Parce que l’ information, c’ est vous! Alternatieve pers in Franstalig België na mei ’68, casus Agence de Presse Libération – Belgique. (Astrid Waterinckx)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

1. Inleiding

 

Probleemstelling

 

In het opzet van de Odis-workshop 2002 “Historische en sociologische benaderingen van nieuwe sociale bewegingen” werd benadrukt dat de aandacht voor nieuwe sociale bewegingen vanuit sociologische en politicologische hoek sinds de late jaren ’90 enigszins tanende lijkt[1]. Desondanks zou er inzake nieuwe sociale bewegingen nog een heel onderzoeksterrein braak liggen[2]. Zo zou het onderzoek naar de diverse en snel evoluerende processen van politieke invloedsverwerving van de nsb nog volop aan de gang zijn. Zo ook zou het onderzoek naar de cultureel-psychologische, alsook de ideologisch-filosofische aspecten van nieuwe sociale bewegingen in feite nog van start moeten gaan.

            In de inleiding van dezelfde workshop opperde Marc Hooghe de idee om het onderzoek naar nsb volledig uit handen te geven aan historici[3]. Nu het begrippenarsenaal en de grote theoretische lijnen zijn vastgelegd, zouden sociologen en politicologen inzake nsb immers geen echt nieuwe inzichten meer voortbrengen. Dat de interesse van historici in nsb pas sinds de late jaren ’90 een grote vlucht heeft genomen, zou mede te verklaren zijn doordat de nieuwe sociale bewegingen pas nu hun archiefmateriaal lieten deponeren[4]. Dit confronteerde de archiefinstellingen met de nood aan historische kennis over deze organisaties en bewegingen en, maakte tegelijkertijd doorgedreven bronnenonderzoek door historici mogelijk.

 

In het verlengde van beide vaststellingen, enerzijds dat het onderzoek naar nieuwe sociale bewegingen nu grotendeels in het kamp van  historici ligt en anderzijds dat voor het onderzoek naar nieuwe sociale bewegingen nog een heel onderzoeksterrein braak ligt, richt ik mijn onderzoek op één van deze ‘historische leemtes’, met name de nieuwe persvorm die ontstond in het verlengde van mei ’68.

Vanuit de idee dat de nieuwe sociale bewegingen een forum nodig hadden voor de nieuwe ideeën die ze propageerden en vanuit mijn interesse voor pers en vrije meningsuiting, ben ik op zoek gegaan naar het perslandschap in de periode dat de nsb het levenslicht zagen en hun opbloei kenden, met name de jaren ‘70 en ‘80. In deze nadagen van mei ’68 bleek een nieuwe persvorm te zijn ontstaan. Tegelijkertijd bleek hier een quasi onbetreden onderzoeksdomein open te liggen.

Bij wijze van voorbeeld focus ik in dit onderzoek op een concrete casus, namelijk Agence de Presse Libération - Belgique (afgekort apl-b of apl). Apl, dat opgericht werd naar het voorbeeld van apl - France, werd boven de doorvont gehouden in 1972. Het omschreef zichzelf als een alternatief persagentschap annex tijdschrift dat zich richtte op het Franstalige landsgedeelte. Apl zette zijn activiteiten stop in 1993.

 

Als uitgangspunt voor dit onderzoek baseer ik me op de recente inzichten in het onderzoeksveld naar tijdschriften, waarin een tijdschrift gezien wordt als een forum voor ideeën, een podium voor communicatie en informatie, een virtuele ontmoetingsplaats waar mensen met een gemeenschappelijke belangstelling of zienswijze samenkomen[5]. In het verlengde hiervan kan een eerste reeks onderzoeksvragen geformuleerd worden, namelijk voor welke ideeën wou apl een forum bieden, welke mensen kwamen samen in en door apl? Wat was het doelpubliek van apl en hoe profileerde apl zichzelf? Klopt de hypothese dat apl een podium wou zijn voor het nieuwe gedachtegoed dat de nieuwe sociale bewegingen in de nadagen van mei ’68 uitdroegen? Wou apl een vacuüm opvullen dat bestond in de traditionele pers, namelijk de minachting van ‘alternatieve themata’?

Een ander inzicht in dit onderzoeksveld is dat een tijdschrift geen rechtstreeks venster is op het verleden, laat staan een rechtstreekse afspiegeling van de werkelijkheid. Eerder dan een passieve getuige of verslaggever te zijn van de tijd waarin het verscheen, is een tijdschrift door zijn functie als informatiedrager, discussiepodium en opiniemaker, een actieve component van de samenleving. Aerts stelt dan ook dat de studie van een tijdschrift moet afgestemd worden op het feit dat “cultuur voor een deel eigenlijk pas haar vorm en inhoud krijgt door de omstandigheden en bedoelingen van de periodieke pers” [6]. Men moet, zo vervolgt hij, periodieken bestuderen “als een onderdeel van de ‘culturele infrastructuur’ ”. Enkele nieuwe onderzoeksvragen dienen zich aan, met name wat was de context, de culturele werkelijkheid waarin apl ontstond, waarin apl ageerde en waaraan apl mee vorm gaf? Wat waren daarnaast de doelstellingen van apl en hoe realiseerde apl deze in de praktijk? 

 

Het is niet mijn bedoeling alle bovenvermelde onderzoeksclusters exhaustief te behandelen. Eerder wil ik me concentreren op het ontrafelen van de doelstellingen van apl om deze dan te plaatsen tegenover hetgeen apl uiteindelijk realiseerde en hoe het dit deed. Hierbij wil ik in eerste instantie vrij algemeen focussen op de positie en werking van apl. Ongetwijfeld zal zo een ideologische component naar voor komen. In tweede instantie wil ik de informatie die centraal stond in apl meer gedetailleerd onder de loep nemen en op zoek gaan naar de thema’s die apl belichtte, de manier waarop apl vorm gaf aan zijn informatie en de wijze waarop apl het tijdschrift vanaf een bepaalde periode illustreerde. Eerder impliciet wil ik daarnaast onderzoeken welke ideeën en mensen in apl samenkwamen en waarvoor of voor wie apl een forum wou zijn[7]. Op dezelfde impliciete wijze wil ik een link leggen met de meer algemeen maatschappelijke context waaraan apl mee vorm gaf, alsook met het - alternatieve en traditionele – perslandschap dat apl omgaf.

Bij dit alles wil ik er rekening mee houden dat Agence de Presse Libération - Belgique zichzelf profileerde als een ‘alternatief persagentschap’ dat een ‘alternatief tijdschrift’ uitgaf. Ik wil dit onderzoek dan ook aanvangen met een zoektocht naar een heldere, werkbare definitie van alternatieve pers en een ‘alternatieve’ vorm van tijdschriftonderzoek op basis waarvan ik kan opmaken of, hoe en waarom apl alternatief was.

 

Ik ben me ervan bewust dat Agence de Presse Liberation - Belgique slechts één concrete casus is - en dan nog belicht vanuit één specifieke invalshoek - in het zeer diverse en diffuse alternatieve perslandschap dat in België ingang vond in de nadagen van mei ’68. Gezien de stand van het onderzoek naar alternatieve pers in België, leek het me evenwel het meest aangewezen om in mijn werk slechts op één concrete casus te focussen[8].

         De keuze voor apl valt ondermeer te verklaren vanuit praktisch oogpunt. Voor het onderzoek naar apl bood zich immers een mooie waaier aan bronnenmateriaal aan. Oorspronkelijk was het mijn bedoeling eveneens een casus uit het Nederlandstalige landsgedeelte uit te werken, en meer bepaald het ‘Bevrijdingspersagentschap’ (afgekort bpa), plus minus de Vlaamse tegenhanger van apl. Hoewel verschillende personen, waaronder enkele Amsab - medewerkers, voor het archief van bpa in de richting van het Kadok wezen, zijn de bronnen van het Bevrijdingspersagentschap hier niet te vinden[9]. Misschien duiken deze binnenkort toch nog ergens op, in het verlengde van de recente ‘deponeringsgolf’ van archivalia door nieuwe sociale bewegingen waarnaar verwezen werd in de Odis - workshop[10].

Een aantal onderzoekselementen haal ik slechts zijdelings aan in dit onderzoek, zoals de impact van apl op de traditionele en alternatieve pers, de mate waarin apl erkend werd door deze pers en, óf de kritiek van apl ten opzichte van de traditionele pers terecht was. Al deze elementen staan open voor verdere uitdieping of aanvulling. Daarnaast houd ik eraan expliciet te benadrukken dat ik Agence de Presse Libération - Belgique op zich bestudeer en het tijdschrift niet als – aanvullende - bron van informatie over één specifiek thema gebruik.

 

Werking van het onderzoek

 

Afbakening in tijd en ruimte

 

De afbakening van mijn onderzoek in tijd en ruimte wordt in zekere zin bepaald door het onderwerp zelf van mijn onderzoek, met name apl.

 

Agence de Presse Libération - Belgique ontstond in 1972 en zette zijn activiteiten stop in 1993. Deze data zijn tegelijkertijd ook het begin- en eindpunt van mijn onderzoek. In zijn twintigjarige bestaan was apl evenwel niet altijd even actief. De bloeiperiode valt onbetwistbaar te situeren vanaf het midden van de jaren ’70 tot grosso modo het begin van de jaren ’80. In het daaropvolgende decennium lag het activiteitenritme van apl beduidend minder hoog. Ik richt mijn blik dan ook vooral op de ‘centrale periode’ van apl, grofweg de jaren 1975 tot en met 1982/83.

         In mijn titel geef ik het begin- en eindpunt van mijn onderzoek niet expliciet aan, maar omschrijf apl als een casus van alternatieve pers “na mei ‘68”. In België heeft de alternatieve pers immers pas ingang gevonden sinds de vroege jaren ’70, en meer concreet wat apl betreft dus in het jaar 1972[11]. De verwijzing naar mei ’68 is eerder symbolisch. Mei ’68 was op zich geen initiator, maar veeleer een katalysator van de maatschappelijke omwentelingen die plaatsvonden sinds het eind van de jaren ’60 en reeds een aanloop namen in het midden van de jaren ’60. Mei ’68 is om die reden uitgegroeid tot een icoon, een referentiedatum. Met de link tussen alternatieve pers en mei ’68 wil ik tegelijkertijd eerder impliciet aangeven dat ik de alternatieve pers uit ‘linkse’ hoek bestudeer en mogelijks ‘rechtse’ initiatieven uit die periode buiten beschouwing laat[12]. Tot slot wil ik met de verwijzing naar mei ’68 verwarring vermijden met mogelijks oudere of nieuwere vormen van alternatieve pers. Zo lijken bijvoorbeeld ook de dag van vandaag veel mensen geen genoegen te nemen met de traditionele informatiekanalen en op zoek te gaan naar meer alternatieve informatiebronnen zoals het internet[13]. Het bestaan van het virtuele informatiekanaal Indymedia dat zichzelf propageert als een “Belgian independant media center, by and for the people”, wijst alvast in die richting[14].

 

Geografisch gezien richtte Agence de Presse Libération - Belgique zich op het Franstalige landsgedeelte van België en meer bepaald op Brussel - waar apl’s hoofdzetel gevestigd was - en, in iets mindere, doch belangrijke mate op Wallonië. In dit onderzoek gaat mijn aandacht dan ook in hoofzaak uit naar dit ‘andere stukje België’. In zeker zin beschouw ik dit als een statement, door mijn blikveld te verleggen naar de overzijde van de taalgrens en door verder te kijken dan de geschiedenis van het eigene “Vlaamse Vaderland”.

Om deze geografische afbakening duidelijk te stellen, omschrijf ik apl in mijn titel als een casus van de alternatieve pers “in Franstalig België”. Niet enkel in Brussel en Wallonië, maar ook in Vlaanderen dook immers een alternatieve pers op in het verlengde van mei ’68, getuige bijvoorbeeld het Bevrijdingspersagentschap, opgericht in januari 1975, naar het directe voorbeeld van apl en met een hoofdzetel in Leuven.

 

Bronnen

 

Staat van het archief

 

De meeste archiefbronnen van Agence de Presse Libération - Belgique zijn terug te vinden in het Amsab - Instituut voor Sociale Geschiedenis[15]. In 1994 schonk Michel Veys, voormalig medewerker van apl en verantwoordelijke uitgever tijdens de laatste levensjaren van apl, het gros van het apl-archief aan het Amsab. De activiteiten van apl werden stopgezet medio 1993. Begin april 1994 moesten de gebouwen te Brussel, Rue du Midi - waar apl sinds 1990 in huisde - volledig ontruimd worden. Michel Veys is daarop op zoek gegaan naar een oplossing om het archief te redden. Hij belandde uiteindelijk bij het Amsab, die het aanbod van Veys aanvaardde om het archief in bewaring te nemen, ondanks het feit dat deze instelling zich in principe op Vlaanderen richt [16].

