De Touwslagerij te Hamme. Macrostudie over de touwindustrie te Hamme met nadruk op de 19de en 20ste eeuw, gevolgd door een casestudie over het touwslagersgeslacht Vermeire van de 16de eeuw tot de 20ste eeuw. (Sofie Buyse)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL I

MACROSTUDIE VAN DE TOUWINDUSTRIE TE HAMME MET NADRUK OP DE 19de EN 20ste EEUW

 

HOOFDSTUK V: SOCIAAL OPROER EN STAKINGEN TE HAMME VAN 1894 TOT 1936

 

     Voor de studie van het sociale ongenoegen bij de touwarbeiders en buitenspinners te Hamme met stakingen als gevolg, baseren we ons o.a. op het artikel van Geert Van Goethem. In zijn studie verwerkte hij de periodieke pers. Wij vonden het dan ook interessant om zijn studie aan te vullen met eigen onderzoek op basis van het Arbeidsblad om zo een meer volledig beeld te krijgen van de sociale situatie te Hamme in de te onderzoeken periode. Naast zijn studie maken we gebruik van het werk van De Zuttere dat in 1907 verscheen, enkele jaren na de grote staking van 1900 en tenslotte van de studie van Gobel die in 1939 verscheen, niet lang na de staking van 1936.

 

I. DE OORZAKEN VAN HET SOCIAAL PROTEST TE HAMME

 

     Volgens Geert Van Goethem was de socialistische beweging, die in Gent op het einde van de 19de eeuw uitgroeide tot een massabeweging, een belangrijke oorzaak voor het sociaal protest te Hamme. Wegens grote stakingsgolven te Gent op het einde van de 19de eeuw, waren de daglonen twee- tot driemaal hoger geworden dan in de rest van de provincie, met als gevolg de uitwijking van vele fabrikanten uit het socialistische Gent. De socialisten, die politieke ambities koesterden, beseften dat wanneer de lonen in de rest van Vlaanderen niet mee zouden evolueren met de lonen te Gent, de fabrieksvlucht naar het platteland zou toenemen met werkloosheid als gevolg in hun stad. Vandaar het belang om een propaganda-offensief te starten, om Vlaanderen te sensibilizeren voor het stichten van socialistische kernen en om stakingen te steunen[141].

 

     Een tweede belangrijke oorzaak was het trucksysteem dat zich uitte onder de vorm van banwinkels. Dit systeem hield in dat de arbeider niet vrijelijk over zijn loon beschikte, maar het in natura kreeg uitbetaald of verplicht werd zijn aankopen te doen in een winkel van de baas. In het salarisboekje van de arbeider werd het weekloon ingeschreven waarmee hij naar de fabriekswinkel kon gaan. Zijn aankopen of schulden werden er vervolgens afgetrokken. Deze vorm van uitbuiting had als gevolg dat de arbeider als lijfeigene aan de fabrikant was gebonden, aangezien hij constant schulden had bij de fabriekswinkel (zijn loon was namelijk onvoldoende voor het onderhoud van zijn gezin). Daarnaast leverden deze winkels meestal slechte kwaliteit tegen hoge prijzen[142].

 

     De Zuttere vermeldt in zijn studie:

 

     " Il n'existe assurément pas, dans toute la Belgique, une localité où les abus du truck system ont été pratiqués d'une manière aussi ouverte et aussi vaste qu'à Hamme[143]."

 

     Het trucksysteem werd verboden door een wet van 16 augustus 1887. Deze wet werd echter niet opgevolgd door de fabrikanten te Hamme. In 1892 werden 25 Hamse fabrikanten hiervoor veroordeeld, maar de kleine straffen konden niet beletten dat de wet werd omzeild en het systeem in stand bleef[144].

 

II. DE STAKING VAN 1894

 

     De directe aanleiding voor deze staking vormde de loonsverhoging die een aantal arbeiders van de touwslagerij van Van Haver verkregen hadden. Per werkdag van twaalf uur kregen ze 2 frank i.p.v. de 1,54 frank voordien. Het gevolg was dat de arbeiders van de andere touwfabrieken eenzelfde loonsverhoging eisten. De fabrikanten wilden niet meer betalen dan 1,80 frank per dag.

