De crisis van de jaren 1840 in Lokeren. Bepaling van het profiel van de Lokerse gezinnen in deze crisisjaren. (Evelyn Bullaert)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel II: Bepaling van het profiel van de Lokerse gezinnen in de crisisjaren

 

D. HET PROFIEL VAN DE LOKERSE WELGESTELDE KLASSE

 

1. Algemeen

 

Om het rijkere deel van de Lokerse bevolking te abstraheren uit het totaal van de onderzochte gezinnen, werd in eerste instantie gebruik gemaakt van de belastingslijsten. Zowel de lijsten waarop de namen van de gezinshoofden staan die patentbelasting verschuldigd zijn, als diegene die grondbelasting moeten betalen, werden vergeleken met de bevolkingsfiches.[247] Vermits de meest betrouwbare armenlijsten die werden gebruikt om het profiel van de Lokerse ondersteunden op te maken voorhanden waren voor 1844, werden ook de belastingslijsten van 1844 geconsulteerd, om op die manier een zo eenduidig mogelijke doorsnede van de Lokerse bevolking te verkrijgen. Omdat de gegevens in verband met de personele belasting niet werden bewaard, werden ook nog andere criteria vooropgesteld om bepaalde families als welgesteld te definiëren. Enerzijds werd rekening gehouden met het beroep; de fabrikanten en personen met een vrij beroep, en ook diegenen die in de bevolkingsregisters als ‘bijzondere’ worden aangeduid, en met andere woorden als renteniers door het leven gaan, worden, ook als ze geen belasting betalen, aanzien als welgesteld. Anderzijds werd ook het dienstpersoneel onder de loep genomen en werd het in dienst hebben van tenminste twee personeelsleden eveneens als indicator van welstand beschouwd.

 Via deze methode werden in totaal 490 belastingbetalers bekomen. Het overgrote deel van hen, 332 gezinnen om precies te zijn, betaalt patentbelasting. De overige 158 zijn grondbelasting verschuldigd. Van deze 490 families betalen er 71 zowel grond – als patentbelasting. Bovendien werden er nog 33 families weerhouden omwille van hun beroep of het aantal personeelsleden dat ze in dienst hebben. Voornamelijk renteniers werden op deze manier aan de lijst van welgestelde lieden toegevoegd.

 Een rekensommetje leert ons dat maar liefst 523 van de 1123 onderzochte gezinnen voldoen aan één van de bovenstaande criteria. Dit betekent dat niet minder dan 47%, of bijna de helft van de Lokerse bevolking, bemiddeld zou zijn, zelfs in de crisisperiode van de jaren 1840. Bovendien vond men 13 gezinnen terug die zowel op de armenlijsten als op de belastingslijsten vermeld staan, 10 onder hen betalen patentbelasting, 3 grondbelasting. Dit resultaat toont eens te meer aan dat voorzichtig moet worden omgesprongen met het begrip ‘rijke klasse’. Het is immers niet mogelijk dat in tijden van economische crisis bijna de helft van de Lokerse inwoners als bemiddeld, laat staan ‘rijk’, kan worden beschouwd. Men moet er zich dan ook van bewust zijn dat het meest omvangrijke deel van deze onderzochte gezinnen het naar alle waarschijnlijkheid gewoon goed heeft en zich geen financiële zorgen hoeft te maken, het aantal families dat in pure weelde leeft is echter uiterst beperkt te noemen.

 

2. Beroepsstructuur

 

2.1. Het aandeel van de actieve bevolking binnen de welgestelde klasse

 

Tabel: Percentage actieve bevolking binnen de verschillende groepen welgestelden

 

Patent

Grondb.

Patent+grond

Andere

Gemiddelde

% Actieve bevolking

53,4

61,2

51,3

79,7

57

 

Gemiddeld genomen kan 57% van de welgestelde klasse tot de actieve bevolking worden gerekend. Dit is een lagere waarde dan voor de totale onderzochte Lokerse bevolking werd berekend, de algemene gemiddelden vertonen immers een activiteitsgraad van 64%. De voornaamste verklaringsfactor voor dit lagere percentage vloeit net voort uit de mate van welstand die deze gezinnen kenmerkt. In de rijkere gezinnen is immers vaak enkel het gezinshoofd (en eventueel zijn partner) actief. Men voelt immers niet de financiële noodzaak om, zoals bij de ondersteunden, ook de kinderen aan het werk te zetten in een poging zelfstandig te overleven. Integendeel, vaak zijn er voldoende middelen voorhanden om één of meerdere kinderen te laten studeren. Wanneer men de verschillende ‘categorieën’ van gegoeden apart bekijkt, bemerkt men grote onderlinge verschillen.

 De zogenaamde ‘andere welgestelden’, dit zijn de gezinnen die op basis van het beroep van het gezinshoofd of het aanwezige dienstpersoneel werden geselecteerd, vertonen de hoogste activiteitsgraad, meer bepaald 80%. Vermits de personen binnen deze kunstmatig samengestelde groep net op basis van hun beroepsactiviteiten als gegoed worden gedefinieerd, ligt het percentage van de actieven uiteraard zeer hoog.

 De betalers van grondbelasting vertonen een actieve bevolking die met een aandeel van 61%, vrij nauw aansluit bij de algemene gemiddelden. Zoals verder nog meer in detail zal worden besproken, is het grootste deel van de bevolking die wordt belast op grondbezit werkzaam in de landbouw. De hoge arbeidsintensiteit van deze sector vormt de voornaamste reden voor de hogere activiteitsgraad van deze belastingbetalers.

 In dat deel van de bevolking dat patentbelasting betaalt, is slechts 53% van de totale bevolking aan het werk. De gezinnen die zowel grond- als patentbelasting verschuldigd zijn, kenmerken zich door een percentage actieven dat slechts de helft van de totale bevolking bedraagt. Hiermee kennen zij niet alleen de laagste activiteitsgraad van alle welgestelden, ze vertonen eveneens een waarde die maar liefst 13% lager ligt dan de algemene gemiddelden.

 

2.2. Procentueel aandeel van de welgestelde klasse in de verscheidene arbeidssectoren[248]

 

De algemene gemiddelden tonen aan dat de handel als belangrijkste werkverschaffer van de welgestelde klasse kan worden beschouwd, maar liefst 17% van de actieve gegoeden is als handelaar tewerkgesteld. Dit hoge percentage is voornamelijk te wijten aan het aanzienlijke overwicht van het aantal personen dat via de patentbelasting belast wordt op hun zelfstandige arbeid in de handel of de nijverheid, maar liefst 332 van de 1123 gezinnen betaalt patent, binnen deze groep zijn 920 personen actief.

 Het dienstpersoneel is met 16% eveneens sterk vertegenwoordigd binnen de gegoede klasse. Men kan echter veronderstellen dat het overgrote deel van hen als meid of knecht tewerkgesteld is bij de rijkere families. Het is immers vrij onwaarschijnlijk dat men via dit eerder inferieure beroep een zekere mate van welstand kan bereiken.