Het Amsab onderging enkele jaren geleden een naamsverandering en doopte zichzelf om van Amsab (Archief en Museum van de Socialistische Arbeidersbeweging) in Amsab - Instituut voor Sociale Geschiedenis. Hiermee legde deze instelling nu ook expliciet de nadruk op een trend die al geruime tijd, en dit in groeiende mate, aan de gang was, met name de aandachtsverruiming naar sociale geschiedenis in de meest ruime betekenis van het woord. Niet enkel de geschiedenis van het socialisme in al zijn dimensies, maar ook alle aspecten van het ‘progressieve’ landschap in Vlaanderen, waaronder de nieuwe sociale bewegingen, zijn nu het werkterrein van deze privé-archiefinstelling. Dit verklaart waarom ook het apl – archief hier een plaats kreeg.

 

Het archief van Agence de Presse Libération - Belgique bevindt zich in een nogal ongeordende staat in het Amsab, om het eufemistisch uit te drukken. Het Amsab werd belast met de ophaling van het archief te Brussel en de inventarisering. Momenteel is de laatste fase van beschrijving van het archief aan de gang. Ik kreeg van de medewerkers van het Amsab evenwel de toestemming om het archief reeds te raadplegen.

Een eerste fase van de inventarisering, het opstellen van een (numerieke en alfabetische) ‘aanwinstenstaat’, werd een vijftal jaar geleden afgerond en omvatte grotendeels het in kaart brengen van de belangrijkste documenten, alsook de tijdspanne die deze beslaan. De tweede en laatste fase, het eigenlijke beschrijven, waar nu aan gewerkt wordt, moet uitmonden in een overzichtslijst en eventueel een uitgebreide inventaris. Beide fasen werden ten dele uitgevoerd door een groep studenten tweede kandidatuur communicatie in het kader van een oefening ‘archivistiek’, onder begeleiding van enkele Amsab-medewerkers. Voorzien was de hele beschrijving van het archief af te ronden tegen december 2003, echter, het beschrijvingsproces is  momenteel nog steeds aan de gang. De Amsab – medewerkers geven grif toe de wanorde van het archief en de moeilijkheid van het beschrijven toch wat te hebben onderschat[17].

De beschrijving van het archief gebeurt met zo veel mogelijk respect voor het herkomstprincipe. De beschrijvers zijn er als de dood voor hun eigen logica aan het archief op te dringen. Probleem is echter dat het apl-archief nooit echt ordelijk werd bijgehouden, waardoor zelfs bij de ophaling de grote lijnen van het archief niet duidelijk waren. Hoewel verschillende medewerkers van apl duidelijk een groot belang hechtten aan het bewaren van documenten -getuige het feit dat Agence de Presse Libération - Belgique niet alleen een persagentschap annex tijdschrift was, maar ook een documentatiecentrum openhield- was hun kennis terzake kennelijk beperkt. De briefwisseling zit bijvoorbeeld her en der verspreid, in plaats van te ressorteren onder een mooie, aparte rubriek ‘briefwisseling’[18]. Hetzelfde geldt mutatis mutantis voor allerhande strooifolders, uitnodigingen en persartikels, om slechts enkele voorbeelden te noemen. Daarnaast duiken verschillende documenten, zoals de statuten, meermaals op in schijnbaar totaal losstaande contexten. Chronologisch gezien is het archief in feite een totale warboel. Van echte aaneensluitende ‘bronnenreeksen’ is er dan ook geen sprake. Het feit dat het archiefmateriaal van apl nooit geordend werd zoals in een ‘goed bewaard archief’, maakt het de beschrijvers uiterst moeilijk om de herkomst van de documenten te achterhalen, of nog de onderliggende relatie tussen de verschillende archiefstukken.

         Bijkomende moeilijkheid is dat duidelijk niet al het archiefmateriaal bewaard is. Zo wordt er in het apl – tijdschrift vaak op gewezen dat een bepaald artikel werd toegestuurd door organisatie x of y, maar is er in de briefwisseling geen enkel spoor terug te vinden van deze organisaties. Mogelijks is een deel van dit archiefmateriaal verloren gegaan of achtergehouden. Het lijkt er echter eerder op dat slechts datgene werd bijgehouden wat nuttig was voor of logisch was volgens de werking van apl, -en dan nog…-. Een stelling die deze hypothese kan staven is dat heel wat materiaal bewaard werd met betrekking tot het tijdschrift, zoals handgeschreven artikels, geannoteerde informatie en krantenknipsels en, daarentegen slechts in beperkte mate ‘hard’ archiefmateriaal teruggevonden werd, of materiaal dat betrekking heeft op de werking van apl. Het feit dat voor de laatste werkjaren, waarin apl verscheidene vormen van subsidiëring genoot, merkelijk meer hard archiefmateriaal voorhanden is, vooral dan met betrekking tot de subsidiëring, wijst in dezelfde richting[19].

Daarnaast is het archief van apl zeer ruim en verzamelde apl alle informatie die ook maar op de één of andere manier verwant was met de thema’s die apl’s aandacht genoten. Dit bemoeilijkt de inventarisering eveneens[20]. Zo is het in een oogopslag bijvoorbeeld wel duidelijk dat een bepaald dossier handelt over racisme, maar is verder speurwerk nodig om te weten op welke manier dit dossier betrekking heeft op racisme (binnenlands of buitenlands racisme, een organisatie die opkwam tegen racisme,…). Verder beperkt het archief van apl zich kennelijk niet tot de archiefstukken van apl zelf, maar omvat het ook materiaal van aanverwante personen en verenigingen, zoals archiefstukken van “SEE” of “Solidarité des Etudiants Etrangers”, alsook van dhr. Jaques Delattre.  Het komt er dan op aan uit te maken welke stukken wel en niet tot apl behoorden.

Tot slot werd in de eerste fase van het inventariseren, te weten het opstellen van een aanwinstenstaat, een nu onlogische gebleken indeling in dossiers en documentatiemappen gemaakt[21]. Vereenvoudigd gesteld zouden de documentatiemappen alle informatie groeperen die verbonden was met de functie van apl als documentatiecentrum en de dossiers alle informatie die verbonden was met de functie als persagentschap.

 

Het feit dat van het apl-archief nog geen overzichtslijst of inventaris beschikbaar is, heeft enige consequenties voor mijn onderzoek. In eerste instantie heb ik gewekt op niet - geordend archiefmateriaal, waarvan ik de ongeordende orde moest respecteren. Het heeft toch de nodige tijd gekost eer ik de juiste documenten wist te lokaliseren en een goede werkmethode gevonden had om met dit materiaal om te gaan. Daarnaast kan ik in mijn onderzoek niet verwijzen naar een overzichtslijst of inventaris. Ik heb ervoor geopteerd dit op te lossen door in de bronvermeldingen de nummers aan te geven van de dozen waarin de archiefstukken zich bevonden op het moment dat ik ze geraadpleegd heb, alsook een persoonlijke, rudimentaire omschrijving van het desbetreffende document.

 

Weerhouden bronnen en vindplaatsen

 

Een volledig overzicht van de geraadpleegde bronnen, alsook hun vindplaats is te vinden in bijlage 2[22].

 

Mijn eigenlijk onderzoek op basis van bronnenmateriaal valt uiteen in een tweetal grote onderdelen. Enerzijds steun ik op archiefbronnen om de meer algemene interne en externe werking van apl bloot te leggen[23]. Anderzijds baseer ik met op archiefbronnen om een meer gedetailleerd beeld te krijgen van de informatie die apl verspreidde en de manier waarop het dit deed[24]. Gezien de nogal wanordelijke staat van het meeste archiefmateriaal van apl, heb ik ernaar gestreefd zoveel mogelijk verschillende bronnenreeksen te combineren. Meer concreet heb ik een beroep gedaan op hard archiefmateriaal, kranten- en tijdschriftartikels, mondelinge bronnen, een eigentijdse licentiaatverhandeling over apl en het tijdschrift zelf dat apl uitgaf.

 

De oprichting van het persagentschap Agence de Presse Libération - Belgique in oktober 1972 ging gepaard met de publicatie van het eerste nummer van het apl - tijdschrift. Het laatste nummer van het tijdschrift, nummer 568, verscheen op 1 mei 1991.

Het apl - tijdschrift is het meest zichtbare en tastbare deel van apl. Het is tegelijk de meest volledige bronnenreeks die voorhanden is en bevat dan ook een bom aan informatie van en over apl. Dit maakt het mogelijk verschillende invalshoeken te hanteren, zoals het in kaart brengen van periodiciteit, prijs, verantwoordelijke uitgever, gemiddeld aantal pagina’s, rubrieken, keuze van de thema’s, illustraties en manier van berichtgeving.

In eerste instantie heb ik het tijdschrift gehanteerd als bron om de algemene en praktische werking van apl bloot te leggen[25]. Van buitengewone waarde hiervoor waren de editorialen. Deze korte stukjes, meestal helemaal voor- of achteraan in het tijdschrift, vormen een wat apart genre[26]. In de editorialen staan voornamelijk de belangrijkste discussies te lezen die leefden in het apl-collectief, alsook de verschillende organisatorische keuzes en het bijschaven van de doelstellingen. Geen hoogdravende opiniestukken dus, maar eerder een inkijk in de interne keuken van apl. Daarnaast heb ik op basis van het bulletin een soort van identiteitskaart opgesteld[27]. Het is een fiche die de evolutie in de technische gegevens van het apl – tijdschrift in kaart brengt en meer bepaald aspecten zoals prijs, titel, drukker, verantwoordelijke uitgever en lay – out. Tot slot heb ik het tijdschrift verder gedissecteerd aan de hand van verschillende methodologische invalshoeken, met name statistiek, iconografie, inhoudsanalyse en discoursanalyse[28]. Door middel van deze technieken kreeg ik een beter zicht op de aard van informatie die apl weerhield, de manier waarop de weerhouden informatie verslaan werd en de illustraties waarmee apl het tijdschrift vanaf een bepaalde periode vorm gaf.

Het tijdschrift werd op een drietal plaatsen geraadpleegd. In eerste instantie zijn een groot aantal nummers bewaard in de bibliotheek van het Amsab - Instituut voor sociale geschiedenis[29]. De collectie apl - tijdschriften is hier evenwel niet volledig. Een aantal nummers werden mij geschonken door Pascal Delaunois en Monique Quintart en heb ik in eigen beheer. Hiermee kon ik enkele lacunes uit de Amsab - bibliotheek opvullen. De resterende nummers heb ik geraadpleegd in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel, waar een iets volledigere collectie van het tijdschrift bewaard is dan in het Amsab[30]. Handig hulpmiddel bij de raadpleging van het tijdschrift was doos 227 van het apl-archief[31]. Deze doos bevat namelijk een inhoudstafel van alle tijdschriftnummers, waardoor ik vlot relevante artikels kon terugvinden.

Hoewel ik niet alle nummers van het apl – tijdschrift geraadpleegd heb in de Koninklijke Bibliotheek, heb ik in de bronvermelding enkel verwezen naar de vindplaats van het tijdschrift in de KBR en dit om het voetnotenappartaat overzichtelijk te houden en niet onnodig te verzwaren. Motivatie voor deze keuze is dat alle nummers van het apl – tijdschrift in de Koninklijke Bibliotheek terug te vinden zijn. Bij de bronvermelding heb ik daarnaast enkel melding gemaakt van de nummers en niet van de concrete verschijningsdatum van het tijdschrift. Die is immers grosso modo af te lezen uit bijlage nummer 2. Wat de editorialen betreft heb ik niet verwezen naar concrete pagina’s in het apl – tijdschrift. De editorialen bevinden zich namelijk, enkele uitzonderingen daar gelaten, steeds helemaal vooraan of helemaal achteraan in het tijdschrift.

 

Naast het tijdschrift heb ik een beroep gedaan op het zogenaamde ‘harde’ archiefmateriaal van apl. Hieronder versta ik die documenten die rechtstreeks verbonden zijn met de werking van apl, zoals personeelszaken, financiële informatie, briefwisseling van en naar apl, affiches, werkschriften (carnet de bord), strooifolders, documenten over de rechtszaak van apl tegen La Dernière Heure, persberichten, publicaties andere dan het tijdschrift (zoals ‘Le mode d’ emploi à l’ information), statuten, redactionele stukken, acties van apl (zoals ‘Contraste Soir’) en subsidieaanvragen[32].

