheidscommissie, die in 1831 door het Ministerie van Binnenlandse Zaken was gesticht, steunde de visie van de Kortrijkse Handelskamer en vond eveneens een uitbreiding van de export naar Frankrijk wenselijk. Doch, toen in Parijs in 1833 algemene economische onderhandelingen werden aangevat, bestond de delegatie van zes Belgische afgevaardigden uit vijf vertegenwoordigers van de steenkool- en metaalindustrie en slechts één voorspreker voor de vlasnijverheid. Bovendien kwam men niet tot een akkoord, zodat Félix Béthune in Kortrijk nu het voortouw nam en als woordvoerder van de Vlaamse linnenweverij represailles tegen Frankrijk eiste. Een en ander leidde tot de wet van 1834 waarbij de invoerrechten op buitenlands linnen wat werden opgetrokken, maar die nog ver verwijderd was van wat de vlasnijverheid in feite beoogde.

Nochtans was de linnenweverij reeds sinds 1832 aan een herleving toe: in vergelijking met 1831 nam de linnenuitvoer in ons land toe met de factor 2,5 tegen 1834. [443]

Jaar

Totale Belg.linnenuitvoer

Belg.linnenuitvoer naar Frankrijk.

1831

11.024.190 Fr

10.652.959 Fr

1832

12.724.775

12.050.340

1833

16.956.165

15.914.426

1834

28.386.952

25.813.819

Belgische linnenuitvoer.

 

Hierbij moet worden opgemerkt dat de verkoopprijzen i.v.m. 1823 sterk waren gedaald (8 Fr / kg in 1823 t.o.v. 6,25 Fr / kg in 1834) maar het volume van 1834 benaderde opnieuw dat van 1823. [444] Aandringen op een tolverbond met dat land was derhalve gewettigd. Totaal onverwacht kwam er in 1836 een bevredigend Frans-Belgisch handelsakkoord uit de bus, waarbij de Franse tollen op ons linnen aanmerkelijk werden verlaagd. Het jaar daarop kocht Frankrijk zowat de totale Belgische linnenexport op. [445] De toekomst zag er rooskleurig uit …

 

 

d. DE MECHANISATIE: VANAF HET KEERPUNT VAN 1837 TOT DE NIJVERHEIDSCRISIS VAN 1846-1848.

 

Tijdens de periode 1837 – 1848 bereikten de diverse problemen waarmee de Belgische linnennijverheid te kampen had een culminatiepunt, waarmee de definitieve neergang van deze industrie zou worden ingezet. Een aantal factoren versnelden immers gelijktijdig de dalende trend in overlevingskansen.

 

a. Engelse concurrentie.

Vooreerst was er het onvoorziene gevolg van de Franse kompensatiewet van 1836, waarbij een algemene tariefverlaging op de vlasproducten was overeengekomen, doch zonder onderscheid van herkomst. “De ontmanteling van de toldam stelde de Engelse konkurrentie in 1837 plotseling in staat de Franse markt te veroveren. Een onbeschrijfelijke paniek greep de Franse en Belgische vlasnijverheid aan en veranderde de glansrijke Vlaamse verwachtingen van het vorige jaar in een katastrofe.” [446] De Engelse vlasgarenverzendingen naar en linnenimport in Frankrijk verhonderdvoudigden op respectievelijk vijf en drie jaar tijd.

Buitengewone omstandigheden droegen daar toe bij: enerzijds was er de perfectionering van de Engelse mechanische vlasspinnerij, die een fijnere kwaliteit mogelijk maakte, concurrentiëel met de Franse garens. De Engelse bedrijfskosten waren minstens 50 % lager, zowel wat oprichtings- als uitbatingskosten betrof, vermits zowel de lonen als de drijfkracht er stukken goedkoper waren dan in Frankrijk. Bovendien werkten de Engelsen bij voorkeur met spotgoedkoop Russisch vlas (dat harder was en daardoor makkelijker te verwerken viel), waardoor de meterprijs van Engels mechanisch linnen twee derden goedkoper was dan het Franse. Hun export van mechanisch gesponnen garen werd daarenboven begunstigd door een uitvoerpremie van 15 %, die van de tolrechten kon worden afgetrokken. Tenslotte had de Amerikaanse financiële crisis van 1836-1837 een crash in de banksector veroorzaakt, met heel wat faillissementen van handelshuizen tot gevolg, waardoor de Engelse uitvoerhandel op Amerika werd getroffen. Om het hierdoor ontstane immense werkloosheidsprobleem op te vangen gooide Engeland zich op de Franse markt.

De Vlaamse handelaars, om het hoofd enigszins boven water te houden, verkochten hun producten met 25 % verlies, terwijl de vlasprijzen hier te lande met 30 % daalden.

 Hetzelfde probleem van gebrek aan concurrentiekracht trof de Belgische mechanisatiepogingen. Ook bij ons waren kapitaal, energie, machines en arbeidskosten een veelvoud duurder dan in Engeland. [447] Bovendien kampten wij met een gebrek aan specialisatie. Engelse spinnerijen legden zich regionaal toe op het vervaardigen van een beperkt aantal garennummers. Wij probeerden het ganse assortiment nummers in iedere fabriek aan te maken waarbij de spinspoelen voortdurend moesten worden heringesteld: een kostelijke en tijdrovende bezigheid die een vermindering van productiviteit tot gevolg had. De Engelse arbeiders kregen hogere lonen maar de arbeidsproductiviteit lag er hoger. Tenslotte beschikten zij over eigen deskundige mechaniciens die wij moesten inhuren. [448]

 

Plots werd duidelijk dat de ommezwaai van 1837 géén incident de parcours meer was, maar een tweede coup de grâce. Een nieuwe trend, nl. die van de mechanisering was onomkeerbaar ingezet en enkel zij die op deze kar sprongen zouden nog een rol kunnen spelen. Zoals dat vaak het geval is met nieuwe tendenzen bleven teveel Belgen blind voor deze evolutie: het zou op termijn de finale doodsteek betekenen van onze vlasindustrie.

 

b. Mechanisering.

Men kan zich terecht vragen stellen waarom vooral de Vlamingen zo halsstarrig gekant bleven t.o.v. mechanisering in de vlassector. Het verhaal is echter niet zo simpel, want ook hier was sprake van een samenloop van omstandigheden. Laat ons de verschillende elementen even overlopen.

 

1. “ Wol en katoen zijn onder oogpunt der mechanizatie het vlas voorafgegaan. De mechanizatie van de vlasindustrie werd vertraagd door de moeilijkheid om de… kleefstof die de vlasvezels onderling verbindt te verwijderen. Wat de spinster bereikte door een eenvoudige drukking van haar met speeksel bevochtigde vingers, bleef lang onuitvoerbaar door het mechanisme. “ [449] Pas wanneer de Fransman de Girard de vlasvezels onderdompelde in een extra bad van alkaline, zodat de pectine ontbonden werd, kon hij die uitrekken met behulp van cylinders – zoals men bij katoen doet – zodat fijnspinnen effectief mogelijk werd. Dit

 

procédé, slechts daterend van 1810, werd tenslotte in Engeland verbeterd door John Marshall, die in 1820 in Leeds een eerste baanbrekende spinnerij oprichtte. Voordien was ook in Engeland reeds geëxperimenteerd – sinds 1740! – maar de machines waren te duur en vooral te rudimentair: handspinnerij bleef al die tijd goedkoper en leverde betere resultaten. De gecombineerde uitvindingen van de Girard en Marshall brachten vooral in Engeland een boom van steeds verder geperfectioneerde spinnerijen op gang, dat land een voorsprong bezorgend die weldra niet meer in te halen was.

In België had nochtans Lieven Bauwens zich inspanningen getroost op dat vlak, maar – ondanks het feit dat hij gevangenen verplicht tewerkstelde [450] - kostte het onderhoud van zijn machines alleen al méér dan het handspinnen zelf en het gesponnen garen was te grof om te beantwoorden aan de kwaliteitseisen van de Vlaamse wevers. M.a.w. de lage lonen van onze handspinners waren een onoverkomelijke concurrentiefactor voor Bauwens! [451] Verdere pogingen, met steun van Willem I en investeringen door grote bonzen als John Cockerill, overleefden 1830 niet. [452]

 

Het succes van Engeland echter, verplichtte Frankrijk en België het voorbeeld te volgen en desbetreffend reële inspanningen te doen. In het Franse Noorderdepartement vertienvoudigde, vanaf 1836 op acht jaar tijd, het aantal vlasspinspoelen tot 96.650 stuks. Vijf jaar later had Frankrijk er reeds 250.000 en in 1867 was hun aantal gestegen tot 705.000. [453] In het Brusselse werd een eerste vlasspinnerij gesticht in 1837, weldra gevolgd door baanbrekende privé-initiatieven in Gent (“La Lys” en “la Linière Gantoise” [454]) en Luik – vaak onder de vleugels van Cockerill -. In 1841 waren in België reeds 40.000 spoelen in werking, zij het meestal installaties die uit Engeland werden gesmokkeld. De evolutie verliep traag: in 1846 evenaarden wij het aantal Noordfranse spoelen van 1844, maar in 1895 was dat aantal slechts verdrievoudigd tot 292.000 – waarvan 2/3 in Gent -. In vergelijking met het miljoen mechanische spoelen in Engeland-Ierland-Schotland anno 1840 was dat uiteraard bedroevend laag. [455] De hamvraag blijft: Waarom?