 Ook de landbouwers stellen, met 12%, een aanzienlijk percentage van de bemiddelde bevolking tewerk. Binnen deze landbouwersgroep zijn voornamelijk de betalers van grondbelasting goed vertegenwoordigd.

 Net geen 12% van de gegoede klasse verdient zijn inkomen via de kledingssector. Hier zijn het voornamelijk de patentbetalers die verantwoordelijk zijn voor het aanzienlijke aandeel van deze arbeidssector binnen de welgestelde klasse. De textielsector verschaft, als vijfde belangrijkste beroepsgroep, werk aan 11% van de welgestelde Lokerse inwoners. De grondeigenaars, nadrukkelijk aanwezig in de zogenaamde ‘andere welgestelden’ (vermits deze personen onder andere via het beroepscriterium werden geselecteerd), kennen een aandeel van 7%.

 

Zoals reeds aangegeven wordt de welgestelde klasse verdeeld in vier ‘categorieën’, de patentbetalers, de personen die grondbelasting verschuldigd zijn, diegenen die zowel grond- als patentbelasting moeten ophoesten en de ‘andere welgestelden’, geselecteerd op basis van andere dan de belastingscriteria. Wat de rangorde van de verschillende beroepssectoren betreft vertonen zij allen hun eigen, specifieke kenmerken.

 Bijna één vierde van de betalers van patentbelasting is actief als handelaar. Wanneer men weet dat patentbelasting geheven wordt ‘op alle personen die op zelfstandige basis in de handel of de nijverheid actief zijn’, hoeft deze hoge waarde uiteraard niet te verwonderen.[249] De winkeliers zijn met 44% het sterkst aanwezig, zowel de kooplui als de herbergiers kennen een aandeel van 21%.

 De kledingsector herbergt eveneens een hoog aantal patentbetalers, met name 17%. Vooral de schoenmakers zijn met 27% nadrukkelijk aanwezig, de kleermakers vertegenwoordigen 24%, de naaisters komen op een derde plaats terecht met 14%. De welgestelden blijken voornamelijk een inkomen te verdienen in de eigenlijke ambachten, de inferieure beroepen die binnen de ondersteunde klasse veel werklieden vinden, zijn hier nauwelijks aanwezig.

 De arbeidssector ‘dienstpersoneel’ bevindt zich met 14% op een derde plaats. De meiden kennen binnen deze beroepsgroep een aandeel van maar liefst 74%, de knechten vertegenwoordigen 13%. Aan de hand van deze cijfers wordt het opnieuw duidelijk dat het hier opnieuw om inwonende personeelsleden gaat die ten dienste staan van de gegoede bevolking.

 Hoewel de textielsector, met 11%, niet zoals bij de ondersteunden de voornaamste werkverschaffer is binnen de bevolkingsgroep die patentbelasting moet ophoesten, blijken het toch opnieuw de typische huisnijverheden te zijn die binnen deze sector dominant aanwezig zijn. Maar liefst 45% van de zogenaamde welgestelde textielarbeiders is immers werkzaam als kantwerkster, hét armenberoep bij uitstek. Ook de andere beroepen die binnen de ondersteunde klasse dominant aanwezig zijn, vindt men in deze welgestelde bevolkingsgroep vaak terug, de wevers vertegenwoordigen immers 15% van alle personen actief in de textielsector, de spinsters nemen 14% voor hun rekening. Deze tendens is op zijn minst vreemd te noemen en kan gedeeltelijk worden verklaard door het feit dat men zich niet blind mag staren op de welstand van de belastingbetalers, niet alle belastingplichtigen kunnen immers ruim leven. Alle andere arbeidssectoren zijn slechts zeer beperkt aanwezig binnen de groep patentbetalers.

 

Het aantal personen dat binnen de welgestelde klasse belast wordt op grondbezit is voornamelijk actief in de landbouw, meer bepaald 27% van deze belastingbetalers houdt zich bezig met landbouwactiviteiten. Het zijn dan ook in eerste instantie de landbouwers die gronden nodig hebben om hun gewassen te telen en hun vee te laten grazen. Een groot aantal landbouwers moet zijn grond in pacht bewerken, andere boeren zijn eigenaar van hun grond en moeten bijgevolg grondbelasting betalen.

 Net zoals in de algemene gemiddelden bekleedt het dienstpersoneel met 17% ook bij de betalers van grondbelasting een tweede plaats. Opnieuw zijn zo goed als alle personen die zich in deze arbeidssector bevinden als huispersoneel werkzaam bij de gegoede families. De dienstmeiden maken 65% van het totale aantal dienstpersoneel uit, de knechten vertegenwoordigen 27%.

 Zij worden gevolgd door de textielsector die 14% van het totale aantal personen dat belast wordt op grondbezit tewerkstelt. Deze keer zijn vooral de spinsters nadrukkelijk aanwezig, zij nemen 31%van alle textielarbeiders voor hun rekening, de kantwerksters zijn goed voor 25%, de wevers kennen een aandeel van 23%. Het feit dat opnieuw vooral de thuiswerkers nadrukkelijk aanwezig zijn, kan binnen deze groep van grondbezitters verklaard worden door de specifieke arbeidsverdeling waardoor het platteland zich kenmerkt. Meestal worden landbouwactiviteiten gecombineerd met huisnijverheid, zodat het niet hoeft te verbazen dat het deel van de bevolking dat grondbelasting verschuldigd is zich door een hoog percentage textielarbeiders kenmerkt.

 Ook de beroepsgroep ‘handel’ is met 9% nog steeds nadrukkelijk aanwezig binnen de betalers van grondbelasting. Meer dan de helft van de handelaars, met name 53%, baat een winkel uit, de kooplui zijn met een percentage van 20% eveneens goed vertegenwoordigd. Geen enkele andere arbeidscategorie stijgt uit boven 5% van het totale aantal grondbezitters.

 

Diegenen die zowel grond- als patentbelasting verschuldigd zijn kunnen worden beschouwd als de zogenaamde ‘echte welgestelden’. Men kan dit eveneens uit de rangorde van de meest voorkomende arbeidssectoren afleiden.

 Op een eerste plaats vindt men immers het dienstpersoneel terug, zij kennen een percentage van maar liefst 19%. Opnieuw zijn de dienstmeiden, dit keer met 82%, in de absolute meerderheid, de knechten vertegenwoordigen slechts 11%.

 De handel kan met 18% als de tweede belangrijkste werkverschaffer van de grond- en patentbelastingbetalers worden beschouwd. Binnen deze arbeidscategorie zijn opnieuw dezelfde beroepen dominant: meer dan de helft van de handelaars, 53% om precies te zijn, komen aan de kost als winkelier, de kooplui zijn met 22% eveneens nadrukkelijk aanwezig.