Zoals hoger aangegeven, zit dit materiaal sterk verspreid over verschillende archiefdozen en is er van een mooi geordend archief geen sprake. Ik heb in eerste instantie alle voor mijn onderzoek relevante informatie bij elkaar gezocht en systematisch doorgenomen. Daarbij heb ik een eigen ‘inventaris’ opgesteld om duidelijk te weten welke informatie ik waar kon vinden. Naast het nummer van de doos en de aanduiding van de grote rubrieken die reeds aangebracht waren in het archief bij de eerste fase van beschrijving, heb ik aan de hand van kernwoorden elk relevant archiefstuk omschreven. Ik heb mijn persoonlijke inventaris in bijlage 2 opgenomen, en hanteer deze als basis voor de bronvermelding verder in dit onderzoek.  Ik ben me ervan bewust dat deze verwijzing en dan vooral de vermelding van de nummers van de oorspronkelijke archiefdozen, veel van zijn relevantie zal verliezen eens een overzichtslijst of inventaris voorhanden zal zijn[33]. Ik zag dit evenwel als de enig mogelijke, werkbare en wetenschappelijke oplossing op dit ogenblik. Ik hoop dat mijn persoonlijke beschrijving zal toelaten de documenten waarop betrekking vlot te retraceren, eens het archief goed en wel geïnventariseerd zal zijn.

De dozen waar ik de meeste informatie uit gedestilleerd heb, dragen de nummers 194, 231 en 232. Daarnaast heb ik ook interessante informatie gevonden in de dozen genummerd 29, 129 (nu deels ondergebracht onder de tijdelijke rubriek ‘apl zelf’), 130, 162, 195, 227, 228, 229 en 233.

Aanvankelijk bevond het volledige archief van apl, zoals door Michel Veys geschonken aan het Amsab - ISG, zich in de Pijnderstraat te Gent[34]. Ik kon het archief daar op afspraak raadplegen. De Amsab – medewerkers waren evenwel zo vriendelijk om de archiefstukken die ik relevant achtte voor mijn onderzoek over te brengen naar de leeszaal van het Amsab in de Bagattestraat te Gent, waar de raadpleging veel vlotter verliep.

 

Gezien Agence de Presse Libération – Belgique actief was in het recente verleden, was ik in de mogelijkheid een beroep te doen op mondelinge bronnen door een tweetal interviews af te nemen van enkel sleutelfiguren van apl. Correspondent van mijn eerste interview was Michel Veys, verantwoordelijke uitgever tijdens de laatste periode van apl, meer bepaald van 1987 tot en met 1993 en, schenker van het archief aan het Amsab. Dit interview vond plaats op 13 november 2003 te Schaarbeek. Monique Quintart en Pascal Delaunois waren de correspondenten van mijn tweede interview[35]. Dit koppel, dat ik interviewde te Ukkel op 6 december 2003, wordt algemeen omschreven als de drijvende kracht tijdens de centrale periode van apl. Beiden waren zo’n tiental jaar actief in apl, grosso modo van 1973 – 1974 tot en met 1985. Pascal Delaunois was verantwoordelijke uitgever van 1975 tot en met 1979. 

         Het bleek niet echt mogelijk veel meer mensen te interviewen. Enkele medewerkers van apl zijn intussen overleden, enkele andere zijn om persoonlijke redenen niet in de mogelijkheid een interview af te staan. Daarnaast was het ook niet mijn bedoeling een eindeloos aantal mondelinge bronnen tot stand te brengen, maar heb ik geopteerd voor een beperkt aantal interviews, met bovenvermelde respondenten. Rekening houdend met de wet van de verminderde meeropbrengst heb ik van Sophie Louveaux geen interview afgenomen, doch haar enkel per post en e-mail gecontacteerd en dit midden februari 2004 [36]. Sophie Louveaux was als tijdelijke werkkracht actief in apl gedurende het jaar 1981[37].

         De mondelinge bronnen lieten me toe binnen te dringen in de meer persoonlijke leefwereld van apl en te zien hoe de medewerkers van apl zich de idealen waar ze voor stonden, elk op hun manier eigen maakten en incorporeerden. De interviews leerden me vooral dat een organisatie bestaat uit mensen van vlees en bloed en staat of valt door deze mensen. Agence de Presse Libération - Belgique kreeg op die manier een concreet gezicht en kwam los van de dode, geschreven letters waarop ik mijn onderzoek tot dan toe gebaseerd had. Tot slot hebben deze interviews me geholpen om mijn onderzoek bij te schaven en te relativeren. Op 2 april 2004 heb ik de door mij afgenomen interviews geschonken aan het Amsab – ISG[38].

 

Pascal Delaunois was niet alleen een bevoorrecht getuige en mondelinge bron voor dit onderzoek, hij schreef ook zijn licentiaatverhandeling over apl als student Journalistiek aan de Université Libre de Bruxelles, op het moment dat hij reeds actief was in apl[39]. Delaunois’ verhandeling dateert uit 1974, twee jaar na de oprichting van apl en biedt een mooie inkijk in de beginperiode van het persagentschap annex tijdschrift. Ik heb deze licentiaatverhandeling geraadpleegd op microfilm in de ULB[40]

 

Een mooie aanvullende, doch slechts in summiere mate geraadpleegde bron, zijn de verschillende artikels die verschenen zijn over apl en op basis van informatie van apl. Enerzijds berichtte de pers in een aantal kranten- en tijdschriftartikels over apl. Anderzijds publiceerden verscheidene persorganen berichten die verspreid waren door apl, echter niet altijd met bronvermelding. Beide soorten artikels verschenen zowel in de traditionele pers als in de alternatieve en dit voornamelijk in de jaren ’70 en ’80.

         Enkele van deze artikels bevinden zich her en der verspreid in het apl - archief in het Amsab, en dan voornamelijk in dozen 29 en 129. De omvang hiervan is echter miniem te noemen. Gezien deze artikels hoofdzakelijk blootleggen wat de draagwijdte was van de informatie van apl, de manier waarop deze informatie gebruikt werd, alsook de visie van de pers op apl en, deze aspecten grotendeels buiten de directe vraagstelling van mijn onderzoek vallen, heb ik me beperkt tot het doorpluizen van die artikels die ik aantrof tussen de andere archiefdocumenten. Het doornemen van de volledige traditionele en alternatieve pers van (Franstalige) België uit de jaren ’70 en ’80 leek me niet alleen onbegonnen werk, het was daarenboven overbodig in het kader van dit onderzoek[41].

 

Een laatste extra bronnenreeks die zich aanbiedt zijn allerhande overzichtswerken waarin apl mogelijks werd opgenomen, zoals het “Répertoire d’ offres de formation à l’ action socio-culturelle” uitgaande van het ministerie van de Franstalige gemeenschap en de “Guide de la Belgique des luttes”,[42]. Gezien de vraag naar de mate waarin apl door anderen erkend werd slechts een deelaspect van mijn onderzoek is, heb ik niet actief gezocht naar dergelijke bronnentypes. Dit belet niet dat ik eerder toevallig aangetroffen indicaties mee in rekening gebracht heb.

 

Verwerking van het bronnenmateriaal

 

Dit onderzoek naar Agence de Presse Libération - Belgique is in essentie een onderzoek naar een alternatief persagentschap annex tijdschrift. De weerhouden definitie van alternatieve pers, alsook de specifieke inzichten uit het traditionele en ‘alternatieve’ tijdschriftonderzoek die ik hanteer als methodologisch kader voor dit onderzoek licht ik toe in een afzonderlijk onderdeel, dat na deze inleiding volgt[43].

 

Wat de concrete verwerking van het bronnenpakket betreft, volstaat naar mijn mening voor de meeste bronnen een traditionele historische kritiek of de techniek van de kritische waardering van bronnen door het afwegen van de interne en externe aspecten van de bron. Walter Prevenier en Marc Boone omschrijven deze techniek als “het uitschakelen van de vervelende tussenschakels tussen de gebeurde fenomenen en de onderzoekers [44]. Een concrete toepassing hiervan op mijn onderzoek is dat ik er bij de raadpleging en verwerking van de subsidiedossiers van apl rekening mee gehouden heb dat deze bronnen een apart genre zijn, waarbij een instantie, in casu apl, aast naar erkenning en subsidiëring door een andere instantie, in casu het ministerie van de Franstalige Gemeenschap en dit door aan te tonen dat voldaan wordt aan specifieke criteria. De neiging om een aantal moedervlekjes weg te werken kan in zo’n verband wel eens groot zijn. Michel Veys wees me zelfs persoonlijk op het gevaar van vertekening indien ik mijn bronnenonderzoek enkel en alleen zou baseren op deze dossiers, gezien sommige passages eerder dode letter waren, dan wel de reële werkelijkheid[45]. Bijkomende moeilijkheid wat de subsidieaanvragen betreft is dat deze bronnen weliswaar de knelpunten en wensen van apl blootleggen, maar dat het niet altijd duidelijk is of de gevraagde steun ook daadwerkelijk toegekend werd.

 

Bij de meer gedetailleerde en gediversifieerde analyse van de informatie van apl, heb ik een beroep gedaan op een aantal specifieke methodologische hulpmiddelen, met name statistiek, iconografie, discoursanalyse en inhoudsanalyse, al dan niet in een vereenvoudigde of aangepaste vorm. Deze technieken licht ik toe in het vijfde deel van dit onderzoek[46].

 

Kort wil ik hier even halt houden bij de methodologie voor het gebruik van mondelinge geschiedenis. Het is niet mijn bedoeling een pleidooi te houden waarin ik het wetenschappelijke karakter van de mondelinge bron wil blootleggen. De status van wetenschap word nog maar weinig ontzegt aan dit bronnentype en de mondelinge bron is intussen zowat op dezelfde hoogte komen te staan als de geschreven bron[47]. Dit belet evenwel niet dat de mondelinge bron een aparte bronnensoort is die een specifieke methodologische know - how vereist.

         Het menselijke geheugen heeft namelijk een eigen wil en bouwt spontaan een eigen logica op door herinneringen in een mooi, coherent geheel te gieten[48]. In werkelijkheid verliepen de gebeurtenissen vaak veel chaotischer en minder voorspelbaar of, net omgekeerd, veel coherenter en veel meer voorspelbaar. Het geheugen is met ander woorden creatief, maar tegelijkertijd ook selectief. Datering is van geen betekenis voor het geheugen, routine wordt minder makkelijk onthouden dan wereldschokkende gebeurtenissen, emoties griffen bepaalde voorvallen haarscherp in het geheugen of jagen ze net vliegensvlug de vergeetput in. Daarnaast treedt het individuele geheugen graag in dialoog met het collectieve geheugen.

Toegepast op de interviews die ik heb afgenomen, viel het me bijvoorbeeld op hoe gevoelig bepaalde informatie soms nog ligt. Zo werd zeer voorzichtig omgegaan met het geven van namen. Daarnaast leek Michel Veys een veel problematischer beeld op te hangen van apl dan Monique Quintart en Pascal Delaunois. Waar Quintart en Delaunois nauwelijks spraken over meningsverschillen, herhaalde Veys meermaals : A l’apl, il y a toujours eu des discussions et il n’ y a eu que de discussions[49]. Een mogelijke verklaring hiervoor is de persoonlijke ingesteldheid van de verschillende respondenten, alsook de periode waarin deze actief waren, respectievelijk “l’époque centrale” voor Monique Quintart en Pascal Delaunois, en “la chevelure de la comète” voor Michel Veys[50].

         Ik heb ervoor gekozen diepte-interviews af te nemen veeleer dan een grote steekproef te houden. Enerzijds was de groep informanten beperkt en aan de andere kant leek het me interessanter slechts een beperkt aantal kroongetuigen uitgebreid te ondervragen. Tijdens de interviews heb ik gepoogd een zachte aanpak te hanteren om een zo spontaan mogelijk gesprek tot stand te brengen. Hulpmiddel hierbij was de ‘levensloopbenadering’.

 

Literatuur

 

Alternatieve pers is een onderwerp dat in het wetenschappelijk onderzoek geen echte leemte vormt in de strikte betekenis van het woord. Wel is het gevoerde onderzoek in België zeer beperkt en niet echt recent, wat duidelijk weerspiegeld wordt in mijn bibliografie. Studies over de nieuwe persvorm die ontstond in de nadagen van mei ’68 dateren alle – enkele uitzonderingen daar gelaten - uit de periode waarin deze pers actief was of net ter ziele gegaan was, met name de jaren ’70 en ’80. Het leeuwendeel van deze studies zijn monografieën en is te situeren in de sfeer van de licentiaatverhandelingen, in hoofdzaak uitgaande van het vakgebied Pers en Communicatie. Enkele auteurs speelden zelfs een meer of minder actieve rol in het behandelde persorgaan[51].

