Tituli honorarii, monumentale eregedenktekens. Ere-inscripties ten tijde van het Principaat op het Italisch schiereiland. Een statistisch-epigrafisch onderzoek. (Annelies De Bondt)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL 1

 

Analyse van de elementen.

 

Hoofdstuk 2. De dedican(te)s.

 

1. Inleiding.

 

Wanneer we de tituli honorarii - of ere-inscripties - bekijken, volgt algemeen gezien na het element van de geëerde - met duiding van diens carrière of maatschappelijke verwezen-lijkingen - het element van de dedicantes. Vaak volgt voorafgaand aan de vermelding van de oprichter(s) nog een aanwijzend voornaamwoord in de datief om de geëerde te herhalen. De benoeming van de dedicantes gebeurt meestal aan de hand van een enkel woord, dat de inhoud van de maatschappelijke positie van de geëerde omvat, gevolgd door een woord, dat de relatie met de geëerde verklaart.[234]

 

Wat betreft de dedicantes kunnen we een eerste opdeling maken op basis van de gebruikte woordsoorten. Wanneer een of meerdere eigennamen worden gehanteerd om de oprichters aan te duiden, gaat het over individuen, die op eigen initiatief een standbeeld besloten op te richten en daartoe de goedkeuring kregen van de gemeenteraad. Dit laatste vertaalt zich onder andere in de formule L(ocus) D(atus) D(ecreto) D(ecurionum) (cf. hoofdstuk 3, pp. 114). Deze individuen, die als dedicantes optreden, worden besproken in een eerste paragraaf.

 

De tweede mogelijkheid, die veel uitgebreider aan bod zal komen, o.a. door het veelvuldig voorkomen, betreft algemeen genomen namen van collectieven - hoofdzakelijk substantieven. Hierbij wordt in naam van alle leden van een bepaalde groep een ere-inscriptie opgericht, waarbij eveneens een goedkeuring van de decuriones kon nodig zijn geweest. Binnen een gemeenschap waren er talrijke verenigingen, waaronder niet alleen de gevestigde, politieke ordo decurionum, maar ook religieuze, professionele en andere verenigingen. In de tweede paragraaf wordt vooreerst een algemeen overzicht gegeven van de groepen, die als oprichters optreden. Hierna worden de collectieven ingedeeld volgens categorie om zo een beter beeld te kunnen schetsen van de collectieven als oprichters. Een aantal van deze werden echter reeds besproken in het vorige hoofdstuk en zullen daarom eerder summier worden verklaard om herhaling te voorkomen.

 

Uiteraard kan niet worden voorbijgegaan aan de vraag wat nu net de relatie was tussen de oprichters en de geëerde en wat de geëerde zo speciaal maakte dat net hij - of zij - een monumentaal eerbetoon verdiende van de hieronder besproken individuen en groepen. Daarom werd geopteerd de lezer een algemene beeld aan te bieden op deze relaties, eerst bij de individuen, dan ook bij de collectieven. Maar net omdat deze laatste categorie zo veelzijdig en veelomvattend is, zal ook per individuele subcategorie worden nagegaan wat de banden waren tussen dedicantes en dedicatus.

 

Tenslotte dient nog gezegd dat niet alle inscripties hier kunnen onderzocht worden op het element “dedican(te)s”, aangezien we met een aantal inscripties zitten, waarbij de oprichter onbekend is, doordat het niet vermeld werd (30/696 - 4.31%)[235] of doordat de inscriptie te zeer beschadigd was (31/696 - 4.45%)[236]. In een enkel geval kunnen we echter wel enigszins achterhalen om welke groep het ging. Hierbij werden deze inscripties gesorteerd onder de categorie, waarvan vermoed wordt dat de inscriptie ertoe hoort, met een vraagteken achter de inscriptienummer.[237]

 

 

2. Individu(e)n als dedican(te)s.

 

Na het totaal aantal inscripties te hebben verminderd met het hierboven berekende aantal aan onbekende oprichters, komen we tot een totaal van 650 inscripties, waarvan de oprichter geïdentificeerd kan worden. Bij deze 650 inscripties kunnen we vervolgens een onderscheid maken tussen individuen als oprichters enerzijds (65/650 - 10%) en collectieven als oprichters anderzijds (585/650 - 90%).

 

Hierbij dient echter wel gezegd dat twee inscripties tot beide categorieën behoren, zijn de InscrNrs. 105 en 661. Wat betreft de eerste inscriptie - nr. 105[238] - zien we inscripties aangebracht op drie kanten van een basis. De oprichter van de eerste inscriptie is Egnatia Salviana, echtgenote van Caius Servilius Diodorus (tekst I vooraan). Deze eerste inscriptie is te ressorteren onder de categorie, die hier besproken wordt: individuen als oprichters. Op de rechterkant van dezelfde basis staat echter een gemeenteraadsbesluit, waarin de oprichtster van de eerste inscriptie, Egnatia Salviana, wordt gecoöpteerd tot patrona. Deze inscriptie, die los staat van de eigenlijke tabula patronata, is omwille van deze tekst dan ook te vermelden onder de categorie van collectieven als dedicantes.

 

InscrNr. 661[239] is heel wat korter, maar geeft een gelijkaardig probleem. Als oprichter wordt naast de cultores van het college van de Lares een man genoemd, Iunius Evira[---], wiens relatie tot de geëerde Ignota 4 niet geheel duidelijk is door de geschonden staat van de inscriptie. Mogelijks verwijst “patronae” niet alleen op de relatie van de geëerde met de cultores, maar ook met deze man. Een andere mogelijkheid is dat het hier gaat om haar echtgenoot. In ieder geval is de man niet noodzakelijk een lid van het collectief van cultores Larum en dus een individuele oprichter te noemen, terwijl de cultores logischerwijs tot de categorie van collectieven worden gerekend.

 

Laten we van start gaan met de personen, die de oprichting voor hun persoonlijke rekening hebben genomen en buiten een collectief kader als dedicantes optreden. Zoals gezegd gaat het hier om een 10% van de inscripties, waarvan de oprichter(s) geduid kunnen worden (65/650 - 10%). Deze werden gesorteerd op inscriptienummer in bijlage 20.[240]

 

De omschrijving van individuen als dedicantes dient hier te worden toegelicht. Deze categorie onderscheidt zich van de collectieven, doordat deze individuen niet noodzakelijk allen - wanneer meerdere individuen vermeld zijn als oprichters - tot een municipale entiteit hoeven te behoren. Het gaat hier om personen, die een relatie hebben met de geëerde, die persoonsgebonden is en dus afhankelijk is van de geëerde. Vaak gaat het hier om amicale, familiale en huishoudelijke relaties, die persoonlijk en emotioneel kunnen zijn. Meestal wordt in de inscriptie niet meer vermeld dan de benaming van de oprichters en een enkel woord, dat de relatie met de geëerde verklaart.[241] Deze korte en bondige voorstelling van de oprichter(s) staat in schril contrast met andere inscripties, waarin meer aandacht wordt besteed aan de oprichter en een lange en gedetailleerde voorstelling van diens loopbaan op de naam van de geëerde volgt.[242] In dit corpus komt dit laatste type echter niet voor; blijkbaar was het ongebruikelijk in inscripties met een of meerdere stereotiepe formuleringen een langere voorstelling van de dedicant te geven dan alleen zijn naam en relatie tot de geëerde.

 

Om deze categorie te kunnen bespreken hebben we ook nood aan een overzicht van de relaties tussen deze individuen en de geëerde. Deze gegevens werden geordend in bijlage 21 en konden - zoals boven reeds werd aangehaald - worden toegewezen aan de onderverdelingen “familia (brede betekenis)” voor de huishoudelijke relaties (24/65 - 36.92%), “familia (enge betekenis)” voor de familiale relaties in de moderne betekenis (17/65 - 26.15%), “vriend” voor amicale relaties (8/65 - 12.31%), “leger” voor verbanden binnen het leger op individuele basis (4/65 - 6.15%), “R(es)P(ublica)” voor persoonlijke relaties op municipaal niveau (1/65 - 1.54%) en tenslotte “onbekend” voor de onbestemde individuele relaties (10/65 - 15.38%).[243]

 

Ten eerste hebben we de categorie van de “familia”. Er wordt hier een onderscheid gemaakt tussen de enge en de brede betekenis van het woord familia. Dit verschil tussen enerzijds familiale en anderzijds huishoudelijke relaties is gebaseerd op het onderscheid in het Latijn tussen respectievelijk gens en familia. Hetgeen wij de dag van vandaag als familie beschouwen, is gebonden door een bloedband. De familia bij de Romeinen omvatte eigenlijk alle familieleden en bedienden, die samen in één huis woonden[244], en doelt dus op wat wij vandaag als een huishouden zouden benoemen.

 

De eerste subcategorie “familia (brede betekenis)” staat aldus voor de relaties tussen de personen binnen een huishouden. Het gaat hier niet om de bloedverwanten, aangezien deze aan bod komen in de volgende onderverdeling, “familia (enge betekenis)”, maar wel om de bedienden - servi of slaven en liberti of vrijgelatenen - en het cliënteel van het kerngezin (24/65 - 36.92%). Wat betreft de liberti kan het ofwel gaan om vrijgelatenen, die in dienst van hun voormalige meester(es) blijven werken, ofwel om vrijgelatenen, die hun eigen weg inslaan. In beide gevallen hebben zij een band opgebouwd met de familie, waarbij ze eertijds als slaaf in dienst waren, die hier de basis, maar ook de aanleiding voor de oprichting vormt.

 

Het vaakst gaat het om vrijgelatenen als oprichters (16/24 - 66.67%)[245], gevolgd door de clientes (6/24 - 25%)[246] en het minst vaak om slaven (2/24 - 8.33%)[247]. Eenmaal krijgen we zelfs een meer specifieke beschrijving van de functie van één van de leden van de familia, zijnde de nutritor of opvoeder.[248] Dat ook slaven deelnamen in de oprichting van een eremonument is toch enigszins opmerkelijk, aangezien zij in dit corpus niet - en over het algemeen in ere-inscripties zeer zelden - aan bod komen als de geëerden van een monumentaal eerbetoon. Het was dus voor hen blijkbaar wel mogelijk om een standbeeld op te richten - alleen of samen met andere (ex-)leden van de familia, maar dan alleen op individuele basis. Dit gaf hen de kans een standbeeld op te richten met hun eigen naam op, zij het wel in een secundaire rol. Een eigen publiek standbeeld was voor zulke mensen vaak onbereikbaar en aldus kon dit standbeeld voor een patroon als een soort surrogaat fungeren.[249]

 

Binnen deze onderverdeling kunnen we ook een geslachtelijk onderscheid maken. Een dertig procent van deze inscripties werd opgericht door een (voormalig) lid van de familia voor een vrouwelijk lid van het kerngezin, betiteld als patrona[250], domina[251] of regina[252] - meesteres (7/24 - 29.17%). Daarentegen staat bijna zeventig procent opgericht door dezelfde categorie voor een mannelijk lid van het kerngezin van de familia, die dan meestal als patronus of beschermheer wordt benoemd (15/24 - 62.5%). Tenslotte is er nog één inscriptie opgericht voor een medehuisgenoot of contubernalis[253].

 

De tweede subcategorie binnen de familia - nl. “familia (enge betekenis)” - omhelst dus de familiale relaties in de moderne betekenis, meerbepaald de bloedverwantschappen, die zich hoofdzakelijk beperken tot de familiale relaties tussen de leden van het kerngezin van een familia, ook wel de gens genoemd (17/65 - 26.15%). Ten eerste hebben we hier de conjugale banden tussen man en vrouw (7/17 - 41.18%), vertegenwoordigd door zeven inscripties, waarbij een man een titulus opricht voor zijn echtgenote (3/7) of de vrouw voor haar man (4/7). Vervolgens hebben we ook relaties in de eerste graad, waarbij de ouder voor een kind een inscriptie laat plaatsen (7/17 - 41.18%), maar ook omgekeerd is geattesteerd, waarbij in dit laatste geval alleen de vader als geëerde wordt genoemd (2/17 - 11.76%). De verst gaande relaties reiken tot de tweede graad en verhouden zich tussen een grootouder en een kleinkind (2/17 - 11.76%). Tussen broeders en zusters blijkt er weinig interactie te zijn op vlak van de oprichting van tituli honorarii, van welke relatie slechts één inscriptie opgemerkt is (1/17 - 5.88%).

 

In een achttal inscripties treffen we ook vrienden als oprichters aan, die onder de derde subcategorie “vriend” staan (9/65 - 12.31%). M.i. zou men veel meer ere-inscripties kunnen ontdekken[254], waarbij de oprichter een amicale relatie heeft met de geëerde, maar die komen niet in dit corpus aan bod, omdat niet doelgericht werd gezocht op dit element. Het zou echter een interessante onderzoekspiste zijn op geografisch, chronologisch en sociaal vlak, maar is echter niet mogelijk binnen deze context, wegens het te beperkt aantal inscripties. Kort willen we er even op wijzen dat de bemerking van Alföldi niet geldt voor het gehele Italische schiereiland: hij maakte op dat municipale magistraten alleen familieleden en ten hoogste vrienden onder de dedicantes konden rekenen voor hun huldebetoon.[255] In dit corpus zien we dat slechts twee van de negen inscripties opgericht door een amicus werden opgericht voor een municipaal magistraat (cat. 4.), alsook twee keer voor een functionele eques (cat. 2.1.) en zelfs vijf keer voor leden van de ordo senatorius. Deze cijfers werden verkregen vanuit een ander perspectief, hetgeen een heel ander beeld creëert dan wat Alföldi voorstelde.

 

Vervolgens hebben we nog een aantal inscripties, die we hier gemakkelijkheidshalve hebben onderverdeeld onder de noemer “leger” (4/65 - 6.15%). De personen uit deze categorie behoorde inderdaad tot een georganiseerde instelling - het leger - maar worden wel tot de categorie van de privati gerekend, omdat het telkens gaat om één enkel individu. De personen waren respectievelijk beneficiarius[256] (454), consocer a militiis (436), cornicularius[257] (116), veteranus Augustorum (226). De functie van de oprichter, die bij de bepaling van de oprichter wordt vermeld, verklapt onmiddellijk de band met de geëerde. Door het uitoefenen van die functie was deze persoon in contact gekomen met de geëerde in kwestie. Zo konden beide partijen een vertrouwensband opbouwen, die uiteindelijk zodanig waardevol was geworden, dat ze kon worden bekroond met een erestandbeeld. Dit is natuurlijk verklaard vanuit het standpunt van de geëerde, maar het spreekt voor zich dat een dergelijke handeling ook consequenties had voor de oprichter.

 

Tenslotte rest ons nog één inscriptie, die men op het eerste zicht zou kunnen toewijzen aan de collectieven, die als oprichters optreden, door de vermelding van twee quaestores als oprichters van deze inscriptie bij gemeenteraadsdecreet (1/65 - 1.54%). Toch werden deze quaestores als individuele oprichters beschouwd binnen de subcategorie “R(es)P(ublica)”. Het gaat hier om inscriptie 559[258], waarin geld onder de decuriones werd ingezameld voor de oprichting van een standbeeld voor Lucius Valerius L. f. Fabia Timinianus, die een honorifieke eques was te Capena en alle municipale ambten had uitgeoefend tot en met de quinquennalitas. Net omdat de quaestores worden aangeduid als oprichters en niet de decuriones, hoewel zij het geld ingezameld hadden, doet vermoeden dat het hier gaat om een private beslissing van de decuriones. Het is mogelijk dat de quaestores hier als oprichters worden genoemd, omdat zij de initiatiefnemers waren tot de toekenning van het eerbetoon of gewoon omdat zij het ingezamelde geld hadden beheerd en zich op een voortreffelijke manier van hun taak hadden gekweten om een erestandbeeld te laten oprichten.

 

 

3. Collectieven als dedican(te)s.

 

In deze paragraaf gaat het niet om individuele oprichtingen, maar wel over oprichtingen door een groep mensen, die lid zijn of deel uitmaken van één van de vele entiteiten binnen een gemeenschap. De leden hiervan vereenzelvigen zich dan ook met dat collectief, dat niet persoonsgebonden is, maar wel geografisch, sociaal, professioneel, religieus e.d. gebonden. Hier is de relatie gebaseerd op het gezamenlijk lidmaatschap of de gemeenschappelijke deelname van oprichters en geëerde aan een dergelijk collectief, waaraan men officieel of officieus verbonden was.

 

In de praktijk zien we als oprichters de municipale ordines - de ordo decurionum en de ordo *Augustalium - optreden, maar ook de gehele gemeenschap of één van diens geledingen - bvb. plebs rustica of de vicani - en de verscheidene colleges. Hierbij dient echter opgemerkt dat combinaties tussen de genoemde categorieën kunnen optreden, waarbij bvb. decuriones, Augustales en de populus als dedicantes genoemd worden.

 

Laten we vooreerst een grove schets maken van de erende collectieven. Algemeen gezien kunnen we vijf categorieën onderscheiden naast de privati (65/650 - 10%), die in de vorige paragraaf reeds aan bod kwamen, namelijk de decuriones (centumviri, ordo decurionum, decuriones e.a.), de *Augustales, het volk (plebs, populus, civitas, res publica, vicani e.a.), de colleges en de andere.

 

Wanneer we de verscheidene, algemene categorieën tegenover elkaar gaan vergelijken,[259] zien we dat het het volk is dat in al zijn verdelingen en verschijningsvormen deelneemt aan de oprichting met een aandeel van bijna de helft van de inscripties door collectieven opgericht (258/585 - 44.10%). Het grootste deel van deze oprichtingen werd door een enkele categorie binnen de gemeenschap volbracht zonder bijdrage van andere collectieven (161 tegen 97, ratio 1.7:1).

 

Deze categorie wordt echter op de voet gevolgd door de decuriones (245/585 - 41.88%), die voornamelijk alleen de oprichting in handen hadden (151 tegen 94, ratio 1,6:1).

 

De verscheidene colleges bekleden een eervolle derde plaats met een aandeel in meer dan een vijfde van de inscripties door groepen opgericht (128/585 - 21.88%). Ook zij profileerden zich hoofdzakelijk alleen als oprichters (125 tegen 3, ratio 41,7:1).