 Uiteraard vormt ook de landbouw een belangrijke arbeidscategorie binnen deze groep van belastingbetalers. De landbouwers kennen dan ook een aandeel van 11%. Voor het eerst duikt ook de voedingssector op als dominante werkverschaffer, zij nemen 10% van het totale aantal belastingbetalers voor hun rekening. Vooral de bakkers en de bakkersknechten zijn talrijk in deze sector.

 Beroepsgroepen als kleding en textiel zijn binnen het deel van de Lokeraars dat en grond- en patentbelasting moet ophoesten opvallend minder sterk aanwezig. Wanneer men er de sociale indeling van de beroepen door De Vlieger op na slaat, kan men opmerken dat behalve het dienstpersoneel, alle andere hierboven opgesomde arbeidssectoren als hooggewaardeerde arbeidssectoren genoteerd staan.

 

Wat de ‘andere welgestelden’ betreft moet eerst en vooral worden opgemerkt dat dit een kunstmatig samengestelde groep is. Ze is voornamelijk gebaseerd op de status (en het verwachte inkomen) van een bepaald beroep, de indeling die hier bijgevolg tot stand komt is zeker niet representatief te noemen voor de totale welgestelde klasse. Bijna de helft van deze gegoede bevolking staat bekend als grondeigenaar of rentenier. Ook het dienstpersoneel is met 32% goed vertegenwoordigd. Alle andere arbeidscategorieën vindt men nauwelijks terug.

 

3. Afkomst van de welgestelde klasse [250]

 

De algemene gemiddelden tonen aan dat de gezinnen waarbij de man en de vrouw beiden afkomstig zijn uit Lokeren ook in de gegoede klasse de dominante ‘combinatie’ vormen, ze kennen immers een gemiddeld aandeel van 32%. Dit percentage ligt 2% lager dan de gemiddelden voor de totale Lokerse bevolking en duikt maar liefst 14% onder de waarden die voor de ondersteunde klasse werden berekend.

Zowel de families met een autochtone man en een vrouw uit een andere Oost – Vlaamse gemeente als de omgekeerde situatie waarbij de vrouw afkomstig is uit Lokeren en de man in een andere gemeente werd geboren, vertegenwoordigen beiden 13% van het totale aantal welgestelden. Met dit cijfer is vooral de laatste categorie veel nadrukkelijker aanwezig dan in de eerder onderzochte bevolkingsgroepen.

De ingeweken families, waarbij noch de man, noch de vrouw uit Lokeren stamt komen met 12% op een derde plaats terecht. Hiermee zijn de exclusief allochtone families veel sterker vertegenwoordigd in de bemiddelde klasse. Immers, de algemene gemiddelden kennen ze met 9% slechts een vijfde plaats toe, en amper 7% van de ondersteunde gezinnen (uit 1846) is op deze manier samengesteld.

Slechts 9% van alle gegoede huishoudens bestaat uit een alleenstaande autochtone vrouw, zowel wat het percentage als wat de rangorde betreft vertoont deze gezinsvorm aanzienlijk lagere waarden dan de algemene gemiddelden en de resultaten voor de ondersteunden. In de twee laatstgenoemde categorieën bevinden de alleenwonende Lokerse vrouwen zich telkens op de tweede plaats, met een percentage van zo’n 12%.

Op een vijfde plaats vindt men de alleenstaande Lokerse mannen terug, zij kennen een aandeel van 8%; ook deze categorie is enkel bij de bemiddelde bevolkingslaag goed vertegenwoordigd.

 Daar waar de resultaten voor de totale Lokerse bevolking en de ondersteunde families vrij nauw bij elkaar aansluiten, vertoont de welgestelde klasse een totaal ander patroon, zowel in verband met de volgorde als in verband met de percentages. Ook de onderlinge verschillen tussen de vier welgestelde groepen zijn groot.

 Het percentage autochtone gezinnen dat patentbelasting betaalt ligt 1% hoger dan de gemiddelden voor de totale welgestelde bevolking. Gezinnen met een autochtone vrouw en een man afkomstig uit een ander gebied in Oost – Vlaanderen zijn met 15% nadrukkelijk aanwezig binnen de groep patentbetalers. Zij worden gevolgd door de exclusief allochtone gezinnen die 13% van het totale aantal huishoudens die belast worden op zelfstandige arbeid, vertegenwoordigen. Specifiek voor deze belastingplichtigen vindt men de families met een Lokerse man en een vrouw uit een andere gemeente met 12% slechts op een vierde plaats terug. De alleenstaande vrouwen zijn goed voor 8%, alle andere combinaties in verband met afkomst zijn slechts in zeer beperkte mate vertegenwoordigd.

 De dominantie van de huishoudens waarin beide partners geboren en getogen zijn in Lokeren kan eveneens worden vastgesteld voor de families die belast worden op grondbezit, ditmaal vertegenwoordigen ze 36%. De betalers van grondbelasting kan men ook vaak situeren in de gezinnen met een autochtone man en een niet – Lokerse vrouw, zij kennen een aandeel van 18%. De tegenovergestelde combinatie met een vrouw uit Lokeren en een man uit een andere Oost – Vlaamse gemeente is goed voor 13% van het totale aantal families dat grondbelasting verschuldigd is. Zij worden gevolgd door de ingeweken families met 10% en de Lokerse alleenstaande mannen die 9% van de betalers van grondbelasting voor hun rekening nemen. De alleenstaande autochtone vrouwen, meestal een vrij omvangrijke groep, kenmerken zich nu door een percentage van amper 3%.

 Maar liefst vier gezinnen op tien die beide belastingen betalen bestaan uit twee autochtone partners. Ook de families met een Lokerse vrouw en een allochtoon, maar Oost – Vlaams gezinshoofd vertonen met 20% een uitzonderlijk hoge waarde. Dertien procent van de Lokerse huishoudens die zowel grond bezitten als zelfstandige arbeid uitoefenen en daar ook op worden belast zijn samengesteld uit een Lokerse man en een vrouw uit een andere gemeente. De ingeweken families nemen 9% van het totale aantal gezinnen dat grondbelasting verschuldigd is voor hun rekening, de alleenstaande Lokerse mannen kennen een aandeel van 7% en komen hiermee op een vijfde plaats terecht.

 Tengevolge van het artificiële karakter van deze categorie, kennen de niet – belastingbetalers nog maar eens een totaal andere volgorde dan de andere bemiddelde groepen. Met maar liefst 36% zijn de alleenstaande Lokerse vrouwen hier het sterkst vertegenwoordigd. De alleenstaande vrouwen uit een andere gemeente, die in de andere bevolkingslagen nauwelijks aan bod komen, kennen hier een aandeel van 30%. Pas op een derde plaats, met amper 21%, vindt men de exclusief autochtone gezinnen terug. Wat deze ‘andere welgestelden’ betreft moet men er steeds weer op wijzen dat deze resultaten met de nodige kritische zin moeten worden geïnterpreteerd.