Het enige recente werk over alternatieve pers van Belgische bodem, daarenboven gevoerd in historische kringen, is van de hand van Mathieu Beys[52]. Beys’  - zeer descriptieve - licentiaatverhandeling is door de bundeling van een aantal monografieën over de alternatieve pers in België rond mei ’68, handig als een eerste kennismaking met het onderwerp. Toch mist dit onderzoek, mijns inziens, in eerste instantie een duidelijk methodologisch kader ter wetenschappelijke ondersteuning[53]. Verder is dit onderzoek, naar mijn mening, gevoerd op basis van een zwak bronnenpakket. Beys beperkt zich grotendeels tot het doorlopen van eigentijdse licentiaatverhandelingen en het tijdschrift dat het bestudeerde persorgaan uitgaf; aangevuld met enkele mondelinge bronnen door middel van interviews met ex-medewerkers. Van ‘hard’ archiefmateriaal is omzeggens geen sprake. Gevolg is een bundeling van monografieën die elke verklaringskracht missen en waarbij zelfs de onderlinge link tussen de verschillende besproken persorganen niet echt duidelijk is. Een verwijzing naar de maatschappelijke context waarin de besproken initiatieven ontstonden en in ingebed waren, lijkt me bijvoorbeeld een minimumvereiste te zijn, waaraan evenwel niet voldaan werd. 

         In zijn licentiaatverhandeling behandelt Beys eveneens Agence de Presse Liberation - Belgique. Hij reikt hierbij echter niet veel verder dan een grove schets van het ontstaan van apl, alsook de belangrijkste bezigheden. Ook hier gaat Beys zeer descriptief te werk, en baseert hij zich enkel op het tijdschrift dat apl uitgaf.

 

In het buitenland is het gevoerde onderzoek naar alternatieve pers in de nadagen van mei ’68 eveneens beperkt. Net zoals in het Belgische onderzoek naar alternatieve pers, dateert het gros van de studies uit de jaren ’70 en ’80 en is het te situeren in de sfeer van pers en communicatie. 

Het enige recente, buitenlandse en mijns inziens tegelijk ook zeer degelijke werk, is het werk ‘Alternative Media’ van de hand van Chris Atton[54]. Atton is als ‘Reader in journalism’ verbonden aan de School of Communication Arts van de Napier University te Edinburgh. Hij is gespecialiseerd in het vakgebied alternatieve media. In dit kader voerde hij onderzoek naar de opkomst van de alternatieve media in Engeland sinds de jaren ’90, gelinkt aan de nieuwe golf van sociale bewegingen die toen het levenslicht zag[55]. Attons invalshoek is die van een communicatiewetenschapper die zich focust op de jaren ’90 en geen historisch, politiek en cultureel overzicht van de alternatieve media wil geven. Desondanks hecht hij een groot belang aan de culturele en historische inbedding van deze media en roept hij de lezer op de context in het achterhoofd te houden. Daarnaast geeft Atton de voorkeur aan case – studies, gezien het onderzoek terzake nog niet op punt staat en nog in volle ontwikkeling is[56].

Hoewel gefocust op de alternatieve media in Engeland sinds de jaren ’90, meen ik dat Attons inzichten ook voor mijn onderzoek bruikbaar zijn[57]. Ik volg grotendeels de methodologische lijnen die hij in zijn onderzoek uitstippelt, alsook de definitie van alternatieve pers die hij hanteert[58].

 

 

Opbouw

 

Dit onderzoek naar alternatieve pers in het verlengde van mei ’68 in Franstalige België, met als casus Agence de Presse Libération - Belgique, is onderverdeeld in een zestal delen.

 

In deze inleiding heb ik het doel, alsook de concrete invulling en uitwerking van mijn onderzoek toegelicht en gemotiveerd.

 

Het tweede deel van dit werk is methodologisch van aard. In eerste instantie baken ik een heldere definitie af van alternatieve pers. Daarnaast geef ik een overzicht van de recente inzichten in het traditionele tijdschriftonderzoek, als methodologische basis voor dit onderzoek. Ik vul dit aan met een meer alternatieve methodologie voor tijdschriftonderzoek, rekening houdend met het feit dat apl zichzelf definieerde als een ‘alternatief’ persagentschap annex tijdschrift. Definitie en inzichten, zowel uit het traditionele als alternatieve tijdschriftonderzoek, zijn de leidraad op basis waarvan ik wil opmaken of, hoe en waarom apl al dan niet alternatief was.

 

De situering van apl in de samenleving is het onderwerp van het derde deel. Ik schets eerst de meer algemene politieke, economische en maatschappelijke context waarin apl ontstond en actief was. Daarna daal ik een trapje af, en onderzoek aan de ene kant het fenomeen van de nieuwe sociale bewegingen en aan de andere kant het traditionele en alternatieve perslandschap dat apl omgaf. Deze schets van de context is eerder situerend van aard en allesbehalve exhaustief.

 

In het vierde en tegelijkertijd meest lijvige deel maak ik een ware röntgenfoto van apl. Na een korte schets van de ontstaansgeschiedenis, ontleed ik de doelstellingen en concrete realisaties van apl. Ik bestudeer hierbij diverse aspecten van de werking van apl, zoals geografische omschrijving, financiën, juridische omkadering, werkopvatting, ideologie en materiële taken.

 

Het vijfde deel zoomt in op de informatie die centraal stond in apl, en dit vanuit een caleidoscopische blik. Basis hiervoor is het apl – tijdschrift. Ik onderzoek de thema’s die aan bod kwamen in het tijdschrift, de manier waarop apl zijn informatie vorm gaf en de wijze waarop het tijdschrift vanaf een bepaalde periode geïllustreerd werd. Na een toelichting van de gehanteerde methode, geef ik een overzicht en een interpretatie van de resultaten.

 

De conclusie volgt in het zesde deel van dit onderzoek. Hierin plaats ik in eerste instantie de doelstellingen van apl tegenover hetgeen apl uiteindelijk realiseerde, en dit in het licht van de context waarin het ageerde. In tweede instantie geef ik apl een plaats in het in deel twee geschetste methodologisch kader voor dit onderzoek. In het algemeen besluit volgt tot slot een eindbeschouwing over het gevoerde onderzoek.

 

 

2. Theorie en methodologie

 

Agence de Presse Libération - Belgique profileerde zichzelf als een ‘alternatief’ persagentschap dat een ‘alternatief’ tijdschrift uitgaf. In dit onderdeel sta ik in eerste instantie stil bij de notie ‘alternatieve pers’. In tweede instantie ga ik op zoek naar een methode om alternatieve pers te bestuderen. Ik belicht hierbij de recente uitgangspunten in het onderzoeksveld naar tijdschriften en vul deze aan met een alternatieve notie. Dit theoretisch raamwerk van definitie en methode is de leidraad op basis waarvan ik verder in dit onderzoek analyseer of, hoe en waarom Agence de Presse Libération – Belgique inderdaad, conform aan zijn zelfbeeld, tot de alternatieve pers gerekend kan worden.

 

 

Alternatieve pers, een omschrijving

 

Om de persvorm te omschrijven die het voorwerp is van mijn onderzoek, heb ik gekozen voor de term alternatieve pers. Motivatie voor deze keuze is dat ‘alternatieve pers’ in vergelijking met andere termen, mijns inziens, de meest algemene en meest neutrale lading dekt. Tegelijkertijd is deze term het meest in voege.

Als analytisch begrip is de term alternatieve pers evenwel niet inzetbaar indien niet nader gedefinieerd. Alternatieve pers zegt op zich immers niet veel meer dan ‘niet -mainstream’ pers of ‘niet - traditionele’ pers. Daarnaast is deze term tot op zekere hoogte dynamisch gezien de betekenis ervan mee bepaald wordt door de historisch - culturele context waarop betrekking. Wat in een bepaalde context namelijk als extreem - alternatief aanschouwd wordt, wordt in een andere context misschien als heel traditioneel afgedaan. In eerste instantie wil ik dan ook duidelijk afbakenen welke alternatieve pers hier het voorwerp is van definitie, om daarna op zoek te gaan naar een mogelijke omschrijving van dit begrip.

 

Afbakening van het definitievoorwerp

 

Onderwerp van mijn onderzoek is de alternatieve pers die ontstond in het verlengde van mei ’68. Eventueel oudere of recentere vormen van alternatieve pers laat ik buiten beschouwing. Daarnaast sluit ik tevens mogelijks rechtse of extreem - rechtse initiatieven op het gebied van pers uit, die in de nadagen van mei ’68 het levenslicht zouden gezien hebben[59]. Ik neem in mijn onderzoek met andere woorden enkel en alleen die alternatieve pers in oogschouw, die te situeren is in (extreem-) linkse hoek tijdens de jaren 1970 - 80. Het is deze alternatieve pers die het voorwerp is van definitie.

 

Op zoek naar een definitie

 

Een pasklare definitie van alternatieve pers op het spoor komen is niet evident. Zoals aangehaald in de inleiding, is alternatieve pers een totnogtoe schaars onderzocht onderwerp, zowel in binnen- als in buitenland. Het onderzoek is nog niet zo ver gevorderd dat een volledige consensus zou bestaan over een mooie, heldere definitie die alle meningsverschillen achter zich zou laten. Daarnaast bemoeilijkt de aard van de alternatieve pers ontegensprekelijk het opstellen van een duidelijke omschrijving[60]. De nieuwe persvorm die ontstond in de nadagen van mei ’68 wordt gekenmerkt door zijn grote verscheidenheid, qua aantal titels, oplage, stijl, informatie, publiek, medewerkers, distributie en financiën, om slechts enkele aspecten aan te halen. Deze diversiteit uit zich ondermeer in de enorme waaier aan termen waaronder de nieuwe pers uit de nadagen van mei ’68 geklasseerd wordt, gaande van grofweg nieuwe pers, vrije pers, freep of free press over onafhankelijke pers, parallelle pers, petite presse, contra-pers en linkse pers tot marginale pers, ondergrondse pers, undergroup press en underpress [61]. Tevens is deze pers door de band genomen zeer vluchtig, bewegend en kleinschalig van aard. Vele tijdschriften hebben nooit in de rekken van een boekhandel gepronkt, waren een kort leven beschoren en zijn slechts in beperkte oplage verschenen voor een zeer select publiek. De grote diversiteit, alsook het diffuse en kleinschalige karakter van de alternatieve pers heeft tot gevolg dat systematische, betrouwbare gegevens bijna niet voorhanden zijn. Een totaalbeeld vormen van de alternatieve pers is dan ook geen sinecure, laat staan het onderscheiden van een aantal krachtlijnen als basis voor een definitie.

 

In de doorgenomen literatuur ben ik nergens een pasklare definitie van alternatieve pers tegengekomen[62]. Als dan al de moeite gedaan wordt het definitieprobleem aan te raken, beperken de meeste auteurs zich tot een schuchtere poging om een aantal gemeenschappelijke kenmerken te onderscheiden in het diverse en diffuse perslandschap in het verlengde van mei ’68. Zowat iedere auteur slaagt erin andere kenmerken aan het licht te brengen. Zelden is er sprake van overlapping, tenzij wat de invalshoek betreft. De focus ligt immers bijna exclusief op de inhoud. Daarbij komen elementen naar voor zoals vrije informatie, thema’s die in de doorsnee - pers niet aan bod komen, mobiliserende berichten, contra-informatie en de stem van het volk. Slechts zeer summier is er aandacht voor bijvoorbeeld de structuur of economie van de alternatieve pers. Wanneer dan al andere aspecten aangehaald worden dan enkel de inhoud, gebeurt dit zijdelings en in het licht van de inhoud[63]. Verder geldt de traditionele pers veelal impliciet, dan wel expliciet als referentiepunt en dreigt men – niet altijd bewust - voorbij te gaan aan de eigenheid van de alternatieve pers. Dit uit zich bijvoorbeeld in het geven van een overzicht van de kenmerken van de traditionele pers, gevolgd door een lijst kenmerken van de alternatieve pers[64]. In het slechtste geval is er sprake van een volledige definitie in het negatieve die niet veel verder reikt dat het omschrijven van de alternatieve pers als een restfractie, een minderwaardig afkooksel van de traditionele pers[65]. De grote nadruk op de financiële en juridische problemen van de alternatieve pers moet in hetzelfde licht geïnterpreteerd worden.

Een mogelijke verklaring voor het feit dat van een duidelijke omschrijving van alternatieve pers omzeggens geen sprake is in deze literatuur, is dat al deze werken dateren uit de jaren 1970 – ’80, de periode waarin de bestudeerde alternatieve persorganen ontstonden, actief waren of net ter ziele gegaan waren. Het gebrek aan afstand in tijd, en in bepaalde gevallen ook de betrokkenheid, lieten schijnbaar niet toe een heldere definitie af te bakenen[66].