 

De *Augustales, die normaal behoren tot de categorie van de colleges, werden hier afzonderlijk genomen, omdat het hier om de enige colleges gaat die in een voldoende groot aantal werden geattesteerd om als een aparte groep beschouwen. Daarbij dient herhaald dat dit veel voorkomend college eveneens als een ordo[260] werd beschouwd, die als een sociale tussenschakel functioneerde tussen de decuriones en het volk. Zij vertegenwoordigen een aandeel van ca. tien procent (62/585 - 10.60%) met tenslotte ook hier meer oprichtingen door een college als collectief alleen, hoewel het verschil met de oprichtingen door meerdere collectieven, waaronder een college van *Augustales hier minder groot is dan bij de vorige categorieën (39 tegen 23, ratio 1,7:1).

 

Deze cijfers bewijzen in eerste plaats dat het niet alleen de decuriones waren, die het straatbeeld van de gemeente bepaalden, maar dat eerder het volk tot de beslissing hieromtrent bijdroeg, het volk in al zijn verschijningsvormen zonder onderscheid te maken tussen de gemeenschap en zijn onderverdelingen. Ook de colleges, die algemeen gezien al individueel deel uitmaakten van de municipale bevolking en zo aldus eveneens hun stem lieten gelden, kregen eigenlijk een tweede stem in de colleges, die op hun beurt eveneens een eerbetoon tot stand konden brengen. De *Augustales vormden hier enigszins een uitzondering op, aangezien de ingenui-leden onder hen zelfs drie stemmen konden hebben, namelijk als lid van de municipale gemeenschap, als lid van de *Augustales en tenslotte als lid van de ordo decurionum.

 

Laten we vervolgens de verschillende categorieën van naderbij bekijken en binnen die categorieën eveneens de relaties tussen de geëerden en hun oprichters onderzoeken. De informatie omtrent de ordo decurionum of *Augustalium kwam reeds uitgebreid aan bod in het vorige hoofdstuk en wordt daarom tot een minimum beperkt om niet in herhaling te vallen. De bespreking van de categorieën aan collectieven verloopt volgens hun frequentie als oprichters: eerst het volk (258/585 - 44.10%), vervolgens de decuriones (245/585 - 41.88%), dan de colleges (128/585 - 21.88%), waaronder ook de *Augustales (62/585 - 10.60%).

 

3.1. De municipale bevolking.

 

Zoals gezegd treedt het volk het vaakst op als collectief oprichter (258/585 - 44.10%), waarbij het grootste deel van de oprichtingen door een enkele categorie binnen de gemeenschap werd volbracht zonder bijdrage van andere collectieven (161 tegen 97, ratio 10:6).

 

Hierbij moeten echter wel een aantal nuances worden gemaakt. Het zou immers fout zijn te zeggen dat het gehele volk zo vaak optreedt als oprichters. Daarom dient onder deze subtitel een verdere opdeling te worden weergegeven van de gemeenschap: ten eerste de gemeenschappen als een geheel, vervolgens enkele municipaal geografische entiteiten binnen die gemeenschap, dan enkele groepen, die slechts een bijkomstige categorie aan oprichters vormen (zoals bvb. vrouwen) en tenslotte de verscheidene benamingen voor de bevolking, waartoe niet steeds de gehele bevolking behoorde (bvb. plebs urbana, cives, incolae, cf. infra). In het verlengde hiervan zou de stelling eveneens foutief zijn, dat de subdivisies van het volk representatief zouden zijn voor de gehele gemeenschap, aangezien het soms gaat om een bevolkingssegment.

 

3.1.1. De gemeenschap.

 

Van de inscripties waar het “volk” als dedicant optreedt, zijn er tweeënvijftig te onderscheiden, waarvan men met zekerheid kan stellen dat het om de gehele bevolking gaat van een gemeente (52/258 - 20.16%). Zoals blijkt uit bijlage 23[261] wordt de gemeenschap het vaakst aangeduid met de naam van de inwoners van de gemeenschap, die gebaseerd is op de naam van de municipaliteit (31/52 - 59.62%). Men spreekt dan bijvoorbeeld voor de inwoners van Atina over de Atinates.[262] Tot deze groep behoorden alle inwoners van deze gemeente, gaande van de leden van de ordo senatorius tot het plebs en hier kan men terecht zeggen dat de inwoners zich vereenzelvigden met hun gemeente van herkomst. Zo kan men tot deze categorie niet alleen “het volk” rekenen, maar ook de decuriones, collegeleden en *Augustales van diezelfde municipaliteit.

 

Wanneer men zich afvraagt of dit fenomeen geografisch gebonden is (figuur 6), zien we dat frequentieel op het totaal van de inscripties, waarbij de inwoners van een gemeente worden geduid aan de hand van de naam van de gemeente, de meeste inscripties in regio I voorkomen (18/31 - 58.06%), een gedeelde tweede plaats is weggelegd voor de regiones III, VI en VII (3/31 - 9.68%) en regio IV komt op de derde plaats met twee inscripties (2/31 - 6.45%). De regiones V en IX tellen ieder één inscriptie (1/31 - 3.23%), terwijl regiones II, VIII, X en XI er geen tellen.

 

Regio

n

%

(totaal 31)

n

(per R.)

%

(totaal per R.)

I

18

58.06

18 /286

6.29

II

0

0.00

0 / 50

0.00

III

3

9.68

3 / 34

8.82

IV

2

6.45

2 / 67

2.99

V

1

3.23

1 / 20

5.00

VI

3

9.68

3 / 96

3.13

VII

3

9.68

3 / 45

6.67

VIII

0

0.00

0 / 20

0.00

IX

1

3.23

1 / 8

12.50

X

0

0.00

0 / 54

0.00

XI

0

0.00

0 / 16

0.00

Figuur 6: Geografische verspreiding van het duiden van

de inwoners a.d.h.v. de naam van de gemeente.

 

Wanneer we anderzijds deze getallen vergelijken tegenover het aantal ere-inscripties geattesteerd per regio, zien we dat het fenomeen binnen dit kader het meest typisch is voor regio IX (12.50%), maar er moet rekening worden gehouden met het lage aantal ere-inscripties daar geattesteerd. Regio III volgt op de tweede plaats (8.82%) en regio VII op de derde plaats (6.67%). M.i. kan men stellen dat dit fenomeen over het gehele, Italische schiereiland verspreid en gebruikt is.

 

Om alle inwoners van een gemeente te duiden wordt er anderzijds nauwelijks gebruik gemaakt van het statuut van de verscheidene gemeenten, namelijk of ze colonia of municipium waren. Het concept van het municicipium[263] is ontstaan in een eerste fase van de evolutie van het Imperium Romanum, ca. 381/380 v.C. Dit was oorspronkelijk een soevereine polis, wiens gebied geannexeerd werd door Rome en vervolgens geïncorporeerd werd door het populus Romanus. De inheemse bevolking mocht er wel blijven wonen[264] en ook zijn traditionele instellingen behouden wat betreft interne aangelegenheden.[265]

 

Anderzijds had men coloniae.[266] Hierbij kan men een onderscheid maken tussen coloniae Romanae en coloniae Latinae. De coloniae Romanae waren inplantingen van een driehonderdtal gezinnen van boeren-soldaten. Aan de kust waren namelijk garnizoenen gevestigd, waarvan de soldaten een stukje grond kregen om voor hun eigen levensonderhoud in te staan. Dit gebied behoorde tot de ager Romanus en was een autonoom onderdeel van de Romeinse staat.[267] Anderzijds had men de coloniae Latinae, hetgeen inplantingen waren van nieuwe entiteiten op grondgebied, dat ten nadele van de overwonnen vijanden geconfisqueerd was. Het gaat hier om juridisch soevereine entiteiten, bestaande uit Romeinse burgers, die het burgerschap van hun nieuwe staat moesten opnemen.[268] Men vond echter voor dit laatste type coloniae vanaf 167 v.C. geen gegadigden meer om deze coloniae Latinae te bevolken door het verlies van burgerrecht, waardoor er coloniae Romanae nieuwe stijl gaan ontstaan: dit zijn coloniae Romanae, waarvan de inwoners voortaan Romeinse burgers zijn (of blijven), maar met de morfologische kenmerken van coloniae Latinae.[269] In een laatste fase, na de Bellum Sociale in 90 v.C. werden alle coloniae Latinae op het Italische schiereiland municipia civium Romanorum.[270] Samen vormen de coloniae en municipia voortaan het populus Romanus. Van deze coloniae Romanae hebben we slechts één voorbeeld, zijnde de Colonia Aurelia Augusta Pia Canusium als oprichter in InscrNr. 313 (1/52 - 1.92%).[271]

 

Wat dan weer meer gebruikelijk was, was de gemeente te benoemen met de uitdrukking “res publica”, hetgeen zeven keer geattesteerd werd en vier keer vermoed wordt (11/53 - 20.57%). Een andere mogelijkheid was ook de benoeming “civitas”, hetgeen slechts één keer met zekerheid is geattesteerd en één keer vermoed kan worden (2/53 - 3.77%). Tenslotte kan men ook “universi” ressorteren onder de noemer gemeenschap, indien het gaat om alle inwoners. Deze werd echter slechts éénmaal teruggevonden als dedicant (1/53 - 1.89%).

 

Tenslotte hebben we nog enkele inscripties, waarin een gehele regio of zelfs een provincie een inscriptie opricht. Vijfmaal gaat het om een regio (5/52 - 9.62%): regio Compiti (uit Capua), regio Iovia (uit Nola), regio Romana (uit Nola), regio Hortensia (uit Salernum), regio Esquilina (uit Beneventum). Eenmaal gaat het over een gehele provincie, namelijk de provincia Mauretania Tingitana, die een inscriptie (uit Tusculum) zou hebben opgericht voor consul Caius Iulius Asper (1/52 - 1.92%). Ook hier kan men deze interpreteren als een verzamelnaam voor de gehele bevolking van de regio of provincie.

 

Relatie

n

%

civis

2

3.85

patronus

30

57.69

gemeenteraadslid

2

3.85

civis et patronus

1

1.92

patronus et curator rei publicae

1

1.92

matrona

2

3.85

uxor patroni

1

1.92

filio pii, amantissimi rei publicae

1

1.92

ter ere van de familie

1

1.92

onbekend

11

21.15

Totaal

52

100.00

Figuur 7: Relatie tussen gemeenschap en geëerde.

 

Laten we vervolgens de relatie tussen geëerde en gemeenschappen als oprichters eens van naderbij bekijken (cf. figuur 7). Welke band tussen een gemeenschap en een persoon kon tot de oprichting van een monumentaal eerbetoon leiden? Zoals blijkt uit bovenstaande figuur - waarbij rekening werd gehouden met de meest benadrukte band - is de meest voorkomende band het patronaatschap van de geëerde over het geheel aan inwoners (alle patroni 32/52 - 61.54%). Andere mogelijkheden zijn hier het gedeelde burgerschap (2/52 - 3.85%) - hoewel patroni meestal eveneens burger van de gemeenschap waren, maar ook het bekleden van een municipaal bestuursambt (2/52 - 3.85%) of het behoren tot de gens van een voor de gemeenschap belangrijke figuur (3/52 - 5.77%). Tenslotte vernoemt men nog twee matronae als oprichters (2/52 - 3.85%), hetgeen geen patronaatschap aanduidt, dan wel de kwaliteiten van de geëerde als deugdelijke vrouw[272], hetgeen niets verteld over de relatie met de oprichters. Het enige dat matrona kan impliceren is dat de vrouw een kwestie een voorbeeldfunctie bekleedde.

 

3.1.2. Municipaal geografische entiteiten.

 

Een beperktere subdivisie is die van de groepen binnen een gemeenschap, die gestoeld is op een municipale afbakening (20/258 - 7.75%).[273] Het gaat hier ten eerste om de centuriae[274] binnen een gemeenschap, de stemafdelingen waartoe de burgers waren ingedeeld. Het gaat hier waarschijnlijk niet om militaire centuriae omdat in dat geval het legioen of de cohorte zou zijn vermeld, waartoe de centuria behoorde, of een meer precieze omschrijving van diezelfde militaire centuria. Zo zijn er twee inscripties geattesteerd, waarbij een centuria als oprichter van het eerbetoon werd genoemd (2/20 - 10%). De relatie met de geëerde kan bij deze oprichters alleen het gedeelde burgerschap zijn binnen de gemeente.[275]

 

Ten tweede kennen we ook vicani als dedicantes. Dit waren de bewoners van wijken, die aldus geografisch verbonden waren tot een nabuurschap. In zestien inscripties treden zij op als oprichters (16/20 - 80%), en additioneel in nog eens drie inscripties vormen ze met de decuriones en Augustales een groep oprichters (3/21 - 15%). In dit laatste geval, kan men zich afvragen of men niet eerder de dorpsbewoners bedoeld in plaats van de inwoners van een wijk. Het lijkt dan ook enigszins vreemd dat de rest van de bevolking van een gemeente zou worden uitgesloten, alhoewel dit nog gebeurde met andere bevolkingsgroepen binnen een gemeente (cf. infra).

 


 

Relatie

n

%

patronus municipii

1

5.56

patronus

4

22.22

patronus vici

2

11.11

gemeenteraadslid

1

5.56

sevir Augustalis

1

5.56

matrona

1

5.56

onbekend

8

44.44

Totaal

18

100.00

 

Figuur 8: Relatie tussen vicani en geëerde.

 

De relatie tussen de vicani en de geëerde (cf. figuur 8) is ook hier - met de onbekende relaties buiten beschouwing gehouden - voornamelijk gebaseerd op het patronaatschap van de geëerde over de vicus, waartoe de vicani behoorden (6/18 - 33.33%). Andere mogelijkheden waren dat de persoon geen patroon was van een vicus, maar van de gemeente (1/18 - 5.56%), of helemaal geen patroon was geweest maar wel gemeenteraadslid (1/18 - 5.56%). Ook hier noemt men nog één vrouw matrona (1/18 - 5.56%), hetgeen zoals gezegd doelt op haar eigenschappen van de ideale huisvrouw en zo de hier vermelde relatie hoogstens betrekking kan hebben op haar voorbeeldfunctie.

 

3.1.3. Marginale bevolkingsgroepen.

 

Vervolgens hebben we nog enkele groepen, die slechts marginaal in de ere-inscripties uit dit corpus aan bod komen als oprichters. Tot deze onderverdeling werden enerzijds de vrouwelijke oprichters gerekend en anderzijds de verscheidene legerafdelingen, die als oprichters naar voren traden.[276]

 

i. Vrouwelijke oprichters.

We beginnen met de vrouwelijke oprichters. In totaal hebben we zes inscripties, waarin vrouwen als dedicantes genoemd worden (6/258 - 2.33%). Slechts twee inscripties noemen alleen vrouwen als oprichters, terwijl in de andere vier de vrouwen naast een groep mannen verschijnen als dedicantes. Laten we deze inscripties kort overlopen.

 

De twee inscripties, waarin alleen vrouwelijke oprichters worden genoemd zijn InscrNrs. 427 en 474. In de eerste[277] richten de mulieres Trebulanae voor hun patrona een standbeeld op (cat. 8.1.). In inscriptie 474[278] gaan de mulieres (getrouwde vrouwen), namelijk de matronae (deugdelijke, vrije vrouwen) en de libertinae (vrijgelaten vrouwen) een monumentaal eerbetoon oprichten voor een gemeenteraadslid (cat. 4.2.), waarbij de relatie tussen beide partijen niet duidelijk is. Hier wordt mulieres wel geïnterpreteerd als verzamelnaam voor de twee volgende onderverdelingen, namelijk de vrijgelaten en vrijgeboren vrouwen. Hiermee wordt de these van M. Corbier ontkracht dat men hier munere suo i.p.v. mulieres zou moeten lezen.[279] Deze interpretatie werd bewerkstelligd naar analogie van inscriptie 19 (cf. infra), waarbij Atinates als verzamelnaam wordt genomen voor de daarop volgende subcategorieën, waaruit de bevolking van Atina bestond. Bij deze inscriptie dient ook nog te worden opgemerkt dat dit de enige inscriptie is, waarin vrouwelijke vrijgelatenen als oprichters optreden en dan nog samen met de andere vrouwen. Wat betreft hun mannelijke tegenhangers zagen we reeds bij de private dedicantes één inscriptie, die opgericht werd door liberti.[280] Dit bewijst dat liberti - zowel mannen en vrouwen - wel actief mochten deelnemen aan het toekennen van een eerbetoon, maar dat dit zelden gebeurde.

 

Dan hebben we nog de inscripties, waarin de vrouwen samen met een groep mannen een standbeeld oprichtten. Vooreerst hebben we twee inscripties waarin dit wordt verwoord door de uitdrukking “utriusque sexus”, hetgeen zoveel betekent als “van beide seksen”. Dit zien we in de inscripties 19 en 538. In inscriptie 19[281] richtten de “Atinates decuriones Augustales arkani Viviri plebs utriusque sexus” - de inwoners van Atina, namelijk de decuriones, Augustales arkani, seviri en het plebs van beide seksen - een standbeeld op voor een municipaal patroon (cat. 4.2.). Ook in InscrNr. 538[282] komt deze verwoording voor. Daar zijn de “municipes et incolae Tuficani utriusque sexus” - de inwoners met en zonder burger-rechten van Tuficum van beide seksen - de oprichters. Zij eerden een vrouw, wiens belang voor deze gemeenschap onbekend blijft, buiten het flaminaat Feroniae, dat zij had bekleed. Bij beide inscripties is het m.i. de bedoeling een beeld te schetsen van de gehele bevolking, van zowel mannen als vrouwen.

 

Dan hebben we nog inscriptie 280, waarin de matronae en decuriones - in die volgorde (!) - een eerbetoon oprichtten voor een matrona (deugdelijke vrouw), die sacerdos van Venus was (cat. 8.3.). Op welke manier deze twee partijen met elkaar in relatie stonden is verder niet bekend. Misschien doelt men hier wel op de echtgenotes van de decuriones, die samen met hun echtgenotes één van hen in de bloemen wouden zetten, al is dit louter hypothetisch.

