“Majority Involvement in Minority Movements”. Blanken binnen het Student Nonviolent Coordinating Committee, VS, 1960-1968. ( Caroline Lievens)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk II: Kenmerken van de blanken binnen

de burgerrechtenbeweging.

 

Verschillende politie-instanties in het Zuiden beweerden dat de blanken die deelnamen aan de burgerrechtenbeweging verwarde jongeren waren die enkel rebelleerden tegen het gevestigde gezag. Anderen zagen deze jongeren eerder als psychoten en neuroten die de burgerrechten-beweging aanwendden om op die manier hun eigen persoonlijke problemen op te lossen.

Waren dit uitspraken die enkel blijk gaven van de vooroordelen en het racisme van de verkondigers ervan, of zat er wel degelijk een kern van waarheid in deze beweringen ?

Om dit na te gaan, onderzocht ik eerst de sociologische kenmerken van deze jongeren. Daarna stond ik stil bij de motieven van de blanken om zich te engageren voor de burgerrechtenbeweging en bij de mate van hun engagement.

 

Bij het zoeken naar een antwoord op bovenstaande vragen maakte ik gebruik van twee sociologische onderzoeken, namelijk dat van Alphonso Pinkney en dat van Demerath, Marwell en Aiken. Deze twee werken handelen over de blanken binnen de burgerrechtenbeweging, en dus niet specifiek over de blanken binnen het SNCC. In deze boeken staat men echter wel af en toe stil bij de verdeling van de blanken over de verschillende burgerrechtenorganisaties.

 

Het eerste onderzoek waarop ik steunde is dat van A.Pinkney [41].  In zijn onderzoek hield hij zich bezig met de blanke burgerrechtenstrijders, namelijk met die individuen die zich actief ingezet hadden voor de gelijke behandeling van de Afro-Amerikanen.

Pinkney vroeg zich in zijn onderzoek af waarom de blanken zich engageerden voor de vrijheid van de zwarten. Hij wenste een zo objectief mogelijk beeld te geven van de blanke burgerrechtenactivist om op die manier bestaande opvattingen over deze activisten te ontkrachten of juist te bevestigen. De activisten werden geselecteerd op basis van hun antwoorden op twee groepen vragen. In bijlage heb ik de enquête bijgevoegd. De eerste reeks vragen had betrekking op de intensiteit van de burgerrechtenactiviteiten. Een tweede reeks peilde de activisten naar hun houding en gevoelens tegenover Afro-Amerikanen. (Deze tweede reeks vragen is terug te vinden onder vraag negenenveertig van  appendix 1). Deze laatste vragen waren noodzakelijk om er zeker van te zijn dat de activist vrij was van vooroordelen ten opzichte van de Afro-Amerikanen. Het onderzoek werd in de jaren 1963 en 1964 afgenomen en honderdzesenzeventig enquêtes (of zesenvijftig procent van alle ingezonden exemplaren) werden gebruikt. Daarnaast werden nog drieëndertig diepte-interviews afgenomen. Uit dit alles werden gegevens betreffende zeven verschillende onderwerpen verzameld: (1) sociologische achtergrond; (2) karaktertrekken; (3) mate van betrokkenheid bij de burgerrechtenbeweging; (4) sociale steun voor actie; (5) motivaties voor engagement; (6) problemen waarmee men werd geconfronteerd; (7) algemene houding en gevoelens betreffende de burgerrechten en de burgerrechtenbeweging in de Verenigde Staten.

 

Demerath, Marwell en Aiken [42] voerden een gelijkaardig onderzoek. Zij richtten zich meer specifiek op de blanke activisten van het Summer Community Organization and Political Education (SCOPE) project in de zomer van 1965.

Er waren echter ook verschillen tussen beide onderzoeken. Zo legde dit onderzoek, meer dan dat van Pinkney, de nadruk op hoe het karakter van de beweging de vrijwilligers veranderde en kwamen we minder te weten over de invloed van de vrijwilligers op de beweging. Om die evolutie te kunnen reconstrueren, werden de gegevens niet éénmalig verzameld, maar wel op drie verschillende momenten: net vóór en net na de zomer, en nog een derde keer vier jaar later.