 

Een omschrijving door Chris Atton[67]

e enige auteur die er, naar mijn mening, wel in geslaagd is een werkbare omschrijving te geven van alternatieve media is Chris Atton. Atton onderzocht de opkomst van de alternatieve media in Engeland vanaf de jaren ’90, gelinkt aan de nieuwe golf van sociale bewegingen die toen het licht zagen[68]. In zijn werk ‘Alternative media’ streeft Atton er niet naar alternatieve media te definiëren in een allesomvattend, doch zijn inziens tegelijkertijd betwistbaar containerbegrip. In zijn omschrijving van alternatieve media stelt hij daarentegen twee punten centraal die fungeren als een kapstok waaraan een waaier van kenmerken opgehangen worden, te weten proces en product. Atton slaagt er op die manier in de eigenheid van alternatieve media te respecteren, zonder afbreuk te doen aan de diversiteit van deze pers. Tegelijkertijd plaatst hij de verschillende onderscheiden kenmerken niet op een hiërarchische ladder, maar maken alle kenmerken samen de definitie van alternatieve media uit.

            Het product van alternatieve media kan nader omschreven worden als de concrete inhoud, de houding van alternatieve media tegenover de werkelijkheid. Het proces daarentegen stoelt enerzijds op het medium zelf en anderzijds op het sociale communicatieproces dat vorm krijgt door dit medium. Het proces van de alternatieve media is dus verwant aan het begrip positie. Door deze combinatie van product en proces definieert Atton alternatieve media zowel door de – niet - traditionele – methodes van creatie, productie en distributie, als door de inhoud. Inhoud is met andere woorden slechts een en niet hét kenmerk dat alternatieve media vorm geeft. Naast de zuivere communicatie van feiten en ideeën, hebben alternatieve media ook politieke en sociale actie tot doel. Inhoud en proces, hoewel afzonderlijk erkenbaar en analyseerbaar, hangen nauw met elkaar samen.

Achterliggend idee achter het koppel product en proces is dat alternatieve media pas effectief kunnen zijn indien ze zelf een transformatie ondergaan in alternatieve zin. Niet enkel het argument op papier is dan van tel, maar ook de werkpositie in relatie met de productiemiddelen. De alternatieve media herbekijken immers hun positie als mediaproducent en veranderen zo de sociale relaties, de identiteit van de betrokken actoren. Het begrip ‘netwerken’ speelt hierin een belangrijke rol.

 

De kenmerken die Atton vast hangt aan de kapstokken ‘product’ en ‘proces’ zijn meer dan pure idealen; het zijn principes die in de reële werkelijkheid moeten toegepast worden en moeten bijdragen tot de maatschappelijke functie van alternatieve media.

            Wat het product betreft, berichten alternatieve media over onderwerpen die ergens anders niet aan bod komen.  Alternatieve media hebben andere selectiecriteria dan de traditionele media en laten op die manier een wereld zien die elders niet te zien en niet te vinden is. Niet alle informatie wordt weerhouden. Alternatieve media zijn in de grond zeer oppositioneel van aard en willen een omvorming, tot zelfs een omverwerping van de maatschappij. Voorkeur gaat dan ook uit naar berichten over de gewone mens, de man in de straat met zijn dagdagelijkse bezigheden en eenvoudige noden. De weerhouden informatie moet de lezers toelaten kritisch te zijn, na te denken, een positie in te nemen, in actie te schieten, de wereld te veranderen. Liefst worden zoveel mogelijk stemmen gehoord, gaande van de arbeider in de fabriek en de student op school tot de actievoerder op straat. Eerder dan zomaar berichten over te nemen van officiële instanties, wil men luisteren naar de stem van het volk en naar de sociale bewegingen. De toon van alternatieve media is immers zo vrij en onafhankelijk mogelijk, los van politieke partijen of andere gevestigde, officiële instanties en organisaties.

            Qua proces geven de alternatieve media de voorkeur aan participatorische en democratische idealen. De structuur is niet – hiërarchisch door het zelfbestuur van activisten, de collectieve organisatie en de horizontale communicatie. Dit laatste houdt in dat lezers en schrijvers op gelijke voet staan en in principe iedereen toegang heeft tot de media door de mogelijkheid en vrijheid zelf het woord te nemen. Eventueel steken professionelen een handje toe, maar dit is niet noodzakelijk. Alternatieve media zijn immers anti - professioneel ingesteld. Empowerment van de gewone man door middel van interactie en actieve participatie staat voorop. Het hele proces van creatie, productie en distributie gebeurt in een anti – commerciële en anti – kapitalistische geest. Winst wordt niet nagestreefd of zelfs verworpen. Alles wordt zo goedkoop en kleinschalig mogelijk gehouden in het licht van volledige financiële onafhankelijkheid. Verder zijn alternatieve media zeer vrij, wat zich ondermeer uit in de wisselende vorm die het product kan aannemen.  

 

Wanneer al deze kenmerken van product en proces samengebracht worden, kan alternatieve media - met de woorden van Chris Atton- als volgt gedefinieerd worden[69]:

Alternative media, I argue, are crucially about offering means for democratic communication to people who are normally excluded from media production. They are to do with organizing media along lines that enables participation and reflexion.

Democratische communicatie staat dan voor gedekapitaliseerde, gedesinstitutionali-seerde en gedeprofessionalisseerde communicatie.

 

Attons definitie van alternatieve media is zeer ruim. Enerzijds beperkt Atton zich niet tot het geschreven woord, waar de alternatieve media de voorkeur aan geven, maar neemt hij ook andere dragers in rekening zoals radio, televisie en video. Daarnaast ziet Atton alternatieve media ruimer dan enkel politieke media en weerstandsmedia en omsluit hij in zijn omschrijving ook andere en recentere vormen van alternatieve media zoals literaire alternatieve media en ‘zines’. Gezien de ruime lading die Attons omschrijving van alternatieve media dekt, acht ik ze toepasbaar op mijn enger onderzoeksdomein, met name alternatieve pers. Het feit dat Atton de alternatieve media onderzocht vanaf de jaren 1990 en ik de alternatieve pers uit de periode 1970 – ’80, lijkt me geenszins een bezwaar te zijn. Attons omschrijving lijkt me perfect bruikbaar voor de alternatieve pers uit de nadagen van mei ’68. Dit is alvast Attons bedoeling.

 

 

Tijdschriftonderzoek, een methode

 

Traditioneel tijdschriftonderzoek[70]

 

Agence de Presse Libération – Belgique is in essentie een persagentschap annex tijdschrift. Voor de concrete analyse van apl inspireer ik mij op de meest recente inzichten in het traditioneel onderzoeksveld naar tijdschriften.

In dit onderzoeksveld wordt een tijdschrift gezien als een forum voor ideeën, een open werkplaats, een podium voor communicatie en informatie, een opiniemaker, een locatie voor intern en extern debat, een informatiedrager, een virtuele ontmoetingsplaats waar mensen met een gemeenschappelijke belangstelling of zienswijze samenkomen.

Een ander inzicht in dit onderzoeksveld naar tijdschriften, is dat een tijdschrift, net door zijn functie als informatiedrager, discussiepodium en opiniemaker geen rechtstreeks venster is op het verleden, laat staan een rechtstreekse (af)spiegel(ing) van de werkelijkheid. In plaats van een louter passieve ontvanger te zijn van ideeën en standpunten, stuurt en entameert een tijdschrift immers de openbare discussie, denkt het na over de toekomst en voert het een intern en extern debat. Door de permanente strijd om betekenis en duiding te geven aan de werkelijkheid, zijn tijdschriften een actieve component van de maatschappij, een essentieel bestanddeel van de samenleving. Tijdschriften moeten omwille van dit transformatiepotentieel van de werkelijkheid dan ook veeleer ‘constructief’ dan wel ‘reflexief’ benaderd worden[71]. Dit brengt met zich mee dat in het onderzoek naar tijdschriften de aandacht niet enkel mag gaan naar de inhoud van het tijdschrift, maar ook de concrete werking van het tijdschrift onder de loep moet genomen worden, in relatie tot de bredere, maatschappelijke context.

Aerts ziet een tijdschrift in het verlengde hiervan als een publieke sfeer, een communicatieruimte die cultuur mogelijk maakt door een openbaarheid te scheppen. Als dusdanig creëren tijdschriften immers een ruimte waar ideeën, waarden en opinies - de essentiële bestanddelen die samen cultuur vormen - het onderwerp zijn van communicatie. Met een verwijzing naar Habermas, omschrijft Aerts een tijdschrift dan ook als een moderne vorm van openbaarheid[72].

 

Tijdschriftonderzoek met een alternatieve toets

 

In mijn onderzoek wil ik er rekening mee houden dat Agence de Presse Libération – Belgique te situeren is in de sfeer van de alternatieve pers. Bovenvermelde uitgangspunten uit het traditionele onderzoek naar tijdschriften vervallen daarbij niet, doch een alternatieve toets is bijkomend vereist. Voor deze meer alternatieve notie neem ik Chris Atton eveneens als leidraad.

            Net als de traditionele tijdschriftonderzoekers benadrukt Atton dat een tijdschrift een ontmoetingsruimte is waar mensen en ideeën samenkomen[73]. De media, aldus Atton, informeren en reflecteren over de ervaringen van de wereld van elke dag en drukken deze ervaringen uit. Daarnaast beklemtoont Atton, net als de traditionele tijdschriftonderzoekers, dat een tijdschrift een maatschappelijke functie in zich draagt. In de termen van bovenvermelde uitgangspunten van het traditionele tijdschriftonderzoek uitgedrukt, is een tijdschrift ook in Attons ogen geen weerspiegeling van de werkelijkheid, maar een actieve component in de samenleving. Atton ziet de maatschappelijke functie van een - alternatief – tijdschrift in het feit dat alternatieve media ijveren voor maatschappelijke verandering, zowel door het argument op papier als door de positie van het tijdschrift. Atton pleit er dan ook, analoog met de traditionele tijdschriftonderzoeker, voor om het onderzoek naar tijdschriften niet enkel af te stemmen op de inhoud, maar ook op de werking of - in zijn terminologie - op het product en het proces van het tijdschrift; en dit in het licht van de context.

Echter, waar in het traditionele tijdschriftonderzoek sprake is van een tijdschrift als een publieke sfeer, poneert Atton hier de notie van ‘alternatieve publieke sfeer’ tegenover[74]. Atton licht deze notie toe als “een oppositionele, politieke cultuur waarin alternatieve media circuleren en beleefd worden door middel van een sterke horizontale communicatie en de nadruk op activiteit, beweging en uitwisseling”. Het is een autonome sfeer waarin ervaringen, kritiek en alternatieven vrij tot stand kunnen komen. In het begrip ‘alternatieve publieke sfeer’ ziet Atton, als tegenhanger van Habermas’ burgerlijke publieke sfeer, een geschikte theoretische basis om fenomenen te verklaren waarbij verschillende instellingen op buitenparlementaire wijze samenwerken en een publiek in de mogelijkheid stellen politieke en sociale thema’s aan te kaarten, onafhankelijk van de staat. Dit weefsel van instellingen omvat ondermeer de alternatieve media, alsook de mensen die op de één of andere manier verbonden zijn met deze media. In het begrip alternatieve publieke sfeer is de alternatieve pers met andere woorden onafscheidelijk verbonden met het publiek waarop het zich richt. Aan de ene kant is dit publiek een kweekvijver voor de alternatieve pers en aan de andere kant dient en informeert de alternatieve pers dit publiek. De notie alternatieve publieke sfeer legt op die manier de noodzaak bloot om de alternatieve pers in zijn –alternatieve - context te plaatsen indien men de effectiviteit ervan wil beoordelen.

Atton gaat zelfs verder. Hij is niet enkel op zoek naar een –alternatieve- tegenhanger voor het begrippenarsenaal van Habermas, maar ook voor dat van Bourdieu[75]. Voorzichtig oppert hij de idee van een autonoom ‘alternatief veld’, analoog aan Bourdieu’s ‘veld van de beperkte productie’ en ‘veld van de massaproductie’. Het ‘culturele veld’ vindt Atton immers een te eng begrip voor de alternatieve pers, omdat deze pers zich niet beperkt tot literatuur en artistieke waarden. Alternatieve media verwarren daarenboven, zo vervolgt Atton, de noties ‘beperkte productie’ en ‘massaproductie’. Zo kunnen de activiteiten van de alternatieve pers in de praktijk beperkt zijn, maar kan de alternatieve pers tegelijkertijd gebruik maken van technieken voor massaproductie en een groot doelpubliek voor ogen hebben. Dit laatste kadert binnen de sterke drang van de alternatieve pers naar democratisering.

Het is niet mijn bedoeling dieper in te gaan op de begrippen ‘alternatieve publieke sfeer’ en ‘alternatief veld’. Daarvoor zijn deze begrippen nog te vaag en te beperkt omschreven. Toch geloof ik in het belang van deze omschrijvingen voor mijn onderzoek. De begrippen ‘alternatieve publieke sfeer’ en ‘alternatief veld’ laten immers ruimte voor kenmerken zoals anti-commerciële ingesteldheid van een alternatief tijdschrift, collectieve organisatie, horizontale communicatie en vrije en onafhankelijke informatie, kenmerken die bij traditionele tijdschriftonderzoekers niet opduiken[76]. Verder tonen deze begrippen aan dat ‘culturele werkelijkheid’ een te beperkt kader is om de alternatieve media te bestuderen. Eerder moet een ruimere werkelijkheid als kader genomen worden, weliswaar in alternatieve zin.