 

Dan rest ons nog één inscriptie, waar het deze keer niet om vrouwen gaat, maar wel om meisjes (puellae). Het betreft InscrNr. 464[283], waarin de jongens en meisjes, die alimenta (officiële toelagen voor levensonderhoud) hadden ontvangen, waarschijnlijk de persoon, die hiervoor had ingestaan, zijnde de quaestor alimentorum (cat. 4.2.), bedanken voor zijn inzet door middel van een standbeeld. Als het om alimenta gaat is het niet verwonderlijk dat zowel jongens als meisjes worden genoemd, aangezien zij beide van staatswege een toelage kregen. Het opmerkelijke aan deze inscriptie is eigenlijk dat het hier om kinderen gaat, die voor de oprichting zouden hebben ingestaan.[284],[285]

 

Wat betreft de rol van de vrouwen in de oprichting, dient tenslotte nog één inscriptie te worden vermeld, namelijk InscrNr. 456[286]. Het aanmerkelijke aan deze inscriptie is niet dat de decuriones (ordo) instonden voor de oprichting van een standbeeld voor Feroniae [---], een vrouw van onbekende afkomst (cat. 8.0.), maar wel dat dit gebeurde “consensu omnium matronarum” - met goedkeuring van alle matronae. Het lijkt hier of alle ingenuae van de gemeente Interamnia Praetuttiorum erop hadden aangestuurd een standbeeld te laten oprichten voor deze vrouw. Ook hier zou de hypothese, dat de matronae de echtgenotes zouden kunnen zijn van de decuriones, kunnen passen, indien men bedenkt dat net zij de meeste invloed konden uitoefenen op deze gemeenteraadsleden.

 

ii. Legerafdelingen.

Ook de legerafdelingen, die als oprichters optraden, werden onder deze categorie geressorteerd (4/258 - 1.55%), alhoewel men zou kunnen betwisten of deze groep hier thuis hoort of onder de noemer van individuele oprichters. Deze eenheden zullen eveneens een individuele en emotionele band opgebouwd hebben met de geëerde in kwestie, toen deze laatste aan het hoofd stond of deel uitmaakte van deze legerafdelingen. Het gaat hier echter om een groep, die te groot is om individueel te kunnen noemen en waarmee de soldaten, die ertoe behoorden, zich konden vereenzelvigen. Zij behoorden tot deze afdelingen omdat zij vrijwillig in dienst waren getreden van deze militaire instelling, waar zij bij toeval in contact zijn gekomen met de persoon, die ze later zouden eren met een huldeblijk.

 

Laten we een kort overzicht geven van de structuur van het Romeinse leger, opdat de drie militaire groepen, die oprichter van een ere-inscriptie waren, in de juiste context zouden kunnen geplaatst worden. Van de legereenheden, die in Rome gekazerneerd waren, zijn de praetoriaanse cohortes (de keizerlijke lijfwacht), de cohortes urbis (stadscohorten met politionele macht) en cohortes vigiles (nachtwacht en brandweer) de belangrijkste. Deze komen niet als oprichters aan bod, maar wel een andere militaire eenheid, die in Rome gekazerneerd was. In InscrNr. 607[287] worden namelijk tien speculatores[288] als de oprichters van het eerbetoon genoemd. Deze eenheid van 300 verspieders stond onder leiding van de praefectus praetorio en had een speciale functie, als o.a. boodschappers, lijfwachten en beulen van veldheren.[289]

 

Vervolgens waren er ook vijfentwintig legioenen, die aan de rijksgrens waren gelegerd of in de provincies. Eén legioen bestond uit 5000 infanteristen en 120 ruiters en was ingedeeld in 10 cohorten, wat op zijn beurt was onderverdeeld in drie manipuli van 160 infanteristen, met per manipel 2 centuriae. Dit wil dus zeggen dat één cohorte zes centuriae telde, met uitzondering van de eerste cohorte, die uit vijf centuriae bestond. Aan het hoofd van een centuria stond een centurio - aan het hoofd van de eerste centuria van de eerste cohorte werd deze centurio primuspilus genoemd - zodat er in totaal 59 centuriones waren in één legioen. Verder waren er ook nog 250 hulptroepen - alae (ruiterij), cohortes (infanterie) en gemengde cohortes (infanterie en ruiterij) - die onder leiding stonden van een equestrale praefectus.[290]

 

Tenslotte waren er nog een aantal vloten, waarvan twee lagen te Misenum en te Ravenna aan het Italisch schiereiland en een zevental in de provincies gekazerneerd waren, meer bepaald in Britannia, Germania, Pannonia, Moesia, Pontus, Syria en ALexandria. Deze stonden elk onder leiding van een praefectus classis en aangezien iedere vloot de structuur had van een legioen, was deze ook verder onderverdeeld met aan het hoofd van de onderafdelingen navarchi, centuriones en trierarchi. Van deze laatste legereenheid - de vloot in het algemeen - zijn geen afdelingen als oprichters gesignaleerd in dit corpus.[291]

 

Laten we nu de inscripties even bekijken. In InscrNr. 77[292] was het de legio IIII Sorana, die als oprichter genoemd wordt. Deze groep moet één van de omvangrijkste geweest zijn, aangezien één legioen bestaat uit 500 infanteristen en 120 ruiters. Hoewel hier een heel legioen als oprichter wordt genoemd, kan men ervan uitgaan, dat - net als bij de decuriones - een deel van hen deze beslissing had genomen, maar representatief zijn voor de gehele eenheid. De geëerde, Lucius Firmius, had zich opgewerkt tot primuspilus - dus centurio van de eerste cohorte (status 3.3.) - waarschijnlijk van het legioen, dat de oprichter van deze inscriptie is.

 

De tweede inscriptie - InscrNr. 447[293] - werd opgericht door de centuriones legionis II Traianae Fortis. Reeds boven hadden we gezien dat één legioen 59 centuriones telde, waaronder één primuspilus, die dan ook de leiding had over de gehele eerste cohorte van een legioen. De aanleiding tot de oprichting was het feit dat de geëerde in kwestie, Caius Oppius C. f. Velina Bassus, een mooie militaire carrière had doorlopen van praetoriaans soldaat van de tweede praetoriaanse cohorte en van de dertiende en veertiende stadscohorte (praetorius militi cohortis II praetoriae et cohortis XIII et XIIII urbanarum), over beneficiarius[294] van de praefecti, tot centurio van het vierde legioen Traiana Fortis en van het tweede legioen Traiana Fortis. Zijn hoogst beklede militaire functie was ongetwijfeld het primipilaat, vermoedelijk van het tweede legioen Traiana Fortis, dewelke functie werd opgelicht uit de cursus honorum en vooraan werd geplaatst (status 3.3.). Problematisch is het gegeven, dat we niet weten hoeveel tijd is verstreken sinds de dienst van de geëerde in het tweede legioen en de oprichting. Waarschijnlijk waren het de achtenvijftig andere centuriones, die onder leiding van deze man hadden gestaan, die dit standbeeld hadden opgericht.

 

Tenslotte rest ons nog InscrNr. 683[295], waarin de decuriones alae Gaetulorum als dedicantes worden voorgesteld. De ala Gaetulorum was een hulptroep van 500 ruiters, dewelke was opgedeeld in zestien decuriae, met aan het hoofd telkens een decurio. Hier gaat het aldus om een groep van zestien decuriones, Ook hier moet de geëerde Caius Valerius C. f. Stellatina Clemens gediend hebben naast of misschien boven hen, maar dit kan niet worden afgeleid uit de cursus honorum, aangezien alleen de hoogst beklede militaire functie - het primipilaat - is weergegeven (status 3.3.).

 

Bij elk van de drie boven beschreven inscripties is de plaatsing van het monument door militaire eenheden verbonden met de municipale magistraturen, die de geëerden hadden uitgeoefend (waarschijnlijk in hun gemeente van herkomst - of patria).

 

3.1.4. “Het volk”?

 

Tenslotte hebben we nog de hoofdmoot aan inscripties, waarin “het volk” als dedicant wordt genoemd. Onder de categorie “volk” onderscheiden we een achttal woorden met elk hun eigen betekenis en connotatie: namelijk plebs, populus, cives, municipes, coloni, incolae, pagani en oppidani. Dus hoewel deze acht termen naar het volk verwijzen, mag men deze betekenis echter niet zonder meer toekennen aan ieder van deze acht termen. Daarom is het nodig de betekenis van de individuele termen bij te lichten[296], alsook vervolgens het voorkomen van de termen binnen het element “dedicantes” en tenslotte nog de relatie tussen de geëerde en “het volk”. Een overzicht van de inscripties behorende tot elk van deze termen wordt geleverd in bijlage 26.[297]

 

Vooreerst wordt een overzicht gegeven van de frequentie van de woorden in de inscripties in dit corpus. Plebs komt tweeënzestig keer voor (62/196 - 31.63%) als oprichter, populus zesenzeventig keer (76/196 - 38.78%), cives negen keer (9/196 - 4.59%), municipes achtendertig keer (38/196 - 19.39%), coloni acht keer (8/196 - 4.08%) en incolae tenslotte zestien keer (16/196 - 8.16%). Dan hebben we nog enkele onderverdelingen van het volk, die slechts gering voorkomen, zijnde de pagani (2/196 - 1.02%) en de oppidani (1/196 - 0.51%). Hierbij dient nog opgemerkt dat geen van deze groepen samen voorkomen als oprichters, met uitzondering van incolae, die voornamelijk voorkomen naast de municipes en coloni.[298]

 

i. Plebs.

De eerste term, die hier kan besproken worden is de term “plebs” (62/196 - 31.63%). Wanneer we de “stadtrömische” betekenis achterwege laten, zijnde het algemene lichaam aan burgers te Rome, is de algemene betekenis eerder sociaal gericht dan politiek: het gewone volk, de massa, het gemeen.[299] Wanneer we de samenstelling gaan bekijken, wat belangrijk is om deze term van de andere te kunnen onderscheiden, kan men stellen dat het gaat om de burgers en niet burgers van een gemeenschap.

 

Zeker kan men stellen dat de ordo decurionum niet behoorde tot het plebs. Dit blijkt duidelijk uit de combinaties van de geledingen van de bevolking, die als oprichters worden voorgesteld, waarbij het plebs steeds naast de decuriones komt te staan (23/62 - 37.10%). Deze aristocratische geleding komt vervolgens telkens vooraan te staan en wordt expliciet vermeld, indien deze groep was inbegrepen in de groep oprichters.

 

In een aantal inscripties zien we dat ook de *Augustales afzonderlijk worden genoemd naast de plebs (11/62 - 17.74%), meerbepaald na de decuriones en voor de plebs. Kunnen we ook hier stellen dat de ordo *Augustalium sowieso niet behoorde tot het plebs? Uiteindelijk bestond het grootste deel van haar leden uit liberti, die aldus tot het plebs kunnen gerekend worden. Slechts een klein aantal leden uit dit college was vrijgeboren en sommigen onder hen bekleedden een municipale bestuursfunctie. Deze laatste kunnen alvast niet tot het plebs gerekend worden. M.i. moet de volgende interpretatiemogelijkheid naar voren worden geschoven: indien de *Augustales een actieve rol hadden gespeeld in de besluitvorming m.b.t. de oprichting van een monumentaal eerbetoon, werden zij afzonderlijk als college of ordo voorgesteld na de decuriones en voor de plebs. Wanneer de *Augustales buiten het kader van hun college en dus niet als lid van hun college deelnamen aan de besluitvorming, kortom als lid van de globale bevolking, kan men de gemeenteraadsleden onder *Augustales toewijzen aan de noemer ordo decurionum en de andere leden tot de plebs.

 

Waarschijnlijk gaat het ook alleen om de mannelijke helft van de bevolking, wanneer men het over plebs heeft, al kan dit worden aangenomen voor de meeste termen, die hier onder de loep worden genomen. We hebben echter slechts één inscriptie, waarop dit gestoeld is, namelijk InscrNr. 19 (1/62 - 1.61%), waarin men de Atinates opdeelt in decuriones, Augustales arkani, seviri en tenslotte plebs utriusque sexus. Dit wil dus zeggen, dat in dit geval ook de vrouwen uit de plebs deelnamen aan de oprichting en in andere gevallen misschien niet. Een andere opmerking, die men hier kan maken is dat enkel de vrouwen uit de plebs worden genoemd in deze inscriptie. Indien men in deze inscriptie met Atinates de gehele bevolking bedoelde, die dan wordt opgedeeld in de verscheidene geledingen, waartoe rekenen we dan de vrouwen van de decuriones en van de *Augustales. Durven we stellen dat deze vrouwen eveneens tot de plebs gerekend werden? Of werden zij gewoon niet vernoemd, maar veronderstelde de lezer hun deelname door de vermelding van hun echtgenoten?

 

Voorts kan de plebs nog verder worden onderverdeeld in enerzijds de plebs urbana en anderzijds de plebs rustica. De plebs urbana wordt eenentwintig keer als oprichter genoemd (21/62 - 33.87%), terwijl de term plebs rustica geen enkele keer voorkomt. Wanneer men doelt op beide categorieën, noemt men plebs universa als oprichter (3/62 - 4.84%). Maar wat bedoelde men dan met de term plebs zonder meer? Gaat het hier om de plebs urbana of om de plebs universa? Men zou de laatste optie kunnen prefereren en plebs interpreteren als plebs universa, omdat de plebs rustica niet voorkomt als oprichter. Misschien kan men daarbij de bedenking maken dat de plebs universa slechts een aantal keer wordt genoemd en dus misschien als expliciete uitdrukking van de impliciete gedachte achter plebs zou kunnen worden geïnterpreteerd. Er zijn echter evenveel meldingen van de term plebs urbana als van de term plebs (17/62 - 27.42%) zonder andere oprichters naast deze groep en indien men deze twee als synoniemen zou beschouwen zou slechts in drie inscripties het gehele plebs als oprichter optreden, wat m.i. veel te weinig zou zijn. De geografische verdeling van de twee termen geeft daarbij een gelijke verspreiding weer, zodat ook een geografisch verschil uitgesloten is.[300] Dit leidt tot de conclusie dat men plebs eerder als plebs universa moet interpreteren, dan als plebs urbana.

 


 

Relatie

n

%

patronus

11

18.97

patronus municipii

8

13.79

17.24

patronus coloniae

1

1.72

patronus ordinis et populi

1

1.72

patronus municipii et plebis

2

3.44

5.17

patronus plebis urbanae

1

1.72

gemeenteraadslid

13

22.41

24.14

curator rei publicae

1

1.72

Augustalis

1

1.72

civis

1

1.72

tribunus plebis

1

1.72

mater municipii et coloniae

1

1.72

3.44

patrona municipii

1

1.72

onbekend

14

24.14

Totaal

62

100.00

Figuur 9: Relatie tussen plebs en geëerde.

 

Wat betreft de relatie tussen de geëerde en het plebs (cf. figuur 9), zien we dat de voorkeur toch gaat naar een patroon (24/62 - 41.38%). Het hoeft hier in principe niet noodzakelijk te gaan om een patroon van het plebs alleen (1/62 - 1.72%), iedere patroon van de gemeente (10/62 - 17.24%), of van het volk in het algemeen (2/62 - 3.44%) is noodzakelijkerwijs ook patroon van het volk. Wanneer men alleen de term patroon vermeldt als band tussen dedicant en dedicatus (11/62 - 18.97%), kan het zowel gaan om een patroon van heel de gemeente als van het plebs alleen, maar dit doet niet af aan de interpretatie dat het ook gaat om een patroon van de plebs-groep. Een andere populaire groep begunstigden is die van de gemeenteraadsleden of decuriones en andere personen met een municipale functie, zoals de curator rei publicae (14/62 - 24.14%). Voorts hebben we nog één Augustaal, die meer in verband staat met de Augustales, die mee als dedicantes worden genoemd (1/62 - 1.72%); één persoon die men louter civis noemt, wat hem tot een niet-aristocratische inwoner van de gemeente maakt en dus in theorie ook behorende tot het plebs (1/62 - 1.72%); en één tribunus plebis, die door zijn functie onmiddellijk een directe band had met het plebs (1/62 - 1.72%). Tenslotte worden nog twee vrouwen genoemd als dedicatae, waarvan één een patrona van de gemeente - en dus ook van het plebs was - en de andere moeder van de gemeente werd genoemd (2/62 - 3.44%).

 

ii. Populus.

Zo komen we tot de tweede term, populus, die de meeste termen - hier besproken - aan bod komt als oprichter (76/196 - 38.78%). Algemeen betekent deze term “leden van een gemeenschap”, “het volk” als overstijgende term voor de ertoe horende leden, “het gehele volk” of “het volk, met uitzondering van het plebs”.[301] Omdat ook hier de term incolae (niet-burgers, cf. infra) ook hier niet naast dit woord verschijnt, kan men stellen dat het gaat om zowel de burgers als de niet-burgers van de bevolking.[302] Cicero stelde echter in zijn de re publica[303] dat het woord niet verwees naar de gehele bevolking van een staat, maar wel naar de groep, die bewust de gangbare wetten aanvaardden en ze ook in acht nemen.

 

De decuriones daarentegen verschijnen echter wel naast de populus in de inscripties als oprichters (56/76 - 73.68%), wat doet vermoeden dat ook hier de populus bestaat uit de echelons lager dan de ordo decurionum. In enkele inscripties worden ook de Augustales genoemd na de decuriones en voor de populus (5/76 - 6.58%), waarbij ook hier dezelfde opmerking dient gemaakt zoals bij plebs, namelijk dat de Augustales werden opgelicht uit het gemeentelijk collectie en als ordo naast de decuriones werden geplaatst. Een gelijkaardige these geldt, wanneer men sacerdotes en populus samen als oprichters vernoemt; de sacerdotes behoren over het algemeen tot de municipale elite en wanneer zij ook een municipale functie hadden uitgeoefend, behoorden zij ook tot de ordo decurionum. Ook hier was het waarschijnlijk de bedoeling deze groep expliciet te noemen, o.w.v. haar actieve medewerking in de oprichting van dit eerbetoon.