Een tweede groot verschil tussen beide onderzoeken was de categorisering van de blanken. Bij Pinkney betekende de term ‘liberaal’ niet hetzelfde als bij Demerath (zie verder). Aangezien de globale resultaten van beide onderzoeken zeer gelijklopend waren en elkaar hier en daar aanvulden, zag ik er echter geen problemen in om de vragen over de vrijwilligers te beantwoorden aan de hand van deze twee sociologische studies.

Waar beide sociologische onderzoeken een duidelijk verschillende mening hadden, geef ik dit aan.

 

 

2.1 Wie engageert zich ?

 

2.1.1 Terminologie.

 

Aangezien de twee studies verschillende terminologieën aanhaalden en dus niet hetzelfde verstonden onder radicalen en liberalen, wil ik eerst en vooral duidelijk maken hoe de onderzoeken de verschillende  blanken definieerden.  Daarna leg ik kort uit welke terminologie ik in deze thesis volg.

 

Pinkney onderscheidde vier soorten blanke Amerikanen. Deze vier typen konden gerangschikt worden naargelang hun betrokkenheid in de burgerrechtenbeweging, gaande van de reactionair tot de radicaal, met daartussenin de conservatief en de liberaal.

 

Onder de reactionair verstond hij, in de context van de burgerrechtenbeweging, iemand die de terugkeer wenste van ‘de goeie oude tijd’, met andere woorden de periode vóór de burgeroorlog, waarin de zwarten veelal slaven waren en niet als volwaardige mensen werden beschouwd. Buiten de leden van organisaties als de Ku Klux Klan en de Society for the Preservation of the White Race, waren dit soort blanken eerder zeldzaam en waren ze hoofdzakelijk te situeren in het rurale, geïsoleerde Zuiden.

De conservatief wenste geen terugkeer naar het pre-civil war tijdperk, zolang de zaken maar bleven zoals ze waren. De conservatieven waren procentueel meer vertegenwoordigd in het Zuiden, maar ze waren te situeren doorheen de gehele Verenigde Staten. Ze waren niet enkel te vinden binnen de segregationistische White Citizens Counsils, maar ook in organisaties zoals Mothers for a Moral America. Wanneer verlangens voor meer burgerrechten kenbaar gemaakt werden door burgerrechtenorganisaties of door de overheid, waren zij het die op straat kwamen om dit tegen te gaan en om te ijveren voor het behoud van de status quo. Hierbij ging het onder andere over protesten tegen het desegregeren van scholen en het tegengaan van huisvestingsmaatregelen die de zwarten ten goede zouden komen.

Het onderscheid tussen de liberaal en de radicaal was moeilijker te maken. Pinkney wees er terecht op dat de bestaande literatuur weinig onderscheid maakte en dat de term liberaal vaak gebruikt werd voor al diegenen die zich inzetten voor de burgerrechtenbeweging, onafhankelijk van de mate van hun engagement. Binnen dit engagement waren de verschillen echter zo groot, dat een onderscheid wel degelijk nodig was. Of zoals Lomax zei “And as the issue unfolds it is increasingly necessary that a  distinction be made between those who truly support the Negro and his cause and those ‘liberals’ who fail us when the chips are down.” [43]

Pinkney omschreef de liberaal als iemand die verandering betreffende burgerrechten wenselijk achtte, maar die zijn doelstellingen beperkte tot gelimiteerde of geleidelijke veranderingen. Ze waren met andere woorden gekant tegen “too much, too fast”. Of zoals de zwarte radicale auteur James Baldwin hen omscheef: “ What I mean by a liberal is someone who accepts these mechanistic terms and someone, furthermore, whose real attitudes are revealed when the chips are down – someone who thinks you’re pushing too hard when you rock the boat, who thinks you are bitter when you are vehement, who has a set of attitudes so deep that they’re almost unconscious and which blind him to the fact that in talking to a black man, he is talking to a man like himself.” [44]

De radicaal daarentegen was een ondubbelzinnige voorstander van een abrupte en gehele ommekeer in het statuut van de zwarte. Zijn motto luidde “all, here, and now”. Hij beantwoordde het best aan de beschrijving in The Authoritarian Personality van de ‘Genuine Liberal’. Deze werd als volgt omschreven: “One of his conspicuous features is moral courage, often beyond his rational evaluation of the situation. He cannot ‘keep silent’ if something wrong is being done, even if he seriously endangers himself. Just as he is strongly ‘individualized’ himself, he sees the others, above all, as individuals, not as specimens of  a general concept … He shares the vigor of identification with the underdog.” [45]

 

In deze paper behandel ik voornamelijk die blanken, die Pinkney als radicalen omschreef. De blanke vrijwilligers en permanente leden van het SNCC waren in die mate betrokken, dat ze fundamenteel actief waren in de strijd voor gelijkheid ondanks de gevaren en nadelen die ze hierbij aan den lijve ondervonden. Opvallend in de burgerrechtenstrijd was, dat het de blanken zelf geen duidelijke, en zeker geen kortetermijnvoordelen opleverde. Met andere woorden, ze engageerden zich in een strijd die niet de hunne was.