 

2. Een eerste reden moet worden gezocht in de algemene tegenstand tegen mechanizering in de voornaamste centra van de toenmalige vlasindustrie, zijnde Vlaanderen. [456] Onomstotelijk bewijs hiervan vinden we reeds in de naamsverandering van de in 1838 opgerichte “Association Nationale pour le progrès de l’industrie linière” in “… progrès de l’ancienne industrie linière”. [457] Kortrijk op kop verzette zich met hand en tand want vreesde kwaliteitsdaling zowel als massale werkloosheid bij de handspinners. Ze noemde de Engelse spinnerij zondermeer een “hersenschim”. F. Béthune, toen voorzitter van de Kortrijkse Handelskamer, was er van overtuigd dat mechanisch garen in het buitenland weldra zou worden geweerd en dat men zich opnieuw zou oriënteren op ons veel betere handgesponnen garen. Die tak steunen was dus de boodschap. De Westvlamingen staarden zich blind op de appreciatie van “écht Belgisch linnen” op de jaarmarkten van Beaucaire en Reims en bleven maar hameren op hun industriële op-handenarbeid-steunende “superioriteit”. Elders twijfelde men in industriële kringen of die kwaliteitsnorm wel zó allesbepalend was en zag men in dat volgehouden weerstand op termijn nefast zou zijn. Opvallend is dat West-Vlaanderen in 1841 nog géén enkele mechanische spinnerij bezat, terwijl Gent enkele jaren later reeds garen spon met 50.000 spoelen. [458] Enkel het Brugse Armenhuis instaleerde er 250 vóór 1850 en Roeselare begon voorzichtig in 1854 met 3.600 spoelen om op te klimmen tot 15.500 in 1870. [459] Kortrijk begon er niet mee vóór 1865!

 

3. Tegenstand tegen mechanisering was er uiteraard ook bij het proletariaat. Het was evenwel géén typisch kenmerk van de Vlaamse arbeiders. Ook in Engeland immers hadden de Luddisten in 1812 machines verwoest en in de Vervierse wolnijverheid waren de Waalse arbeiders in opstand gekomen. “De stugheid was vanwege het werkvolk geen bewijs van bekrompenheid, maar een uiting van een instinktmatig verweer. In Frankrijk, Engeland, Duitsland en Wallonië ging de mechanizatie van de nijverheid in het algemeen door tegen de wil in van de werkende klasse. “ [460] De mensen begrepen meestal niet wat hen overkwam, want vermoedden dat die “mère Canique” (= mechaniek) een soort superwoman was met méér behendigheid die het brood uit hun monden en die van hun kinderen kwam stelen! [461]

Helemaal ongelijk hadden ze trouwens niet: in 1846 vonden slechts 90.000 arbeiders, zijnde 2 % van de Belgische bevolking, werk in de verzamelde gemechaniseerde industrie. In de ambachtelijke nijverheid vereiste het zelfde werk voordien vijf keer méér krachten. Het aantal traditionele textielarbeiders in Oost- en West-Vlaanderen alléén reeds daalde tussen 1840 en 1846 van 277.000 naar 110.000. [462]

 

4. Oost- en West- Vlaanderen behoorden in de 19e eeuw tot de armste provincies van het land. Gebrek aan kapitaal speelde de vlasnijverheid dus parten. In dergelijke omstandigheden waren alle redenen goed om maar niet te moeten investeren. Dit heeft ongetwijfeld een grote rol gespeeld, ook wat betreft de trage evolutie in mechanisering wanneer die eenmaal was ingezet.

 

5. Hubert VAN HOUTTE preciseert dat de late ommezwaai naar mechanisering in Vlaanderen, in tegenstelling tot Engeland, vooral een kwestie was van tekort aan watermolens. Ook de katoenindustrie werd er door gehinderd. Enkel Gent, waar de eerste mechanische spinnerijen zich vestigden in de tweede helft van de 18e eeuw, was op dat vlak enigszins competitief omdat ze kon profiteren van getijden op de Schelde. Via een ingewikkeld sluizensysteem kon ze enkele molens van waterkracht voorzien, iets waar men elders in Vlaanderen slechts kon van dromen. Uit vrees de vele spinsters van hun broodwinning te beroven, werd de mechanisering echter voorbehouden voor katoen. Slechts met de doorbraak van geperfectioneerde stoommachines kon mechanisering overal worden doorgevoerd, maar de kostprijs daarvan, samen met de bezorgdheid voor de tewerkstelling, blokkeerde de modernisering in de vlassector tot rond 1840. [463] Deze reden krijgt meer gewicht wanneer we zien dat de wolnijverheid in Verviers sneller tot mechanisering overging dankzij de drijfkracht haar bezorgd door de Vesder. Stoomkracht was nadien een alternatief, maar in een streek waar noch hout, noch steenkool in voldoende mate goedkoop voor handen was en waar de potentiële investeerders in dure apparatuur niet in rijen stonden aan te schuiven, kreeg dit alternatief onvoldoende kansen. Wellicht moet dus de combinatie van gebrek aan drijfkracht én kapitaal als de voornaamste spelbreker terzake worden gezien.

 

6. Volgens C. VANDENBROEKE lag de kern van het probleem elders. “De industriëlen in Vlaanderen kozen immers de gemakkelijkste oplossing, berustend op een regelrechte exploitatie van de overtalrijke loonarbeiders op het platteland… Echte kapitaalinjecties, bedoeld om de plattelandseconomie te stimuleren, kwamen… zelden voor… De Kern van het probleem lag niet op het vlak van de gevoerde handelspolitiek, wel in de conservatieve en voorbijgestreefde houding van de industriëlen.” [464] Deze stelling dient wat te worden genuanceerd. We zagen immers dat de winsten van de handelaars-ondernemers (= potentiële industriëlen) sedert het einde van de 18e eeuw stelselmatig waren uitgehold. De hamvraag lijkt ons of ze inderdaad nog wel kapitaalkrachtig genoeg waren om in mechanisatie te investeren en zo nieuwe winsten mogelijk te maken. Wellicht was hun conservatieve houding deels noodgedwongen, vooral als zij hun train de vie niet wensten te hypothekeren? [465] Beleggen in gronden is in dergelijk geval vaak rendabeler, vooral in een bloeiende landbouwstreek, en het vereist minder inspiratie. [466] (zie 7.) Blijft evenwel de vraag waarom er wél geïnvesteerd werd in de mechanische katoenindustrie.

De reden hiervoor moet worden gezocht in het feit dat in betere tijden vooral in het Gentse katoendrukkerijen ontstaan waren. Toen Napoleon een invoerverbod uitvaardigde op calico’s moest men wel investeren in gemechaniseerde spinnerijen en weverijen om de hele nieuwe katoenindustrie van vroegtijdige ondergang te redden! [467] Dankzij deze reddingsoperatie, parallel met een geschikte ondernemersmentaliteit, kon deze stad uitgroeien tot een belangrijke industriestad in de loop van de 19e eeuw terwijl Kortrijk vasthield aan haar traditionele linnenindustrie, gekoppeld aan een renteniersmentaliteit. [468]

 

7. De tandem VAN HOUTTE-MADDENS wijst veeleer op de houding van de zuivere linnenhandelaars, traditioneel behorend tot de meest welgestelde stedelijke burgerij. Zij vreesden dat mechanisatie hun economische positie zou ondermijnen en schermden met de kwaliteit van het handwerk, zedelijke en maatschappelijke belangen. [469] Zij “bestelden” wat ze dachten verkocht te krijgen. Bij dalende afzetmogelijkheden stopten ze hun bestellingen, schakelden over op lucratiever producten of trokken zich terug om te rentenieren. [470]

Een en ander doet vermoeden dat de niet-bereidheid tot investering in mechanisatie zowel bij de kapitaalbezitters als bij de handelaars lag. [471] Wellicht hadden zij ook lessen getrokken uit de resem faillissementen die veel familiale bedrijven in de katoensector opgelopen hadden in 1830, ten gevolge van het opnemen van kortlopend krediet om te moderniseren en te hoge vaste kosten om ze te kunnen aflossen bij een conjunctuurdaling. Té overmoedige investering in de uitbouw van een “imperium” had zelfs John Cockerill tijdens de economische crisis van 1838-1839 op de knieën gekregen. De krachtigste impulsen terzake zouden slechts mogelijk worden bij de omvorming van familiale bedrijven tot N.V.’s. [472]