 

Relatie

n

%

patronus

25

32.89

50.00

patronus municipii

5

6.58

patronus civitatis

1

1.32

patronus ordinis et populi

1

1.32

patronus coloniae

6

7.89

gemeenteraadslid

13

17.11

18.42

curator rei publicae

1

1.32

uxor patroni coloniae

1

1.32

6.58

in honorem patris eius

4

5.26

onbekend

19

25.00

Totaal

74

100.00

Figuur 10: Relatie tussen populus en geëerde.

 

In tegenstelling tot de cijfers bij het plebs, zien we minder categorieën, maar deze zijn wel minder gevarieerd en daardoor verduidelijken ze des te beter de voorkeur van het volk (figuur 10). Meer dan bij plebs gaat de voorkeur van de populus uit naar de patroni (38/76 - 50%). Uiteindelijk waren zij de personen, die de belangen van alle inwoners van een gemeente behartigde, hetgeen als dusdanig beloond werd. Op de tweede plaats komen de personen met een municipale functie (14/76 - 18.42%), dewelke hen politiek het meest na stonden. Ook vrouwen werden meer dan bij de plebs benaderd met een eerbetoon al gaat het hier vaker om de verdiensten van hun vader of echtgenoot dan om een functie door hen zelf uitgeoefend (5/76 - 6.58%).

 

Zoals de betekenis werd weergegeven, lijkt populus in niet veel van plebs te verschillen. Er is echter wel degelijk een verschil, dat zowel sociaal als politiek van aard is. Wat betreft het sociale verschil, rekende men van oudtijds tot het echte populus Romanus alle Romeinse burgers en meerbepaald de patriciërs.[304] Tegenover deze groep werden vervolgens de plebejers, het plebs gesteld: de niet-patriciërs uit de overwonnen steden van Latium, die in Rome waren opgenomen. Aanvankelijk was deze laatste groep volledig zonder rechten.[305] Vanaf 300 v.C. kregen de beide standen gelijke politieke rechten, waardoor we een verschuiving in betekenis zien optreden: het plebs was dan het volk in juxtapositie met de patricisch-plebejische ambtsadel - de nobiles - en de senaat. Plebs lijkt aldus een toevoeging te zijn aan de echte Romeinse bevolking, of populus Romanus.

 

Politiek gezien kon het populus vrij deelnemen aan de politiek, ambten bekleden en genieten van alle rechten, die een civis optimo iure waren toegekend. Het plebs waren dan wel persoonlijk vrije mensen, die grond konden bezitten, belastingen dienden te betalen en krijgsdienst konden verrichten, maar ze konden geen ambten bekleden of aan de curia-vergaderingen deelnemen.[306] Zoals gezegd verwaterde dit politiek verschil vanaf de 3e eeuw v.C., maar toch moet een onderscheid zijn blijven bestaan, hetgeen gereflecteerd werd in de toelatingsvoorwaarde voor de ambt van tribunus plebis of aedilis plebis, die louter uit het plebs mochten komen.[307]

 

In het Principaat zien we aldus dat populus de volksmenigte gaat aanduiden, als grote massa tegenover de machthebbenden en zo verwisselbaar kan gebruikt worden met plebs, dat eveneens het volk tegenover de aanzienlijken gaat plaatsen.[308] Toch zien we dat het plebs nog steeds een negatieve connotatie blijft dragen van het gepeupel, waaronder ook de vrijgelatenen en de incolae, terwijl populus steeds een meer algemeen begrip is voor het geheel aan burgers.

 

Wat betreft de vorige twee termen, plebs en populus, stelt Mrozek dat plebs als dedicant duidelijk veel meer voorkomt dan populus, hetgeen hij zowel vaststelt in Italië als in de provincies.[309] Daarom brengt deze vaststelling hem tot de conclusie, dat de rol van het plebs aanzienlijk belangrijker was, dan die van het volk.[310] Deze these kan m.i. niet gehandhaafd blijven. Uit dit corpus blijkt namelijk dat in het totaal net de populus meer als dedicant optrad dan de plebs. Mrozeks materiaal was dan meer gericht op de zoekwoorden “plebs” en “populus”, maar men mag niet voorbijgaan aan de vaststelling dat in de ere-inscripties - waarin stereotiepe formuleringen worden gebruikt voor de elementen motivering, monument, financiering en reactie van de geëerde - net de populus een hogere frequentie heeft dan de plebs. Het is dus misleidend louter op basis van frequenties een meer of minder belangrijke rol toe te schrijven aan één van de geledingen van de municipale bevolking. De conclusie met betrekking tot deze termen kan binnen dit kader eerder zijn, dat inscripties (mede)opgericht door de populus meer geneigd waren stereotiepe formuleringen te vertonen dan bij de plebs, hoewel het verschil niet zodanig groot is.

 

iii. Cives.

De derde term betreft “cives” (9/196 - 4.59%). Dit woord, dat zowel mannelijk als vrouwelijk van geslacht kan zijn, betekent burger of medeburger.[311] Bij de interpretatie van dit woord treden niet zoveel problemen op: het gaat om de burgers binnen een gemeenschap, die het burgerrecht bij geboorte hadden gekregen of later in hun leven weten te verwerven. Ook hier kunnen we ons afvragen of het hier alle mannelijke en vrouwelijke burgers van een municipaliteit betreft, maar dit is moeilijk te achterhalen bij slechts negen inscripties. Een aanduiding zou “universi cives” kunnen zijn (2/9 - 22.22%), aangezien geen andere opdelingen gekend zijn binnen de term cives. Anderzijds kan het hier ook gaan om uitdrukking naar analogie van universus populus en universa plebs.

 

Ook de cives of burgers komen in combinatie met de decuriones voor als dedicantes (3/9 - 33.33%), waarbij men zich ook de vraag kan stellen, wanneer cives alleen als dedicant voorkomt, of ook de decuriones hiertoe kunnen gerekend worden. In theorie waren alle decuriones ook civis of burger van hun eigen gemeente - in een enkel geval waren zij gemeentelijk beambte in twee gemeenten - en dus zou men deze tot de cives kunnen rekenen. In dit geval zou decuriones et cives de gemeenteraadsleden onder de burgers eruit lichten en naar voren brengen.

 

Zoals blijkt uit figuur 11 gaat ook hier de voorkeur uit naar patroni, alhoewel minder uitgesproken dan bij de vorige term (4/9 - 44.44%). Ook hier was er ruimte voor een eerbetoon voor een gemeenteraadslid (2/9 - 22.22%) en echtgenote van een verdienstelijk burger (1/9 - 11.11%). Deze gegevens zijn echter niet heel betrouwbaar door de lage frequentie van cives als dedicantes.

 

Relatie

n

%

patronus

3

33.33

44.44

patronus coloniae

1

11.11

gemeenteraadslid

2

22.22

matrona, ob merita maritis

1

11.11

onbekend

2

22.22

Totaal

9

100.00

Figuur 11: Relatie tussen cives en geëerde.

 

iv. Municipes.

Ten vierde treden ook de municipes alleen of met andere bevolkingsgroepen op als dedicantes (38/196 - 19.39%). Het woord municeps is afgeleid van municipium, hetgeen zoveel betekent als een zichzelf besturende gemeenschap in Italia, een municipaliteit onder toezicht van Rome, maar bestuurd volgens de eigen wetten.[312] Municeps betekent aldus een inwoner, burger van een municipium. Het gaat hier wel zeker om burgers - cives aldus - en niet om alle inwoners, wat ons wordt verteld door de combinatie van municipes met incolae (13/38 - 34.21%). Incolae zijn namelijk inwoners van de gemeente, die er geen burger van zijn, aldus die geen burgerrecht hebben en dus van buiten het Romeinse grondgebied afkomstig waren (cf. infra). Deze combinatie impliceert dat de incolae niet tot de municipes behoorden.[313]

Ook hier kan weer de opmerking worden gemaakt dat men bij enkele inscripties spreekt van decuriones et municipes als oprichters. Men kan kiezen tussen twee interpretaties: of het gaat om twee aparte categorieën, waarbij de decuriones geen deel uitmaken van de municipes, of het gaat om één categorie - de municipes - waarvan de decuriones een deel uitmaken en in de inscriptie een meer uitgesproken positie krijgen door deze groep uit de municipes uit te lichten. Het zou hier kunnen dat het om de laatste interpretatie gaat, omdat deze combinatie niet zo consequent werd gebruikt als bij de andere, boven beschreven termen (7/38 - 18.42%). Hetzelfde geldt voor de combinatie van municipes en *Augustales (2/38 - 5.26%), om de redenen, die zowel bij plebs als populus reeds werden toegelicht.

 

Tenslotte kan men ook bij municipes een onderscheid maken, namelijk tussen de municipes intramurani, extramurani en compitenses. Hier gaat het eigenlijk om een geografische afbakening, in de eerste twee gevallen gebaseerd op de stadsomwalling of het pomerium[314]. De municipes intramurani zijn dus de burgers van de gemeente (1/38 - 2.63%), die binnen de stadsmuren wonen, hetgeen zich afzet tegenover plebs urbana, dewelke term zowel de burgers als de niet-burgers van een gemeente omvat. Daar tegenover staan de municipes extramurani, ergo de burgers van een gemeente, die buiten de stadsgrens wonen (1/38 - 2.63%).[315] Tenslotte hebben we nog een onderverdeling, namelijk de municipes compitenses, hier gaat het om de burgers, die aan eenzelfde kruispunt wonen en gerelateerd zijn in een nabuurschap (1/38 - 2.63%). Dit is waarschijnlijk de engste betekenis, die de term municeps kan dragen, aangezien het hier om een beperkt aantal mensen gaat. In InscrNr. 100 gaat het om de burgers, die aan de kruispunten van vijf wijken woonden.

 

Relatie

n

%

patronus

3

7.89

18.42

patronus municipii

4

10.53

gemeenteraadslid

13

34.21

in honorem patris eius

2

5.26

onbekend

16

42.11

Totaal

38

100.00

 

Figuur 12: Relatie tussen municipes en geëerde.

 

In tegenstelling tot bij de andere woorden bekleedt patronus hier (figuur 12) slechts een tweede plaats (7/38 - 18.42%), waar de gemeenteraadsleden hier meer geëerd worden (13/38 - 34.21%). Ook hier zijn twee vrouwen geëerd wegens de verdiensten van hun vader (2/38 - 5.26%). Hoe interessant dit gegeven ook is, toch is voorzichtigheid geboden, door het hoge aantal onbekende relaties.

 

v. Coloni.

Vervolgens hebben we de coloni (8/196 - 4.08%) als dedicantes, hetgeen in betekenis grotendeels overeenkomt met municipes. Het verschil ligt hem hierin dat het woord is afgeleid van colonia, hetgeen een nederzetting of kolonie was van Romeinse burgers.[316] Vooral in de Republiek was het verschil tussen colonia en municipium groot (cf. supra). In het Principaat lijkt dit verschil grotendeels te zijn vervaagd, waardoor inhoudelijk een zelfde betekenis kan worden gegeven, zowel aan colonus als aan municeps. Ook hier draagt de term de betekenis van burger. Niet-burgers worden niet tot de coloni gerekend, aangezien er expliciet een onderscheid wordt gemaakt tussen coloni en incolae (3/8 - 37.5%).

 

In theorie behoren ook de decuriones en *Augustales tot de coloni, maar in resp. 2 en 1 inscripties worden deze ook afgezonderd en voor de coloni geplaatst (resp. 2/8 - 24% en 1/8 - 12.5%). M.i. gaat het ook hier om het uitlichten van deze ordines om een sociaal onderscheid te maken, waarbij de decuriones uiteraard het hoogste sociaal aanzien genieten, gevolgd door de *Augustales.

 

Relatie

n

%

patronus coloniae

2

25.00

gemeenteraadslid

2

25.00

onbekend

4

50.00

Totaal

8

100.00

Figuur 13: Relatie tussen coloni en geëerde.

 

Hier - figuur 13 - gaat het louter om twee patroni (2/8 - 25%) en twee gemeenteraadsleden (2/8 - 25%), tegenover vier onbekende relaties (4/8 - 50%), hetgeen op zich niet veel verduidelijking biedt.

 

vi. Pagani en oppidani.

De volgende twee termen hebben betrekking tot de grootte van een municipaliteit, namelijk enerzijds de pagani en anderzijds de oppidani. De pagani zijn de inwoners van een pagus, hetgeen enerzijds een wijk kan zijn binnen een stad of anderzijds een dorp.[317] In dit laatste geval gaat het om dorpelingen, en is de betekenis niet zoveel verschillend als die van coloni. Deze term komt echter slechts tweemaal voor, waardoor we niet kunnen afleiden of het alleen om burgers of ook om incolae gaat (2/193 - 1.04%).[318]

 

Het meest logische zou zijn dat de relatie met de geëerde hier verband zou houden met een gemeenschappelijke afkomst uit dezelfde pagus. In de praktijk leren de drie inscripties ons hieromtrent weinig, behalve dat één geëerde een gemeenteraadslid was, eenmaal patroon wordt genoemd van de Augustales pagani en tenslotte zit er nog één persoon tussen, die curator van de pagus was, die als dedicant optrad.

 

De oppidani daarentegen zijn de inwoners van een oppidum, of kleinere stad of woonkern (1/196 - 0.51%).[319] Ook hier hebben we te weinig attestaties van deze groep voorhanden om een precieze betekenis te kunnen achterhalen alsook om de band te kunnen bepalen, die in de ene voorhanden inscriptie onbekend blijkt te zijn. In ieder geval moet men m.i. bij beide termen een gelijkaardige betekenis toekennen als aan coloni of municipes.

 

vii. Incolae.

Tot nu toe hadden we het voornamelijk over termen, die telkens burgers omvatten en slechts in een enkel geval ook de niet-burgers van een gemeente (vb. plebs of populus). We hebben tenslotte nog één term, die reeds even ter sprake is gekomen: de incolae (16/196 - 8.16%). We vinden in dit corpus geen enkele inscriptie, waarin deze groep als enige oprichter wordt vermeld. De term staat meestal samen met municipes (13/16 - 81.25%) of coloni (3/13 - 18.75%), om daarbij een onderscheid te kunnen maken tussen de burgers en niet-burgers van een municipaliteit. Incolae waren namelijk inwoners van een gemeente, die een vrije status hebben, maar geen burgerrecht bezitten.[320] Het is opmerkelijk dat zij - hoewel ze geen burgerrecht hadden - toch enige politieke macht hadden en zo actief konden deelnemen, hetzij door financiering, hetzij door aansporing bij de oprichting van een monumentaal eerbetoon.

 

Relatie

n

%

patronus

1

6.25

gemeenteraadslid

8

50.00

in honorem patris eius

1

6.25

onbekend

6

37.50

Totaal

16

100.00

Figuur 14: Relatie tussen incolae en geëerde.

 

Zoals uit deze figuur - nr. 14 - blijkt, is voldaan aan het verwachte patroon: de incolae, of niet-burgers van een gemeente, zetten zich voornamelijk in voor die personen, met wie ze het meest in contact kwamen en die hun tijdens hun verblijf het meest verdienstelijk zijn gebleken, namelijk de gemeenteraadsleden. Dat incolae eveneens een patroon konden hebben, een patroon van de gehele gemeente, van de populus, was ook patroon van hen, wordt in één inscriptie bewezen. Maar het gaat hier niet om een overdonderend cijfer. In tegenstelling tot de andere groepen, die eveneens tot de gehele municipale bevolking behoren, gaan zij het minst aandacht aan deze personen besteden. Maar ook hier is uiteraard weer omzichtigheid met deze geringe aantallen geboden.

 

viii. Relatie tussen de burgers en hun geëerden.

Tenslotte wordt een globaal overzicht aangeboden van de relatie tussen de geëerde en “het volk”, zijnde de plebs, populus, cives, coloni, municipes, pagani, oppidani en incolae. Hiervoor werden alle gegevens omtrent de dedicant-dedicatus relatie van de individuele woorden verzameld in onderstaande tabel (Figuur 15).

 

Relatie

n

%

patronus

44

22.45

39.29

patronus municipii

17

8.67

patronus coloniae

11

5.61

patronus ordinis et populi

2

1.02

patronus municipii et plebis

1

0.51

patronus plebis urbanae

1

0.51

patronus civitatis

1

0.51

gemeenteraadslid

52

26.53

27.55

curator rei publicae

2

1.02

curator pagani

1

0.51

Augustalis

1

0.51

civis

1

0.51

tribunus plebis

1

0.51

mater municipii et coloniae

1

0.51

5.61

matrona, ob merita maritis

1

0.51

patrona municipii

1

0.51

uxor patroni coloniae

1

0.51

dochter van bekend figuur

4

2.04

ob merita patris

3

1.53

onbekend

62

31.63

Totaal

196

100.00

Figuur 15: Relatie tussen incolae en geëerde.

 

Zoals blijkt uit de bovenstaande tabel, is de relatie, waarin de oprichters staan met de geëerden, voornamelijk gebaseerd op de patronaatsfunctie van de geëerde (77/196 - 39.29%). Of er nu specifiek staat of het ging om een patroon van de gemeente of van het plebs, of deze persoon simpelweg patroon wordt genoemd, in ieder van deze gevallen behoorde het volk in zijn geheel of in één of meerdere van zijn geledingen tot het cliënteel van een patroon.

 

Op de tweede plaats stonden de personen, wiens band gefundeerd was op het lidmaatschap van de lokale gemeenteraad (54/196 - 27.55%). Slechts een enkele maal noemt men alleen het burgerschap van de geëerde aan als band met de dedicantes, hetgeen ons weinig leert over de levenswandel van deze geëerde (1/196 - 0.51%).

Ook de vrouwen zijn hier enigszins vertegenwoordigd (11/196 - 5.61%) als begunstigde door het volk. De relatie met deze vrouwen is echter hoofdzakelijk afhankelijk van de verwantschap met mannelijke familieleden (7/11 - 63.64%) of van hun huwelijk met een municipaal bekend karakter (2/11 - 18.18%). Slechts in een enkel geval wordt zij ook als patrona genoemd (1/196 - 0.51%), maar nog eerder werd zij door het volk geroemd o.w.v. haar deugdelijke kwaliteiten als vrouw (2/196 - 1.02%).