Ik heb het in mijn thesis dus niet over initiatieven van blanke politici, blanke intellectuele denkers ... , en dit in tegenstelling tot het boek van David Chappell [46] . Hij richtte zich voornamelijk op de gematigde blanken uit het Zuiden. Zij hadden, volgens Chappell, meer invloed in de Zuidelijke gemeenschappen dan de radicalere blanken. Daardoor waren ze, ondanks hun niet altijd even nobele bedoelingen, beter in staat om tot compromissen te komen tussen segregationisten en burgerrechtenactivisten om zó effectieve veranderingen tot stand te brengen. Over deze blanken heb ik het niet wanneer ik spreek over ‘Majority Involvement in Minority Movements’.

 

De term ‘radicaal’ in de zin die Pinkney eraan gaf, vind ik echter minder gepast voor het omschrijven van de door mij onderzochte blanken. Ik zou die term liever gebruiken om de politieke levensstijl van sommige vrijwilligers te omschrijven. Met de term ‘radicaal’ bedoel ik die actieve studenten (diegenen die nog actief bezig zijn met de burgerrechtenbeweging, anti-Vietnambetogingen,...) die een soort aliënatie van de maatschappij vertoonden, of althans de bestaande Amerikaanse maatschappij in twijfel trokken.

Als ik het, in de context van de burgerrechtenbeweging, over liberalen heb, gaat het om blanken die niet actief waren binnen het SNCC, maar die betrokken waren bij de burgerrechtenbeweging via andere organisaties of politieke stromingen. Denk hierbij aan jongeren uit de Students for a Democratic Society (SDS) of aan leden uit de New Left. Daarbij wil ik me niet uitspreken over de mate van hun engagement. Als ik het over de blanken binnen het SNCC heb, doel ik op die blanken die eerder door Pinkney als radicaal werden omschreven.

 

Maar wat waren nu de kenmerken van deze blanke vrijwilligers? Waren het atheïstische, communistische, rebelse jongeren zonder doel in hun leven zoals ze vaak werden afgeschilderd in de pers?

 

2.1.2 Sociologische kenmerken.

 

De blanke vrijwilligers binnen de burgerrechtenbeweging waren geenszins een homogene groep. Toch hadden Demerath en Pinkney onderzoek gedaan naar enkele sociologische variabelen zoals geslacht, sociale achtergrond, religie en dergelijke meer.

Ik beperk me in dit deel tot het weergeven van generalisaties die konden gemaakt worden aan de hand van beide werken.

 

Globaal gezien waren de blanke vrijwilligers jong, hoewel de activisten uit alle leeftijdsgroepen afkomstig waren. Het overgrote deel van de activisten was beneden de dertig jaar, maar er waren ook enkele tachtigjarigen verbonden met de strijd voor gelijkheid. Dat er zoveel jonge mensen betrokken waren bij de burgerrechtenbeweging is verklaarbaar door het feit, dat zij minder belang hadden bij het in stand houden van de status quo. Daarnaast hebben jonge mensen minder verantwoordelijkheden waarmee ze rekening moeten houden. Een universiteitsstudent kan het zich makkelijker permitteren om zich actief in te zetten dan de kostwinner van een gezin.

 

Er waren iets meer mannen dan vrouwen betrokken in de strijd. Het SNCC had als enige organisatie een hoger percentage vrouwen dan mannen. Dit hoog aantal vrouwen is in tegenspraak met de samenstelling van andere gelijkaardige organisaties die maatschappelijke doeleinden nastreven. Het aantal vrouwen in de burgerrechtenbeweging was dus erg hoog, zeker wanneer we aannemen dat vrouwen minder actiegericht waren, en we de brutaliteit waarmee verschillende vrijwilligers geconfronteerd werden in aanmerking nemen.