8. Een zeer interessante hypothese in dit verband wordt geformuleerd door W.HAAGEN. De grote problematiek lag volgens hem in het feit dat de Vlaamse proto-industriële linnennijverheid nauwelijks op basis van het putting-out-systeem was georganizeerd, wat in Engeland via de tussenstap van de manufactuur de overgang naar fabrieksindustrialisatie had mogelijk gemaakt. [473] Hierbij mengt hij zich in het fameuse proto-industriedebat, gelanceerd door F. MENDELS die stelde dat huisnijverheid onveranderlijk industrialisering had bevorderd. In het Vlaamse geval werd mechanisering integendeel verhinderd doordat de proto-industrie gabaseerd was op het uitbuiting-door-handelsysteem (= exploitation through trade). Bij “putting-out” “stelt de handelaar de grondstoffen en/of productiewerktuigen ter beschikking en bepaalt hoe, wat en hoeveel van een bepaald product dient geproduceerd te worden. Het ‘uitbuiting-door-handelsysteem’ daarentegen impliceert de formele zelfstandigheid van de landelijke thuisarbeider. Deze werd gedetermineerd door de sociaal-ekonomische situatie waarin hij leefde.” Traditionele linnenhandelaars vonden dit systeem prima vermits ze zelf niet moesten investeren en via marktreglementeringen toch het productieproces enigszins onder controle konden houden. Zij hadden evenwel niet door dat het systeem hun concurrentiepositie ondermijnde. Het aanbod aan producten was immers slecht uitgebalanceerd: ieder dorp maakte een eigen specialiteit zonder zicht op de mode-gebonden consumentensmaak vermits ze geen directe contacten hadden met de internationale afzetmarkt. Vooral in crisisperioden leidde dit tot bedrieglijke praktijken en prevaleerde kwantiteit op kwaliteit. M.a.w. er werd niet doelgericht geproduceerd en bovendien hadden de wevertjes zelf onvoldoende kapitaal om flexibel te reageren of zich nieuwe productiewerktuigen en adequate grondstoffen aan te schaffen. [474] Entrepreneurship ontbrak volledig: de linnenhandelaars behoorden hooguit tot de categorie van “handelskapitalisten” die hun condities opdrongen aan de wevers maar slechts “indirecte” controle op het productieproces konden behouden. Op de rug van de zeer lage loonkost van de thuiswevers trachtten zij met alle mogelijke middelen hun winstbelangen te vrijwaren. [475]

 

9. Tenslotte was er o.i. ook het veel beter uitgekiend entrepreneurship van de Engelse industriëlen. Vanin het begin geloofden ze in mechanisering en doorgedreven research zorgde voor superieure machines waarmee ze de fijnste garennummers konden vervaardigen. Ze kochten overal, ook in België, de beste kwaliteiten vlas op en organiseerden onderling een systeem van specialisatie. [476] Wij, Belgen, verkochten ons betere vlas en lieten onze spinnerijen draaien op “blauw” vlas dat minder geschikt was voor fijnspinnen. Onze ondernemers zweerden bij diversifiëring: alle nummers, zowel ketting- als inslaggarens. De superioriteit van de Engelse garens, parallel met hun grotere fijnheid, concurreerde België uit de markt.

 

c. Overproductie.

Naast niet meer te stuiten Engelse concurrentie op de Franse markt en de onmiskenbare tegenstand tegen mechanizering, zij het om begrijpelijke redenen, was er nog een derde probleem, nl. dat van onze landelijke overproductie. Sinds de 17e eeuw, maar vooral in de loop van de 18e eeuw hadden steeds méér mensen zich georiënteerd naar de vlassector. Talloze keuterboertjes en werkloze textielarbeiders hadden in toenemende mate geprobeerd een aanvullende broodwinning te vinden in

het spinnen van vlas of weven van linnen. Tot 1840 bleef in Oost-Vlaanderen het aantal weefgetouwen toenemen. [477] Op zich géén probleem, ware het niet dat de winsten noodgedwongen daalden omdat de koek onder steeds meer gegadigden moest worden verdeeld. Gekoppeld aan dalende traditionele afzetmarkten zonder daadwerkelijke compensatie ervan op nieuwe fronten, deed de Belgische vlasindustrie zichzelf op die manier de das om. Het fenomeen betekende een intern kankergezwel dat in de 19e eeuw finaal de ondergang realizeerde. Van enige coordinatie terzake was immers nauwelijks sprake: duizenden wevers werkten met eigen heel beperkt kapitaal en gooiden ongereglementeerd hun producten op de markt, ook wanneer zij die met verlies moesten verkopen. Dalende productie in Oost-Vlaanderen van ca. 200.000 stuks tussen 1818-1825 tot 165.000 in 1840 was hier dan ook het onvermijdelijk gevolg van. [478]

Stimulering van de vlas- en linnenexport werd nochtans met alle middelen geprobeerd. Inmiddels had men begrepen dat een protectionistisch vlasexportregime de zaak niet kon redden. Engelse spinnerijen immers, evenals de Franse, draaiden nu in hoofdzaak op Russisch vlas. Daarom werd alles op alles gezet om handelsverdragen met Frankrijk of met het Duitse Zollverein in de wacht te slepen. De meerderheid van de Belgische nijveraars zag heil in een tolunie met Frankrijk, het belangrijkste afzetgebied (9/10en), vooral toen bleek dat de tolmuur, opgeworpen in 1842 door dat land tegen de Engelse invoer van linnen, succesvolle resultaten gaf. In beide landen, zowel Frankrijk als België, waren voor- en tegenstanders te vinden voor dit idee en ook de andere mogendheden mengden zich in het debat omdat ze zo’n tolunie voor diverse redenen vreesden. Toch werd er jarenlang door beide gouvernementen onderhandeld. Hoewel België zich akkoord had verklaard voor de aanleg van het Spierekanaal (= een afleidingskanaal van de Marcq naar de Schelde), waarop de Noordfranse industrie hamerde maar dat door de Westvlamingen ongewenst werd bevonden, kregen wij een bittere pil te slikken. De Delespaulwet van 1841 voerde immers een toltarief in waardoor de uitvoerrechten op Belgisch lijnwaad met een derde werden verhoogd. De Belgische vlasindustrie eiste vergaande represailles, maar de regering verkoos verder te blijven onderhandelen, vooral toen bleek dat de wet Delespaul geen noemenswaardige uitwerking had op de Engelse concurrentie in Frankrijk. Een en ander leidde tot het sluiten in 1842 van de Frans-Belgische “convention linière “, met een geldigheidsduur van vier jaar, dat voor de Belgische linnenhandel géén directe verbeteringen inhield, maar wel de Engelse exportindustrie trof zodat onze garen- en linnencontingenten de plaats konden innemen die vrijkwam op de Franse markten. Met graagte waren we bereid hiervoor enkele concessies te doen ten gunste van de Franse wijnen, zijde en zout. [479] “Praktisch heeft de konventie van 1842 het verval der Vlaamse vlasnijverheid vertraagd. Zeker beschermde het Franse tarief doelmatig de nationale industrie. Onder dit regime genoot België een bevoorrechte plaats.” [480] Een werkelijke tolunie kwam er uiteindelijk niet, omdat de standpunten van beide landen onverzoenbaar waren en de aangepaste hernieuwing van de konventie in 1845 verminderde onze uitvoer naar Frankrijk in plaats van die te bespoedigen.

 

Ter illustratie: uitvoer van linnen naar Frankrijk i.v.m. totaal, uitgedrukt in ton [481]:

Jaartal

Totale uitvoer

Uitvoer Frankrijk.

% van totaal

1835

4.572

3.510

76.8

1836

4.612

4.289

93

1837

3.977

3.675

92.4

1838

4.872

3.481

71.4

1839

3.160

2.937

92.9

1840

3.396

2.523

74.3

1841

3.520

2.792

79.3

1842

2.777

2.349

84.6

1843

2.639

2.118

80.3

1844

2.860

2.354

82.3

1845

2.789

2.479

88.9

 

Pogingen om Amerikaanse of Zuid-Oostaziatische markten te veroveren mislukten bij gebrek aan kapitaalkrachtige rederijen, zodat werk gemaakt werd van een handelsakkoord met het Duitse Zollverein. Daar zat potentiëel in vermits de handelsbetrekkingen met de Duitse staten onbeduidend waren, ware het niet dat de Duitse linnenweverij concurrentiëel was met de onze. Een handels- en navigatietraktaat werd ondertekend in 1844, met goed resultaat voor verschillende Belgische nijverheden, maar niet wezenlijk voor de vlasindustrie vermits het tarief voor vlasproducten reeds werd verhoogd in 1847. [482]

Wat Spanje betrof, deed het Vlaamse linnen het goed in Catalonië. Door een Spaans-Engelse overeenkomst echter in 1841 werd onze uitvoer naar dat land quasi onmogelijk gemaakt en het duurde tot 1842 vooraleer een Spaans-Belgisch traktaat het euvel herstelde. Omdat de Spaanse Cortès draalde met het bekrachtigen van deze overeenkomst was België al die tijd aangewezen op sluikhandel, wat gezien de afstand en het ontbreken van een directe zeeverbinding in feite uitgesloten was.