 

ix. Invloed van het volk.

Zoals boven reeds bleek, had het volk wel degelijk een relatief grote inbreng in de oprichting van monumenten ter ere van municipaal verdienstelijke personages. Zij konden zelf standbeelden oprichten of in samenwerking met andere bevolkingsgroepen, hetgeen meestal neerkwam op een participatie met decuriones en eventueel ook *Augustales. Wat die inbreng precies inhield en wat de omvang exact was, wordt echter slechts zelden vermeld. Een aantal uitdrukkingen kunnen ons echter een inzicht hierop geven.

 

Ten eerste hebben we de uitdrukking ex postulante populo en al diens varianten ((ex) postulante (13), ex postulatione (1), (ex) postulatu (4), postulasset (2), postulaverit (1), postulaverat (1)). Deze uitdrukkingen zijn gebaseerd op het werkwoord postulare, hetgeen zoveel betekent als vragen, maar dan op een zeer aandringende en eisende manier.[321] De verschillende grammaticale vormen van dit werkwoord komen in totaal tweeëntwintig keer voor in dit corpus (22/696 - 3.16%).[322]

 

Het vaakst gaat het om het volk (18/22 - 81.82%), dat aandringt op de oprichting van een monumentaal erebetoon en zoals dit later nog verder zal worden uitgelegd, gebeurde dit vaak spontaan ten gevolge van een zeer zichtbare verdienstelijke daad. Soms volgde op deze eis spontaan een geldinzameling. Het percentage dat hier is bekomen is niet echt hoog, maar het feit dat het volk een dergelijke invloed kon hebben op decuriones, *Augustales, andere bevolkingsgroepen en zelfs individuen, impliceert dat dit meer gebeurde dan dat de inscripties laten uitschijnen. Binnen dit kader kunnen we alvast stellen dat de inbreng van het volk zich niet louter beperkte tot een fiat van een beperkte groep, die het volk vertegenwoordigde, maar effectief van een aanzienlijk deel van de bevolking.

 

Driemaal gaat het echter om een individu, die aandringt bij de hogere instanties, om een standbeeld op te richten (3/22 - 13.64%). In een enkel geval gaan ook de leden van het college van de Augustales aandringen, opdat hun college een standbeeld zou oprichten voor een persoon, wiens relatie met de Augustales echter niet bekend is (1/22 - 4.55%).[323]

Een tweede formulering is gebaseerd op het substantief consensus[324] of op het werkwoord consentire[325]. Het gaat hier om een veel mildere vorm van participatie, waarbij blijkbaar de instemming van een bepaalde bevolkingsgroep nodig was. De grammaticale vormen, die in dit corpus zijn teruggevonden, zijn (ex) consensu (13), consentiente (3) en consentientibus (2). Van de achttien inscripties, waarin deze uitdrukkingen zijn gevonden (18/696 - 2.59%), zijn er slechts zes, waarbij de instemming van het volk nodig of verkregen was (6/18 - 33.33%). Even vaak was de instemming van de decuriones verkregen (5/18 - 27.78%), viermaal van de *Augustales (4/18 - 22.22%), en driemaal van een college (3/18 - 16.67%). De meest opmerkelijke instemming is die van alle matrona van een gemeente, waarbij de decuriones het fiat krijgen om een standbeeld op te richten voor een vrouw van onbekende afkomst.[326] Dit bewijst dat ook vrouwen uit een gemeente hun macht konden laten gelden.[327]

 

3.2. De decuriones.

 

Men had kunnen verwachten dat deze groep zich ging profileren als de belangrijkste groep oprichters, omdat zij vaak het laatste woord hadden in de besluitvorming en dit besluit ambtshalve konden praktiseren. Het tegendeel is echter waar, op een niet zo grote afstand volgen zij de categorie van het volk (245/585 - 41.88%)[328]. De decuriones traden voornamelijk alleen op als dedicant (151 tegen 94, ratio 1,6:1), maar konden ook een oprichting volbrengen in samenwerking met (een deel van) het volk en/of de *Augustales.

 

Hierbij dient echter wel gezegd dat de gemeenteraad, die volgens de Digesten uit een honderd leden bestond[329], niet noodzakelijk compleet hoefde te zijn om de beslissing tot een oprichting door te drukken. Dit zien we onder andere in InscrNr. 593[330], waar we na de frase “adfuerunt” dertien namen tellen, hoewel de centumviri municipii Augusti Veientis als oprichters genoemd worden, ergo een gemeenteraad bestaande uit honderd leden. Toch wordt het collectief van decuriones steeds genoemd als oprichters, wat betekent dat de aanwezigen hun raad vertegenwoordigden in de oprichting van een monumentaal eerbetoon.

 

De decuriones traden voornamelijk enkel op als oprichters van erestandbeelden, met meer dan de helft van de inscripties, waarin ze een actieve rol speelden als dedicantes (156/245 - 63.67%). Zoals blijkt uit onderstaande figuur (nr. 16) gaan de decuriones in eerste instantie de leden van hun eigen raad gaan begunstigen, hetgeen een te verwachten patroon was (41/156 - 26.28%). Met deze personen hadden zij dan ook een zeer nauwe relatie, waardoor de inhuldiging van een nieuw erestandbeeld niet alleen een publiek maar ook een emotioneel beladen gebeurtenis was. De patroni komen hier “slechts” op een tweede plaats met een iets minder aanzienlijk aandeel (totaal 37/156 - 23.72%). Deze patroni zijn voornamelijk municipale patroni, of patronen van een grote gemeenschap (zoniet de gehele bevolking van een municipaliteit), die sowieso al meer krediet en huldeblijken verkregen van het gehele volk, waaronder ook de decuriones, dan van de decuriones alleen.

 

Relatie

n

%

patronus

13

7.88

23.72

patronus municipii

8

5.13

patronus coloniae

12

7.69

patronus rei publicae

1

0.64

patronus civitatis

2

1.28

patronus collegiorum

1

0.64

gemeenteraadslid

39

25.00

26.28

curator

2

1.28

civis

4

2.56

patrona

2

1.28

3.85

dochter van bekend figuur

2

1.28

ob merita patris

2

1.28

onbekend

62

39.74

Totaal

156

100.00

Figuur 16: Relatie tussen decuriones (alleen) en geëerde.

 

Zoals gezegd gingen de decuriones ook samenwerken met andere bevolkingsgroepen, zoals de *Augustales, en geledingen van het volk - echter niet met colleges afzonderlijk vermeld. Deze combinaties kunnen we opdelen in drie groepen, kwestie van het cijfermateriaal enigszins overzichtelijk te maken, in plaats van met te kleine aantallen te werken en een onduidelijk beeld te creëren. Ten eerste hebben we de samenwerking van decuriones en alleen *Augustales, waarvan slechts vier inscripties geattesteerd zijn.[331]

 

Relatie

n

%

patronus

25

33.33

46.67

patronus municipii

3

4.00

patronus coloniae

5

6.67

patronus civitatis

1

1.33

patronus ordinis et populi

1

1.33

gemeenteraadslid

13

17.33

18.67

curator coloniae

1

1.33

civis

1

1.33

uxor patroni coloniae

1

1.33

6.67

ob merita patris

4

5.33

onbekend

20

26.67

Totaal

75

100.00

Figuur 17: Relatie tussen decuriones en het volk enerzijds en de geëerde anderzijds.

 

Vervolgens traden de decuriones ook samen met (geledingen van) het volk op als dedicantes, namelijk met coloni, municipes, populus, plebs, incolae en cives (figuur 17). Hier zien we al meer patroni als geëerden, dan gemeenteraadsleden. Dit is dan ook niet verwonderlijk indien men bedenkt dat patroni even dicht, als niet dichter stonden tegen het volk, dan de decuriones. Daarbij hadden patroni meer invloed dan municipale magistraten, waardoor de keuze van het volk - de ordo en plebs samen vormen de bevolking van de gemeenschap - voor deze groep meer lonend was. Enerzijds was het een beloning voor deze patroni, voor hun bewezen diensten en verdienstelijke acties, anderzijds was het een stimulans voor patroni om zich zo goed mogelijk in te zetten voor een gemeente, in de veronderstelling dat in zo een geval de daden zouden kunnen (!) beloond worden met een monumentale huldeblijk.

 

Relatie

n

%

patronus

1

6.67

46.67

patronus municipii

5

33.33

patronus coloniae

1

6.67

gemeenteraadslid

2

13.33

*Augustalis

2

13.33

onbekend

4

26.67

Totaal

15

100.00

Figuur 18: Relatie tussen decuriones, het volk en de *Augustales enerzijds en de geëerde anderzijds.

 

Tenslotte kunnen we nog kort de relaties bekijken tussen de decuriones, de *Augustales en het volk enerzijds en de geëerde(n) anderzijds (figuur 18). Ook hier gaat men de municipale bevolking categoriseren in drie geledingen, waarbij de patroni - om dezelfde redenen als hierboven staan gegeven - het voortouw nemen, en *Augustales en gemeenteraadsleden amper aan bod kwamen (ook al gaat het hier om een gering aantal inscripties). De *Augustales zouden uiteindelijk zelf instaan voor het eerbetoon jegens hun leden, net als de decuriones ook voor de herinnering van hun collega’s zorgden (cf. supra).

 

3.3. De colleges.

 

Op de derde plaats, na het volk en de decuriones verschijnen de colleges als dedicantes van ere-inscripties. In meer dan een vijfde van de inscripties nemen de colleges - al dan niet in samenwerking met andere groepen - deel aan de oprichting van een monumentaal huldeblijk (128/585 - 21.88%). Uit deze inscripties blijkt echter dat zij voornamelijk alleen opereerden voor de toekenning van een eerbetoon, hoewel zij zich soms ook alleen profileerden als oprichters (125 tegen 3, ratio 41,7:1).

 

Kort is hier een summiere definitie op zijn plaats van wat een collegium was. Een college berustte op een aantal organisatorische aspecten, gebaseerd op het model van het municipaal bestuur: ook colleges hadden namelijk een eigen kas of arca en waren intern opgebouwd ad exemplum rei publicae (cf. vorig hoofdstuk). Ook de functies waren toegewezen naar analogie van de municipale ambten. Vaak had een dergelijke vereniging ook een sociale en religieuze functie: bij tijd en wijle werden er gemeenschappelijke maaltijden georganiseerd en onder andere de zorg voor de dodencultus van de afgestorven leden was één van hun belangrijkste bekommernissen.[332]

 

Waltzing, wiens studie nog vaak wordt gehanteerd als basiswerk voor onderzoek naar colleges[333], heeft al deze verschillende verenigingen en corpora in verscheidene categorieën opgedeeld. Ten eerste onderscheidde hij de religieuze colleges, dewelke ofwel publiek, ofwel privaat van aard waren, deze categorie komt ook hier later aan bod.

 

Vervolgens vermeldde hij de categorie van de politieke associaties: in de vijfde eeuw v.C. namen alle religieuze en professionele colleges deel aan het politieke leven en vormden als dusdanig kringen van politieke eensgezinden.[334] Dit fenomeen verdween echter vanaf de Republiek en wordt daarom ook niet hier opgenomen.

 

Ten derde onderkende hij de amusementskringen, intieme associaties, die frequent vertegenwoordigd waren in het dagelijkse leven. Ook van deze categorie werden geen oprichters teruggevonden in de inscripties, die in deze dissertatie worden onderzocht.

 

De professionele colleges, die als vierde categorie door Waltzing worden vermeld, hebben ook een religieus en funerair karakter, maar zijn voornamelijk georganiseerd rond één bepaald beroep. Hierbij kan men de colleges onderscheiden van a) ambachtslui, artiesten en handelaars, b) van ondergeschikte bedienden en c) van militairen. Deze laatste categorie zal binnen deze paragraaf de toon zetten.

 

In bijlage 30[335] wordt een overzicht gegeven van de verschillende colleges, die in de inscripties optreden als dedicantes. Er wordt hier een onderscheid gemaakt tussen de verschillende categorieën van colleges: het collegium iuvenum (i.), dat normaal tot de religieuze corpora behoorde, maar hier in de tabel afzonderlijk werd genomen wegens de hoge vertegenwoordiging in de inscripties (20/128 - 15.63%); de colleges, die werden ingeschakeld in de brandbestrijding in een gemeente (ii.), dewelke op hun beurt eigenlijk tot de colleges hoorden, verenigd op basis van professionele doeleinden (66/128 - 51.56%); de andere colleges, die zich verenigden naargelang het gemeenschappelijk beroep dat zij uitoefenden (iii.; 21/128 - 16.41%); colleges, die betrekking hadden tot het maritieme leven (iv.; 3/128 - 2.34%); en religieuze corpora (v.; 24/128 - 18.75%).

 

i. Tria collegia.

Met de naam tria collegia, doelde men op die drie colleges, die zich op professionele gronden hadden verenigd, maar naast hun hoofdwerkzaamheid, die voornamelijk het herstellen van producten betrof, werden zij ook ingeschakeld in de zogenaamde vrijwillige brandbestrijding.[336] De drie voornaamste colleges, die als het ware de hoofdbrandweer vormden, betroffen de fabri, centonarii en dendrophorii. Verder had men nog een aantal afhankelijke onderverdelingen en nog kleinere associaties van brandweerlui, zoals de fabri tign(u)arii en de scabillarii. Al deze colleges waren verenigd rond het productie- en herstelproces van bepaalde gebruiksvoorwerpen, die eveneens werden ingezet voor het blussen van branden, vanwaar de link afkomstig is met “brandweerkorpsen”.[337]

 

De structuur van deze colleges was analoog aan die van andere colleges: men had een veelvoud aan functionarissen binnen een organisatie, die quasi-militair aandoet. Men deelde het college namelijk op in decuriae en centuriae, net als in het leger (cf. supra), zoals mooi geïllustreerd wordt in de InscrNrs. 493 en 526, waarin vier decuriae van scabillarii als oprichters werden genoemd. De meeste functies werden bekleed door invloedrijke en vermogende persoonlijkheden, terwijl de lagere functies eerder door vrijgelatenen werden bekleed. Naast deze constructie had iedere vereniging nog eens zijn eigen cultusplaats en individuele godheid, zoals Silvanus in het geval van de dendrophori.

 

Deze verenigingen van handenarbeiders kwamen voornamelijk voor in sterk geürbaniseerde gebieden op het Italische schiereiland. Deze colleges produceerden voornamelijk voor de lokale markt en kwamen dus zelden buiten het municipale kader. Het religieus college van de dendrophori dook voornamelijk op in een regio met grote invloed van het Oosten, zoals in Midden- en Zuid-Italia.[338]

 

De fabri waren handarbeiders, die hard materiaal bewerkten, en waartoe men dus de smeden, timmerlui en personen, die in de bouwnijverheid actief waren, kon rekenen. Later traden ook de metselaars toe tot dit college. Dit college handarbeiders heeft een geschiedenis, die teruggaat op Numa en het is pas vanaf Augustus dat hen een functie als brandweer wordt toegeschreven. Deze laatste functie moet in ieder geval een nevenfunctie zijn geweest van het college, omdat in één gemeente, waar de drie collegia geattesteerd zijn, geen drie gespecialiseerde brandweercolleges naast elkaar kunnen hebben bestaan. De hoofdactiviteit van dit college moet alleszins de bovenvernoemde handenarbeid geweest zijn, waarrond ze zich in eerste instantie hadden verzameld.[339]

Een onderverdeling binnen dit college, of een college van fabri dat zich meer gespecialiseerd had, was het college van fabri tign(u)arii (4/66 - 6.06%). Dit waren timmerlui, die voornamelijk hout bewerkten en in de bouwsector actief waren. Vanaf de augusteïsche tijd werd deze vereniging geattesteerd, maar deze moet echter reeds langer bestaan hebben.[340] Analoog hebben we eveneens het college van fabri navalii (1/66 - 1.52%). Dit waren handwerkers, dit zich ook met het bewerken van hout bezig hielden, en meerbepaald het hout, waaruit schepen werden vervaardigd.

 

Het tweede college, dat zich inzette ter bestrijding van branden, betrof het collegium van de centonarii. Centonarii - afgeleid van cento[341] - waren herstellers van lappendekens. Deze dekens deden dienst als alledaagse gebruiksvoorwerpen, maar konden ook gebruikt worden als mantels binnen de militaire legeruitrusting of doordrenkt met water of azijn het ideale blusmateriaal was voor brandhaarden. Als “brandweer” waren zij reeds bekend van in de Republiek.

 

Dit college moet ook een specifieke cultus gehad hebben, die eventueel kan verbonden worden aan die van de dendrophori, aangezien in een inscriptie de cultores van beide colleges in één adem als oprichters worden genoemd, waaruit men kan afleiden, dat deze op een zekere manier met elkaar in verband stonden. Het betreft hier InscrNr. 383.

 

De laatste van de tria collegia was het college van de dendrophori. Wat hun specifieke professionele band was, is niet duidelijk weergegeven in de literatuur of de inscripties. Zeker is dat ze een belangrijke religieuze functie hadden binnen de cultus van Magna Mater. Jaarlijks werd ter harer ere een optocht gehouden op 22 maart, waarbij een pijnboom werd gedragen naar haar tempel door een dendrophoros. Vanaf Claudius wordt dit college ook genoemd als deel van een brandweerkorps.[342]

 

Tenslotte dient binnen dit kader nog eens verwezen te worden naar de scabillarii, uit InscrNrs. 493 en 526 (2/66 - 3.03%). Waarschijnlijk kan men hun professio in verband brengen met een scamillum[343], een krukje of voorwerp om in een gehurkte houding te gebruiken. Waarschijnlijk stond dit college niet alleen in voor de productie ervan, maar gebruikten zij deze scamilla ambtshalve, waaronder ook ter bestrijding van branden.[344]

 

Hoewel de fabri als college het meest voorkomen in Italia volgens Lafer (met 25.6%)[345], is het in dit corpus het collegium centonariorum dat het hoogst scoort (30/66 - 45.45%).[346] De fabri bekleden hier slechts een tweede plaats (28/66 - 42.42%)[347] en de dendrophori komen, net als bij Lafer op een derde plaats (17/66 - 25.76%)[348]. We krijgen hier een lichte verandering in volgorde van frequentie in deze ere-inscripties met stereotiepe formuleringen, terwijl in een globaal overzicht van het voorkomen van deze colleges in de inscripties de fabri een eerste plaats bekleden, de centonarii een tweede en de dendrophori een derde.