 

Eén van de meest in het oog springende kenmerken van de activisten was hun hoge opleiding. Ze onderscheidden zich daarmee duidelijk van de bevolking in het algemeen. Meer dan negentig procent studeerde aan de universiteit of had een universitair diploma. Een hoge opleiding leek bijna een vereiste voor de motivatie om deel te nemen aan acties om sociale verandering teweeg te brengen. Dit verklaarde mede waarom de activisten zo jong waren. De jongeren van de jaren zestig hadden een betere opleiding achter de rug dan hun ouders.

Hoe langer men formeel onderwijs genoten had, hoe meer iemand geneigd was kritisch te staan tegenover sociale wanpraktijken, zeker wanneer deze ver verwijderd waren van de openlijk verklaarde doelstellingen van de maatschappij.

Het feit dat er zoveel hoogopgeleide studenten waren onder de activisten, werd ook verklaard door de sociale achtergrond. De meesten kwamen uit de middenklasse, en veelal uit de hoge middenklasse. Deze achtergrond was echter gewoon voor de doorsnee student aan een doorsnee universiteit. De hoge status was wel een helpende factor om zich actief in te zetten. Enkel studenten met genoeg geld konden het zich veroorloven om twee of drie maanden in de zomer te gaan meehelpen in plaats van een vakantiejob te doen.

Opvallend was wel dat de activisten, in vergelijking met de niet-actieve studenten, de betere studenten waren. Zo ambieerden verschillende onder hen een doctoraatstitel en waren de gemiddelde resultaten van de activist aanzienlijk hoger dan van de niet-geëngageerde. De vrijwilligers waren toegewijd aan het onderwijs en de universiteit bekleedde een centrale positie in hun leven.

Wel hadden ze een verschillende visie op wat de universiteit was en moest zijn dan de meeste andere studenten. Zo vonden de geëngageerde studenten dat de universiteit in de eerste plaats een bron moest zijn van waarden en sociale vaardigheden. Voor de andere universiteitsstudenten bestond de taak van de universiteit uit het aanleren van praktische vaardigheden die nuttig waren voor het latere beroepsleven of  doodgewoon voor het behalen van een diploma. Deze verschillende visies tussen de actieve en niet-actieve studenten uitte zich ook in de studiekeuze. Het sprak voor zich dat de actieve student eerder voor een programma koos dat zich bezighield met sociale problemen en dat zich meer richtte op een algemene vorming dan op een beroepsgerichte aanpak. Denk hierbij aan richtingen zoals sociologie, sociaal werk, geschiedenis, politieke wetenschappen ...

Daarnaast viel ook op dat de vrijwilligers een duidelijk hogere opleiding hadden genoten dan hun vaders.

 

De burgerrechtenbeweging had traditioneel een religieuze basis. Het was dus niet verwonderlijk dat de religieuze oriëntatie van de beweging met haar nadruk op het geweldloos karakter, blanke vrijwilligers aantrok die zelf erg religieus waren. Er waren echter zowel diep religieuze als anti-religieuze mensen betrokken in de burgerrechtenbeweging. Een grote groep was enkel in naam religieus. Wat echter opviel, was dat er een tendens heerste om de conventionele religie te verwerpen, terwijl er tegelijkertijd wel veel belang werd gehecht aan morele en ethische voorschriften.

De verwerping van de conventionele religie kwam mede voort uit de opleiding die ze volgden en uit hun activisme. De formele religie-instanties waren bovenal een conservatieve kracht in de Verenigde Staten. De meeste religieuze groepen vervoegden de burgerrechtenbeweging pas erg laat en daar hingen toch wel enorme morele implicaties aan vast. Qua samenstelling waren zowel protestanten, katholieken als joden aanwezig. Katholieken waren algemeen ondervertegenwoordigd in de burgerrechtenbeweging. De meeste katholieken vond je binnen het SNCC. Bij de studie van Pinkney waren de joden nog overgepresenteerd, bij Demerath was dit niet langer het geval.

 

Hoe dachten de studenten over algemene politieke topics en met welke partijen hadden ze de meeste affiniteit?  Het was het meest waarschijnlijk dat de activisten personen waren die pleitten voor vergaande sociale verandering. Aan de andere kant was het minder waarschijnlijk dat er activisten waren die de meer conservatieve idealen aanhingen. Zo konden we aannemen dat iemand die conservatief was op politiek en economisch vlak, ook geneigd was conservatief te zijn wanneer het op burgerrechten aankwam. 