Kortom, alle pogingen ten spijt, kwamen er geen bevredigende akkoorden die onze afzetmarkten verruimden om onze overproductie op te vangen.

Ook intern beging men vergissingen. Bij gebrek aan krachtdadige mechanisering, probeerde de regering de huisnijverheid technisch te verbeteren. Vakscholen werden opgericht en geperfectioneerde getouwen gratis ter beschikking gesteld. Om een en ander te organiseren werden lokale comités in het leven geroepen, die hun toelagen echter veelal besteedden aan vlasuitdelingen om werkloosheid op te vangen. Nobel initiatief dat veel leed milderde maar op die manier vermeerderden ze de overproductie en bijgevolg ook de armoede.(Tegen 1844 moest men in de Vlaanders rekening houden met een derde absolute paupers. [483]) In andere regio’s leverden de comités beter werk door zich integraal te houden aan vakopleiding en de oprichting van modelwerkhuizen.

Bovendien streefde men naar het invoeren van nieuwe nijverheidstakken: lichte wollen stoffen of mengstoffen met katoen. Veelal geloofden de nijverheidsmilieus hier niet in: men achtte de concurrentie t.o.v. de bestaande productielanden onmogelijk, hoewel er op de inlandse markten toenemende vraag naar was. Daarom werd vooral de kantnijverheid gestimuleerd: zo kon men immers daadwerkelijk de schare werkloze spinsters opvangen. Weldra zou echter ook deze industrie aan overproductie ten onder gaan en Vlaanderen in de crisisperiode van 1847-1848 in nog diepere ellende storten.

 

d. Tweevoudige levensmiddelen- en nijverheidscrisis 1845-1848.

Vanaf het tweede kwart van de 19e eeuw nam de pauperisatie in ons land ontzagwekkende vormen aan, vooral in de industriële provincies. In tegenstelling tot Engeland en Frankrijk, waar hetzelfde fenomeen een gevolg was van de toenemende mechanisering, moet de reden ervan bij ons in de eerste plaats gezocht worden in het gebrek aan uitvoerkansen. Steeds méér mensen zochten een bijkomend inkomen in de vlasnijverheid, waarin ze een laatste redplank zagen. Het omgekeerde was evenwel waar: naarmate de overproductie groeide, zwelde de armoede op tot een etterbuil. Parallel werden de levensmiddelen duurder en daalde de Vlaamse linnenuitvoer tussen 1835 en 1847 met 50 %. [484] In West- en Oost-Vlaanderen werd de toestand werkelijk catastrofaal van zodra de Engelse mechanische producten Frankrijk overspoelden. Bovendien – en dat was volgens J. KINDT de hoofdreden – draaiden er in eigen land in 1844 reeds zo’n kleine 100.000 mechanische spinspoelen. De duizenden kilometers garen die die machines sponnen, zorgden voor massale werkloosheid bij de handspinners. “ Des machines aux cent doigts d’acier, d’une infatigable activité, sont venues faire concurrence au travail lent et irrégulier de la fileuse, et dès ce moment le filage à la main a été perdu.” [485] De familiaal georganiseerde oude linnenindustrie kwam eveneens in moeilijkheden door de opkomende mechanische spinnerij. De vlasprijzen stegen en de grondstof moest voortaan kontant worden betaald. Wevers die enkel leefden van een weversloon konden dat niet. Evenmin hadden ze de middelen om mechanisch garen te kopen, zodat ze stilaan met z’n allen het loonarbeiders-proletariaat gingen vervoegen. Hun situatie was vooral schrijnend in die regio’s waar de grond duur werd verpacht. Zelfs de landbouwer-wevers gaven het weven op: ze konden méér winst maken met het verkopen van hun vlas dan met het zelf te verwerken. [486] Mislukte graanoogsten in 1845-1846, ten gevolge van gure winters, deden er een schepje bovenop, terwijl de fameuze aardappelplaag in diezelfde periode dé voedseloogst voor de armen reduceerde tot quasi niks. De voedselprijzen schoten de hoogte in, op de voet gevolgd door de aantallen hongerlijdenden. De tyfus-epidemie, die sinds 1846 over Europa woedde, vond een gemakkelijke prooi in de sterk verzwakte bevolking. Toen die nauwelijks bedwongen was, volgde een cholera-golf (1848-1849) die nogmaals duizenden mensen het leven kostte.

Deze ongeluksjaren vielen samen met een algemene economische crisis, die in Engeland ontstaan was ten gevolge van te verregaande speculaties en overgeslagen was op Frankrijk in de loop van 1846, van waaruit wij de weeromstuit opvingen gezien dat land vrijwel ons enig afzetgebied was. Onze linnenuitvoer naar Frankrijk daalde nogmaals met 25 % en dat was dan nog vóór de Franse omwenteling van 1848, die de uitzichtloze toestand alleen maar kon verscherpen! Ten opzichte van 1844 moest de openbare onderstand dubbel zoveel mensen onder haar vleugels nemen en kregen ook de gevangenissen een verdubbeling aan “logés” te verwerken. [487]

 

e. TELOORGANG VAN DE HUISELIJKE VLASINDUSTRIE EN OPKOMST VAN DE “NIEUWE VLASNIJVERHEID”.

 

De linnenweverij op basis van handgesponnen garens was na de crisis van 1845-1848 ten dode opgeschreven. Het betrof hier immers een structurele crisis waardoor de overlevingskansen van de plattelandsindustrie totaal werden ontwricht. [488] De huisarbeider verloor zijn bijverdienste. [489]

Aloude centra, zoals Kortrijk, Aalst en Tielt, hoopten nog op een herleving, maar de spinsters en wevers, ontmoedigd door de bespottelijk lage lonen, haakten af. De machine dekte nu de vraag: het ambachtelijk kunnen werd grotendeels uitgeschakeld. Traditionele volksgebruiken verdwenen en de maatschappelijke verhoudingen werden grondig gewijzigd. [490] Sinds 1818 was het aantal armen gestegen met de factor 3,5 en het aantal werkloze spinners en wevers met de factor 5. [491]

 

Met duizenden emigreerden West- en Oostvlaamse wevers naar het Franse Noorderdepartement of zelfs naar de Verenigde Staten, waar ze een nieuw bestaan hoopten op te bouwen. Enkele plattelandsarbeiders waagden de overstap naar gemechaniseerde stedelijke centra. [492] Anderen trokken naar de Henegouwse mijnen of herschoolden zich in de richting van nieuwe mogelijkheden in de katoen- of wolindustrie. Nieuwe bedrijven, zoals de cichoreinijverheid in de streek van Roeselare, de Izegemse schoenindustrie of de chemische luciferindustrie te Geraardsbergen boden andere vluchtwegen. En de vrouwelijke spinsters? Die vervingen het spinnewiel door speldenwerk in dienst van een ondernemer tegen een hongerloon. Tegen 1896 telden de beide Vlaanders zo’n 45.000 kantwerksters en van de 300.000 spinsters en wevers uit het begin van de eeuw bleef géén tien % meer over...

Aanvankelijk was men slechts schroomvallig overgeschakeld op mechanisch spinnen, wanneer vanaf 1837 duidelijk werd dat hier géén ontkomen meer aanwas. Stilaan gingen de wevers zélf mechanisch garen prefereren. Ze waren immers gelijkmatiger waardoor het eeuwenoud probleem van voldoende gelijke garens vinden voor eenzelfde stuk linnen nu eindelijk opgelost was. [493] Na 1850, dankzij de algemene herleving van de wereldhandel, kon de mechanische vlasspinnerij zich verder ontwikkelen, zij het eerder traag en in overwegende mate in het Gentse, dat twee derden van het totaal aantal Belgische spoelen voor z’n rekening nam. In Kortrijk ontstond ze pas rond 1865!

Tot het eind van de eeuw nam de garenuitvoer nochtans bestendig toe, evenredig met het groeiend aantal spoelen. De evolutie van het Belgisch linnenbedrijf, helaas, zou de noodzaak aan verdere mechanisatie van het spinnen uithollen: in 1935 telde ons land nog slechts 240.000 spoelen, een zesde minder dan het Belgische hoogtepunt terzake in 1898 (= 292.000). Wereldwijd waren er toen drie miljoen vlasspoelen werkzaam, waarvan wij er 8 % voor onze rekening namen.