 

Relatie

n

%

patronus (collegii)

23

34.85

50.00

patronus municipii

2

3.03

patronus coloniae

1

1.52

patronus collegii en lid

1

1.52

patronus collegii en functionaris

5

7.58

patronus plebis et collegiorum

1

1.52

functionaris binnen college

1

1.52

Civis

1

1.52

patrona

3

4.55

7.58

dochter van bekend figuur

1

1.52

vrouw van…

1

1.52

Onbekend

25

37.88

Totaal

66

100.00

Figuur 19: Relatie tussen de tria collegia en de geëerde.

 

Wat betreft de relatie, blijkt uit bovenstaande tabel (figuur 19) dat het voornamelijk gaat om personen, die patroon zijn van hun specifieke college (30/66 - 45.45%) of van de gehele gemeenschap, waartoe ook zij behoorden (4/66 - 6.06%). Een aantal keer gaat het niet alleen om een patroon van het college, maar blijkt de geëerde ook functionaris te zijn binnen dat college (7/66 - 10.61%). Zo zien we dat de colleges voornamelijk de personen gingen eren, die in direct verband stonden met het college zelf, ofwel door middel van een patronaat, ofwel door lidmaatschap en zelfs bestuursfuncties.

 

ii. Professionele colleges.

Bovenstaande drie colleges waren zoals gezegd georganiseerd omtrent een gelijkaardig beroep. Maar natuurlijk waren dit niet de enige colleges. Binnen het municipaal kader kende men - vaak ook afhankelijk van municipaliteit tot municipaliteit - een heel scala aan professioneel georganiseerde colleges.[349] Omdat het hier niet de bedoeling is al deze colleges gedetailleerd te bekijken, wordt wel een korte opsomming gegeven van deze colleges en de - min of meer - precieze aard van het college volgens de onderverdeling, die ook door Waltzing wordt gehanteerd[350]. Belangrijker is echter de relatie, waarin de colleges tegenover de geëerde staan om een globaal profiel te kunnen schetsen, waarin de geëerden passen.

Als eerste categorie onderscheidde Waltzing de ambachtslui, artiesten en handelaars. Zoals Waltzing reeds zelf stelde is het moeilijk een onderscheid te maken tussen ambachtslieden enerzijds en artiesten anderzijds, omdat deze twee groepen niet strikt van elkaar te scheiden zijn.[351] Hiertoe behoort ten eerste InscrNr. 323[352], waarin het collegium mancipum als oprichter wordt genoemd (1/19 - 5.26%). Dit college houdt verband met de activiteiten omtrent de opkoop en verkoop van mancipia[353]. Een manceps was namelijk een handelaar of opkoper van allerlei voorwerpen, roerend en onroerend.[354] Ten tweede hebben we nog InscrNr. 489[355] met de possessores, inquilini, negotiantes viae stratae, cultores Herculis als oprichters (1/19 - 5.26%). Dit zijn de grondbezitters, geïmmigreerde burgers, handelaars van geplaveide wegen en priesters van Hercules. Hier is het vooral de derde categorie, de handelaars, die opereerden aan de geplaveide wegen, die tot deze categorie behoren. Tenslotte hebben we nog InscrNr. 665[356]. In deze inscriptie stond het collegium praeconum in voor de oprichting (1/19 - 5.26%). Dit was een college van herauten of boodschappers, of ook veilingmeesters.[357]

 

De tweede categorie, door Waltzing onderscheiden, is die van de ondergeschikte bedienden, dit wil zeggen de mensen, die als gemeentepersoneel in dienst stonden van de decuriones en voor hun werk betaald werden. Ook hiertoe kan men InscrNr. 638 rekenen, met zijn apparitores en limocincti als dedicantes, zijnde dienaren van magistraten (1/19 - 5.26%). Dan hebben we nog de inscripties met dedicantes van militaire aard. Maar hiervan hebben we geen enkel voorbeeld.

 

Vervolgens hebben we nog een heel aantal corpora als oprichters, die Waltzing niet bij een van bovenstaande categorieën plaatst, maar vooralsnog tot deze categorie van professionele colleges behoren: het collegium aeneatorum (trompetblazers; 1/19 - 5.26%), de capulatores van Tibur (oliegieters, 1/19 - 5.26%), de inwoners van de fratrie van de Artemisii (1/19 - 5.26%)[358], het corpus mensorum frumentariorum (graanmeters; 3/19 - 15.79%)[359], de propolae piscium (vissers; 1/19 - 5.26%), saborarii (1/19 - 5.26%), salinatores (zoutzieders; 2/19 - 10.53%) en adlecti scaenicorum (toneelspelers; 1/19 - 5.26%).

 

We hebben verder nog een aantal colleges, wiens activiteiten van maritieme aard waren: namelijk het collegium naviculariorum (1/19 - 5.26%) - een college van reders - het collegium navigans (1/19 - 5.26%) - een college van schippers - en tenslotte codicarii (schippers op de benedenrivier), navicularii en vijf corpora van schippers (1/19 - 5.26%).

 

Relatie

n

%

patronus (collegii)

2

10.53

31.58

patronus municipii

2

10.53

patronus coloniae

1

5.26

patronus collegii en functionaris

1

5.26

functionaris binnen college

3

15.79

collegelid

2

10.53

vrouw

0

0.00

onbekend

8

42.11

Totaal

19

100.00

Figuur 20: Relatie tussen de professionele colleges en de geëerde.

 

Zoals we uit bovenstaande figuur (nr. 20) kunnen afleiden, gaat ook hier de voorkeur van de colleges uit naar patroni (6/19 - 31.58%), collegefunctionarissen (4/19 - 21.05%) en verdienstelijke leden van het college zelf (2/19 - 10.53%). Opmerkelijk is dat geen enkele vrouw wordt geëerd hier, zelfs niet als patrona. Waarschijnlijk heeft dit te maken met het feit dat deze colleges, geconcentreerd rond een bepaald metier, door mannen werden beheerst net zoals alleen zij die beroepen konden uitoefenen. Ook vrouwen waren actief op professioneel vlak, maar verenigden zich dan ook in een eigen college, waarin alleen vrouwen waren toegelaten. Zoals gezegd waren vrouwen wel toegelaten tot priesterschappen en net dat verklaart waarschijnlijk waarom vrouwen daar wel aan bod kwamen (vb. de vrouwelijke sacerdos van de Augustales, cf. infra).

 

iii. Religieuze colleges.

Wat betreft de religieuze colleges, maakt Waltzing het onderscheid tussen publieke en private religieuze corpora.[360] De publieke religieuze colleges waren belast met een publieke cultus en werden gefinancierd door de municipaliteit of de staat. Ten eerste behoorden hiertoe de sacerdotes publici, publieke functionarissen, die in naam van het gehele volk en op kosten van de staat een publieke cultus uitoefenden. Het gaat hier om de vier grote colleges staatspriesters, zijnde de pontifices, de septemviri epulones[361], de quindecimviri sacris faciundis[362] en de augures[363], maar ook de colleges van de fetiales[364], fratres Arvales[365], sodales Titii en Saliërs[366]. We hebben echter slechts één inscripties, waarin één van voorgenoemde priestercolleges in wordt vermeld als dedicant, nl. de septemviri epulonum in InscrNr. 309 (1/25 - 4%).[367]

 

Vervolgens hebben we de sodalitates sacrae, semi-officiële, religieuze associaties, die men zowel sodalitates als collegia noemde. Hun leden waren cultores van de godheid, die ze vereerden. Hiertoe kan men o.a. de sodales (1/25 - 4%)[368] en sodales Augustales rekenen, maar ook het collegium Minervae. Deze laatste was door Domitianus ingesteld om de Quinquatrus te vieren met dierengevechten, toneelspelen, welsprekendheids- en poëziewedstrijden. Tweemaal speelde dit college de rol van dedicant in dit corpus (2/25 - 8%).[369]

 

Ook op municipaal vlak had men verscheidene religieuze organisaties, gewijd aan lokale cultussen. Ten eerste hebben we hier de *Augustales, waarop later uitgebreider zal worden ingegaan. Vervolgens had men - verschillend en afhankelijk van gemeente tot gemeente - verscheidene municipale priestercolleges, die verbonden waren aan een bepaalde godheid. In de inscripties uit deze dissertatie werden volgende municipale priesterschappen teruggevonden: de cultores antistes van Ceres (1/25 - 4%), het college van Hercules (5/25 - 20%), de cultores van Iupitter (1/25 - 4%), de cultores van het college van de Lares (1/25 - 4%), het college van de Martenses (1/25 - 4%), het college van Venus (2/25 - 8%) en voorts nog enkele onbenoemde colleges van sacerdotes (2/25 - 8%).[370]

 

Naast de bovengenoemde publieke corpora had men ook enkele private religieuze organisaties, die in hun eigen naam een godheid naar hun eigen keuze eerden en op hun eigen kosten. Dergelijke colleges hadden vaak niet alleen een religieus, maar ook een professioneel, politiek of funerair doel. Hiertoe behoren onder meer de vreemde cultussen. Ten eerste hebben we hier de cultus van Isis, die door de staat wordt geadopteerd, waartoe de collegia pastophororum hoorden.[371] Pastophori - altaardragers[372] - waren in Egypte voorname leken, portiers van de heilige tombe. Zo stonden daar lager in rang dan de andere leden van de priesterkaste. In het Romeinse Rijk vormden zij echter de plaatsvervangers voor de priesterkaste in Egypte en waren de religieuze leiders van gemeenschappen.[373] De pastophori waren binnen de cultus van Isis kandidaten voor een hogere initiatie, waarbij ze voorafgaand de poorten van de dood dienden te passeren. In dit corpus traden ze eenmaal op als de oprichters van een titulus honorarius (1/25 - 4%).

 

De cultus van Cybele, was aanvankelijk ook van vreemde origine, maar werd door de staat Rome geadopteerd en gereorganiseerd tot de cultus van de Magna Mater.[374] Tot deze cultus behoorden het collegium dendrophorum - het college van de boomdragers, dat reeds boven besproken werd - en het collegium cannophorum - het college van de rietdragers. Deze twee colleges hadden een belangrijke functie in de ceremonie voor de godin Cybele. Het laatst genoemde college komt hier eenmaal voor als oprichter van een monumentaal eerbetoon (1/25 - 4%). Ook de cultus van Mithras, of Sol Invictus, was een exotische religie. Eenmaal werd een inscriptie door sacerdotes Solis Invictis Mithrae opgericht voor hun pater (1/25 - 4%). Over dit college wordt meer informatie verschaft in hoofdstuk 3[375].

 

Voorts behoorde tot de municipale, religieuze corpora ook de corpora, die verbonden waren aan een tempel , zoals de aeditui Castoris et Pollucis (1/25 - 4%), of de amatores Romulii (1/25 - 4%).

 

Relatie

n

%

patronus (collegii)

10

40.00

52.00

patronus coloniae

1

4.00

patronus municipii

2

8.00

sacerdos

2

8.00

collegelid

1

4.00

gemeenteraadslid

2

8.00

ob merita avi et matris

1

4.00

patrona

1

4.00

onbekend

5

20.00

Totaal

25

100.00

Figuur 21: Relatie tussen de religieuze colleges en de geëerde.

 

Ook deze religieuze colleges lijken een gelijkaardig beeld op te leveren als de professionele colleges (cf. figuur 21). De belangrijkste geëerden voor dit college waren voornamelijk hun patroni (13/25 - 52.00%) en in mindere mate nog de leden van de colleges, die algemeen gezien ook sacerdotes of sodales waren (3/25 - 15%). Opmerkelijk is echter dat - in tegenstelling tot bij de andere colleges, die voornamelijk op mannen gericht waren - hier wel vrouwen worden geëerd door dit type colleges (3/25 - 15%). Dit is niet zo ongewoon, omdat vrouwen, zoals reeds gezegd werd in het eerste hoofdstuk, werden gedoogd in de openbaarheid, meer bepaald in de schemerzone van de priesterschappen en hun colleges. Dit neemt echter niet weg dat ook andere colleges hen konden eren. Zij deden dit echter niet, omdat ze niet zo direct in contact kwamen te staan met vrouwen zoals de religieuze colleges.

 

Tot slot dient hier ook nog het collegium iuvenum vermeld, dat sterk vertegenwoordigd was in de inscripties, althans heel wat meer dan de andere religieuze corpora (20/128 - 15.63%).[376] Dit was één van de colleges - naast de tria collegia en de *Augustales - die ten tijde van Augustus als een nuttig college werd beschouwd, en daardoor werd toegelaten en in het leven geroepen werd. Dit was de periode van de lex Iulia de collegiis, die kuis hield in het toenemend aantal vrijwillige en private organisaties, die colleges waren.[377] Lange tijd heeft er onzekerheid bestaan omtrent hun functie en grond, waarop ze zich verenigden, buiten hun leeftijd. Zeker is dat het gaat om jongelingen uit de gemeentelijke bevolking, die als leden niet ouder dan twintig jaar en als functionarissen binnen het college niet ouder dan vierentwintig jaar waren.[378] Als college genoten zij een bevoorrechte plaats binnen de maatschappij, als klasse tussen de decuriones en het volk samen met de andere colleges, zowel op juridisch (legaten) als op materieel vlak (sportulae).[379]

 

Verder stonden zij in voor de organisatie en uitvoering van de Iuvenalia, spelen door Nero geïnstitutionaliseerd, waarop de jongelingen volledig volwassen werden - de novi togati.[380] Lang heeft men gedacht dat het college een premilitaire training aanbood, de structuur van het college sluit deze gedachtegang echter uit. Onzeker is nog steeds de these, dat alleen de stedelijke elite toegang had tot dit college, aangezien ook enkele vrijgelatenen als lid geattesteerd zijn.[381] Het religieuze karakter van dit college, waardoor het door Waltzing voorafgaand aan dit hele discours tot de religieuze corporaties werd gerekend, heeft betrekking tot de schutsgoden van het college, namelijk de godin Iuventas enerzijds en Nemesis anderzijds.[382] De priesterfuncties van de iuvenes werden - in tegenstelling tot bij de andere colleges - flamines genoemd in plaats van sodales.

 

Relatie

n

%

patronus (collegii)

10

50.00

65.00

patronus coloniae

1

5.00

patronus collegii en functionaris

2

10.00

functionaris binnen college

3

15.00

collegelid

1

5.00

vrouw

0

0.00

onbekend

3

15.00

Totaal

20

100.00

Figuur 22: Relatie tussen het collegium iuvenum en de geëerde.

 

De bovenstaande figuur (nr. 22) toont duidelijk aan dat ook hier weer de aandacht van het college uitging naar diens patroni (13/20 - 65%), leden en functionarissen (6/20 - 30%). Ook hier hebben de vrouwen geen aandeel in inscripties, die door het collegium iuvenum werden opgericht. Dit college bestond vanuit zijn aard dan ook alleen uit mannen, hoewel bij de Iuvenalia wel meisjes deelnamen als danseressen en muzikantes.[383] Deze werden echter niet beschouwd als personen, waardig genoeg om door dit college geëerd te worden.

 

3.4. *Augustales.

 

Tenslotte wordt hier nog de categorie van de *Augustales aangehaald en afgezonderd van de categorie colleges, hoewel deze normaal daartoe behoort. Dit college is op zich namelijk voldoende geattesteerd om op basis van het bronnenmateriaal van alleen dit college de verschillende elementen te onderzoeken: zo’n tien percent van de hier onderzochte inscripties werd opgericht door of in samenwerking met de *Augustales (62/585 - 10.60%).[384] Ook hier zien we dat dit college vaak alleen handelde als oprichter, hoewel ze toch nog relatief veel optreden in samenwerking met andere collectieven (39 tegen 23, ratio 1,7:1).

 

Op de structuur van dit college, alsook de organisatie en functies, werd reeds uitvoerig ingegaan in het vorige hoofdstuk en dient daarom niet meer herhaald te worden.[385] Wat betreft het voorkomen van deze groep als dedicant, zien we dat de *Augustales voornamelijk alleen optraden (40/62 - 64.52%). In vijftien inscripties treden ze samen met het volk en de decuriones op als dedicantes (15/66 - 24.19%), terwijl in slechts vijf inscripties *Augustales en decuriones de handen in elkaar sloegen (5/62 - 8.06%). Tenslotte hebben de *Augustales slechts in twee inscripties ook met het volk alleen samengewerkt (2/62 - 3.23%). We zien aldus dat de *Augustales eigenlijk niemand nodig hadden om zich te kunnen profileren als welstellend en dankbaar college. Indien ze samenwerkten wat betreft de oprichting van een eerbetoon, zien we dat de keuze snel gemaakt was: de decuriones, die op de sociale ladder een trapje hoger stonden, verleenden zo niet alleen aan de oprichting meer prestige, maar ook aan de *Augustales als oprichters. Ook dit was een vorm van zelfbevestiging binnen de maatschappij van de kant van de *Augustales.

 

Tenslotte bekijken we nog even de relatie tussen de *Augustales en de geëerde. Zoals blijkt uit figuur 23 gaat het ook hier, naar analogie met de hiervoor besproken colleges, voornamelijk om personen met wie de *Augustales een nauwe band hadden, namelijk met hun eigen patroni (21/62 - 33.87%), functionarissen (4/62 - 6.45%), priesters en de plebs - zoals de gewone leden van een college worden genoemd (6/62 - 9.68%).

 

Relatie

n

%

patronus (collegii)

12

19.35

33.87

patronus municipii

7

11.29

patronus coloniae

1

1.61

patronus collegii en functionaris

1

1.61

gemeenteraadslid

6

9.68

civis

1

1.61

functionaris binnen college

3

4.84

*Augustalis

6

9.68

sacerdos (vrouw)

1

1.61

9.68

patrona

1

1.61

dochter van bekend figuur

3

4.84

mater municipii

1

1.61

onbekend

21

33.87

Totaal

62

100.00

Figuur 23: Relatie tussen de *Augustales en de geëerde.