 Bovenstaande bespreking toont aan dat de dominante combinaties inzake afkomst een aantal duidelijke verschillen vertonen met zowel de algemene gemiddelden als de cijfers voor de ondersteunde klasse. Behalve het feit dat de families met twee autochtone partners nog steeds het sterkst vertegenwoordigd zijn, wordt de rangorde van de daaropvolgende categorieën zonder meer overhoop gegooid. Het aandeel van de alleenstaande autochtone vrouwen is gedaald in het voordeel van de alleenstaande Lokerse mannen. Bovendien kenmerkt de gegoede klasse zich door dicht bij elkaar aansluitende waarden voor de gezinnen met een Lokerse man en Oost – Vlaamse vrouw en families met een autochtone vrouw en een man uit een andere gemeente, terwijl in de andere bevolkingsgroepen de families met een autochtone man en een allochtone vrouw steeds hogere waarden vertonen.

 

4. Leeftijdsstructuur [251]

 

Vijfentwintig procent van het totale aantal welgestelde personen is jonger dan tien jaar. Ook de leeftijdscategorie tussen 10 en 19 is met 17% sterk vertegenwoordigd binnen de gegoede klasse. Dit betekent dat zo’n 42% van de bemiddelden als jongere kan worden gedefinieerd, het aandeel van de jongeren is bijgevolg minder uitgesproken dan in de ondersteunde klasse van 1844 en vertoont ongeveer gelijke waarden met de armen van 1846. De 20 tot 29 jarigen kennen een percentage van 13%, terwijl de dertigers, met 15%, net zoals bij de ondersteunden nadrukkelijker aanwezig zijn. De personen tussen 40 en 49 jaar nemen ook 13% van de totale welgestelde bevolking voor hun rekening, een waarde die eveneens nauw aansluit bij de resultaten die werden bekomen voor de ondersteunde klasse. Het aandeel van de welgestelden zakt sterkt terug vanaf de leeftijd van 50 jaar, dit is voornamelijk te wijten aan de geringere levensverwachting in de 19e eeuw. Dit fenomeen wordt eveneens geconstateerd voor de ondersteunde Lokeraars.

 De leeftijdsstructuur van de betalers van patentbelasting sluit zeer nauw aan bij de algemene gemiddelden voor de gegoede klasse. Opnieuw kan een overwicht van de kinderen (27%) en de jongeren (17%) worden opgemerkt, ze vertegenwoordigen samen 44% van de totale gegoede bevolking. Het aandeel van de twintigers, dertigers en veertigers komt bijna perfect overeen met de waarden die als algemene gemiddelden worden vooropgesteld voor de bemiddelde klasse. De oudere patentbetalers zijn iets minder sterk aanwezig dan in de algemene gemiddelden, de 50 tot 59 jarigen en de personen ouder dan 70 kennen beiden een lager percentage.

 De betalers van grondbelasting kennen eveneens een dominantie van de kinderen jonger dan tien jaar, meer bepaald één vierde van de welgestelden die belast worden op grondbezit behoort tot de leeftijdscategorie 0 tot 9 jaar. De zogenaamde tieners vertonen een percentage van 17%, bijgevolg heeft bijna de helft van deze groep bemiddelden de volwassen leeftijd nog niet bereikt. De waarden voor de leeftijdscategorieën tussen 20 en 50 jaar wijken opnieuw nauwelijks af van de algemene gemiddelden. Dat deel van de welgestelde bevolking dat belast wordt op grondbezit én ouder is dan vijftig vertegenwoordigt een iets grotere groep dan in de globale cijfers, voornamelijk de zestigers en zeventigers zijn nadrukkelijker aanwezig.

 Het aandeel van de kinderen vertoont slechts een percentage van 23% bij de bemiddelde gezinnen die zowel grond- als patentbelasting verschuldigd zijn. De jongeren tussen 10 en 19 jaar daarentegen zijn met 20% sterker vertegenwoordigd zodat het percentage van de – 20 jarigen nauw aansluit bij de waarden die voor de andere categorieën welgestelden werden berekend. Het aantal grondbelastingbetalende twintigers en dertigers kenmerkt zich ook door een iets lager cijfer, terwijl het aandeel van personen tussen 40 en 49 jaar 2% hoger ligt dan de algemene gemiddelden, en ook de ouderen opnieuw vrij nadrukkelijk aanwezig zijn.

 Zoals steeds worden de niet – belastingbetalers ook nu weer gekenmerkt door een totaal andere rangorde. De kinderen en jongeren samen kennen hier slechts een aandeel van 20%, terwijl de 30 tot 60 jarigen met elk 16% duidelijk in de meerderheid zijn. Ook de personen tussen 70 en 79 jaar zijn met 11% van het totale aantal ‘andere welgestelden’ veel nadrukkelijker aanwezig dan bij de belastingbetalers. Deze resultaten kunnen bezwaarlijk accuraat worden genoemd, opnieuw moet immers worden gewezen op het artificiële karakter van deze categorie.

 De laatste groep welgestelden uitgezonderd, kan men stellen dat de leeftijdsstructuur van de gegoede gezinnen weinig onderlinge verschillen kent tussen de verscheidene groepen belastingbetalers.

 

5. Gezinsstructuur

 

5.1. Gemiddeld aantal personen per gezin

 

In totaal worden 523 gezinnen als bemiddeld beschouwd, zij tellen in totaal 2692 personen, dit betekent dat het gemiddelde welgestelde gezin bestaat uit 5,1 personen. Wanneer men dit algemene cijfer uitsplitst over de verschillende categorieën waarin men de gegoede klasse onderverdeelt springen vooral de gezinnen die zowel grond- als patentbelasting betalen, met 5,6 personen per huishouden, in het oog. De families die enkel grondbelasting verschuldigd zijn, tellen gemiddeld 5,4 gezinsleden, terwijl de patentbetalers met 5,2 individuen nauw aansluiten bij de algemene gemiddelden. De welgestelde niet- belastingsbetalers kenmerken zich door opvallend kleinere gezinnen, gemiddeld wonen er bij deze groep gegoeden slechts 3,6 personen onder één dak.

 Het gemiddeld aantal personen per gezin in de welgestelde klasse vertoont aanzienlijk hogere waarden dan de globale cijfers die voor het hele onderzochte gebied gelden (4,4 gezinsleden). Echter, de omvang van de bemiddelde families sluit vooral nauw aan bij de dominantie van de vijfkoppige families die ook de ondersteunde klasse kenmerkt. Men kan met andere woorden stellen dat zowel de ondersteunden als de welgestelden afwijken van de algemene gemiddelden, maar slechts weinig onderlinge verschillen vertonen.

 

5.2. Gemiddelde gezinsgrootte

 

5.2.1. Algemene gemiddelden

 

De gemiddelden tonen aan dat gezinnen met vier leden het sterkst vertegenwoordigd zijn in de welgestelde klasse, ze nemen meer bepaald 16% van het totale aantal bemiddelde gezinnen voor hun rekening. De families die vijf individuen tellen kennen een aandeel van 15%. Ook de driekoppige families met 14% en de huishoudens met zes gezinsleden die goed zijn voor 13%, zijn nadrukkelijk aanwezig binnen de gegoede klasse. Eenpersoonsgezinnen daarentegen komen nauwelijks voor, hun percentage beperkt zich immers tot 2%. In de rijkere bevolkingslaag vindt men eveneens zeer omvangrijke gezinnen terug, de families die meer dan acht leden tellen zijn in dit deel van de Lokerse bevolking met 11% het sterkst vertegenwoordigd.