 

Over politieke ideeën verschilden de werken van Demerath en Pinkney meer dan wat de andere onderwerpen betrof. Zo noteerde de studie van Pinkney een aanzienlijk hoger percentage socialisten dan het werk van Demerath. Dit had waarschijnlijk te maken met het feit dat de vrijwilligers die Pinkney heeft ondervraagd uit verschillende burgerrechten-organisaties kwamen, terwijl Demerath enkel de vrijwilligers heeft ondervraagd die zich associeerden met de SCLC. Deze beweging was in de jaren ’64 en ’65 toch heel wat gematigder dan het SNCC en CORE, waartoe de meeste vrijwilligers van Pinkney’s onderzoek behoorden. Voor dit onderdeel steun ik dus hoofdzakelijk op het werk van Pinkney.

Daaruit bleek dat de overgrote meerderheid de twee conventionele partijen verwierp. Slechts drie procent sloot zich aan bij de Republikeinen tegenover negentwintig procent bij de Democraten. Het overgrote deel omschreef zich als socialist (vierendertig procent). Daarnaast was er nog een groep die zich als onafhankelijk omschreef (zesentwintig procent) en acht procent hoorde bij geen van bovenstaande groepen, zoals sommige leden van de New York’s Liberal Party. Het moge duidelijk zijn dat er een grote teleurstelling heerste ten opzichte van de conventionele politiek wat betrof haar acties voor het verbeteren van de status van de zwarte.

Sommige vrijwilligers zaten met het gevoel dat er nog maar heel weinig was veranderd sinds Emancipation [47] en dat vooroordelen en discriminerende maatregelen nog zo diepgeworteld aanwezig waren dat enkel wijdverspreide veranderingen in de structuur van de maatschappij de nodige ommekeer in de situatie van de zwarten konden teweegbrengen. Het is net die overtuiging die ervoor zorgde dat de blanken binnen de burgerrechtenbeweging vaak als communistisch werden bestempeld.

Een meerderheid van de vrijwilligers geloofde echter nog in de maatschappij en in de mogelijkheid van de politiek om betekenisvolle veranderingen door te voeren. Het was echter wel zo dat de vrijwilligers (en dan voornamelijk de studenten binnen die groep) zich onderscheidden van andere studenten door hun neiging om zich zorgen te maken over een groot aantal problemen. Hierbij leunden ze ook meer naar links dan de doorsnee student.

 

 

2.2 Bronnen van engagement , het waarom van het engagement ?

 

Wat in het oog sprong was het feit dat de meeste studenten niet zo’n fundamenteel andere visie hadden op de noodzaak tot meer burgerrechten dan de niet-deelnemende blanke student uit het Noorden. De doorsnee student stond sympathiserend ten opzichte van de burgerrechtenbeweging en er heerste onder de meeste studenten een grote bewondering voor de vrijwilligers. Het was, met andere woorden, niet het standpunt betreffende de burgerrechten dat de magische sleutel was tot actieve participatie.

Wat daarentegen wel opviel was dat de actieve student duidelijk van de andere studenten te onderscheidden was betreffende enkele andere ideologische kwesties. Velen onder hen geloofden dat er meer initiatieven moesten worden genomen ten voordele van de hulpbehoevenden en tegen het dreigende oorlogsklimaat. Zo leefden ze in de overtuiging dat een groot deel van het federaal budget aan armoe, medische zorgen, onderwijs ... moest worden besteed; dat er blijvende economische hulp geboden moest worden aan ontwikkelingslanden; dat er naar een oplossing voor Vietnam moest worden gezocht en dat er een fifty-fifty kans was op een nucleaire oorlog binnen de volgende tien jaar.

In dit alles verschilden de vrijwilligers aanzienlijk van hun medestudenten. Het was dus vooral in deze bredere politieke context dat ze zich onderscheidden van de rest. We kunnen hier eigenlijk uit besluiten dat veel vrijwilligers gemotiveerd waren om deel te nemen aan de burgerrechtenbeweging, door zowel hun betrokkenheid bij non-raciale kwesties als door het belang dat ze stelden in de burgerrechten op zich.