De meerwaarde van de begrippen ‘alternatieve publieke sfeer’ en ‘alternatief veld’ ligt er met andere woorden in dat ze toestaan de alternatieve pers te onderzoeken vanuit de eigenheid van deze pers[77]. Indien enkel en alleen de inzichten uit het traditionele tijdschriftonderzoek als uitgangspunt zouden genomen worden, dreigt immers het gevaar om in het onderzoek naar alternatieve pers te veel te focussen op financiële moeilijkheden, niet of nauwelijks betaalde medewerkers, een marginaal en onzeker bestaan, een zwakke distributie en een geringe zichtbaarheid op de markt[78]. Zo kan een beeld ontstaan van een alternatieve pers die steeds moet worstelen om te overleven en in wezen mislukt is[79]. Dit beeld zou totaal afbreuk doen aan de ware gestalte van de alternatieve pers.

 

Naar een model voor het tijdschriftonderzoek van alternatieve pers

 

In dezelfde geest als de hoger aangebrachte alternatieve toets bij de uitgangspunten voor het onderzoek naar alternatieve tijdschriften, dient een aangepast onderzoeksmodel zich aan, eveneens doorspekt van een alternatieve notie.

            Het traditionele communicatiemodel van Shannon en Weaver, ook bekend als het transitiemodel, kan voor de analyse van alternatieve pers immers niet ingezet worden. Kort omschreven houdt dit model in dat een zender via een gekozen kanaal een boodschap verstuurt naar een ontvanger, en dit met het oog op een bepaald effect[80]. Het communieproces wordt met andere woorden beschouwd als een lineaire, effect – ressorterende sequentie met een vijftal kernelementen, te weten zender, kanaal, boodschap, ontvanger en effect[81]. In de alternatieve pers nu, is niet zomaar eenduidig sprake van een ‘zender’ en een ‘ontvanger’. De ontvanger van de alternatieve pers, in casu beter omschreven als de lezer, is in het communicatieproces immers niet enkel actief als lezer, doch meestal ook als deelnemer aan de democratische – participatorische organisatie van de alternatieve pers en de horizontale communicatie. Een aangepast communicatiemodel voor de analyse van alternatieve pers is dan ook aan de orde.

 

Bij gebrek aan een bestaand ‘alternatief’ communicatiemodel, stelde Chris Atton zelf een model van alternatieve pers op[82]. In zijn model vertrekt Atton vanuit de idee dat de alternatieve pers haar positie als mediaproducent herbekijkt en zo de sociale relaties en de identiteit van de betrokken actoren verandert. Een model van alternatieve pers moet zijns inziens dan ook rekening houden met het feit dat er in de alternatieve pers enerzijds van echte verantwoordelijkheden en posities geen sprake is, doch eerder van overlapping en anderzijds dat alternatieve pers een eigen gestalte heeft. Atton zet in dit verband het begrippenpaar ‘product’ en ‘proces’ van alternatieve pers centraal in zijn model voor alternatieve pers. Hetzelfde begrippenpaar vormt ook de kern van Attons omschrijving van alternatieve pers[83]. Atton komt tot volgend analysekader[84]:

 

A typology of alternative and radical media:

 

1. Content (politically radical, socially / culturally radical); news values

2. Form – graphics, visual language; varieties of representation and binding; aesthetics

3. Reprographic innovations / adaptations – use of mimeographics typesetting, offset litho, photocopiers

4. ‘Distibutive news’ – alternative sites for distribution, clandestine / invisible distribution netwerks, anti - copyright

5. Transformed social relations, roles and responsibilities – readers – writers, collective organization, de-professionalization of e.g. journalism, printing publishing

6.  Transformed communication processes – horizontal linkages, networks

 

In dit analysekader maakt Atton een duidelijk onderscheid tussen enerzijds het product van alternatieve pers (1-3) en anderzijds het proces (4-6). Atton benadrukt evenwel dat beide elementen samenhangen. De verschillende kenmerken die opgehangen zijn aan de kapstokken product en proces zijn voor Atton de toetsstenen waar de ware aard van de alternatieve pers aan af te meten is. Het is geenszins een exhaustief geheel van criteria waaraan voldaan moet worden om een bepaald tijdschrift tot de alternatieve pers te kunnen rekenen.

 

Attons model is mijns inziens nuttig vanwege de klemtoon op zowel product als proces van de alternatieve media en de benadering van alternatieve pers als een transformatorisch, sociaal communicatieproces.  In mijn onderzoek naar Agence de Presse Libération - Belgique volg ik Attons model evenwel niet op de voet. Veeleer vertrek ik vanuit de doelstellingen van apl om deze te plaatsen tegenover hetgeen apl uiteindelijk realiseerde en hoe het dit deed[85]. Attons model geldt hierbij eerder als een bruikbare houvast dan wel als een dwingende leidraad. In een latere instantie hanteer ik Attons model wel als theoretisch raamwerk om de doelstellingen en realisaties van apl op een iets hoger, theoretischer niveau te duiden[86].

 

 

3. Apl, situering in de samenleving

 

Agence de Presse Libération – Belgique ageerde niet in een vacuüm, doch ingebed in een specifieke context. Zoals aangehaald en gemotiveerd in deel twee, is een blik op deze context primordiaal voor een correct begrip van apl. De situering van Agence de Presse Libération – Belgique in de samenleving is het onderwerp van dit onderdeel. De periode waarop betrekking beslaat grosso modo de jaren ‘70 en ‘80 van de twintigste eeuw. Eerst schets ik de algemene sociale, politieke en economische context waarin apl ontstond en actief was. Vervolgens focus ik meer specifiek op enerzijds het fenomeen van de nieuwe sociale bewegingen en anderzijds op het traditionele en alternatieve perslandschap dat apl omgaf. Deze schets van de context is eerder situerend van aard en beoogt allesbehalve exhaustief te zijn.

 

 

Algemene sociale, politieke en economische context [87]

 

The golden sixties

 

Het Westen beleefde in de jaren ’60 van vorige eeuw een ongekende economische welvaart, als kroonstuk op een evolutie die ingezet was na de tweede wereldbrand[88]. Het spel van vraag en aanbod verliep vlotter dan ooit. De volwassen wordende na – oorlogse babyboomers vormden een mooi leger aan arbeidskrachten voor het gemoderniseerde industriepark en ook vrouwen werden in toenemende mate ingeschakeld in het arbeidersproces. De oude nijverheidssectoren ondergingen een grondige face – lift en nieuwe spitssectoren doken als paddestoelen uit de grond. Grondstoffen, zoals benzine en olie, waren gemakkelijk en goedkoop beschikbaar uit derdewereldlanden die stonden te popelen om op de markt te komen. Vraag naar afgewerkte producten was er in overvloed. De wederopbouw van het door de oorlog getroffen Europa was volop aan de gang en nieuwe economische groeipolen wilden een graantje meepikken van de economische vooruitgang. Een sterke investeringsgolf van nationale en internationale bedrijven kwam op gang en, in de geest van het keynesianisme sprong de overheid mee op de kar als vragende partij. Op iets lagere schaal liet het verhoogde gezinsinkomen de individuele burger toe op massale schaal te spenderen en te consumeren. Samengevat maakten de gunstige productiefactoren een hogere arbeidsproductiviteit mogelijk, waardoor de winsten stegen, de lonen opgetrokken werden, de inkomens de hoogte in gingen en de uitgaven konden stijgen. Naast massaproductie was nu ook massaconsumptie een feit.

 

Bovenop dit vloeiende spel van vraag en aanbod, was ook het institutionele kader gunstig. Op internationaal vlak stonden kersverse organisaties zoals de NAVO, het IMF, de wereldbank, het GATT en de EEG garant voor een stabiel politiek en economisch klimaat. In het kader van de pax americana traden de VS op als waakhond van het Westen. Op nationaal vlak moest het conflictmodel na de grote staking van ’60-’61 nu definitief plaats ruimen voor het sociaal overleg. De concertering tussen overheid, werkgevers en werknemers vormde samen met het toekennen van sociale voordelen en de afbouw van het stakingsrecht een hoeksteen in de beheersing van de klassentegenstellingen en het bevorderen van de sociale vrede. Arbeidsproblemen werden hoofdzakelijk op een kwantitatieve manier opgelost in ruil voor een stijging van de productiviteit en daaraan gecorreleerd van de consumptie.

 

De zichzelf versterkende spiraal van vraag en aanbod, ingebed in een relatief stabiel politiek, sociaal en economisch klimaat, bracht groeicijfers met zich mee die alle verwachtingen overtroffen. De sfeer was euforisch. Het zag ernaar uit dat de nadelige schommelingen van de conjunctuur beheerst waren en niemand leek ook maar in de verste verte bevreesd voor een mogelijke crisis. Het fordistisch – tayloristisch model, tot op de draad toegepast, scheen zijn vruchten af te werpen.

 

De saus die bij dit nieuw economisch recept paste was het ontwikkelings- of vooruitgangsdenken[89]. In kapitalistische zin kan dit denken samengevat worden met de idee dat naast politieke democratie, nu ook economische democratie - lees welvaart-, binnen ieders handbereik lag, mits althans eenieder bereid was te moderniseren[90]. Ruimer geïnterpreteerd zou de inpassing in de westerse ‘steeds meer, steeds beter’ – logica, ontwikkeling toegankelijk maken voor wie er maar van droomde.

 

België draaide volop mee in de neo - kapitalistische groeispiraal. Na de wat sputterende economie in de jaren ’50, klom België - en dan vooral Vlaanderen - naar een ongekend hoogtepunt. Het wegvallen van een aantal politieke remmen en meer bepaald de schoolstrijd, de koningskwestie en de kolonies, speelde hierin een belangrijke rol. De overheid paste nu een dynamisch kleedje aan en maakte werk van een planmatig, regionaal gedifferentieerd economisch beleid. Buitenlandse investeerders werden massaal naar België gelokt, de verkeersinfrastructuur werd gevoelig verbeterd, de traditionele nijverheidssectoren, zoals mijnbouw, textiel en steenkool, werden gesaneerd of gerationaliseerd en de inplanting van nieuwe spitssectoren zoals kernenergie, petrochemie, elektronica en autoconstructie werd met vereende kracht gestimuleerd. Geleidelijk aan verschoof het economisch zwaartepunt van het zuiden naar het noorden van het land. De economische omwentelingen drongen door in alle niveaus van de samenleving en hadden een invloed op het leven van alle dag. De consumptiemaatschappij was geboren en deed de moderne welvaartstaat ontkiemen. België was in volle bloei.

 

Een keerpunt (’68 – ’73)

 

Geleidelijk aan kwamen stevige barsten in het klimaat van relatieve welvaart, stabiliteit, veiligheid en vrede[91]. De drie voornaamste peilers waar de stabiliteit van de golden sixties op rustten, met name de pax americana, het keynesianisme en het fordisme – taylorisme, begonnen te wankelen op hun grondvesten. Vanuit verschillende hoeken van de samenleving werden kanttekeningen geplaatst bij de grenzen van de economische groei en werd de ideologie van het ontwikkelingsgeloof in twijfel getrokken. Arbeiders waren ontevreden met de economische logica van het systeem, groene kerels stelden vragen bij de ecologische draagkracht ervan en tiersmondisten vormden de ontwikkelingsthese om tot een theorie van onderontwikkeling[92]. De steeds groter en lelijker ogende moedervlekken deden velen kritische aantekeningen maken bij de grondwaarden van de westerse na – oorlogse wereld. Steeds meer mensen droomden ervan de verblindende schijn van het welvaartsoptimisme te doorprikken. Een protestgolf stak de kop op en had al gauw de hele samenleving in bedwang.

 

Mei ’68 geldt als uithangbord voor het onverwachte protest dat opdook op het einde van de golden sixties[93]. Het is een momentopname, een symbooldatum waaraan voor het historisch gemak de hele contestatiebeweging opgehangen wordt. Over de ware impact van mei ’68 lopen de meningen uiteen. Weinigen ontkennen dat mei ’68 een opmerkelijk gebeuren was. Maar was mei ’68 ook meer dan dat? Van den Brande omschrijft mei ’68 als een bewustzijnssprong[94]. Reszohazy van zijn kant ziet in het mei ’68 – gebeuren een breekpunt; geen spildatum die twee radicaal van elkaar verschillende periodes afbakent, maar een symbool voor een gebald tijdperk waarin de maatschappij van koers veranderde[95]. Wallerstein gaat iets verder en ziet in mei ’68 een wereldhistorische gebeurtenis of een minstens drie jaar durende revolutie die gepaard ging met demonstraties, wanorde en geweld in verschillende delen van de wereld. Dit alles zou de cultureel – ideologische realiteit van het wereld – systeem fundamenteel gewijzigd hebben[96].