 


 De cijfers die gelden voor de rijkere klasse houden het midden tussen de gemiddelden voor de ondersteunden en de globale cijfers die voor de totale onderzochte Lokerse bevolking werden berekend. Het gemiddelde welgestelde gezin is immers groter dan de typische Lokerse familie, maar niet zo uitgebreid als de ondersteunde huishoudens. Dat zowel de armere als de rijkere gezinnen vrij omvangrijk zijn kan makkelijk worden verklaard. De ondersteunden beschouwen kinderen vooral als extra werkkrachten en een ‘verzekering’ voor de oude dag, de gegoeden hebben ofwel een vrij hoog aantal kinderen die ze moeiteloos alle zorgen kunnen geven of ze hebben een aantal inwonende personeelsleden in dienst die de gezinsgrootte uiteraard laten stijgen. De eenpersoonsgezinnen daarentegen kennen echter hun laagste aantal in de gegoede klasse: slechts 2% tegenover 4% in de ondersteunde klasse en 5% voor alle onderzochte families samen.

 

5.2.2. Gemiddelden per welgestelde groep [252]

 

Behalve dat de cijfers allen 1% hoger liggen dan het gemiddelde, komen de percentages die werden berekend voor de betalers van patentbelasting zeer goed overeen met de algemene gemiddelden voor de gegoede klasse. Ook hier zijn de vier leden tellende gezinnen met 17% het sterkst vertegenwoordigd. Families met vijf gezinsleden kunnen worden beschouwd als de tweede belangrijkste gezinsvorm, zij kennen een aandeel van 16%. Specifiek voor de patentbetalers komen de huishoudens met zes individuen (15%) iets vaker voor dan de driekoppige gezinnen die 14% voor hun rekening nemen. De eenpersoonsgezinnen zijn ook binnen deze groep belastingplichtigen amper aanwezig; nog geen 2% van de gezinnen telt slechts één persoon. Families die met meer dan acht personen onder één dak wonen zijn dan weer goed voor 7% van het totale aantal huishoudens.

 De gezinnen met vier en met vijf personen komen beiden even vaak voor binnen dat deel van de Lokeraars dat grondbelasting verschuldigd is, beiden kennen ze een aandeel van 15%. Ze worden gevolgd door huishoudens met drie gezinsleden, deze komen in 14% van de gevallen voor. In tegenstelling tot de algemene gemiddelden en de betalers van patentbelasting, zijn binnen de bevolkingsgroep die belast wordt op grondbezit de tweeledige families wel nadrukkelijk aanwezig, 13% van de gezinnen zijn op deze manier samengesteld. Opnieuw vertegenwoordigen de eenpersoonsgezinnen slechts 2%. De omvangrijke families met tenminste negen personen zijn eveneens goed voor maar liefst 13% van het totale aantal gezinnen. Het feit dat het hier om betalers van grondbelasting gaat, en deze zich voornamelijk op het platteland bevinden, kan dienen als voornaamste verklaringsfactor. De algemene gemiddelden tonen immers aan dat ook voornamelijk de typische landbouwwijk Staakte zich kenmerkt door grote gezinnen.

 Diegenen die worden belast op zelfstandige arbeid of op grondbezit kennen percentages die nauw aansluiten bij de algemene gemiddelden, echter, dat deel van de bevolking dat beide belastingen verschuldigd is alsook de bemiddelde niet – belastingbetalers vertonen een afwijkend patroon.

 Wat de betalers van beide belastingen betreft, kan men opnieuw opmerken dat twee gezinsvormen exact hetzelfde aandeel kennen. Zowel families met drie als met vijf leden vertegenwoordigen 16% van het totale aantal huishoudens. Het is vrij opvallend dat de gezinnen met acht personen bij deze groep belastingplichtigen reeds op een tweede plaats voorkomen. Zij worden gevolgd door de vier leden tellende families, deze zijn goed voor 13%. Met 11% zijn zowel de gezinnen met zes als met zeven leden eveneens goed vertegenwoordigd. Ook de families die meer dan acht personen tellen, zijn nadrukkelijk aanwezig, ze vertonen een percentage van 11%, dit is opnieuw voornamelijk te wijten aan het aandeel van diegenen die grondbelasting verschuldigd zijn, zij kenmerken zich door een beduidend hoger aantal omvangrijke gezinnen.

 De tendensen die voor de gegoede niet – belastingbetalers aan het licht komen moeten steeds worden genuanceerd vermits het, zoals eerder al werd aangegeven, om een kunstmatig samengestelde groep gaat. De zogenaamde ‘andere welgestelden’ vertonen een absoluut overwicht van gezinnen met twee en drie personen. Maar liefst één derde van alle gezinnen in deze groep bemiddelden bestaat uit families met twee gezinsleden, driekoppige huishoudens kennen met 18% eveneens een hoog percentage. De eenpersoonsgezinnen kennen hier hun hoogste percentage, met name 9%, de grote families daarentegen zijn beduidend minder aanwezig in deze groep welgestelden.

 

5.3. Inwonende verwanten, niet – verwanten en dienstpersoneel [253]

 

 

Opnieuw kenmerkt het percentage inwonende niet – verwanten zich door hogere cijfers dan het aantal inwonende verwanten, problemen bij de interpretatie van de bronnen geldt nog steeds als belangrijkste reden. Gemiddeld neemt 9% van de welgestelde gezinnen familieleden in huis, de niet - inwonende familieleden krijgen onderdak bij 18% van de bemiddelde huishoudens. Deze resultaten bekomen voor de gegoede klasse vertonen aanzienlijk hogere waarden dan de algemene gemiddelden, en liggen uiteraard veel hoger dan de waarden die voor de ondersteunde klasse werden berekend. Immers, slechts 7% van de totale Lokerse bevolking en amper 5% van de ondersteunden stelt zijn woning open voor familieleden. Wat de inwonende niet – verwanten betreft is het verschil met de algemene gemiddelden begroot op 6%, het aantal ondersteunde families dat niet – verwanten opneemt kent een waarde die 8% lager ligt.

 De huishoudens die familieleden opnemen binnen het kerngezin vertonen vooral hoge waarden in dat deel van de bevolking dat zowel grond- als patentbelasting verschuldigd is, 13% van deze groep huisvest immers familieleden Ook de niet – belastingbetalers tonen zich met 9% redelijk gastvrij ten opzichte van verwanten. Van de gezinnen die of patent- of grondbelasting betalen wordt 8% van de gezinnen uitgebreid met één of meerdere familieleden.