 

     Omdat de eisen niet werden ingewilligd brak op 29 april 1894 om vijf uur s'ochtends een staking uit aan de fabriek van Marcel Vermeire. Zijn arbeiders gingen niet aan het werk, maar deden de touwslagerij van Philemond Vermeire en de spinbaan van Arthur Van Haute aan, waar eveneens het werk werd gestopt. Aangezien de stakers van fabriek naar fabriek trokken, lag in de namiddag heel de touwindustrie plat. De arbeiders verzamelden zich voor het gemeentehuis waar zij tot een menigte van tweeduizend waren aangegroeid. De fabrikanten kwamen tot een akkoord om de lonen te verhogen tot 2 frank daags voor de arbeiders en 2 frank per 100 kg. touw voor de thuiswerkers. Langzamerhand keerde de rust weer te Hamme.

 

     De toenmalige burgemeester Lambrechts was er echter niet gerust op omdat in de nacht van 3 op 4 mei anonieme aanplakbiljetten waren aangetroffen die op een agressieve manier ageerden tegen de banwinkels. Ook de fabrikant Van Haute-Vercauteren kreeg een brief met de dreiging dat zijn banwinkel zou afgebroken worden als hij hem zelf niet besloot af te schaffen.

 

     In de winter van hetzelfde jaar werden de lonen teruggebracht op het niveau van voor de staking, waardoor het succes van het sociale protest van 1894 teniet werd gedaan[145].

 

III. DE STAKING VAN 1900

 

     Het arbeidsblad van maart 1900 vermeldt op zeker ogenblik:

 

     "Een belangrijke werkstaking is ontstaan te Hamme. Het getal werkstakers beliep op een zeker ogenblik drieduizend. Zij vroegen loonsopslag en het afschaffen der betaling in koopwaren[146]."

 

     De staking begon op dezelfde manier als in 1894. Op 15 maart vroegen de arbeiders van twee touwslagerijen loonsverhoging. Omdat de fabrikanten niet op de eis ingingen, legden de arbeiders het werk neer. De dag erna waren twaalf fabrieken in staking[147]. De staking was algemeen, zowel bij de thuisarbeiders als in de touwslagerijen. De arbeiders eisten een loonsverhoging van 0,45 frank en de thuiswerkers eisten 1 frank per 100 kg. enkelgaren[148].

 

     Op 17 maart afficheerden de fabrikanten een proclamatie waarop bekend gemaakt werd dat de touwarbeiders (vanaf 21 jaar) 2 frank voor twaalf uur arbeid zouden verdienen. Deze toegeving was niet voldoende voor de stakers. Burgemeester Van Overstraeten nam de taak op zich om te onderhandelen met de fabrikanten, maar deze reageerden niet op zijn oproepen. Op de avond van 20 maart werd de staking gewelddadig[149]. De massa sloeg aan het plunderen. Het huis en de fabriek van Philemond Vermeire werden belegerd, de ruiten werden ingeslagen en de poort en de machines vernield. Ook andere fabrieken kwamen aan de beurt. Sommige stakers kwamen in gevecht met de rijkswacht. De fabrikanten vluchtten met hun families naar Dendermonde[150]. Toch kon de burgemeester, dankzij zijn populariteit, Hamme behoeden voor extreme chaos. In de Parlementaire Annalen werd dan ook het volgende over hem gezegd:

 

"Je tiens à rendre un spécial hommage à l'énergie et à la droiture de cet homme. Né à Hamme il en connaît la population: la population connaît sa franchise et ses sentiments de générosité, et je me fais ici l'écho de cette population en affirmant que si des évenements plus graves ont pu être évités, c'est grâce à cette mutuelle confiance, grâce à l'ascendant et à l'autorité dont jouit le digne bourgmestre[151]."

 

     Op 22 maart, na lange onderhandelingen, stelden de bazen een loon voor van 2 frank voor twaalf uur arbeid en vanaf 1 september 1900 zouden de arbeiders die 25 jaar oud waren 2,25 frank krijgen voor twaalf uur arbeid. Alhoewel de arbeiders weinig vertrouwen hadden in de beslissing van hun bazen, werd het werk hernomen[152].