 

De zaak redden via mechanisch spinnen mag dus evenzeer als een mislukking worden beschouwd.

Eens de idee van mechanisch garen grotendeels aanvaard was en de verkoop van linnen zich na 1850 wat herpakte, schakelden enkele industriëlen in het Kortrijkse over op “travail à façon”, zijnde een putting-outformule op basis van mechanisch garen. De omschakeling op georganiseerd werken op bestelling leverde vruchten af: weldra echter kreeg men te kampen met tekorten aan mechanisch garen, omdat de spinnerijen te traag uit de grond rezen. De liberale regering Rogier begreep het probleem en verleende tolexemptie op Engels garen, waardoor de weverij draaiende werd gehouden.

Al die tijd werd er nog steeds met de hand geweefd. Roeselare oriënteerde zich als eerste resoluut in de richting van de “nieuwe vlasnijverheid”, gebaseerd op gecombineerd mechanisch spinnen én weven. Het voorbeeld werd schoorvoetend gevolgd door Tielt, Izegem, Oudenaarde, Kortrijk en Ieper, omdat men stilaan inzag dat mechanische getouwen uniforme regelmaat afleverden met een veel hoger rendement. Eens te meer echter speelde gebrek aan kapitaal Vlaanderen parten. De lage loonkost van thuiswevers werd nog steeds als een pluspunt gezien. [494] Terwijl ons bloeiendste centrum Roeselare in 1864 fier uitpakte met 300 looms, draaiden er in Schotland op hetzelfde moment reeds 16.000 en in Armentières alléén reeds, net over de Franse grens 1.500… Tot rond 1890 modderde de handweverij daarom nog wat aan: de dalende aanvoercijfers van lijnwaadstukken op de traditionele markten spreken boekdelen [495]:

 

Jaartal

Stukken

Jaartal

Stukken

1833

213.653

1850

134.872

1837

271.792

1855

66.864

1841

223.823

1860

52.468

1845

208.826

1865

35.606

1848

129.764

1867

19.811

Aanvoer van lijnwaadstukken op de markten.

 

Cijfers met betrekking tot het aantal handwevers eveneens:

 1840: België …………………………… 74.700

 waarvan 32.718 in Oost-Vlaanderen

 <-> 21.821 in Scheldedepartement rond 1805

  24.430 in West-Vlaanderen

  <-> 23.133 in Leiedepartement rond 1805

 1843: België …………………………… 57.821

 waarvan 21.085 in Oost-Vlaanderen

  28.484 in West-Vlaanderen + Brabant + Henegouwen

 1896: 10.000 in Vlaanderen: rest van België onbeduidend. [496]

 

Tegen de eeuwwisseling zal de handweverij zich definitief transformeren naar gemechaniseerde productie. [497]

Ondertussen hoopten de Vlaamse nijverheidskringen nog steeds op bevredigende handelsakkoorden met Frankrijk, maar zonder nog langer bereid te zijn naar de Fransen hun pijpen te dansen. Voor een eventuele hernieuwing van de konventie van 1845 moest er nu boter bij de vis zijn: zoniet zag men er liever van af. Omdat zijn inlandse productie ontoereikend was op dat moment, toonde Frankrijk zich inschikkelijk: in 1854 werd een tolvermindering van 15 % op het tarief van 1845 toegestaan, …zij het mits inkrimping van het veroorloofd invoercontingent. Veel zoden bracht het allemaal niet aan de dijk: in 1859 verkochten wij nog één derde van de Vlaamse linnenproductie aan Frankrijk, terwijl dat enkele jaren voordien nog twee derden was geweest. Bij een nieuw Frans-Belgisch handelsverdrag in 1861 triomfeerde een gematigde free trade, met de invoering van een wederkerig tarief dat de 10 % niet overtrof. Geestdriftig had men voor vrijhandel gepleit wegens het succesrijke voorbeeld van Engeland: dit wondermiddel zou ook onze vlasindustrie van de ondergang redden. Het economisch liberalisme heeft inderdaad onze algemene exporthandel sterk bevorderd: de handel en nijverheid concentreerden zich nu vooral op de uitbreiding van afzetmarkten in Europa én overzee, waartoe een hele reeks internationale handelsverdragen werden afgesloten. Maar waar het vlas betrof had dit veeleer een averechts effect. Een gelijktijdige forse uitbouw van moderne vlasfabrieken, die de volledige vlasbewerking en –verwerking centraliseerden, bleef immers achterwege zodat eventuele stijgende vraag niet naar behoren kon worden opgevangen! Exportcijfers tussen 1850 en 1865 tonen duidelijk de stagnatie van de Belgische linnennijverheid aan terwijl de export van grondstoffen en garens in dezelfde periode steeg. In 1865 bedroeg de exportwaarde van vlas drie maal meer dan die van linnen.

Let wel: dit betekent niet dat België nu méér vlas teelde. Het omgekeerde is waar: de oppervlakte vlaschaarden – waarvan Vlaanderen er 2/3 voor haar rekening nam - daalde tussen 1840 en 1895 met 25 %, grotendeels tengevolge van vlasmoe land en ongeschikte bemesting. [498] Omdat sinds de mechanisering van de spinnerij in Engeland en de verdere uitbouw ervan in Frankrijk deze landen schreeuwden om vlas, dat ze met graagte contant betaalden, hadden onze boeren de vlasteelt roekeloos opgedreven. De noodlottige gevolgen werden zichtbaar vanaf 1835 en waren van tweeërlei aard: 1. Snelle uitputting van de grond en 2. Nadelige weerslag op de thuisweverij vermits de beste kwaliteiten naar het buitenland vertrokken. [499]

 

In de katoen- en wolnijverheid, die zich wel tijdig had gemechaniseerd, lag de situatie helemaal omgekeerd: export van garens omvatte hier slechts 25 % van de exportwaarde van weefsels. [500]

Ondertussen bouwde Frankrijk een machtige grootindustrie uit, dankzij het behoud van haar protectionisme: het “stelde de Noordfranse linnenweverij in staat zich bij de Engelse techniek aan te passen en de Engelse en Vlaamse konkurrentie op de linnenmarkt volledig te vervangen. … De mechanische vlasnijverheid veroorzakte een verschuiving van de Vlaamse linnenweverij naar het nabijgelegen Noord-Frankrijk. Dit was de laatste en bekroonde faze van de strijd der Franse vlasnijverheid tegen de Vlaamse, die in de XVIIe eeuw onder Hendrik IV was begonnen.” [501]

Ook J. KINDT wijst met een beschuldigende vinger naar het Frans protectionisme: “ L’élévation exagérée des droits à l’importation en France… ont puissamment contribué à décourager nos fabricants. Ce parti pris de repousser toute concurrence étrangère par des droits presque prohibitifs, a été fatal… à notre industrie linière, dont la France était depuis nombre d’années le principal marché d’exportation. [502] Ondanks onze gestegen uitvoer naar Engeland, dankzij het Free Trade systeem, ging onze globale export inderdaad sterk achteruit na 1871 omwille van het steeds verdere verlies van de Franse markt. Het beetje export van luxestofjes naar het veeleisend Amerikaans kliënteel dat toen op gang kwam, kon de zaak evenmin redden. [503] Toch denken wij, zoals E. SABBE, dat niet enkel Frankrijk schuld treft. Toen Vlaanderen zich realiseerde dat zij de overzeese bestellingen door gebrek aan productievermogen niet naar behoren kon opvangen, waardoor deze nieuwe klanten afhaakten, fijn linnen in Engeland kwalitatief beter en goedkoper werd vervaardigd en zelfs courant linnen in Frankrijk uit de markt werd geprijsd, was de achterstand reeds lang niet meer op te halen. Ook de nieuwe lijnwaadindustrie ging dus grotendeels bij gebrek aan kapitaal en aanpassingsvermogen ten onder.

De kansen leken nog eventjes te keren tijdens de Frans-Pruisische oorlog, toen Frankrijk gedwongen werd zijn protectionisme te versoepelen waardoor zijn vlasspinnerij tijdelijk in moeilijkheden kwam. Om die te redden offerde Parijs haar vlasteelt en vlasbereidingsindustrie op. Achteraf bekeken bleek deze laatste maatregel voor ons de enige vluchtweg die overbleef: na het bankroet van de handspinnerij en –weverij en de mislukte omschakeling naar de mechanische varianten, legde Vlaanderen zich nu – met stijgend succes - toe op vlasvezelbereiding, terwijl haar concurrenten zich beperkten tot de verwerking ervan. Voor de rurale linnenarbeider betekende deze omschakeling een ideaal alternatief. [504] Temeer daar zich ondertussen een onbegrijpelijk fenomeen had voorgedaan: de bevolkingsdichtheid in de Vlaamse linnenarrondissementen was, ondanks de vele problemen in de textielindustrie, sinds 1830 ontzaglijk toegenomen! [505]

Toen het fin de siècle in aantocht was begon de Leie-rootindustrie hand in hand met de inmiddels technisch verfijnde vlaszwingelarij aan een opmars zonder weerga: voortaan zouden Engelse en Franse spinnerijen zich in het Kortrijkse en het Roeselaarse van grondstof bevoorraden en zouden de andere vlaslanden wereldwijd hun mooiste vlas aan de deskundige handen van Vlaamse roters en zwingelaars en de heilzame werking van het water van de “Golden River” toevertrouwen. De Leiestreek groeide uit tot een legende … op de puinen van haar teloorgegane linnenindustrie.