 

 

4. Relatie als burger.

 

Onder deze paragraaf gaan we kort de relatie nagaan, waarin de geëerde als burger wordt genoemd van diens gemeente. Hiervoor had men verschillende uitdrukkingen, op basis waarvan deze relatie werd duidelijk gemaakt, aangewend in achtenvijftig inscripties (58/696 - 8.33%). Ten eerste had men in de inscripties kunnen spreken over de relatie tussen de geëerde en zijn domus. Dit woord draagt de enge betekenis van huis, maar kan ruimer worden geïnterpreteerd als de plaats van herkomst. Dit woord komen we echter nergens tegen in de inscripties.[386]

 

Een woord dat inhoudelijk erg gelijkt op domus, is het woord patria. Het verschilt daarin van domus, omdat domus eerder doelt op het familiale leven, dus de plaats van herkomst in de enge zin van het woord. Patria daarentegen heeft een bredere betekenis en verwijst naar de municipaliteit van herkomst.[387] Dit woord komt in dit corpus 35 keer voor (35/696 - 5.02%), vaak vervat in de stereotiepe uitdrukking ob amorem erga patriam.[388] Men dient echter wel op te merken bij de vermeldingen van patria: meestal bedoelt men hiermee de geboorteplaats van de geëerde, maar in een enkel geval heeft patria betrekking op de dedicantes, om aan te duiden wat een verdienstelijk persoon de geëerde is geweest jegens de plaats van herkomst van de dedicantes.

 

Civis - dat burger betekent[389] - is echter explicieter in het aanduiden van de relatie van de oprichters met de geëerde, omdat dit woord een aantal keer volgt op de benoeming van de dedicantes. In theorie staat dit woord voor het Romeins burgerschap, maar hier is de betekenis van burger van deze stad, gemeente of municipaliteit beter gepast. Dit woord komt negentien keer voor in dit corpus (19/696 - 2.73%). In één inscriptie heeft men het echter over de relatie tussen de geëerde en cives sui[390], zijn medeburgers. Dit impliceert uiteraard dat de geëerde eveneens burger van de gemeente was, zonder dat het woord op hem (of haar) betrekking had (1/696 - 0.14%).

 

Hetzelfde geldt voor de vermelding van civitas eius, wat wijst op het burgerschap van de geëerde met diens civitas (1/696 - 0.14%) net als de opgave van de uitdrukking res publica sua (1/696 - 0.14%). Een laatste woord dat eveneens een gemeenschappelijk burgerschap van dedicantes en dedicati aanduidt, is het woord amantissimus (1/696 - 0.14%). Omdat amor zo vaak in combinatie komt met patria, kan men ook veronderstellen dat het hier gaat om een persoon, die burger van dezelfde gemeente was als die, waaruit de dedicantes afkomstig waren.[391]

 

Laten we nu ook eens kijken of er een patroon zat in het gebruik van deze woorden. Was men bij bepaalde sociale categorieën van geëerden eerder geneigd hun affiniteit met de geëerde expliciet uit te drukken met één van de bovenstaande woorden? De sociale categorieën werden reeds in bijlage 32 in code tussen haakjes per inscriptienummer vermeld, maar worden in de volgende bijlage 33 gesorteerd volgens categorie.[392] Daar zien we een bijna gelijkmatige verspreiding van de termen over de vier municipale bovenlagen, namelijk de senatoren, functionele en honorifieke equites en de gewone municipale bourgeoisie. Wat betreft civis is er een lichte voorkeur voor de gehele municipale elite (equites en non-equites), terwijl de voorkeur bij patria uitging naar de senatores en de gewone municipale elite. Het verschil met de overige twee aristocratische groepen is echter te verwaarlozen en er kan dus geen sociale voorkeur worden opgemaakt op basis van deze termen.

 

 

5. Conclusie.

 

In dit hoofdstuk hebben we het verschil gemaakt tussen enerzijds individuele en anderzijds collectieve dedicantes. De individuele oprichters betroffen een aantal onderverdelingen, die gebaseerd waren op ten eerste de familia in zijn brede betekenis, namelijk op de relaties, die ontstaan zijn onder hetzelfde dak, tussen de eigenaar en zijn familie enerzijds en zijn personeel anderzijds. Deze categorie bleek het meest frequent te zijn. Ten tweede waren er ook dedicantes, die rechtstreek verwant waren met de geëerde en vaak deel uitmaakten van het kerngezin. Vervolgens hebben we nog een aantal inscripties gezien, die gebaseerd waren op amicale relaties, die ontstaan waren tijdens de legerdienst, tijdens het uitoefenen van municipale ambten, maar ook daarbuiten.

 

Bij deze categorie ging in het bijzonder ook aandacht naar de publieke voorstelling van hun eigen persoon in de inscriptie ter ere van de dedicatus. In het merendeel van de inscripties is men echter summier in het voorstellen van zichzelf als oprichter, ofwel door de sociale controle in de gemeente ofwel simpelweg door het inspelen op de epigrafische praktijk. Meestal gaf men de functioneel noodzakelijke informatie om de oprichter(s) voor te stellen: vaak was dit met hun naam en een enkel woord, dat niet alleen verwees naar de relatie, die de persoon met de geëerde had (bvb. amicus), maar ook naar diens sociale rang binnen de gemeente. In ieder geval is het niet te betwisten dat de oprichters langs deze weg hun eigen voorstelling binnen de gemeente bewerkstelligden en zo het voortleven van de herinnering aan hen in de hand werkten.[393] Dit verklaart dan ook waarom het bij de individuele oprichters voornamelijk liberti zijn, personen die ooit onder hetzelfde dak van de geëerde hadden geleefd en gewerkt. Zij zagen hun kans schoon om op deze manier - het zou waarschijnlijk de enige kans in hun leven geweest zijn - hun eigen naam vereeuwigd te zien op een monument buiten de funeraire context, ook al was het niet ter ere van hen opgericht.

 

Een gelijkaardige bemerking kunnen we maken bij de collectieve dedicantes. Hier is het voornamelijk het volk - in zijn geheel of een of meerdere van diens geledingen - dat zich als vaakst voorkomende participant in de oprichting profileert en zo mee in de schijnwerpers kwam te staan, al was het slechts voor even. Zij hadden daarbij meer invloed, dan alleen de participatie in de oprichting: zij konden aandringen op de oprichting van een eerbetoon, al dienden de door het volk gespecificeerde vereisten niet steeds door de oprichters te worden gerespecteerd, zoals we zien in InscrNr. 153.[394]

 

Bij de termen, die het volk aanduiden, is het niet steeds gemakkelijk te onderscheiden of de groepen, in de combinaties genoemd, dan tot de termen gerekend worden, in casu eruit werden opgelicht en naar voren gebracht, of niet tot deze termen behoorden en net daarom afzonderlijk werden vernoemd. Dit is het geval in combinaties van de termen met decuriones en *Augustales, en is dus een precaire aangelegenheid. Over de incolae kan men meestal met quasi-zekerheid stellen, dat zij niet behoorden tot de verzamelnamen.

 

Het zijn de decuriones, die de tweede plaats innemen, net na het volk. Gevolgd door de verscheidene colleges, waarbij vooral de *Augustales, de tria collegia en het collegium iuvenum het vaakst voorkwamen als dedicantes. Niet voor niets zijn dit enkele van de oudste colleges, die door Augustus werden gedoogd ten tijde van de lex Iulia de collegiis. Daar waar de decuriones door hun afkomst, rijkdom, ambt en waardigheidstekens reeds sociaal prestige wisten te verwerven binnen de gemeente, reikte het aanzien van de leden van colleges niet veel verder dan hun collegiaal kader (met uitzondering van de ingenui onder de *Augustales en enkele dus als het ware twee stemmen hadden, binnen de curia en binnen het college). Ook hier trachten zij zichzelf een tweede rangspositie aan te meten en zich boven het volk te verheffen als stand net na de decuriones, hetgeen men merkt in de inscripties aan de plaatsing van hun naam na die van de decuriones en voor de benoeming van het volk.

 

De relaties tussen de geëerde en dedicantes lijken meestal niet buiten een bepaald kader te komen. Iedere corporatie begunstigde die personen, die zich het verdienstelijkst hadden opgesteld jegens hen en dus het nauwst met hen in contact kwamen. Voor het volk waren dit voornamelijk de gemeenteraadsleden en de patroni.

 

Bij de decuriones ging het vooral om hun collega’s, wiens daden zij van zeer nabij konden opvolgen en evalueren, maar ook om patroni van de gemeente. Dit laatste was belangrijk binnen hun functie van gemeenteraadslid om het financieel voortbestaan van de gemeente te verzekeren voor de toekomst. Dit moet vooral parten gespeeld hebben tijdens de crisis van de derde eeuw, waarin men mensen haast moest smeken om het patroonschap op zich te nemen.[395]

 

Alföldi meende op basis van zijn bronnenmateriaal uit Venetia et Histria, dat gemeenschappen met hun ordo en plebs niet zo vaak voorkwamen als dedicantes van erestandbeelden voor municipale magistraten, waarbij hun rol door de stedelijke colleges werd overgenomen.[396] Het is waar dat de gemeenschap slechts twee inscripties opgericht heeft voor een gemeenteraadslid, maar men moet er echter mee rekening houden dat hier vooral aandacht werd besteed aan het woord, dat vlak bij de vermelding van de oprichter stond, hetgeen de relatie aanduidde met de geëerde. Ook patroni hadden minstens een municipale functie bekleed. Bij het volk zien we globaal dat de gemeenteraadsleden op de tweede plaats kwamen wat betreft de huldeblijken, vlak na de patroni, die zoals gezegd vaak ook een rol speelden in het municipaal bestuur.

 

Bij de colleges krijgen we een vrij eenduidig zicht op de relaties: het zijn voornamelijk de patroni, collegefunctionarissen en verdienstelijke leden van het college zelf, die als geëerden in de kijker kwamen te staan. Dit is niet zo opmerkelijk, aangezien - zoals gezegd - een college een leefwereld op zich was en de invloed van de leden vaak niet ver buiten dit kader reikte. Zo zien we dat de colleges voornamelijk de personen gingen eren, die in direct verband stonden met het college zelf, ofwel door middel van een patronaat, ofwel door lidmaatschap en zelfs bestuursfuncties. Opvallend is dat bij de meeste colleges geen vrouwen werden geëerd, zelfs niet als patrona. Dit valt echter enigszins binnen het te verwachten patroon. De meeste beroepen alsook het grootste deel van het publieke leven waren aan mannen voorbehouden en hier rond waren ook de colleges opgebouwd. Voor vrouwen was binnen deze mannenwereld geen plaats. Slechts bij de religieuze colleges - met uitzondering van het collegium iuvenum - konden ook vrouwen geëerd worden, omdat de religieuze wereld het enige terrein was, waar vrouwen van het publieke leven konden proeven, zij het binnen hun functie als priesteres.

 

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[234] Dit werd eveneens bemerkt door ECK (Werner), Statuendedikanten und Selbstdarstellung in römischen Städten. In: L’Afrique, la Gaule et la Région à l’époque romaine. Mélanges à la mémoire de Marcel Le Glay, in: Latomus: revue d’études latines,vol. 226, 1994, Bruxelles, pp. 652 en 669.

[235] InscrNrs. 21, 23, 69, 85, 107, 139, 178, 206, 207, 213, 225, 294, 295, 307, 345, 353, 374, 375, 407, 408, 433, 487, 491, 492, 502, 525, 549, 666, 667, 693.

[236] InscrNrs. 2, 17, 38, 59, 70, 82, 83, 111, 137, 168, 197, 224, 240, 262, 267, 272, 279, 288, 292, 336, 422, 450, 457, 462, 463, 478, 499, 529, 548, 567, 637

[237] Onbekende oprichters waarvan vermoeden is tot welke categorie ze horen: bij InscrNrs. 23, 85, 139, 206, 207, 294, 307, 374, 491, 693 (10/30 - 33.33%); Afgebroken inscripties waarvan vermoeden is tot welke categorie ze horen: bij InscrNrs. 17, 224, 262, 267, 272 (5/31 - 16.13%); Cf. Bijlage 19: Overzicht van de inscripties met onbekende oprichter, geressorteerd onder collectief van oprichters.

[238] InscrNr. 105: AE 1998, 00282; AE 2000, 00243. Lavinium (I, Latium Vetus) - 07/09/227 n.C.

[239] InscrNr. 661: CIL 05, 04432; InscrIt-10-05, 00225. Brixia (X, Venetia et Histria) - s.d.

[240] Bijlage 20: Overzicht van individu(en), die als oprichter(s) optraden (gegroepeerd per InscrNr.).

[241] ECK, Statuendedikanten und Selbstdarstellung…, op. cit., p. 652.

[242] ECK, Statuendedikanten und Selbstdarstellung…, op. cit., pp. 655-656.

[243] Bijlage 21: Overzicht van individu(en), die als oprichter(s) optraden (gegroepeerd per relatie).

[244] familia, ae f (famulus): 1. alle familieleden en bedienden die samen in één huis wonen: huishouding; 2. familie (als onderdeel v.e. gens); 3. geslacht, stam (= gens); 4. slaven, personeel; horigen. Uit: PINKSTER, op. cit.

[245] InscrNrs. 268, 439, 449 (liberta - patronae); 12 (libertus et servus cum suis - patronae); 81, 87 (2), 96 (+), 147, 175, 201, 443, 513, 528, 597 (libertus - patrono); 50 (libertus cum suis - patrono); 97 (libertus - contubernali).

[246] InscrNrs. 166 (clientes - reginae); 661 ((libertus/a of cliens -) patronae); 118, 135, 285, 696 ((libertus of cliens - ) patrono).

[247] InscrNrs. 1 (servus - dominae), 12 (libertus et servus cum suis - patronae).

[248] nūtrītor, ōris m (nutrio) (postklass.) opvoeder, verzorger. Uit: PINKSTER, op. cit.

[249] ECK, Statuendedikanten und Selbstdarstellung…, op. cit., p. 652.

[250] patrōna, ae f (patronus): 1. beschermvrouw, begunstigster; 2. (postklass.) meesteres van een vrijgelatene. Uit: PINKSTER, op. cit.

[251] domina, ae f (dominus): 1. meesteres, gebiedster. Uit: PINKSTER, op. cit.

[252] rēgīna, ae f (rex): 3. (v. voorname vrouwen) heerseres, meesteres. Uit: PINKSTER, op. cit.

[253] con-tubernālis, is m en f: 4. metgezel, collega; 5. huisvriend, disgenoot; Uit: PINKSTER, op. cit.

[254] Zoals bijvoorbeeld bij FORBIS (Elizabeth), Municipal Virtues in the Roman Empire. The Evidence of Italian Honorary Inscriptions, 1996, Stuttgart: BG Teubner, p. 249.

[255] ALFÖLDI (Geza), Römische Statuen in Venetia und Histria. Epigraphische Quellen. In: Abhandlungen der Heidelberger Akademie der Wissenschaften, Heidelberg: Winter, 1984, p. 64.

[256] beneficiārius (beneficium): I. subst. ī m bevoorrechte soldaat, die vrijgesteld was van zware taken, in de keizertijd toegewezen aan hogere officieren voor administratieve taken; soldaat eerste klasse; Uit: PINKSTER, op. cit.

[257] corniculārius, ī m (corniculum) (postklass.) soldaat die een erehoorn als onderscheiding draagt, adjudant. Uit: PINKSTER, op. cit.

[258] InscrNr. 559: AE 1954, 00167. Capena (VII, Etruria) - 2/3e E n.C.

[259] A.d.h.v. Bijlage 22: Algemeen voorkomen van de verscheidene categorieën oprichters (frequentie).

[260] ordo : ~inis, m.: 4. A body of people having the same political or social statues, an order, class; amplissimus ~o, the senate; b. a professional body; c. (spec.) the senate or ruling body of a municipaltity; d. (transf.) the corpus of accepted writers or works, canon; 5. A civil or social standing, rank, position; b. (transf.) position assigned to a person, etc., in estimation or treatment, fooring. In: Oxford Latin dictionary. Ed. Door P. G. W. Glare. Oxford:Clarendon press,1968.

[261] Bijlage 23: Overzicht van gemeenschappen, die als oprichters optraden.

[262] InscrNrs. 11, 19, 20.

[263] Municipium : ~i, nt. A self-governing community in Italy, (orig. one that accepted civitas sine suffragio in the return for the performance of certain duties, munia), a municipality, town subject to Rome, but governed by its own laws; free town. In: Oxford Latin dictionary. Ed. Door P. G. W. Glare. Oxford:Clarendon press,1968, p. ???.

[264] Men had twee varianten municipia: de municipia cum suffragio - waarbij de inheemse bevolking Romeins burger waren en politieke rechten hadden - en municipia sine suffragio - de inwoners werden cives Romani sine suffragio en hadden geen politieke rechten.

[265] DUTHOY (Robert), Genese en structuur van het Imperium Romanum; in: DUTHOY (Robert), Oefeningen Klassieke Oudheid. Cursusnotities. Universiteit Gent, 2004-2005, pp. 21-22.

[266] colonia: ~ae, f. [COLONUS + -IA] A settlement, colony of citizens sent from Rome or the people composing it. In: Oxford Latin dictionary. Ed. Door P. G. W. Glare. Oxford:Clarendon press,1968.

[267] DUTHOY, op. cit., pp. 22.

[268] DUTHOY, op. cit., pp. 23.

[269] DUTHOY, op. cit., pp. 30.

[270] DUTHOY, op. cit., pp. 31.

[271] InscrNr. 313: CIL 09, 00344. Canusium (II, Apulia et Calabria) - 161-189 n.C.

[272] FORBIS (Elizabeth), Women’s Public Image in Italian Honorary Inscriptions. In: American Journal of Philology, vol. 111, 1990, Baltimore (Md.):Johns Hopkins university press, pp. 496-497.

[273] Bijlage 24: Overzicht van municipaal-geografische entiteiten, die als oprichters optraden.