 

     De staking had als gevolg dat een beroepsvereniging werd opgericht die de naam kreeg 'Hamme Vooruit' en 240 leden telde. Volgens Van Goethem was deze vereniging neutraal, volgens het Arbeidsblad, Gobel en De Zuttere socialistisch. Daarnaast trachtte men ook een beroepsvereniging op te richten onder de katholieke arbeiders[153].

 

     Een maand na de staking vermeldde het Arbeidsblad dat er nog steeds wantrouwen heerste onder de werklieden. Men vreesde nog steeds dat de bazen hun verbintenissen niet zouden houden. Ook was men verontwaardigd omdat sedert de staking geen van de banwinkels gesloten was geworden. Sinds de staking verdienden de buitenspinners 2 frank per dag. Hun dag bestond uit 12 à 15 uren arbeid. Gewoonlijk moesten zij 3 frank betalen aan de wieldraaier waardoor hun weekloon maar 9 frank bedroeg. De arbeiders hadden een meer regelmatig loon en werk. Ook vermeldde men dat er naast de socialistische beroepsvereniging die driehonderd leden telt, er nu ook een christelijke vereniging was die een honderdtal leden telde. De socialisten hadden aan hun eisen toegevoegd dat de nachtarbeid beter moest betaald worden en dat vanaf september de werkdag maar tien uur mocht bedragen[154].

 

     In september 1900 vermeldde het Arbeidsblad dat de toestand uitmuntend was voor de bazen en dat men volop aan het werk was. Sinds 1 september was de beloofde loonsverhoging verleend aan de arbeiders, maar de buitenspinners hadden geen opslag gekregen. Zij klaagden hierover, samen met de arbeiders die nog geen 25 jaar waren en hierdoor aan de loonsverhoging ontsnapten. De beklaagden beweerden dat zij niet mochten protesteren, omdat zij anders werden ontslagen en dat de bazen onderling overeengekomen waren geen ontslagen werklieden aan te nemen. De christelijke beroepsvereniging werd door de tegenkantingen van de bazen ontbonden en de socialistische vereniging had hierdoor zijn leden zien verminderen[155]. In december 1901 werd de socialistische beroepsvereniging opgeheven[156].

 

     In 1900 werd ook een spaarmaatschappij opgericht, de Spaarzame Werkbroeders, die voor een bijdrage van 0,15 frank per week een vergoeding verleende voor werkloosheid, ziekte en overlijden. Deze maatschappij stichtte een coöperatief die bijv. in tijden van staking gratis brood bedeelde. In 1905 hield deze coöperatief op te bestaan[157].

 

IV. DE STAKING VAN 1907

 

     Van 30 april tot 3 mei brak een nieuwe staking uit te Hamme. Het resultaat was bevredigend. De arbeiders die in de touwfabrieken werkten, vroegen een loonsverhoging van 25 centiemen en verkregen die. De thuiswerkers eisten 2 frank opslag per week en legden het werk neer. Na vier dagen staken bekwamen ze een opslag van 1 frank en hernamen het werk[158].

 

V. DE STAKING VAN 1912

 

     Het Arbeidsblad geeft vreemd genoeg geen verslag van de staking van 1912. Het vermeldde wel de toestand van de touwslagerij te Hamme in het jaar 1912. Het algemene beeld dat geschetst werd, was het volgende: in december was de toestand slecht te Hamme, er was weinig verkoop en de arbeiders konden maar enkele uren per dag arbeiden. In augustus was de afzet weer wat beter, maar in arbeidsopzicht waren er veel touwslagersgezellen die genoodzaakt waren te gaan werken in het 'Walenland' omdat er in Hamme werkgebrek was en de lonen onvoldoende waren[159].