 

Hoewel kwesties zoals binnenlandse armoede, nucleaire bewapening, buitenlands beleid ... hen in gelijke mate intrigeerden als de rassenverhouding in de Verenigde Staten, was het in de beginjaren van de jaren ’60 enkel op het domein van de rassenproblematiek dat men zich consequent in de strijd kon werpen. Dit werd mede bevestigd door het feit dat, naarmate de anti-Vietnambeweging en de Free Speech Movement zich ontwikkelden, de burgerrechtenbeweging veel van haar actieve aanhangers ‘kwijtraakte’ aan deze bewegingen. Ook het onderstaande antwoord van een SCOPE-vrijwilliger wees erop dat de burgerrechtenbeweging de aangewezen weg leek, om op dat moment het ongenoegen over verschillende aspecten van de Amerikaanse maatschappij publiek te maken.

“It’s kind of like a commitment to history, when I don’t want to be committed to history, and I’m wary about making history at all … It’s like holding up your hand in front of a freight train and saying ‘stop’. You just get run over. The thing to do is to … present your body so that you don’t get annihilated. There are different ways to commit yourself, and I don’t want to be destroyed in the process. I want to be effective, and I didn’t feel that I could be, until I became aware of the movement.” [48]

 

Wat maakte de burgerrechtenbeweging nu zo aantrekkelijk? De periode dat de meeste vrijwilligers de beweging vervoegden, was er één die gekenmerkt werd door successen.

De beweging kreeg in toenemende mate aanzien en de federale overheid merkte dat ze niet langer om de eisen van de burgerrechtenbeweging heen kon. Daarnaast was het ook een zeer toegankelijke beweging. Ze recruteerde haar leden zonder rekening te houden met bureaucratische normen of met afkomst. Zo nam het SNCC de volgende positie in qua recrutering van nieuwelingen: “The freedom movement should accept people regardless of religion, race, political views or national origin if they comply with the rules of the movement”. Hoewel het overdreven is om te stellen dat de vrijwilligers op actie beluste jongeren waren, mag men de aantrekking die uitging van het avontuurlijke en exclusieve karakter dat de beweging in het Zuiden kenmerkte, niet onderschatten. 

Samengevat bood de burgerrechtenbeweging een structurele politieke identiteit aan mensen met wijdverspreide politieke bekommernissen. Door de aandacht te vestigen op het breder gamma van politieke kwesties waarmee de studenten begaan waren, wil ik hun toewijding ten opzichte van de burgerrechten allerminst in vraag stellen. Ik wil enkel aantonen dat hun geweten door verschillende bekommernissen was wakker geschud en dat verschillende politieke kwesties aan de oorzaak lagen van hun participatie.

 

Motivaties om deel te nemen moesten echter ook op een meer persoonlijk niveau worden gezocht. De studenten hadden zeer veel moeite om de vraag naar het waarom van hun deelname te beantwoorden, maar toch kunnen we de antwoorden in twee grote categorieën indelen.

Zo kon er een onderscheid gemaakt worden tussen de ‘self-oriented’ en de ‘other-oriented’ motivaties. Met de eerstgenoemde, bedoelde Demerath de motivaties die betrekking hadden op meer persoonlijke realisaties. Denk hierbij aan motivaties zoals van de volgende SCOPE-vrijwiligers “I’m using this summer, I’m using the experience for my own ends. I don’t see why I should feel guilty about that, because that’s the way I live life. I want to get as much out of everything I do as possible. And I’m certainly not hurting anyone” of “I wanted to destroy my myths about Negroes” [49].

De ‘other-oriented’ motivaties waren die motivaties die de eigen persoon zagen als een middel om grotere doelen te realiseren en waar het individu zelf niet direct voordelen bij had. Een voorbeeld hiervan geeft de volgende SCOPE-vrijwilliger “Something is basically wrong with America – I want to do something about it” [50].

Een analyse van de verschillende motivaties die de vrijwilligers opgeven, wees erop dat de meeste motivaties ‘self-oriented’ waren. Dit mag echter niet verward worden met egoïstische motivaties.

Omdat de beweging en vooral de eigen rol erin nogal onduidelijk leek, zagen de vrijwilligers hun deelname aan de beweging als een mogelijkheid om hun persoonlijke moed in stressvolle omstandigheden uit te testen of als een manier om meer zin aan hun leven te geven. Deze motivaties leken het verwijt van Carmichael te bevestigen dat  “many volunteers went South as members of the Pepsi generation to be where the action is” [51]. Carmichael zat er dan ook niet volledig naast. Toch kon deelname aan een burgerrechtenbeweging niet vergeleken worden met verschillende andere kicks waarnaar jongeren op zoek gingen, om op die manier hun leven boeiender te maken. Hierboven zagen we al dat diezelfde vrijwiligers zich ook aangetrokken voelden tot een breed gamma van andere sociale en politieke kwesties. Er bestonden echter geen gelijkaardige projecten. Alles wees er dan ook op dat hun self –oriented motieven enkel konden bevredigd worden door hun verbintenis met een belangrijke sociale zaak. 