 

7. Conclusie.

 

De vlas- en linnennijverheid heeft in ons land altijd bestaan. Toen de draperie in verval geraakte nam linnen, wat export betreft, met succes de fakkel over. Eeuwenlang vonden duizenden mensen in deze textielbranche een broodwinning, vermits elke be- en verwerking manueel gebeurde. Het mooie verhaal werd voor het eerst ernstig aangetast in de 18e eeuw. De immense afzetmogelijkheden die wij voordien in Spanje hadden gevonden werden immers in toenemende mate bedreigd door sterk opkomende, vooral Franse concurrentie. Tot aan de Belgische Omwenteling strompelde de industrie met vallen en opstaan verder. Ze had vooral af te rekenen met de succesrijke mechanisatie die in Engeland was doorgevoerd. Na 1825 zakte onze uitvoer stilaan in mekaar. Een tweede genadeslag volgde in 1837 toen Engeland definitief de wereldhandel overnam. Pogingen om vooralsnog onze spinnerij en weverij van het bankroet te redden door veel te late omschakeling op mechanisatie waren slechts een doekje tegen het bloeden. Onze linnennijverheid ging aan protectionistische en goed uitgekiende concurrentie tenonder. Het zelfde verhaal van de draperie drie eeuwen vroeger werd dus om dezelfde redenen – vooral het vastgeroest zitten in traditionalisme - overgedaan. Een grote rol in dit proces speelde onze toenemende afhankelijk van één markt, nl. de Franse vanaf de annexatie. Deze eenzijdige gerichtheid werd onze linnenindustrie fataal. De enige vluchtweg die overbleef, nl. de bewerking van vlas tot vezel, zou echter wél met succes worden uitgebouwd en het Leievlas wereldroem bezorgen.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[287] De gegevens in dit hoofdstuk hebben wij, tenzij anders vermeld, gecompileerd uit: SABBE E., De Belgische Vlasnijverheid , Kortrijk, 1975 delen I en II

[288] DEWILDE B., op.cit., p. 13-14, en 312

[289] DEWILDE B., op.cit., p. 14

[290] DEWILDE B., op.cit., p. 14

[291] Voor bijkomende gegevens omtrent deze industrie verwijzen wij naar BASTIN J., De Gentse Linnenindustrie…, 2-6

[292] SABBE E., op. cit. , deel I, p. 58

[293] SABBE E., op. cit., deel I, p. 161

[294] SABBE E., op. cit., deel I, pp. 63-78

[295] SABBE E. , op. cit., deel I, pp. 79-86.

[296] CONTAMINE P., op.cit., pp. 250-251

[297] VAN HOUTTE J.A., “ De Zuidnederlandse vlasnijverheid tot in de XVIIIe eeuw. Kanttekeningen bij een onlangs verschenen studie”, in: B.T.F.G. XXVI, 1948, pp. 747-751

[298] VAN HOUTTE J.A., Kanttekeningen…, p. 742

[299] zie in dit verband ENDREI W., op.cit., p. 84

[300] DUPLESSIS R., Transitions to Capitalism in Early Modern Europe, Cambridge, 1997, p. 93

[301] VAN DER WEE H., in: SOLY H., Carolus, catalogus bij de tentoonstelling Gent 1999-2000, pp. 73-75

[302] SABBE E., op. cit., deel I, p. 174

[303] VAN HOUTTE J.A., Kanttekeningen…, p. 753

[304] SOLY H. & THYS A.K.L., “ Nijverheid in de Zuidelijke Nederlanden” in: N.A.G.N., VI, p.30

[305] CONTAMINE P., op.cit., pp. 385-396 en DUPLESSIS R.S., op.cit., pp. 41 en 47.

[306] VANDENBROEKE C., Facetten…op.cit. , pp. 136-137 en 144-146

[307] SABBE E., op. cit., deel I, p. 199

[308] SABBE E., op. cit., deel I, p. 212

[309] SABBE E. , op. cit., deel I, p. 213

[310] SABBE E., op. cit., deel I, p. 214

[311] BASTIN J., De Gentse Linnenindustrie…, p. 56

[312] HAAGEN W., Proto-industrialisatie…, p. 74

[313] VERMAUT J., “Nieuwe gegevens over het industriëel verleden van Roeselare en omgeving 1350-1800, in: Rollariensia, jb. VI, 1974, pp.149 en 151.

[314] VERMAUT J., Vijf variaties…, p. 227

[315] BASTIN J., De Gentse Linnenindustrie…, pp. 48-49 en 51

[316] VAN HOUTTE J.A., Kanttekeningen…, p. 754

[317] SABBE E., op. cit. , deel I, p. 352

[318] VANDENBROEKE C., Sociale en konjunkturele facetten…, pp. 130, 133, 137, 144-146, en 157.

[319] SOLY H. & THYS A.K.L., N.A.G.N., VI, p. 31

[320] VAN HOUTTE J.A., Economische en sociale geschiedenis van de Lage Landen, Zeist, Antwerpen, 1964, p. 187

[321] TRUYENS-BREDAEL C.L., op.cit., p. 39

[322] SABBE E., op cit., deel II, p. 23

[323] VERMAUT J., Nieuwe gegevens…, pp. 155-158

[324] DUBOIS E., op.cit., p. 11

[325] DUBOIS E., op.cit., p. 11

[326] SABBE E., op. cit., deel II, p. 45

[327] Deze gang van zaken wordt bevestigd door HAAGEN W., “ Uitbuiting-door-handel als verklaringsfactor voor de vertraagde industrialisering van de linnennijverheid in Vlaanderen “, in: H.M.G.O.G., XXXVII, 1983, pp. 223-224, o.b.v. DUBOIS E., Le dernier état de la réglementation du marché de toile à Gand, Gent, s.d., p. 7-9

[328] DUBOIS E., op.cit., pp. 7-8

[329] WILLEMSEN G., op.cit., p. 330

[330] BASTIN J., De Gentse Lijnwaadmarkt…, p. 3

[331] WILLEMSEN G., op.cit., p. 331

[332] VANDENBROEKE C., Sociale en konjunkturele facetten… p. 159

[333] VERMAUT J., “ Vijf variaties …”, p. 197

[334] HAAGEN W., Proto-industrialisatie…, pp. 118 en 121

[335] WILLEMSEN G., op.cit., p. 231 en 282 en DUBOIS E., op.cit., p. 12

[336] WILLEMSEN G., op.cit., p. 231 zegt 2 à 2 ½ %

[337] VERMAUT J., Nieuwe gegevens…, pp. 153-154. De “rauwe lijnwaet-el “, maatstaf van St. Jan ten Dullen te Gent – een godshuis dat sinds de 16e eeuw het “meetrecht” verkregen had - , werd aanzien als de standaard-el zowel in de Nederlanden als in het buitenland. Cfr. BASTIN J., De Gentse Linnenindustrie…, pp. 31 en 82.

[338] VERMAUT J. Vijf variaties…, p. 195

[339] VERMAUT J., Nieuwe gegevens…, pp. 153-154

[340] MADDEN N., Gesch. v. Kortrijk, p. 341

[341] VERMAUT J., Vijf variaties…, p. 195

[342] Zie voor deze problematiek ook de bijdrage van HAAGEN W., Uitbuiting door Handel…, pp. 225-226.

[343] Volgens de “mémoire” van FAIPOULT voor het Scheldedepartement 1800 cfr. DUBOIS E., op.cit., p. 15

[344] SABBE E., op. cit., deel II, pp. 182, 185-186.

[345] WILLEMSEN G., op.cit., pp. 311 en 340

[346] BILLAUX P., Le lin…, pp. 128-129 schetst het levensverhaal van deze Louis Crommelinc.