 Net zoals voor de verwanten kenmerken de betalers van beide belastingen zich eveneens door het hoogste percentage gezinnen met inwonende niet – familieleden, één vierde van de huishoudens verschaft onderdak aan niet – verwanten. Ditmaal vindt men diegenen die belast worden op grondbezit, met 17%, terug op een tweede plaats. Het aantal gezinnen dat én patentbelasting betaalt, én niet – verwanten laat inwonen vertegenwoordigt 16%. Wat de niet – familieleden betreft kennen de ‘andere welgestelden’ met 15% het laagste aandeel.

 Niet minder dan 38% van het totale aantal welgestelde families neemt dienstpersoneel op in zijn woning. Hiermee liggen de bemiddelde gezinnen die personeel in dienst hebben maar liefst 21% hoger dan de algemene gemiddelden. Vermits het percentage ondersteunde huishoudens met inwonende meiden en knechten bijna onbestaande is, is het verschil met de gegoede klasse, zoals verwacht, hallucinant.

 

 Voornamelijk de niet – belastingbetalers springen met 70% gezinnen die personeel laten inwonen onmiddellijk in het oog. Deze waarde moet echter met een flinke korrel zout genomen worden daar de gegoeden in deze categorie onder andere via het criterium ‘inwonend dienstpersoneel’ werden geselecteerd. Bijna de helft van de families die beide belastingen moeten betalen kenmerken zich door opname van dienstpersoneel in het huishouden.

 

 

Het deel van de bevolking dat enkel grondbelasting betaalt kent een aandeel van 40% gezinnen mét inwonende meiden of knechten. Bij de patentbetalers wordt 30% van de families uitgebreid met dienstpersoneel.

 Niet alleen bij de bespreking van de gezinsstructuur, maar ook bij de bepaling van het procentueel aandeel van de verschillende arbeidssectoren, komt tot uiting dat voornamelijk de gezinnen die zowel grond- als patentbelasting verschuldigd zijn alle kenmerken bezitten om als rijkste van de vier groepen welgestelden te worden beschouwd.

 

5.4. De verschillende gezinsvormen [254]

 

Zoals steeds bemerkt men ook bij de welgestelde klasse een aanzienlijk overwicht van het aantal gehuwden, niet minder dan 72% van het totale aantal bemiddelde gezinnen bestaat uit een in de echt verbonden man en vrouw. Zij worden gevolgd door de weduwes en de weduwnaars, deze kennen een aandeel van 15%. Binnen deze gezinsvorm zijn voor het eerst de weduwnaars met 60% in de meerderheid, de weduwes vertegenwoordigen 40%. Alle andere gezinsvormen vindt men slechts in zeer beperkte mate terug, de ongehuwde vrouw zonder kinderen alsook de families waar meerdere mannen en vrouwen samenwonen, halen beiden een percentage van 3%. De andere gezinsvormen vertegenwoordigen hoogstens 2% van het totale aantal welgestelde gezinnen.

 Het aandeel van de bemiddelde gehuwden ligt exact even hoog als bij de ondersteunde klasse. De gegoede gezinnen waarbij één van de partners overleden is, zijn minder nadrukkelijk aanwezig. De algemene gemiddelden houden het immers op 24% (met een 70/30 verdeling in het voordeel van de weduwes!), bij de groep structurele armen van 1844 kenmerken de weduwes en de weduwnaars zich door een vergelijkbaar percentage van 23%. De ondersteunde gezinnen van 1846 daarentegen vertonen een waarde die, met 17%, eerder aansluit bij de gegoede klasse. De andere gezinsvormen zijn, net zoals voor de welgestelde klasse, noch in de algemene gemiddelden, noch bij de ondersteunden sterk aanwezig.

 De gehuwden die patentbelasting moeten betalen vertonen een iets hogere waarde dan de algemene gemiddelden, met name 74%. Het aantal weduwes en weduwnaars sluit nauw aan bij de cijfers die werden berekend voor de totale welgestelde bevolking, ook de verhouding tussen het aantal weduwes en weduwnaars komt perfect overeen met de waarden die voor de totale bemiddelde klasse worden weerhouden. Vier procent van de gezinnen die patentbelasting moeten betalen wordt gevormd door meerdere mannen en vrouwen die samenwonen, vaak gaat het hier om broers en zussen die na de dood van hun ouders samen in het ouderlijk huis blijven wonen. De ongehuwde vrouwen zonder kinderen, de alleenstaande mannen en de gezinnen waar meerdere ongehuwde vrouwen zonder kinderen samenleven zijn elk goed voor een aandeel van 2%.

 Uiteraard kenmerkt ook dat deel van de bevolking dat belast wordt op grondbezit zich door een duidelijk overwicht van het aantal gehuwde koppels, met 77% zijn ze overduidelijk in de meerderheid. Het aandeel van de gebroken gezinnen ligt bij deze groep belastingplichtigen 4% lager dan bij de patentbetalers en het totale aantal welgestelde families, en bedraagt met andere woorden 11%. Van de 17 personen die rouwen om het verlies van hun partner is er slechts één van het vrouwelijke geslacht, de weduwnaars kennen bijgevolg een percentage van maar liefst 94%. Binnen deze betalers van grondbezit komen de huishoudens met een ongehuwde man op een derde plaats voor, ze zijn goed voor 4%. Ook de gezinnen waar man en vrouw ongehuwd samenwonen vertonen binnen deze groep, met 3%, hun hoogste waarde.

 Meer dan vier vijfden, meer bepaald 83%, van de families die zowel grond- als patentbelasting verschuldigd zijn, bestaan uit een gehuwd koppel al dan niet aangevuld met een aantal kinderen; hiermee kennen zij de hoogste waarde van alle welgestelde groepen. De weduwes en weduwnaars daarentegen vertonen hier hun laagste percentage, slechts 9%van de grond- en patentbetalers zijn gebroken gezinnen. Binnen de families die beide belastingen betalen komt geen enkele weduwe voor. De huishoudens waar meerdere ongehuwde vrouwen samenwonen kennen een aandeel van 4%, de alleenstaande ongehuwde mannen zijn goed voor 3%.

 Wat de niet – belastingsbetalers betreft, deze worden opnieuw gekenmerkt door een afwijkend patroon. Eén derde van het totale aantal ‘andere welgestelden’ zijn weduwes en weduwnaars, deze keer zijn de weduwes dominant aanwezig. Zij worden gevolgd door de ongehuwde vrouwen zonder kinderen, deze vertegenwoordigen 30% van het totale aantal niet – belastingbetalers. De gehuwden vindt men pas terug op de derde plaats, met een aandeel van amper 21%. Behalve de gezinsvorm waar meerdere ongehuwde vrouwen zonder kinderen samenwonen – die met 9% opvallend goed vertegenwoordigd zijn -, komen alle andere gezinssamenstellingen niet of nauwelijks voor. De rangorde die hier tot uiting komt moet, zoals steeds voor deze groep welgestelden, genuanceerd worden. Enerzijds omdat deze categorie op een artificiële manier tot stand kwam, anderzijds omdat deze cijfers slechts gebaseerd zijn op een totaal van 33 gezinnen, zo’n beperkte basis geeft immers makkelijk aanleiding tot afwijkingen.