 

     Tussen december en augustus 1912 was er nochtans een staking geweest te Hamme (in de maand april). Volgens Geert Van Goethem begon de staking op 19 april 1912 bij de fabrikant René Van Damme als gevolg van aansporingen van de in 1912 opnieuw opgerichte christelijke vakbond. De stakers trokken van fabriek tot fabriek en de staking breidde zich uit over heel Hamme. De stakers eisten een loonsverhoging van 0,5 frank en een vermindering van de arbeidsduur van twaalf naar tien uur per dag. De toenmalige burgemeester Edmond De Geyter sympathiseerde niet met de stakers en liet de gendarmen oprukken. Volgens Van Goethem was het op 8 mei dat de fabrikanten een voorstel formuleerden dat neerkwam op een loon van 2,75 frank voor een werkdag van 11 uur en 30 min. en een verhoging van 5% voor het stukwerk van de buitenspinners[160].

 

     Van socialistische zijde werd er opnieuw een vakbond opgericht, de verenigde werkbroeders genaamd. Na de eerste wereldoorlog werden er te Hamme drie syndicaten opgericht met een uitgesproken politieke strekking nl. een christelijke, een socialistische en een liberale vakbond. Deze waren op hun beurt onderverdeeld in drie groepen, nl. de metaalbewerkers, bouw en hout en de textielnijverheid[161].

 

     Na de eerste wereldoorlog geeft het Arbeidsblad geen informatie meer over de touwslagerij te Hamme.

 

VI. DE STAKINGEN NA DE EERSTE WERELDOORLOG

 

     Na de eerste wereldoorlog kende de vakbeweging in België een grote opbloei. De syndicale commissie van België publiceerde haar eerste manifest waarin zij een minimumloon eiste van 1 frank per uur, een invoering van de achturendag en een erkenning van de vakbonden door de patroons. Op initiatief van de regering werden de vertegenwoordigers van de grote vakcentrales in vergadering samengeroepen met de afgevaardigden van de patroons en hieruit ontstonden de paritaire commissies. Deze commissies werden nationaal of gewestelijk ingesteld naargelang het belang van de nijverheid. Op 15 oktober 1919 kwam de gewestelijke paritaire commissie voor textiel tot stand voor Oost- en West-Vlaanderen. Deze commissie wist te verkrijgen dat het minimumloon op 1 frank per uur zou gebracht worden en dat de ploegenarbeid tot acht uur zou verkort worden. De patroons verkregen dat de minimumlonen voor het platteland met tien procent gereduceerd zouden worden. Van een paritaire commissie voor de huisspinners was geen sprake, alhoewel hun situatie tijdens de eerste wereldoorlog niet verslechterd was[162].

 

     Deze minimunlonen werden ingevoerd waar de vakbonden sterk stonden. In Hamme was dit niet het geval en bleef het uurloon voor volwassen 0,75 frank waar ze volgens de paritaire commissie 0,90 frank had moeten bedragen. Deze syndicale zwakheid te Hamme was volgens Gilbert Gobel het gevolg van vier punten:

 

1. De arbeiders hadden in Hamme steeds een lager loon verdiend dan in andere nijverheidsgemeenten.

2. De meeste volwassen arbeiders waren analfabeet en konden de publicaties van de syndicaten en paritaire commissies niet lezen.

3. Er heerste verdeeldheid onder de drie vakbonden te Hamme, die ijverden om elkaars leden af te nemen, en hierdoor te veel afgeleid werden van de syndicale strijd.

4. De leiding van de vakbonden was onbekwaam[163].

 

A. De staking van 1928

 

     In 1928 verdienden de arbeiders te Hamme nog steeds 40 tot 50 centiemen minder per uur dan in Dendermonde. Dit wordt bewezen door volgende tabel.