[274] centuria, ae f (centum): 1. (milit.) (eenheid v.) honderd man, centurie (oorspr. 100, later 60 man; het 60edeel v.e. legioen, het 6edeel v.e. cohort, de helft v.e. manipel); 2. centurie (als stemafdeling);. Uit: PINKSTER, op. cit.

[275] InscrNrs. 248 civis; 265 onbekend.

[276] Bijlage 25: Overzicht van een aantal bevolkingsgroepen, die slechts marginaal als oprichter(s) optraden.

[277] InscrNr. 427: AE 1964, 00106. Trebula Mutuesca (IV, Samnium) - 139-180 n.C.

[278] InscrNr. 474: AE 2000, 00533. Carsulae (VI, Umbria) - eind 2e-3e E n.C.

[279] AE 2000, 00533.

[280] InscrNr. 96.

[281] InscrNr. 19: CIL 10, 05067. Atina (I, Latium Adjectum) - 2/3e E n.C.

[282] InscrNr. 538: CIL 11, 05711. Tuficum (VI, Umbria) - 180-192 n.C.

[283] InscrNr. 464: CIL 11, 05395. Asisium (VI, Umbria) - s.d.

[284] Op dit topic wordt verder ingegaan in hoofdstuk 5, Financiering van het monument, 2.1.2. Organisatie van geldinzamelingen, i. Inrichters van de geldinzameling, pp. 245 e.v.

[285] MROZEK (Stanisław), Die Epigraphische Belegten sozialen Randgruppen in den Städte Italiens (Prinzipatszeit). In: WEILER (I.), Soziale Randgruppen und Auβenseiter im Altertum, Leykam: Graz, 1988, pp. 247-248.

[286] InscrNr. 456: CIL 09, 05071. Interamnia Praetuttiorum (V, Picenum) - s.d.

[287] InscrNr. 607: CIL 11, 00395. Ariminum (VIII, Aemilia) - 66 n.C.

[288] Uit: PINKSTER, op. cit., zoekwoord «speculator».

[289] VAN DAELE (Bernard), Het Romeinse leger. Leuven: Davidsfonds, 2003, pp. 96-97.

[290] VAN DAELE, op. cit., pp. 96-97; VERRETH (Herbert), De instellingen van de Romeinse wereld. Naar de cursusnota’s van Prof. J. Devreker, Universiteit Gent, 1999-2000, pp. 83.

[291] VAN DAELE, op. cit., pp. 96-97; VERRETH, op. cit., pp. 83-84.

[292] InscrNr. 77: CIL 10, 05713. Sura (I, Latium Adjectum) - t.t.v. Augustus.

[293] InscrNr. 447: CIL 09, 05840. Auximum (V, Picenum) - ca. 137 n.C.

[294] beneficiārius: I. subst. M. bevoorrechte soldaat, die vrijgesteld was van zware taken, in de keizertijd toegewezen aan hogere officieren voor administratieve taken; soldaat eerste klasse. Uit: PINKSTER, op. cit.

[295] InscrNr. 683: CIL 05, 07007. Augusta Taurinorum (XI, Transpadana) - 80-100 n.C.

[296] Deze termen worden belicht in het boek van MROZEK (Stanisław), Die Städtischen Unterschichten Italiens in den Römischen Kaizerzeit (populus, plebs, plebs urbana, u.a.), 1990, Wroclaw.

[297] Bijlage 26: Overzicht van de verscheidene bevolkingsgroepen, die als oprichter(s) optraden.

[298] Dit laatste werd bevestigd door MROZEK (Stanisław), Les termes se rapportant au peuple dans les inscriptions des provinces du Haut-Empire romaine. In: Epigraphica: rivista italiana di epigrafia. Faenza: Fratelli Lega, 1993, LV, p. 116.

[299] plebs: ~ebis, f., 1. The general body of citizens at Rome, the commons, (acting as a legislative or judiciary body often dist. from populus); 2. (w. stress on the social aspect, rather than the political) the common people, mob, common herd, the masses. In: Oxford Latin dictionary. Ed. Door P. G. W. Glare. Oxford:Clarendon press,1968.

 

[300] Bijlage 27: Geografische verspreiding van de termen plebs en plebs urbana.

[301] populus: ~ī, m., 1. human community; e. members (of a society); 2. The people (transcending the individuals composing it); b. the whole people (exercising legislative and judicial power); c. (excl. plebs); 3. b. the common people (dist. from the upper classes). In: Oxford Latin dictionary. Ed. Door P. G. W. Glare. Oxford:Clarendon press,1968.

[302] MROZEK (Stanisław), Les distributions d'argent et de nourriture dans les villes italiennes du Haut-Empire romain. In: Latomus: revue d’études latines, Bruxelles: Revue d'études latines, vol. 198, 1987, p. 95.

[303] CICERO, De Re Publica, I, 25, 39.

[304] MULLER (F.), RENKEMA (E.H.), Wolters’ Handwoordenboek Latijn-Nederlands, Groningen: Wolters’ Woordenboeken, 12 ed., 1995, pp. 705-706.

[305] MULLER, RENKEMA, op. cit., p. 698.

[306] ENGELS (Friedrich), De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat. Hottingen-Zurich: Progres, 1884, s.p.

[307] BOAS (George), Vox Populi, In: WIENER (Philip) ed., The Dictionary of the History of Ideas, New York: Charles Scribner's Sons, 1973-74, vol. 4, p. 497

[308] SCHMITZ (Leonhard), Plebs, In: SMITH (William), ADictionary of Greek and Roman Antiquities, London: John Murray, 1875, pp. 923‑927.

[309] MROZEK, Die Städtischen Unterschichten…, op. cit., p. 88; MROZEK, Les termes se rapportant au peuple…, op. cit., p. 114 en vn. 2.

[310] MROZEK, Les termes se rapportant au peuple…, op. cit., p. 127.

[311] cīvis, is m en f: 1. burger(es); 2. medeburger(es), landgeno(o)t(e). Uit: PINKSTER, op. cit.

[312] municipium: ~i, nt. A self-governing community in Italy, (orig. one that accepted civitas sine suffragio in the return for the performance of certain duties, munia), a municipality, town subject to Rome, but governed by its own laws; free town. In: Oxford Latin dictionary. Ed. Door P. G. W. Glare. Oxford:Clarendon press,1968.

[313] Bevestigd door MROZEK, Les distributions d'argent…, op. cit., p. 95.

[314] pōmērium, ī pomerium, stadsgrens (aan weerszijde vd stadsmuren vrijgelaten ruimte). Uit: PINKSTER, op. cit.

[315] MROZEK, Die Epigraphische Belegten sozialen Randgruppen…, op. cit., p. 250.

[316] colonia: ~ae, f.: settlement, colony of citizens sent from Rome or the people composing it. In: Oxford Latin dictionary. Ed. Door P. G. W. Glare. Oxford:Clarendon press,1968.

[317] pāgus, ī m: 1. district, gouw, kanton; -meton. de bewoners v.e. district; 2. dorp; -meton. de dorpsbewoners, landvolk. pāgānus (pagus): II. subst. ī m, 1. dorpsbewoner, boer; 2. (postklass.) burger(mannetje). Uit: PINKSTER, op. cit.

[318] Pagani als randgroep in: MROZEK, Die Epigraphische Belegten sozialen Randgruppen…, op. cit., p. 250.

[319] oppidum, ī n: 1. versterkt heuvelfort; 2. (meestal kleine) stad. oppidānus (oppidum): II. subst. ī m stedeling. Uit: PINKSTER, op. cit.

[320] MEIJER (Fik), Vreemd Volk. Integratie en discriminatie in de Griekse en Romeinse wereld. Amsterdam: Athenaeum, Polak en Van Gennep, 2007, 331 blz; MROZEK, Die Epigraphische Belegten sozialen Randgruppen…, op. cit., p. 243-244.

[321] postulō, postulāre (posco) : 1. eisen, verlangen, aanspraak maken op; 2. verlangen, begeren, zin hebben, willen, verwachten (m. inf. en aci.); 3. (ver)eisen, verlangen. Uit: PINKSTER, op. cit.

[322] Bijlage 28: Invloed van het volk.

[323] InscrNr. 40: AE 1927, 00124. Formiae (I, Latium Adjectum) - 2/3e E n.C. (na 120 n.C.)

[324] cōnsēnsus, ūs m (consentio) : 1. (v. personen) overeenstemming, eensgezind-, eendrachtig-, eenstemmigheid, unaniem besluit [omnium gentium; patrum; bonorum; universae Galliae]; (in, over: gen.; de; in m. abl.); Qex consensu met algemene instemming; omnium (of uno, communi) consensu eenstemmig (postklass. ook alleen consensu). Uit; PINKSTER, op. cit.

[325] cōn-sentiō, sentīre, sēnsī, sēnsum: 1. overeenstemmen, eenstemmig zijn, overeenstemming bereiken (met: cum of dat.; over, in: de; in m. abl.); 2. eenstemmig besluiten (m. acc.; ut; inf.; aci.); p.adj. cōnsentiēns, entis eenstemmig, eendrachtig, overeenstemmend. Uit: PINKSTER, op. cit.

[326] InscrNr. 456: CIL 09, 05071. Interamnia Praetuttiorum (V, Picenum) - s.d.

[327] Het gaat hier om matronae, deugdelijke vrouwen, dewelke vaak als equivalent geïnterpreteerd worden als patronae en op die manier konden ijveren voor een eerbetoon bij hun clientes.

[328] Bijlage 29: Overzicht van decuriones, die als oprichter(s) optraden.

[329] PAULUS, Digesta, L, 2, 7.

[330] InscrNr. 593: CIL 11, 03805. Veii (VII, Etruria) - 26 n.C.

[331] Wat betreft de relatie dedicatus-dedicantes kunnen we weinig concluderen uit het materiaal, het gaat eenmaal om een gemeenteraadslid, eenmaal om een patronus municipii en tweemaal om een relatie van onbekende aard.

[332] LAFER (Renate), Omnes collegiati, Concurrite! Brandbekämpfung im Imperium Romanum. In: Grazer altertumskundliche Studien, 7, Frankfurt am Main: Lang, 2001, p. 46.

[333] WALTZING (Jean-Pierre), Étude historique sur les corporations professionnelles chez les Romains depuis les origines jusqu’à la chute de l’Empire d’Occident. Bruxelles:Hayez,1895-1896, 2 vol., pp. 33-56.

[334] WALTZING, op. cit., pp. 48-51.

[335] Bijlage 30: Overzicht van colleges, die als oprichter(s) optraden.

[336] Bijlage 30: Overzicht van colleges, die als oprichter(s) optraden. ii. Tria collegia.

[337] LAFER, op. cit., pp. 62-63.

[338] LAFER, op. cit., pp. 74-75.

[339] LAFER, op. cit., pp. 47-49.

[340] LAFER, op. cit., pp. 50-52.

[341] centō, ōnis m uit oude lappen gemaakte deken, (lappen)deken, matras. Uit: PINKSTER, op. cit.

[342] LAFER, op. cit., pp. 56-57.

[343] scamnum, ī n bank, krukje, stoel. Uit: PINKSTER, op. cit.

[344] LAFER, op. cit., pp. 61-62.

[345] LAFER, op. cit., p. 64.

[346] Alleen: 17/66; twee van de tria collegia: 11/66; tria collegia: 2/66.

[347] Alleen: 15/66; twee van de tria collegia: 11/66; tria collegia: 2/66.

[348] Alleen: 13/66; twee van de tria collegia: 2/66; tria collegia: 2/66.

[349] Bijlage 30: Overzicht van colleges, die als oprichter(s) optraden. iii. Professionele collegia.

[350] WALTZING, op. cit., pp. 52-56.

[351] WALTZING, op. cit., pp. 52-54.

[352] InscrNr. 323: AE 1967, 00098. Herdonia (II, Apulia et Calabria) - s.d.

[353] Mancipium, ī n (manceps): 1. het verwerven v. eigendom, formele aankoop (waarbij de koper in bijzijn v. vijf getuigen en de libripens [die de weegschaal vasthoudt] het te verwerven object met de hand beetpakt); 2. (a) eigendom(srecht), bezit, macht. Uit: PINKSTER, op. cit.

[354] manceps, cipis (arch. -cupis) m (manus en capio): 1. handelaar, opkoper, ihb. v. verbeurdverklaarde grond [agri]; 3. aannemer v. openbare bouwwerken. Uit: PINKSTER, op. cit.

[355] InscrNr. 489: CIL 11, 04209. Interamna Nahars (VI, Umbria) - 06/09/240 n.C.

[356] InscrNr. 665: InscrIt-10-05, 00282. Brixia (X, Venetia et Histria) - s.d.

[357] praecō, ōnis m (praedico1) : 1. heraut, aankondiger, omroeper (bij rechtszittingen, volksvergaderingen, publ. spelen, processies e.d.); veilingmeester. Uit: PINKSTER, op. cit.

[358] Cf. hoofdstuk 6, pp. 323-325.

[359] Cf. hoofdstuk 3, p. 144.

[360] WALTZING, op. cit., pp. 33-48.

[361] septem-virī, ōrum en um m de zevenmannen (college v. zeven mannen); sg. septem-vir, virī lid v.h. zevenmannencollege. Uit: PINKSTER, op. cit.

[362] quīndecim-virī, ōrum en um m, zelden sg. quīndecim-vir, virī (ook gesplitst) (postklass.) de vijftienmannen, college v. 15priesters, die toezicht houden op de sibillijnse boeken. Uit: PINKSTER, op. cit.

[363] augur, uris: 1. m augur, vogelwichelaar (lid v.e. priestercollege in Rome; de auguren leidden voorspellingen voor de toekomst af uit de vlucht en het gedrag v. vogels). Uit: PINKSTER, op. cit.

[364] Fētiālēs, ium m de fetialen, college v. 20 priesters in Rome, verantwoordelijk voor de rituele waarborging v.d. volkenrechtelijke betrekkingen v.d. Rom. staat (vredesverdragen, wapenstilstanden, verbonden, oorlogs-verklaringen en bemiddeling). Uit: PINKSTER, op. cit.

[365] arvālis, e (arvum) behorend tot het zaailand; Fratres Arvales: Akkerbroeders, een college v. 12 Rom. priesters, die jaarlijks de zegen over de akkers afsmeekten. Uit: PINKSTER, op. cit.

[366] Saliī, ōrum en um m (salio1, eig. ‘dansers, springers’) de Saliërs, priesters, twee Oudrom. priestercolleges die elk uit 12 leden bestonden, de Salii Palatini (ter verering v. Mars) en de Salii Collini of Agonales (ter verering v. Quirinus); zij hielden in maart en oktober (dus aan het begin en einde v.d. periode v. veldtochten) in Oudrom. oorlogsuitrusting een processie waarbij zij een wapendans uitvoerden en oude overgeleverde liederen zongen; er waren ook Salii in andere Latijnse steden. Uit: PINKSTER, op. cit.

[367] InscrNr. 309: CIL 09, 00330. Canusium (II, Apulia et Calabria) - 137-138 n.C.

[368] InscrNr. 127: CIL 14, 00376. Ostia Antica (I, Latium Vetus) - 166-180 n.C.

[369] InscrNrs. 337, 634.

[370] InscrNrs. 103 en 253.

[371] WALTZING, op. cit., p. 44.

[372] pastophorus, ī m (Gr. leenw.) (Laatl.) priester die een altaartje draagt; altaardrager. Uit: PINKSTER, op. cit.

[373] "mystery religion." Encyclopædia Britannica. 2007. Encyclopædia Britannica Online. 19 July 2007 <http://www.britannica.com/eb/article-15858>.

[374] WALTZING, op. cit., p. 44.

[375] Cf. hoofdstuk 3, 2.2. expliciet: Archeologische context, vii. Mithraeum Aldobrandini, pp. 146 e.v.

[376] Bijlage 30: Overzicht van colleges, die als oprichter(s) optraden. i. collegium iuvenum.

[377] LADAGE (Dieter), Collegia iuvenum - Ausbildung einer municipalen Elite? In: Chiron, München: Beck, 1979, IX, pp. 323-325; cf. ook MOHLER (S. L.), The Iuvenes and Roman Education, In: Transactions and Proceedings of the American Philology Association, vol. 68, 1937, pp. 442-479.

[378] LADAGE, op. cit., pp. 326-327.

[379] LADAGE, op. cit., pp. 345.

[380] LADAGE, op. cit., pp. 335-337.

[381] LADAGE, op. cit., p. 330.

[382] LADAGE, op. cit., pp. 336-337.

[383] LADAGE, op. cit., p. 336.

[384] Cf. Bijlage 31: Overzicht van *Augustales, die als oprichter(s) optraden.

[385] Cf. hoofdstuk 1: 3.4. Ordo Augustalium, pp. 48 e.v.

[386] LASSÈRE (Jean-Marie), Manuel d'épigraphie romaine, Paris: Picard, 2005, pp. 131-132.

[387] LASSÈRE, op. cit., pp. 131-132; patria, ae f (patrius; vul aan: terra of urbs) vaderland, -stad, (plaats van) herkomst, geboorteplaats. Uit: PINKSTER, op. cit.

[388] Cf. Bijlage32: Relatie met de geëerden als burger.

[389] cīvis, is m en f : 1. burger(es); 2. medeburger(es), landgeno(o)t(e). Uit: PINKSTER, op. cit.

[390] InscrNr. 540: CIL 11, 05717. Tuficum (VI, Umbria) - 3e E n.C.

[391] Meer over amor in hoofdstuk 4: Motivatie, pp. 212-214

[392] Bijlage 33: Sociale gelaagdheid in het gebruik van civis, patria e.a.

[393] ECK, Statuendedikanten und Selbstdarstellung…, op. cit., p. 662.

[394] Hierop wordt teruggekomen in hoofdstuk 3, p. 175.

[395] Cf. hoofdstuk 6: reactie van de geëerde, pp. 322-323.

[396] ALFÖLDI (Geza), Römische Statuen in Venetia und Histria. Epigraphische Quellen. In: Abhandlungen der Heidelberger Akademie der Wissenschaften, Heidelberg: Winter, 1984, p. 63.