 De hierboven besproken groep uitgezonderd, kan men besluitend stellen dat de gehuwden ook binnen de welgestelde klasse de dominante gezinsvorm uitmaken. Op een tweede plaats vindt men steeds de weduwes en weduwnaars terug, deze keer met een duidelijk overwicht van het aantal rouwende mannen. Voor de minder courante gezinsvormen kan echter geen patroon worden aangehaald, de rangorde wordt, door het beperkte aantal gevallen, vaak willekeurig bepaald.

 

6. Geografische spreiding [255]

 

 

De algemene gemiddelden tonen aan dat 47% van de Lokerse bevolking in de jaren 1840 als welgesteld kan worden beschouwd. Het aantal gegoede gezinnen vertoont een hogere waarde voor de stad, met name 53%, dan voor het platteland, waar zich gemiddeld slechts 35% bemiddelde families bevinden. Specifiek voor de landelijke wijken kent Staakte een hoger aantal belastingplichtigen en ‘andere welgestelden’ dan Puttenen Heirbrug, namelijk 37% ten opzichte van 34%. In het stadscentrum herbergt de Roomstraat met 83% onmiskenbaar het hoogste aantal bemiddelden. Zij wordt gevolgd door de Kerkstraat, waar bijna drie vierden van het totale aantal inwoners als welgesteld kan worden gedefinieerd. In tegenstelling tot eerder waargenomen tendensen sluit de Postdreef, traditioneel één van de drie bemiddelde straten, niet aan bij de Kerkstraat en de Roomstraat, slechts 33% van de gezinnen in de Postdreef kan immers als bemiddeld worden aangeduid. Voornamelijk de Markt kent in deze berekeningen een opvallend hoog aantal gegoede families, niet minder dan 62% om precies te zijn. Ook de Schoolstraat, normaal gezien eveneens als middenklasse – wijk gecatalogeerd, kent nu een aandeel van 58% welgestelden. Zoals reeds eerder gesteld kenmerkt het Knokkestraatje zich door het laagste percentage bemiddelde huishoudens van alle onderzochte wijken. De Luikstraat daarentegen vertoont aanzienlijk hogere cijfers dan verwacht, de straat die in de bespreking van de algemene gemiddelden wordt aangeduid als ‘armere wijk’, treft onder zijn inwoners toch 36% bemiddelden aan.

 De grafiek vertoont vooral hoge uitschieters wat de patentbelasting betreft, dit is uiteraard te wijten aan het feit dat maar liefst 332 gezinnen belast worden op zelfstandige arbeid en hiermee de meest omvangrijke groep belastingbetalers vormen. In tegenstelling tot de algemene gemiddelden zijn de betalers van patentbelasting nadrukkelijker aanwezig in Puttenen Heirbrug dan in Staakte. Dit is voornamelijk te verklaren door het aanzienlijke overwicht van landbouwers in Staakte, hierdoor is het aantal gezinnen dat belast wordt op zelfstandige arbeid zeer beperkt, terwijl, zoals verder nog zal worden aangetoond, het deel van de inwoners dat grondbelasting moet betalen wel omvangrijk te noemen is.

Het aantal huishoudens dat patentbelasting verschuldigd is in het stadscentrum kent zijn hoogste waarde in de Kerkstraat, maar liefst 52% van de gezinnen moet hier patent betalen. In de Roomstraat, eveneens een welgesteld gebied, bedraagt het percentage betalers van patentbelasting 49%. De Marktbewoners kennen een aandeel van 44% en ook de Schoolstraat is met 40% goed vertegenwoordigd. In de Postdreef daarentegen betalen slechts twee van de vijftien gezinnen, of 13,3%, patentbelasting. Net zoals in de algemene gemiddelden voor de welgestelde klasse hinkt de Postdreef ook hier weer achterop. De beperkte basis waarop de gegevens voor deze straat steunen kan als verklaring worden opgegeven. Anderzijds mag men niet uit het oog verliezen dat alle andere parameters, die in deel B werden besproken, wel aantonen dat de Postdreef als welgesteld gebied mag worden beschouwd. Het Knokkestraatje daarentegen beantwoordt met 8% belastingplichtigen perfect aan de kenmerken van een armere wijk. Echter, het hoge percentage gegoede families in de Luikstraat, meer bepaald 26%, is ietwat in tegenspraak met haar eerdere classificatie als minder welvarend gebied.

 Het percentage gezinnen dat belast wordt op grondbezit vertoont hogere waarden op het platteland dan in de stad. Als voornaamste verklaringsfactor kan men uiteraard het overwicht van de landbouwbedrijven in de landelijke wijken aanhalen. Deze these wordt verder gestaafd wanneer men opmerkt dat het percentage betalers van grondbelasting vooral in de typische landbouwwijk Staakte, met 23%, goed vertegenwoordigd is. In Puttenen Heirbrug ligt hun aantal echter 9% lager.

 De eerdere classificatie van de stadswijken in arme, middenklasse en bemiddelde gebieden wordt door het respectievelijke aantal gezinnen dat in elk van deze straten grondbelasting verschuldigd is, opnieuw bevestigd. Ditmaal kent de Postdreef met 20% het hoogste percentage, gevolgd door de Roomstraat en de Kerkstraat waar telkens 19% van de families belast wordt op grondbezit. In de armere Luikstraat hoeft slechts 7% van de huishoudens belasting op onroerend bezit te betalen, in het Knokkestraatje is dit zelfs amper 3%. De Markt, de Schoolstraat en de Voermanstraat houden het midden tussen deze twee uitersten.

 Het aandeel van de gezinnen dat beide belastingen betaalt is eerder beperkt te noemen, ze vertegenwoordigen amper 6% van de totale bevolking. Opnieuw kan men een hoger percentage bemerken voor het stadscentrum, met name 7%, dan voor de landelijke wijken (5%). Vrij opmerkelijk vertoont Puttenen Heirbrug, dat vrij veel ondersteunden kent, een hoger cijfer dan Staakte, dat als landbouwgebied minder te lijden heeft onder de crisis.

Ook in de stad verloopt het percentage belastingsbetalers niet volledig parallel met de ‘status’ van de verschillende gebieden. Opnieuw kan men immers vaststellen dat de Postdreef niet kan aansluiten bij de respectievelijke percentages van 11% en 10% die de Kerkstraat en de Roomstraat kenmerken. Echter, ditmaal is het de zogenaamde middenklasse – wijk Schoolstraat die met 13% hoge toppen scheert. De andere twee gebieden waar zich voornamelijk middenklassers vestigen, vertonen, wat de belastingen betreft, wel waarden die aansluiten bij hun classificatie. In het Knokkestraatje woont geen enkel gezin dat belast wordt op grondbezit én zelfstandige arbeid, in de Luikstraat vertegenwoordigen deze families nog geen 4%.