 

Waarom nu zo’n hevige protestgolf in volle welvaartsperiode? Kennelijk had meer welvaart niet tot meer welzijn geleid[97]. De maatschappelijke mechanismen, die toch zo gesmeerd leken te lopen, functioneerden immers zonder bezieling. Een steeds scherper afgelijnde breuk tekende zich dan ook af tussen productie en consumptie aan de ene kant en maatschappelijke verwachtingen aan de andere. Een diepgaande verschuiving in het collectieve bewustzijn vloeide hieruit voort. Jan Kerkhofs bestempelde die ontstane kloof als een “beschavingscrisis”, een diepgaande verschuiving in waarden en gedrag in de meest uiteenlopende gebieden van de samenleving[98]. Elisabeth Noelle – Neumann en Ronald Inglehart maakten ongeveer gelijktijdig en onafhankelijk van elkaar, gewag van respectievelijk een “Stille Revolution” en een “Silent Revolution”[99].

 

De discrepantie tussen ideaal en realiteit, aangevoeld als een existentiële leemte, werd in België, net als elders, het sterkst aan het licht gebracht door de nieuwe sociale bewegingen[100]. Onder hen beet de studentenbeweging de spits af. De na – oorlogse, goedgeschoolde generatie jongeren groeide op in een zeer behaaglijke economische situatie. De enige zorg leek dat er geen materiële zorgen waren. Het was dan ook op immaterieel vlak dat de jeugd zich onbevredigd begon te voelen. Met een term van de Amerikaanse socioloog Riesman uitgedrukt, leden de jongeren aan “emotionele werkloosheid”, aan het gebrek van een groots ideaal dat de moeite waard was om hun hele leven aan te wijden[101]. Van niemand werd immers een inspanning gevraagd. Als antwoord op het spirituele onbehagen, gingen de jongeren dan ook ijverig op zoek naar  een nieuw waardepatroon, een zingever, een denkkader. Uitkomst van deze zoektocht was een kluwen van postmaterialistische waarden, zoals Inglehart dit bestempelde. Aspecten als de creatie van een goede levenssfeer, directe politieke participatie, vrije meningsuiting, natuurbehoud, vrede en vrijheid stonden voorop. Centraal punt was de afwijzing van het gezag en het streven naar de totale onafhankelijkheid van het individu.

 

Het protest kwam niet enkel tot uiting in de vorm van de nog diffuse en veelkoppige nieuwe sociale bewegingen[102]. Ook de arbeidersklasse was misnoegd over de werking van de welvaartstaat en plaatste de kwaliteit van het leven bovenaan in hun eisenpakket. Hoewel principieel sterk met elkaar verwant, ontstond en ageerde het protest op de werkvloer doorgaans los van het protest van de nieuwe sociale bewegingen. Dieperliggende oorzaak van het heropflakkerende arbeidersverzet was het uitblijven van volledige werkzekerheid. De winsten daalden en als concurrentiefactor werden massaal nieuwe categorieën gastarbeiders ingezet, vooral uit het Middellands Zeegebied. Dit ressorteerde echter niet volledig het gewenste effect en deed het aantal werklozen, in de gouden jaren ’60 nog tot een minimum herleid, weer de hoogte in klimmen. De spanningen tussen de gekwalificeerde (autochtone) en niet – gekwalificeerde (allochtone) arbeiderskrachten stapelden zich op. Daarnaast werd het steeds verder opgedreven werkritme en de monotone werkverdeling als ondraaglijk ervaren. De arbeiders wilden werken als mensen en niet als robotten. Eerder dan loonsverhoging, eiste men dan ook betere arbeidsomstandigheden, meer inspraak en participatie, een betere arbeidsorganisatie en erkenning en waardering van het gepresteerde werk.

De ontevredenheid met het fordisisme leek onoplosbaar via het bestaande mechanisme van sociaal overleg. Het traditionele concertatie – systeem kreeg om die reden een tegenhanger in een reeks spontane verzetacties die de clausule van sociale vrede radicaal betwistten. In de broeierige sfeer van vrijheid en emancipatie werd de kleinste mistoestand aangegrepen om over te gaan tot acties zoals absenteïsme, personeelsverloop, ziekteverzuim, ontvreemding van materiaal, sabottage, zelfreducering van het tempo van de lopende band en zitstakingen. Significante voorbeelden zijn de Limburgse mijnrevolte, de wilde stakingen in de Citroën Vorst en Michelin Sint – Pieters – Leeuw en de Antwerpse dokstaking.

 

In het verlengde van het verzet in de hele samenleving, staken een aantal ideologische nieuwlichters de kop op, en meer bepaald in het linkse kamp[103]. Het KPB (Kommunistische Partij België) werd te traditioneel bevonden en als reactie hierop zag een brede waaier aan klein – linkse bewegingen het levenslicht[104]. De twee belangrijkste formaties, het maoïstische AMADA – TPO (Alle Macht aan de Arbeiders - Tout Pouvoir aux Ouvriers) en het trotskistisch – leninistische RAL – LRT (Revolutionaire Arbeidersliga – Ligue Revolutionnaire des Travailleurs), werden beiden opgericht in het jaar 1970.

 

The silveren seventies and eighties

 

De jaren ’70 en ’80 van de twintigste eeuw waren volledig in de ban van een langdurige, economische crisis.

Het signaal tot deze crisis werd in wezen gegeven door het protest dat opdook in het verlengde van het mei ’68 - gebeuren[105]. Het verzet van arbeiders en nieuwe sociale bewegingen luidde de economische crisis in en lag in zekere zin ook aan de basis van deze crisis. De verhouding tussen nsb en het maatschappelijk bestel was immers complex. Enerzijds drukten de nieuwe sociale bewegingen de crisis uit van het bestaande systeem en anderzijds waren de nsb in zeker opzicht functioneel om de archaïsche bovenbouw van het systeem te ontmantelen. Hetzelfde gold mutatis mutandis voor het arbeidersprotest. De nieuwe actiebereidheid aan de basis sloeg een bres in het neo – corporatistisch stelsel van sociaal overleg en drukte tegelijkertijd de uitgespeelde rol uit van dit overleg.

De reactie van de gevestigde kapitaals- en overheidsinstanties op het maatschappelijk protest was eveneens betekenisvol. De nieuwe sociale bewegingen werden met argusogen gade geslagen en zelfs her en der tegengewerkt door middel van criminaliseringstrategieën, overdreven agressieve replieken en pleidooien voor een (nog) krachtdadiger politieoptreden. Als reactie op de arbeidersacties poogden de vakbonden het verzet in de kiem te smoren door hun programmapunten aan te passen en de eisen van de stakers binnen het sociaal overleg te brengen. In feite was dit niet meer dan een verwoede poging om de syndicale autoriteit, waar de arbeiders nu net geen geloof meer aan hechtten, te herstellen. Daarnaast werd een loonstijging doorgevoerd. Deze maatregel leidde echter tot een verdere ontregeling van het economische evenwicht. De meerwaarde daalde immers waardoor de werkloosheid toenam en de reële lonen zakten. Een negatieve spiraal was onherroepelijk ingezet.

 

De crisis versterkte de bestaande sociale spanningen en geraakte er tegelijkertijd mee verstrengeld[106]. Zo zwaaide de overvloedpsychologie van de bevolking en de kansrijke omgeving vrij abrupt om in een psychologie van armoede en ontberingen. Tegenover de euforie van een blijvend stijgende economie, plaatste zich het dagdagelijkse, harde beeld van werkloosheid, uitputting van de grondstoffen en economische onzekerheid. Als reactie hierop ontstonden nieuwe tegenbewegingen en werden de reeds bestaande tegenbewegingen uitgediept.

 

De basisingrediënten van de crisis waren in essentie een uit de hand gelopen spiraal van vraag en aanbod, van prijzen en lonen; gecombineerd met een te ambitieuze begrotingspolitiek van de overheid, wat een sluimerend begrotingstekort tot gevolg had en een niet te stoppen sneeuwbaleffect van af te lossen schulden en leningen[107]. De economische recessie was zo hevig dat er sprake was van een stagflatie, een stagnatie van de economie in samenloop met een inflatie. De negatieve omslag rond 1973 – ’74 zette de crisis in. Een nieuwe, sterke ommezwaai vond plaats in het jaar 1980. Vanaf dan herstelde de economie zich traag maar gestaag[108].

 

De zoektocht naar een interpretatie van de crisis leverde verschillende verklaringstheses op[109]. Aanvankelijk werd de crisis gezien als een tijdelijke inzinking veroorzaakt door de sterke stijging van de olieprijzen. Anderen wezen op de te hoge loonkosten in de industrielanden en te lage in lage loonlanden of het gebrek aan technologische vernieuwing, de verzadiging van de afzetmarkten en het gebrek aan een internationaal, institutioneel ondersteunde zekerheid.

 

Even zwak als de eensgezindheid over de ware oorzaak van de crisis was de consensus over de te volgen weg om de crisis een halt toe te roepen.

De overheid pakte in eerste instantie uit met versoberingsmaatregelen[110]. Het enige doel voor ogen was het herstel van de gemiddelde winstvoet. De inflatie werd bestreden door loonmatigingen en het beperken van de consumptie. Daarnaast onderging het kapitaal grote verschuivingen door een omvorming van de productie. Het herstructureringsoffensief van de overheid botste echter op hevig verzet. Het arbeidersfront reageerde - opnieuw - met hevige stakingen en bezettingen. De studentenbeweging sprong in de bres voor het arbeidersprotest en manifesteerde mee voor de eisen van de syndicale beweging. De ruimere protestbeweging van de nieuwe sociale bewegingen was evenmin geluwd. De nsb ondergingen evenwel een gedaanteverandering. De dubbele economische en sociale crisis had het geloof in de maakbaarheid van de samenleving in die mate afgezwakt dat de nsb niet langer streefden naar de totale omvorming van de maatschappij. In plaats daarvan koos men ervoor in mineur verder te zetten wat mei ’68 op de voorgrond had gebracht. De nsb diversifieerden zich en uit de aanvankelijk vereende tegencultuur werden talloze sectoriële bewegingen gevormd, elk strevend voor hun zaak[111].

Hoe meer de soberheidspolitiek werd aangescherpt, hoe algemener het protest en hoe scherper de acties gericht waren tegen de overheid[112]. Ook de vakbonden kwamen in aanvaring met de overheid en eisten de stopzetting van de verdere afbraak van de concertatiestaat. In de periode ’77 – ’81 ondernam de overheid dan ook verscheidene pogingen om de keynesiaanse politiek nieuw leven in te blazen. Een eerste stap in die richting was het aanmeten van een meer planmatige aanpak en de plannen om een industriële modernisering door te voeren. Daarnaast werd ondermeer gepoogd om de werkloosheid te bestrijden, het spook dat psychologisch gezien symbool stond voor de crisis. Echter, de kost van deze opslorpingsmaatregelen droeg bij tot de verdere uitdieping van de financiële crisis van de staat en versterkte de tendens om binnen- en buitenlandse leningen aan te gaan.

         Een echte ommezwaai kwam er in het jaar 1982 [113]. Als van de ene dag op de andere gooide de overheid het keynesiaanse roer om en koos voortaan resoluut voor een neo – liberale aanpak. De staat stapte kordaat uit zijn neutrale rol en trad autoritair en sterk op. Schoolvoorbeeld hiervan zijn de verschillende regeringen met uitgebreide volmachten, ook bijzondere machten genoemd. Het arbeidersverzet luwde. Slechts in tweede instantie is het neoliberalisme hier verantwoordelijk voor. In feite had de sterke recessie van de jaren ’80 – ’82 massale sluitingen en afdankingen tot gevolg in  de sleutelsectoren van de economie, of anders gezegd van de sociale strijd. Deze omslag versterkte het gewicht van de crisis in die mate dat het arbeidersprotest onthoofd werd door de inherente mechanismen van de crisis. De doorbraak van het neo – liberalisme vond met andere woorden plaats op een moment dat de bedrijfsconflicten sterk gedaald waren door fabriekssluitingen en hoge werkloosheid. Dit betekende evenwel niet dat de strijdbaarheid van de arbeidersklasse verdwenen was. De nieuwe sociale bewegingen van hun kant, beleefden hun organisatorisch en activistisch hoogtepunt[114]. De organisaties van de nsb stonden veel sterker op hun grondvesten en gingen meer en meer een beroep doen op professioneel, betaalde krachten. 

        

Op ideologisch vlak tekenden zich eveneens een aantal verschuivingen af in de periode 1970 – 1980 [115]. Steeds meer mensen werden politiek dakloos.