 

TABEL 22:     Vergelijking tussen de uurlonen van arbeiders te Dendermonde en te Hamme[164]

 

Basislonen in Dendermonde in Frank

10% reductie voor het platteland in Frank

Lonen te Hamme

in Frank

1ste ploegbaas

2,25

2,03

1,62

2de ploegbaas

2,16

1,95

1,46

Toelegger

2,00

1,80

1,46

Wagenman

1,86

1,68

1,46-1,66

Topkar

1,86

1,68

1,46-1,66

Emballeur

1,75

1,58

1,46

Garenteerder

1,80

1,62

1,62

Kemphekelaar

1,84

1,60

1,46

Koermannen

1,65-1,69

1,49-1,52

1,46

Magazijnier

2,25

2,05

1,66-2,00

 

     Omwille van dit grote verschil in minimumloon legden arbeiders van enkele firma's het werk neer. De vakbonden besloten een gemeenschappelijke actie te houden. Op 19 oktober hield men een vergadering waarop men besloot een zelfde basisloon te eisen als in Dendermonde min de 10% reductie voor het platteland. Het resultaat van deze staking was een grote mislukking. De patroons wezen de eis af en dreigden met individuele afdankingen. Er kwam onenigheid tussen de vakbonden en de stakers gingen terug aan het werk[165].

 

B. De staking van 1936

 

     De algemene staking die in België uitbrak in de zomer van 1936 ging uit van arbeiders die een aanpassing van het loon aan de index, betaald verlof, verkorting van de arbeidsduur en eerbiediging van de syndicale vrijheid eisten. Dankzij tussenkomst van de regering werd een overeenkomst bereikt. Voor de textielnijverheid werd beslist dat het minimumloon 30 frank per dag zou bedragen voor arbeiders vanaf 21 jaar[166].

 

     Onder invloed van deze algemene staking, legden de arbeiders in Hamme spontaan het werk neer op 13 juni 1936. De staking begon bij de nachtploeg van de touwfabriek 'Nouvelle filature et corderie de Hamme'. De dagploeg sympathiseerde met de nachtploeg en men trok van fabriek naar fabriek waardoor in de korste keren drieduizend arbeiders op straat stonden. De staking duurde meer dan zes weken. Een uitzondering vormde de firma Le Lis die op de eisen van de arbeiders inging waardoor de staking er maar één dag duurde[167].

 

     Na ongeveer drie weken staken kwam er een overeenkomst tot stand tussen de afgevaardigden van de patroons en de socialistische en christelijke vakbonden. Het volgende werd beslist:

 

1. Erkenning van de volledige verenigingsvrijheid.

2. Zes betaalde verlofdagen per jaar voor arbeiders die gedurende één jaar in dienst zijn van dezelfde patroon.

3. Loonsverhoging met een minimumloon van 30 frank voor mannen vanaf 23 jaar.

Voor de arbeiders per uur een maximale loonsverhoging van 15%.

4. De lonen blijven onveranderd tot 31 oktober 1936[168].

 

     Deze overeenkomst werd door de arbeiders niet aangenomen omwille van het loon. Wanneer de 15% loonsverhoging zou toegepast worden, zou het minimumloon van 30 frank nooit bereikt worden als gevolg van het lage loon dat de arbeiders voor de staking verdienden. Het loon van de arbeiders vanaf de leeftijd van 23 jaar zou maximum 27 frank kunnen bedragen (uitzondering vormde de firma Le Lis, waar men een minimumloon toekende aan de arbeiders vanaf 21 jaar). Twee weken later werd dan toch een overeenkomst bereikt. Men was er niet in geslaagd de minimumlonen op 30 frank te brengen, maar er was een nieuw barema ingevoerd die de arbeiders indeelde volgens graad van scholing en specialisatie.

 

TABEL 23:     Weeklonen van de arbeiders in de touwindustrie te Hamme voor en na de staking[169]

 

Lonen voor de staking in Frank

Lonen na de staking in Frank

1ste ploegbaas

150

185

2de ploegbaas

135

170

Toelegger

135

170

Wagenman

135

190

Topkar

135

190

Emballeur

135

170

Garenteerder

135

185

Kemphekelaar

135

170

Koermannen

135

162

Magazijnier

160

190

 

     Niettegenstaande deze loonsverhoging waren de lonen te Hamme nog steeds lager dan de lonen te Dendermonde. Later werd ook nog een overeenkomst bereikt over de aanpassing van het loon aan de index, de extra vergoeding voor ploegwerk en de verkorting van de arbeidsduur. De staking van 1936 was geslaagd en verbeterde de arbeidsomstandigheden aanzienlijk.