 

Vaak werden deze vrijwilligers afgebeeld als rebellen of als mentaal gestoorde jongeren. Dat hun motivaties eerder op zichzelf gericht waren, wilde echter niet zeggen dat ze zich bij de burgerrechtenbeweging hadden aangesloten als gevolg van persoonlijke problemen. Zowel het onderzoek van Demerath als dat van Pinkney bevestigden dat de vrijwilligers niet met andere of zwaardere problemen te kampen hadden dan de doorsnee jongere. De meesten waren dan ook producten van de ‘typische’ familie.  Demerath voegde daar nog aan toe, dat er bij de vrijwilligers een grotere mate van onafhankelijkheid was ten opzichte van de ouders dan bij de doorsnee student. Deze onafhankelijkheid werd soms verkeerdelijk voor rebellie aanzien. 

We kunnen besluiten dat de geëngageerde studenten zeker geen buitenbeentjes waren op persoonlijk vlak. Op sociologisch vlak was er een duidelijke linkse oriëntatie aanwezig, maar nog niet in die mate dat er een vervreemding van de maatschappij uit voortkwam (tenzij bij een klein percentage). De motivatie om iets te doen voor de zwarte bevolking, kwam voort uit een algemene bezorgdheid wat betreft sociale kwesties en werd nog versterkt door motieven die op de eigen persoon waren gericht.

 

 

2.3 In welke mate engageert men zich?

 

Het aantal verschillende burgerrechtenorganisaties was legio. Hun aanvankelijke doelstellingen kwamen globaal gezien overeen, maar de verschillende manieren om deze doelstellingen te realiseren, lagen ver uit elkaar. De organisaties werden dan ook gekenmerkt door verschillende gradaties van strijdvaardigheid. Pinkney onderzocht welke organisaties het meest succes hadden bij de blanke vrijwilligers. Zelf ga ik in het volgende deel na, welke kenmerken eigen zijn aan de blanke activist die voor het SNCC koos. Daarna bekijk ik waaruit hun engagement bestond, en wat hun activisme inhield.

 

Zowel CORE als het SNCC oefenden in 1963 en 1964 meer aantrekking uit op blanke vrijwilligers dan de andere, meestal meer gevestigde organisaties zoals NAACP en SCLC. Hieruit bleek duidelijk dat de vrijwilligers zich nauwer gingen aansluiten bij de meer militante organisaties, die minder gedisciplineerd waren in hun aanpak van de problematiek. Hierbij mogen we echter niet uit het oog verliezen, dat het om de actieve deelnemers ging en dat de aantrekking van blanke vrijwilligers niet gelijkgesteld kon worden met de aantrekking die de beweging op de blanke Amerikaanse bevolking uitoefende. Het SNCC zal, in veel grotere mate dan de andere organisaties, jonge vrijwilligers aantrekken die zich gedistantieerd hadden van de geldende Amerikaanse waarden. De ouderen richtten zich eerder tot de NAACP. In de eerste plaats omdat die beweging al bestond sinds 1909 en dus de voornaamste en meest bekende was. Ten tweede omdat hun aanpak gematigd was en via legale weg, voornamelijk via rechtszaken, gebeurde.

 

Opvallend binnen het SNCC was de overrepresentatie van socialisten en onafhankelijken. Wat we globaal merken, was dat diegenen met de meest afwijkende ideeën (in vergelijking met de gemiddelde Amerikaan), ook de meest militante organisaties vervoegden. Omgekeerd kon je misschien ook stellen, dat juist die bewegingen zo militant werden door het aandeel van de radicaal-denkenden. Hun strijd uitte zich dan ook op een andere manier dan deze van de meer gematigde bewegingen.

 

Zoals eerder gezegd, voerde de NAACP haar strijd voornamelijk via rechtszaken. De SCLC hield zich bezig met het inschrijven van stemgerechtigden, met desegregatie en met een amalgaam van directe acties. Hun strijd stond meestal onder leiding van geestelijken, en de beweging werd gedomineerd door enkele sterke persoonlijkheden. Weinig blanken waren effectief lid van de organisatie, terwijl de morele en financiële steun van blanken aan de organisatie daarentegen aanzienlijk was.