[347] SABBE E., op. cit., deel II, p. 245

[348] VAN HOUTTE J.A., An economic History of the Low Countries 800-1800, London, … , p. 270-286 beschrijft de situatie haarscherp

[349] HAAGEN W., Uitbuiting-door-Handel…, p. 222 en WILLEMSEN G., op.cit., p. 233

[350] SABBE E., op. cit., deel II, p. 134

[351] WILLEMSEN G., op.cit., p. 233

[352] VAN HOUTTE H., op.cit., deel I, p. 61

[353] HAAGEN W., Uitbuiting-door-Handel…, p. 222

[354] BODEN W., BUYST M., CABUS A., e.a., Smokkel, Antwerpen, Archief en Museum van Douane en Accijnzen, 1988, pp. 4-5

[355] ibidem, p. 9

[356] ibidem, pp. 4, 6-7 en 19

[357] SABBE E., op. cit., deel II, p. 117

[358] WILLEMSEN G., op. cit., p. 231-233

[359] BLOCKMANS W., “Beheersen en overtuigen. Reflecties bij nieuwe visies op staatsvorming”, in: Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, 1990, p. 29

[360] Met de Vrede van Aken kreeg zij haar vrijheid van handelen terug door het opheffen van de clausule van het Barrière-Tractaat, cfr. VAN HOUTTE J.A., A.G.N. VII, p. 410

[361] DIERICKX M., Geschiedenis van België en van onze eigen Tijd, Antwerpen, 1967, pp. 128-131

[362] STENGERS J., aangehaald door VANDENBROEKE C., Vrijen en trouwen, Brussel-Amsterdam, 1986, p. 13

[363] VANDENBROEKE C., Sociale en konjunkturele facetten…, tabel p. 164.

[364] BASTIN J., De Gentse linnenindustrie…, p. 54

[365] DUBOIS E., op.cit., pp. 11-12, 14 en 16

 

[366] BLOMME J. & VAN DER WEE H., “ The Belgian economy in a long-term historical perspective: Economic develoment in Flanders and Brabant, 1500-1812 “, in: Eleventh International Economic History Congress, Milaan, 1994, p. 87

[367] GOOSSENS C. maakte hiervan een round-up voor Oost-Vlaanderen in op.cit., pp. 20-21, o.b.v. berekeningen door MENDELS F. voor de kasselrij Oudburg, STOCKMAN L. voor Aalter, DE VOS A. voor Ertvelde en DE BROUWER J. voor Lede. LAMARCQ D. op.cit., pp. 139-177 gaat daar dieper op in voor de regio Aalst. Cijfers met betrekking tot West-Vlaanderen vindt men in de bijdrage van VERMAUT J. Nieuwe gegevens…, pp. 159-162 en 176-179 en in VERMAUT J., De textielnijverheid in Brugge en op het platteland in Westelijk Vlaanderen voor 1800, Gent, RUG, Doctoraatsverhandeling 1973-1974, appendix 26.

[368] VANDENBROEKE C., Sociale en konjunkturele facetten…, pp. 166-169

[369] MEERSSCHAUT E., op.cit. , pp. 155-156 en 164.

[370] VANDENBROEKE C., Sociale en konjunkturele facetten…, pp. 127-129, 133 en 137.

[371] VAN HOUTTE J.A., Kanttekeningen…, p. 752.

[372] VANDENBROEKE C., Sociale en konjunkturele facetten…, pp. 117-118. In zijn “ Analyse critique de la phase proto-industrielle en Flandre “ in: Eight International Economic History Congress, Budapest, 1982, p. 4 spreekt hij zelfs van 50 à 75 % gedeeltelijk van linnennijverheid levende bevolking in Vlaanderen rond 1800.

[373] VAN DEN EECKHOUT P. & HANNES J., “ Sociale verhoudingen en structuren in de Zuidelijke Nederlanden 1770-1840”, in: N.A.G.N., X, p. 458-460

[374] DUBOIS E., op.cit., p. 13-14

[375] DUBOIS E., op.cit., p. 61

[376] WILLEMSEN G., op.cit., pp. 311, 336-337, 339-340

[377] DUBOIS E., op.cit., p. 68 en 70

[378] Deze “afhankelijkheid” werd nog versterkt door het feit dat de realizeerbare winsten voor producenten in de linnennijverheid grotendeels afhingen van de gehanteerde prijzen in de internationale handel. Cfr. MENDELS F., “ Agriculture and Peasant Industry in 18th C. Flanders “, in: JONES & PARKER (eds.), European Peasants and their markets. Essays in Agrarian Economic History, Princeton, 1975, pp. 5-6 (zie ref. GOOSSENS C., op.cit. p. 67)

[379] VANDENBROEKE C., Sociale en konjunkturele facetten…, p. 117

[380] VANDENBROEKE C., Sociale en konjunkturele facetten…, pp. 127-129, 134 en 138

[381] WILLEMSEN G., op.cit., p. 333

[382] VANDENBROEKE C., Sociale en konjunkturele facetten…, p. 157.

[383] MEERSSCHAUT E., op.cit., p. 179

[384] VAN HOUTTE H., op.cit., p. 24

[385] Cfr. VAN DEN EECKHOUT P. & HANNES J., N.A.G.N., X, p. 437 en 458

[386] DUBOIS E., op.cit., pp. 52, 58-60, 62-63, 65 en 167

[387] MATTEN A., op.cit., pp. 19-20 en 22

[388] SCHENKEVELD R., De ondernemers in de moderne katoen- en linnenindustrie in Gent en Kortrijk tijdens de periode 1800-1855, Gent RUG, O.L.V. 1996-1997, pp. 13 en 101 en DUBOIS E., op.cit., pp. 63 en 142.

[389] MENDELS F., Industrialisation and population pressure in eighteenth century Flanders, New York, 1981, pp. 180-181 en DUBOIS E., op.cit., p. 142

[390] WILLEMSEN G., op.cit., p. 229 = citeert een “memoire” van de Schepenen van de Keure van Gent uit 1765! en DUBOIS E., op.cit., pp. 158-160

[391] DUBOIS E., op.cit., 65-66.

[392] MATTEN A., op.cit., p. 29

[393] DUBOIS E., op.cit., p. 64

[394] MATTEN A., op.cit., p. 23-24

[395] WILLEMSEN G., op.cit., p. 230 en DUBOIS E., op.cit., p. 64

[396] DUBOIS E., op.cit., pp. 136-137, 141, 163, 165-166

[397] WILLEMSEN G., op.cit., p. 229

[398] COOLSAET W., op.cit., pp. 52-88 inzonderheid 87, en 113-114. Zie ook ons hoofdstuk omtrent de geschiedenis van Kortrijk.

[399] BASTIN J., De Gentse linnenindustrie…, p. 108 en GOOSSENS C., op.cit., p. 12

[400] VAN DEN EECKHOUT P. & HANNES J., N.A.G.N., X, p. 475

[401] GOOSSENS C., op.cit., p. 58

[402] ibidem: p. 63, stelt dat de plattelandswevers grondstoffen verwerkten die zij zelf hadden verbouwd. Gezien de extreem arbeidsintensieve en gespecialiseerde bewerkingen die vlas vergt voor aan spinnen en weven kan worden gedacht lijkt ons dit onmogelijk voor full-time wevers. Wij zijn van mening dat full-timers zich beperkten tot spinnen en weven en de nodige grondstoffen hiervoor aankochten bij boeren die in de voorbereiding van de vezels waren gespecialiseerd. Hooguit gaat de stelling op voor de toenemende massa keuterboeren die op beperkte schaal linnen weefden in part-time bijberoep en slechts enkele stukken per jaar produceerden. Cfr. KINDT J., op.cit., p. 38

[403] VANDENBROEKE C., Sociale en konjunkturele facetten…, pp. 152-153

[404] VERMAUT J., De textielnijverheid in Brugge…, p. 511 stelt: Wegens de zeer geringe winsten was het linnenweven niet zozeer een bron van welvaart maar, samen met de inkomsten uit de landbouwsektor, eerder een middel om te overleven.

[405] BASTIN J., De Gentse linnenindustrie…, pp. 148, 156-164.

[406] LAMARCQ D., op.cit. p. 149 en COPPEJANS-DESMEDT H., op.cit., p. 180

[407] TRUYENS-BREDAEL C.L., op.cit., p. 22

[408] WILLEMSEN G., op.cit., p. 227-228

[409] VANDENBROEKE C., Sociale en konjunkturele facetten…, p. 142.

[410] GOOSSENS C., op.cit., p. 56

[411] Pas rond 1770-1780 kwam er een einde aan de bevolkingsstagnatie in de stedelijke centra en nam de migratievloed van het platteland naar de steden weer toe: cfr. GOOSSENS C., op.cit., pp. 26-28

[412] VERMAUT J., Nieuwe gegevens…, p. 174

[413] VANDENBROEKE C., Sociale en konjunkturele facetten…, p. 148

[414] VANDENBROEKE C., Sociale gesch…., pp. 176, 186 en 222.

[415] WILLEMSEN G., op.cit., p. 229: o.b.v. Memoire van de Schepenen van de Keure te Gent 1765.