 

VII. BESLUIT

 

     Voor de eerste wereldoorlog moeten de oorzaken van de stakingen gezocht worden in de uitbuiting van de arbeiders door het systeem van de banwinkels en in het propaganda-offensief van de Gentse socialisten. De directe aanleidingen voor de stakingen waren eisen voor loonsverhogingen of vermindering van arbeidsduur die niet werden ingewilligd. Alle stakingen waren algemeen d.w.z. dat zowel de thuisspinners als de arbeiders van de touwslagerijen protesteerden. Daarnaast vertoonden ze meestal hetzelfde stramien. Het oproer begon in één touwslagerij, de arbeiders trokken van fabriek tot fabriek en uiteindelijk legde de hele touwindustrie inclusief de buitenspinners het werk neer. De staking van 1894 was een totale mislukking. De staking van 1900 was alleen gunstig voor de fabrieksarbeiders. De buitenspinners hadden de loonsverhoging niet verkregen en niet lang na hun oprichting werden de katholieke en socialistische beroepsverenigingen opgeheven door tegenkanting van de bazen. De stakingen van 1907 en 1912 slaagden gedeeltelijk in die zin dat de werknemers loonsverhoging kregen, die echter niet in overeenkomst waren met de eisen.

 

     Na de eerste wereldoorlog werd het principe van de minimumuurlonen erkend. Voor Oost- en West-Vlaanderen werd een paritaire textielcommissie opgericht die het minimumuurloon en het maximaal aantal uren ploegenarbeid bepaalde. Deze minimumuurlonen zouden met tien procent gereduceerd worden op het platteland. Deze bepalingen werden niet doorgevoerd te Hamme wegens de syndicale zwakheid van de drie vakbonden. Zij stonden zwak wegens onderlinge verdeeldheid en onbekwame leiding.

 

     In 1928 verdienden de Hamse arbeiders nog steeds minder per uur dan hun Dendermondse collega's. De gemeenschappelijke actie die de Hamse vakbonden hierop organiseerden liep uit op een grote mislukking. Het was wachten op de grote staking van 1936 voor definitieve verbetering van de arbeidsomstandigheden

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[141] G.VAN GOETHEM , Sociaal oproer in Hamme voor de Eerste Wereldoorlog. Onderzoeksnotities,

Bijdragen tot de geschiedenis van het kanton Hamme (Jaarboek), II, 1993, p. 34

 

[142] G. VAN GOETHEM, art. cit., p. 36

[143] C. DE ZUTTERE, op. cit., p. 102

[144] G. VAN GOETHEM, art. cit., p. 36

[145] G. VAN GOETHEM, art. cit., pp. 36-38

[146] Arbeidsblad, Brussel, A. Lesigne, 1900, p. 425

[147] C. DE ZUTTERE, op. cit., p.168

[148] G. GOBEL, op. cit., p. 93

[149] C. DE ZUTTERE, op, cit., p. 169

[150] G. VAN GOEHTEM, art. cit., p. 39

[151] C. DE ZUTTERE, op. cit., p. 170

[152] Arbeidsblad, Brussel, A. lesigne, 1900, p. 425

[153] Ibid., p. 425

[154] Ibid., p. 578 en p. 608

[155] Arbeidsblad, Brussel, A. Lesigne, 1900, p. 1124 en p. 1153

[156] Arbeidsblad, Brussel, A. Lesigne, 1902, p. 525

[157] C. DE ZUTTERE, op. cit., pp. 187-189

[158] Arbeidsblad, Brussel, A. Lesigne, 1907, p. 702

[159] Arbeidsblad, Brussel, A. Lesigne, 1912, p. 25 en p. 1159

[160] G. VAN GOETHEM, art. cit., pp. 43-44

[161] G. GOBEL, op. cit., p. 99

[162] G. GOBEL, op. cit., pp. 101-102

[163] G. GOBEL, op. cit., p. 102

[164] Ibid., p. 107

[165] G. GOBEL, op. cit. pp. 106-107

[166] Ibid., pp. 109-110

[167] Ibid., p. 110

[168] Ibid., p. 111

[169] G. GOBEL, op. cit., p. 113