De niet –belastingbetalers kenmerken zich nog maar eens door een afwijkend profiel. Het feit dat hun aantal beperkt is kan als oorzaak worden aangehaald, ook de artificiële samenstelling maant aan tot een kritische ingesteldheid. Slechts twee plattelandsgezinnen werden via de vooropgestelde criteria geselecteerd als ‘bemiddeld’, beiden bevinden zij zich, vreemd genoeg, in Puttenen Heirbrug. Ook in het stadscentrum kunnen amper 31 gezinnen via het beroep van het gezinshoofd of de aanwezigheid van dienstpersoneel als welgestelden uit de stedelijke bevolking worden geabstraheerd. De Roomstraat herbergt 11 van de 31 families, dit komt overeen met 15% van haar totale aantal inwoners. Opnieuw vindt men de Markt met 6% op een tweede plaats terug, alle andere straten komen in deze groep bemiddelden nauwelijks voor.

Wanneer men louter deze gegevens bekijkt, en de welgestelden opdeelt in vier categorieën, beantwoorden niet alle straten perfect aan het profiel dat hen werd opgeplakt in deel B. Echter, men mag zich niet enkel fixeren op deze parameter om de welstand van de verschillende wijken te bepalen. Ook andere kenmerken, waaronder voornamelijk het procentueel aandeel van de arbeidssectoren in de verscheidene straten, moeten in ogenschouw worden genomen. Wanneer men rekening houdt met alle onderzochte criteria, mag men er toch vanuit gaan dat de definiëring van de straten zoals ze in deel B gebeurde, het dichtst aansluit bij de toenmalige situatie.

 

7. Besluit

 

Na de bespreking van alle parameters voor de welgestelde klasse, kan men besluitend stellen dat de gezinnen die zowel grond- als patentbelasting betalen op alle criteria die in mindere of meerdere mate een indicator van welstand vormen het hoogste scoren. Het procentueel aandeel van de verschillende arbeidssectoren toont voor deze categorie bemiddelden aan dat het dienstpersoneel het sterkst aanwezig is. Uiteraard gaat het hier niet om de belastingsbetalers die als meid of knecht tewerkgesteld zijn, maar om personen die bij deze rijkere families in dienst treden. Het feit dat hun aantal hier vrij hoog ligt toont aan dat een groot deel van deze gezinnen voldoende middelen bezit om personeel in dienst te nemen. Handel, een beroepsgroep die De Vlieger op de vijfde plaats zet in zijn sociale stratificatie van arbeidssectoren, is eveneens zeer nadrukkelijk aanwezig.[256] Landbouw is met 11% eveneens goed vertegenwoordigd.

 De betalers van beide belastingen worden eveneens gekenmerkt door de grootste gezinnen van alle onderzochte groepen en gebieden. Gemiddeld telt men 5,6 personen per gezin en de families met zes en zeven leden kennen een aandeel van elk maar liefst 11%. Dit wijst erop dat men er duidelijk geen moeite mee heeft om een mondje meer te voeden.

 Ook het aantal inwonende niet – kerngezinsleden kent hier zijn hoogste waarden. De nadrukkelijke aanwezigheid van de arbeidssector dienstpersoneel wordt onmiddellijk verklaard wanneer men weet dat bijna de helft van de gezinnen die worden belast op grondbezit én zelfstandige arbeid personeel in dienst hebben. Ook de families die verwanten en niet – verwanten onderdak verschaffen vertonen in deze gegoede bevolkingslaag hun hoogste cijfers.

 Het is eveneens opmerkelijk te noemen dat het overgrote deel van deze meest bemiddelde families zeer traditioneel is opgebouwd. In 41% van het aantal gevallen zijn beide partners afkomstig uit Lokeren, bovendien bestaat niet minder dan 83% van deze gezinnen uit twee gehuwden, al dan niet met kinderen.

 Wat de families die of grondbelasting of patentbelasting verschuldigd zijn betreft, kan men niet bepalen welke van beide groepen meer bemiddeld is dan de andere. Beiden bezitten ze een aantal kenmerken die voor en tegen hun pleiten. Wat het aandeel van de verschillende beroepsgroepen betreft zijn de sociaal hoger gewaardeerde beroepen sterker vertegenwoordigt bij de patentbetalers dan bij de gezinnen die grondbelasting moeten betalen. Immers, handel en kleding (respectievelijk 22% en 17% van het totale aantal patentbetalers), staan hoger genoteerd dan landbouw (27%) en textiel (14%) die bij de grondbezitters vaak voorkomen.

 Anderzijds vertoont het criterium ‘ gemiddeld aantal personen per gezin’ een hogere waarde voor de families belast op grondbezit, die gemiddeld 5,4 leden tellen, dan voor de betalers van patentbelasting waar een gemiddeld gezin uit 5,2 personen bestaat. Ook het aantal huishoudens dat niet–verwanten en dienstpersoneel opneemt – het aantal inwonende familieleden kent gelijke cijfers voor beide groepen -, kent beduidend hogere percentages bij de betalers van grondbelasting, het aantal families dat wordt uitgebreid met meiden en knechten ligt maar liefst 10% hoger. Bovendien zijn de gezinnen die belast worden op onroerend bezit iets traditioneler samengesteld dan de families die patentbelasting verschuldigd zijn.

 De niet – belastingbetalers kennen voor zo goed als alle parameters een afwijkend patroon, de kunstmatige samenstelling van deze groep en de beperkte basis waarop deze resultaten steunen manen aan tot de nodige voorzichtigheid. Vermits deze percentages niet betrouwbaar zijn, kan men ook geen uitspraken doen over de mate van welstand van deze specifieke bemiddelde groep.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[246] E. DUCPETIAUX, Mémoire sur le pauperisme dans les Flandres, Brussel, Hayez, 1850, p. 19.

[247] SAL, modern archief, ???

[248] De exacte waarden die bij grafiek 55 horen en de algemene gemiddelden vindt men in tabelvorm terug in bijlage ***

[249] J. DE BELDER en E. VANHAUTE, Sociale en economische geschiedenis, in: J. ART (red), Hoe schrijf ik de geschiedenis van mijn gemeente? Deel 1: 19e en 20ste eeuw, Gent, Centrum voor Geschiedenis, 1993, p. 144 – 145.

[250] Zie bijlage *** voor de exacte waarden en de algemene gemiddelden in tabelvorm.

[251] De precieze  waarden en de algemene gemiddelden vindt men terug in bijlage ***

[252] De precieze waarden bevinden zich in bijlage ***

[253] De bijbehorende cijfers, alsook de algemene gemiddelden vindt men terug in bijlage ***

[254] De precieze waarden en de gemiddelde cijfers vindt men terug in bijlage ***

[255] In bijlage *** vindt men de bijbehorende waarden en de algemene gemiddelden in tabelvorm terug.

[256] R. DE VLIEGER, Bijdrage tot de economisch – sociale geschiedenis der stad Lokeren in de 19e eeuw, RUG (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), 1961, p. 352.