[416] SABBE E. , op. cit., deel I, p. 19

[417] SABBE E., op. cit., deel II, p. 166 en 173

[418] VAN HOUTTE J.A., An economic history…, p. 270

[419] VANDENBROEKE C., Sociale gesch…, pp. 28, 31, 135, 148, 174.

[420] VANDENBROEKE C., Sociale gesch…., pp. 24 en 176

[421] COPPEJANS-DESMEDT H., op.cit., p. 201

[422] VANDENBROEKE C., Sociale en konjunkturele facetten…, pp. 164-165. Ook micro-studies van o.a. J. VERMAUT tonen aan dat de productie nog steeds vermeerderde, en bevestigen daarom meer de optimistische visies dienaangaande van de oude historiografie, vertegenwoordigd door mensen als PIRENNE, JACQUEMYNS, VARLEZ of DUBOIS cfr. VANDENBROEKE C., ibidem pp. 122- 123

[423] VANDENBROEKE C., Sociale gesch…, p. 175.

[424] HAAGEN W., Proto-industrialisatie…, pp. 139-140

[425] HOEBEKE G., Van katoen tot katoen: de industrie van Oudenaarde 1794-1914, Gent, R.U.G., O.L.V. 1997-1998, deel I, p. 34

[426] TRUYENS-BREDAEL C.L., op.cit., p. 24

[427] COPPEJANS-DESMEDT H., op.cit. , pp. 199-201

[428] HOEBEKE G., op.cit., p. 75: cijfers afkomstig van de Enquête Linière van 1841

[429] VANDENBROEKE C., Sociale en konjunkturele facetten…, pp. 118, 129, 142 en 149

[430] VANDENBROEKE C., Sociale en konjunkturele facetten…, p. 164

[431] HAAGEN W., Proto-industrialisatie…, pp. 151-152

[432] DUBOIS E., op.cit., p. 17

[433] VANDENBROEKE C., Sociale en konjunkturele facetten…,p. 151

[434] DUBOIS E., op. cit., p. 116

[435] HAAGEN W., Proto-industrialisatie…, p. 145-146

[436] DUBOIS E., op.cit., pp. 17-18

[437] HAAGEN W., Proto-industrialisatie…, p. 168

[438] DUBOIS E., op.cit., p. 18

[439] VAN HOUTTE J.A., A.G.N. VII, p. 417-421

[440] SABBE E., op. cit., deel II, p. 307.

[441] HAAGEN W., Uitbuiting-door-handel…, p. 215-216

[442] SABBE E., op. cit., deel II, p. 320.

[443] Tabel: SABBE E., op.cit., deel II, p. 337

[444] MATTEN A., op.cit., p. 73

[445] DUBOIS E., op.cit., p. 22

[446] SABBE E., op. cit., II, p. 349

[447] Ook arbeidskosten waren in de eerste Belgische mechanische bedrijven duur. Gent bv. zat steeds verlegen om werkkrachten omdat er nog geen stedelijk industrieproletariaat bestond en de handarbeiders de overstap naar de fabriek zo lang mogelijk uitstelden. Cfr. VAN DEN EECKHOUT P. & HANNES J., N.A.G.N., X, p. 454

[448] HAAGEN W., Uitbuiting-door-handel…, pp. 238-240

[449] SABBE E., op. cit., II, p. 359

[450] DUBOIS E., op.cit., p. 42

[451] HAAGEN W., Uitbuiting-door-Handel…, p. 227

[452] Zie in dit verband ook HAAGEN W., Uitbuiting-door-Handel…, pp. 226-228 en COPPEJANS-DESMEDT H., op.cit., pp. 181-188

[453] BILLAUX P., Le lin…, p. 150

[454] DE HERDT R., op.cit., p. 362

[455] BILLAUX P., le Lin…, p. 169: Ierland nam spoedig een belangrijke plaats in onder de Britse spinnerijen: in 1863 draaiden in dit land alleen 600.000 spoelen.

[456] HAAGEN W., Uitbuiting door Handel…, p. 228

[457] DUBOIS E., op.cit., 23-24

[458] De omschakeling naar mechanisatie in Gent heeft ook te maken met het feit dat Gent eerder dan Kortrijk getroffen werd met crisissen in afzetmogelijkheden. Reeds rond 1825, met het verlies van de Spaanse markt, werd in Gent duidelijk dat er ingrijpende keuzes moesten worden gemaakt. Het Kortrijkse geraakte voorlopig zijn traditionele productie nog kwijt aan Frankrijk. Cfr. SCHENKEVELD R., op.cit., p. 108.

[459] HAAGEN W., Uitbuiting door Handel…, p. 240

[460] SABBE E., op. cit., II, p. 382

[461] SABBE E., op.cit., p. 357

[462] VERAGHTERT K., “Ambacht en nijverheid in de Zuidelijke Nederlanden 1790-1844 “, in: N.A.G.N., X, Haarlem 1981, p. 283 en 288

[463] VAN HOUTTE H., op.cit., deel II, pp. 266-267.

[464] VANDENBROEKE C., Sociale geschied…, p. 148, 177 en 199

[465] Een vergelijkbare visie vonden wij bij GOOSSENS C., op.cit., p. 70

[466] SCHENKEVELD R., op.cit., p. 109.

[467] Ibidem p. 19 en VAN DEN EECKHOUT P. & HANNES J., N.A.G.N. X, p. 440

[468] ibidem p. 1 en 112

[469] VANHOUTTE J.A. & MADDENS N., Bekaert 100…, p. 78

[470] SCHENKEVELD R., op.cit., p. 97

[471] zie in dit verband: VAN DEN EECKHOUT P. & HANNES J., N.A.G.N., X, pp. 438-439

[472] VERAGHTERT K., Ambacht…, pp. 273 en 277-278

[473] ENDREI W., op.cit., p. 129-131 bevestigt de superieure corporatief-onafhankelijke werking van de Engelse manufacturen, i.t.t. die van het continent.

[474] SCHENKEVELD R., op.cit., p. 97

[475] HAAGEN W., Uitbuiting-door-handel…, pp. 216, 220-221, 224-225, 228-229, 234-235, 237-238, en 242.

[476] DUBOIS E., op.cit., p. 100 en 102

[477] DUBOIS E., op.cit., p. 22 = citeert Enquête Linière van 1840

[478] DUBOIS E., op.cit., p. 22 = citeert cijfers van VAN DEN BOGAERDE.

[479] VERAGHTERT K., “ Geld, bankwezen en handel in de Zuidelijke Nederlanden 1792-1844”, in: N.A.G.N., X, Haarlem, 1981, p. 352

[480] SABBE E., op. cit., II, p. 432.

[481] MOKYR J., Industrialization in the Low Countries 1795-1850, New Haven-Londen, 1976, p. 257

[482] SCHENKEVELD R., op.cit., p. 69

[483] VERAGHTERT K., Ambacht…, p. 288

[484] Zie in dit verband de tabel opgegeven door KINDT J., op.cit., p. 11

[485] KINDT J., op.cit., p. 38-39

[486] DUBOIS E., op.cit. , pp. 67 en 169

[487] DUBOIS E., op.cit., p. 28

[488] VANDENBROEKE C., Sociale en konjunkturele facetten…, p. 140

[489] VAN DEN EECKHOUT P. & HANNES J., N.A.G.N., X, p. 456

[490] TRUYENS – BREDAEL C.L., op.cit., p. 130

[491] DUBOIS E., op.cit., p. 29

[492] VANDENBROEKE C., Sociale en konjunkturele facetten…, p. 140.

[493] KINDT J., op.cit., p. 40

[494] HAAGEN W., Uitbuiting door Handel…, p. 241

[495] Het overzicht combineert cijfers i.v.m. verkochte stukken op de lijnwaadmarkten van Oost- en West-Vlaanderen uit: JACQUEMIJNS G., Histoire de la crise économique des Flandres, Brussel, 1929, pp. 160-161 en HAAGEN W., Proto-industrialisatie…, p. 222

[496] DUBOIS E., op.cit., p. 181 – HAAGEN W., Uitbuiting door Handel., p. 241 spreekt van 12.000 handwevers waarvan 90 % thuiswevers in 1896, t.o.v. 7.800 arbeiders op 12.000 mechanische getouwen waarvan 50 % in Kortrijk en Ronse.

[497] HAAGEN W., Uitbuiting door handel…, p. 241

[498] DUBOIS E., op.cit., pp. 32 en 34-35

[499] VERAGHTERT K., Ambacht…, p. 287

[500] HAAGEN W., Uitbuiting door handel…, pp. 241-242

[501] SABBE E., op. cit. , II, p. 541 en 550

[502] KINDT J., op. cit., p. 85

[503] DUBOIS E., op.cit., pp. 116-117

[504] SCHENKEVELD R., op.cit., p. 111

[505] DUBOIS E., op.cit., pp. 50-51