CORE en het SNCC trokken de meeste blanke activisten aan. Hun basisbezigheden waren het inschrijven van stemgerechtigden, onderwijs, politieke actie. Het SNCC hield zich, in tegenstelling tot CORE, voornamelijk op in het diepe Zuiden. Het grote verschil met de SCLC was niet het soort acties, maar de manier waarop ze tegenover die acties stonden. Zo trok het ongestructureerde karakter van het SNCC vele jonge, militante jongeren aan. Het ontwikkelen van lokaal leiderschap, het oprichten van freedom schools ... waren elementen die de blanke studenten enorm aantrokken. 

 

 

2.4. Samenvatting.

 

Uit de onderzoeken van Pinkney en van Demerath, Marwell en Aiken kon men, ondanks de heterogeniteit van de groep, toch enkele sociologische kenmerken afleiden van de blanken binnen de burgerrechtenbeweging.

Zo waren de meeste activisten jonger dan dertig jaar, was het percentage mannelijke activisten slechts een beetje hoger dan het percentage vrouwelijke activisten en was het meest in het oog springende kenmerk van de activisten de hoge opleiding die ze hadden genoten.

De activisten blonken binnen hun richtingen meestal ook uit boven hun medestudenten. In hun ogen diende de universiteit in de eerste plaats als een bron voor waarden en sociale vaardigheden en de richtingen die ze kozen lagen dan ook eerder op het terrein van de menswetenschappen dan van de exacte wetenschappen.

De grootste groep binnen de blanke burgerrechtenactivisten, was enkel in naam religieus en op politiek vlak was de verwerping van het overgrote deel van de groep van beide conventionele partijen opvallend. Toch leidde deze teleurstelling in de conventionele politiek in de meeste gevallen niet tot een aliënatie van de maatschappij.

 

De motivaties voor deelname aan de burgerrechtenbeweging moesten niet zozeer gezocht worden binnen de bekommernis om het statuut van de zwarten, maar meer in de bezorgdheid omtrent een heel gamma van sociale kwesties, zoals federale steun aan hulpbehoevenden, oplossen van conflicten, ... Op het persoonlijk vlak waren de motivaties meestal gericht op de eigen persoon, zoals het strijden tegen de eigen vooroordelen. Dit wilde echter niet zeggen dat de activisten probleemjongeren waren. Ze hadden met dezelfde problemen te kampen als elke andere jongere, en de meesten onder hen waren dan ook producten van de typische familie.

 

De meerderheid van de activisten voelde zich het meest aangetrokken tot de militantere bewegingen zoals CORE en het SNCC. Aanvankelijk kenden deze bewegingen dezelfde doelstellingen als de andere organisaties, maar de manier waarop ze ermeer omgingen was verschillend.

De jonge activisten voelden zich het meest thuis binnen die bewegingen waar lokaal leiderschap werd ontwikkeld en de organisatie niet gebureaucratiseerd was.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[41] A. PINKNEY, The Committed: White Activists in the Civil Rights Movement, New haven, College & University Press, 1968, 239p.

[42] N.J. DEMERATH III, G. MARWELL & M.T.AIKEN, Dynamics of Idealism: White Activists in a Black Movement, San Francisco, Jossey-Bass, 1971, 228 p. EN , id., “Criteria and Contingencies of Success in a Radical Political Movement”, in: Journal of Social Issues, 27, 1971, n°1, pp. 63 -80.

[43] L.E. LOMAX, The Negro Revolt, New York, Signet Books, 1962,  p.204.

[44] J. BALDWIN, in: Commentary, maart 1964, p.38.

[45] T.W. ADORNO, et.al., The authoritarian personality, N.Y., Harper and Brothers, 1950, p.781

[46] D. L. CHAPPELL, Inside Agitators: White Southerners in the Civil Rights Movement, Baltimore, Johns Hopkins University Press, 1994, 303 p.

[47] Emancipation: periode die aanvangt met de Emancipation Act (1863), een verklaring waarbij de slavernij werd afgeschaft.

[48] SCOPE-volunteer, in:  DEMERATH, Dynamics of Idealism… , p.21

[49] DEMERATH, Dynamics of Idealism…, p.37