In het linkse kamp werd in de tweede helft van de jaren zeventig duidelijk dat het sovjetcommunisme zijn monopolie op de marxistische waarheid verloren had. Binnen de KPB ontstond namelijk een eurocommunistische strekking. Het binnenwaaien van deze nieuwe wind was in wezen echter een splijtzwam voor de partij. Het kwam tot hevige spanningen met de meer orthodoxe en sovjetgezinde militanten. Het eurocommunisme stierf tegen het eind van de jaren ’70 een stille dood. Echter, met als gevolg dat partij leegbloedde. Een bijkomend fenomeen dat de KPB de das omdeed, was de golf van aanslagen door de CCC (Cellulles Communistes Combattantes). In 1989 werd de KPB opgesplitst in de KP – Vlaanderen en de PC – Wallon.

In tegenstelling tot de KPB ging het de jonge klein – linkse bewegingen iets beter voor de wind. In 1979 groeide het maoïstische AMADA - TPO uit tot de Partij van de arbeid van België - Parti du Travail de Belgique (PVDA - PTB) en in 1984 de trotskistische RAL - LRT tot de Socialistische Arbeiderspartij - Parti Ouvrier Socialiste (SAP - POS). Al bij al bleven de politieke realisaties van deze unitaire partijen eerder marginaal.

In iets minder links - extreme hoek, werd in 1982 de partij Agalev gesticht[116]. Agalev was ontstaan uit de herbelevingsbeweging Anders Gaan Leven, het geesteskind van pater jezuïet Luc Versteylen. Agalev was als partij evenwel niet het rechtstreekse verlengstuk van Anders Gaan Leven. Deze moederbeweging was immers niet zelf overgegaan in een partij, maar zette een partij op de wereld die haar eigen leven kon leiden. Aan Waalse zijde zag Ecolo in 1980 al het levenslicht[117]. Anders dan bij Agalev lagen de wortels van Ecolo niet enkel in een beweging, zijnde Les Amis de la Terre,  maar ook in de afscheuring van een politieke partij, met name de Rassemblement Wallon.

            Tegen het eind van de jaren ’80 doken de eerste tekenen op van ‘nieuw rechts’. De opkomst van extreem – rechts tegenover de geboorte van de groene partijen Agalev en Ecolo, zette een aantal politicologen ertoe aan gewag te maken van een nieuwe politieke breuklijn. Zo meent Staf Hellemans een links - libertaire versus rechts-autoritaire tegenstelling te ontwaren in de Belgische politiek sinds het eind van de jaren ‘80, die zou vreten aan de traditionele politieke breuklijnen[118]. De rechts-autoritaire stroming zou staan, voor een terugkeer naar de zogenaamd ‘oude’ waarden zoals autoriteit, gezin, cultureel monisme en blanke superioriteit. Daartegenover zou de links - libertaire stroming alle barrières willen slopen die de verwezenlijking van een pluralistische cultuur in de weg zouden staan, zowel op het thuisfront (racisme, verzuiling, consumentisme) als op wereldschaal (neo - kolonialisme). Eveneens zou de links - libertaire stroming een sterke nadruk leggen op de ontplooiing van het individu en op persoonlijke autonomie. Over het bestaan van een reële nieuwe politieke breuklijn sinds het einde van de jaren ’80 bestaat echter geen eensgezindheid en opmerkelijk is dat zelfs felle voorstanders van de idee van een nieuwe breuklijn waaronder Staf Hellemans, de impact ervan toch sterk relativeren[119].

 

 

Nieuwe sociale bewegingen

 

Begrip en definitie

 

Nieuwe sociale bewegingen is een begrip dat vele ladingen dekt. In de literatuur bestaat heel wat onenigheid over de concrete invulling van het begrip nieuwe sociale bewegingen, alsook over de term zelf.

 

Wat het begrip ‘nieuwe sociale bewegingen’ betreft, spitst de discussie zich vooral toe op de vraag of de nieuwe sociale bewegingen nu echt zo nieuw zijn als hun benaming laat uitschemeren[120]. Sommigen menen dat het hier niet om een nieuw, doch louter recent fenomeen gaat[121]. Anderen stellen dan weer dat er een fundamenteel onderscheid bestaat tussen oude en nieuwe sociale bewegingen[122]. De discussie daar gelaten, staat het als een paal boven water dat de nieuwe sociale bewegingen zich op een aantal punten onderscheiden van de oude(re) sociale bewegingen. De zelfgekozen term nieuwe sociale bewegingen, die opdook in 1980, bewijst alvast dat de nsb zich zélf wilden onderscheiden van de oudere sociale bewegingen.

 

Met betrekking tot de omschrijving van nieuwe sociale bewegingen, is het geen sinecure een pasklare definitie van het fenomeen op het spoor te komen. Zowat iedere auteur houdt er immers een eigen versie, invulling of nuance op na en vindt op zijn beurt de nieuwe sociale bewegingen als het ware opnieuw uit[123]. Een heldere en werkbare definitie van nieuwe sociale bewegingen wordt door Marc Hooghe en Staf Hellemans gegeven in het synthesewerk ‘Van “Mei ’68” tot “Hand in Hand”:

 

“ Nieuwe sociale bewegingen is de verzamelnaam voor bewegingen die mobiliseren rond zulke uiteenlopende thema’s als vrede, leefmilieu, Derde Wereld, leegstand van huizen, anti-racisme, christelijke basisbewegingen, emancipatie van vrouwen, homo’s en lesbiennes,… Bijna steeds is de overheid daarbij een intermediair of zelfs het uiteindelijke doel: de overheid moet een bepaald beleid voeren of problemen helpen oplossen. De nieuwe sociale bewegingen behoren vanwege deze tussenpositie tussen bevolking en overheid tot wat men in België vaak het ‘maatschappelijk middenveld’ noemt (in het Engels taalgebied heet dit ‘civil society’)” [124].

 

Theoretische benaderingen

 

Binnen de sociale wetenschappen is sinds het eind van de jaren zestig een belangrijke paradigmaverschuiving opgetreden met betrekking tot de theoretische benadering van nieuwe sociale bewegingen[125]. De traditionele crowd behaviour  - benadering deed het protest van nieuwe sociale bewegingen af als deviant of irrationeel gedrag. Met de komst van verschillende nieuwe benaderingen, en meer bepaald de resource mobilization - benadering, de new social movements - benadering, de sociaal-psychologische - benadering en de political proces – benadering, werden de nsb van hun negatieve bijklank ontdaan.

De new social movements – benadering benadrukt het unieke historische karakter van nsb door nsb vooral als producten en dragers te zien van culturele veranderingen. De resource mobilization – benadering daarentegen legt de verklaring voor het ontstaan van nsb in het bestaan van sociale bewegingsorganisaties en de hulpbronnen waarover deze kunnen beschikken, zoals geld, expertise, mankracht en contacten. De sociaal – psychologische – benadering stelt dan weer de kosten en baten centraal bij de potentiële participatie aan een organisatie. De political proces – benadering of politieke proces – benadering tot slot schenkt aandacht aan de politieke randvoorwaarden voor het ontstaan en ontwikkelen van nsb.

            Lange tijd hebben deze vier theoretische benaderingen van nieuwe sociale bewegingen zich tot elkaar verhouden als ware concurrenten. Geen van de vier benaderingen draagt echter een volledige verklaringskracht in zich, maar levert op zijn manier een specifieke bijdrage in de opbouw van de kennis over nsb. De verschillende benaderingen spreken elkaar niet tegen, doch belichten elk één kant van het fenomeen nieuwe sociale bewegingen. In de literatuur wordt dan ook meer en meer de verzoening bepleit van de verschillende paradigma’s.

 

Kenmerken[126]

 

Nieuwe sociale bewegingen worden in eerste instantie gekenmerkt door het feit dat ze alle ontstaan zijn in de periode na 1960, en meer precies na de protestgolf rond het symbolische jaar mei ’68.

 

Wat de concrete ideologie van nsb betreft, was er geen sprake van een sterk uitgewerkt ideeënsysteem[127]. Nieuwe sociale bewegingen hechtten een groot belang aan waarden, maar de grote verhalen hadden voor hen afgedaan. Eerder dan zelf een nieuw groot verhaal te willen verzinnen, hingen ze een iets of wat vage ideologie aan, opgebouwd uit een cluster van gemeenschappelijk erkende waarden.

         De waarden die de nsb hoog in het vaandel droegen, zoals vrijheid, persoonlijke autonomie, sociale en economische gelijkheid en inspraak waren in hoofdzaak ontstaan als een kritiek op de vigerende normen en waarden. De nieuwe sociale bewegingen zetten zich in de grond immers af tegen het bestaande systeem. Niet het individu, maar de maatschappij en haar maatschappelijke instellingen werden hierbij geviseerd. Ingelhart bestempelde dit waardepatroon van de nsb met de term ‘post – materialistisch’, Hellemans houdt het liever op ‘links – libertair’[128]. Concreet verwijst Hellemans met de term ‘links’ niet naar het socialisme, maar naar een vager geheel van waarden zoals sociale gevoeligheid, rechtvaardigheid en een kritische houding ten aanzien van de markteconomie. Met de term ‘libertair’ stoelt hij op een anti-autoritair geïnspireerd wantrouwen tegenover grote, hiërarchische organisaties zoals kerk, staat en massapartijen, en het streven naar persoonlijke autonomie en authenticiteit.

         Het staat buiten kijf dat dé ideologie van de nieuwe sociale bewegingen nooit bestaan heeft. Ieder lid en iedere deelnemer was in principe vrij die waarden voor te staan die hem of haar het meest aanspraken. Walgrave omschreef nsb in dit verband als een geheel van concentrische, ideologische cirkels. De buitencirkels reageerden enkel tegen de disfuncties van de maatschappij, terwijl de ideologische kern de maatschappij zelf in vraag stelde[129].

 

Op organisatorisch vlak gaven nsb een nogal ongeorganiseerde, chaotische, spontane en verbrokkelde indruk.

In essentie waren nieuwe sociale bewegingen meer dan een geheel van organisaties[130]. Het was een beweging waar ook niet – georganiseerde, losse deelnemers deel van uitmaakten. De term nieuwe sociale bewegingen slaat met andere woorden én op een cluster van organisaties, én op personeelsleden, medewerkers en sympathisanten van die organisaties, én op de stroom die deze actoren en organisaties draagt. Als geheel waren nieuwe sociale bewegingen inderdaad niet georganiseerd, maar de kern van de nsb, met name de verschillende organisaties, hadden wel degelijk elk hun eigen organisatiewijze.

         De concrete organisatie – structuur van de (organisaties binnen) de nieuwe sociale bewegingen, kenmerkte zich in se door een toepassing in de praktijk van de waarden en principes die nsb op ideologisch vlak aanhingen[131]. Zo werd de idee van autonomie en vrijheid vertaald in een ongebonden opstelling ten opzichte van de geïnstitutionaliseerde partijen en organisaties. Van zuilvorming was absoluut geen sprake. Integendeel, er heerste een bewust bewaarde afstand tussen de individuele militant en de organisatie op een eerste niveau, alsook tussen de organisatie en de koepelstructuur op een hoger niveau. Door deze zwakke band tussen de verschillende niveaus onderling, was de organisatiestructuur van de nsb sterk gedecentraliseerd, alsook gevarieerd, gaande van kleine, lokale actiegroepen, over (inter-)nationale organisaties tot koepelorganisaties. Niet voor niets spreekt men van nieuwe sociale bewegingen in het meervoud. De koepelorganisaties bleven in de praktijk in feite relatief zwak. De afzonderlijke actievoerders en organisaties behielden in de koepel het laatste woord. De grote nadruk op de vrijheid van de laagste niveaus, tot zelfs de individuele militant, hing samen met de idee van basisdemocratie. Iedereen moest in principe in de mogelijkheid zijn zelf over zijn of haar lot te beslissen. Daarom werd de drempel tot participatie zo laag mogelijk gehouden. Dit uitte zich bijvoorbeeld in het feit dat van formeel lidmaatschap zelden of geen sprake was. Wie actief deelnam, was lid. Het informele lidmaatschap kadert eveneens binnen de geest van gelijkheid. In die zin waren nsb sterk gededifferentieerd qua organisatie. Nauwelijks werd een formeel onderscheid gemaakt tussen leden en leiders, tussen leden en niet – leden. Nsb werden op organisatorisch vlak met andere woorden gekenmerkt door een niet – hiërarchische, basisdemocratische en kleinschalige werkwijze.

 

Hoewel de kern van nsb opgebouwd was rond domeinspecifieke organisaties die elk een zekere autonomie trachtten te bewaren, werd coalitievorming allesbehalve uitgesloten[132]. De eindeloze waaier aan kleine actiegroepen en de relatief zwakke koepelorganisaties hadden geen vaste achterban en beschikten zelf niet over de middelen om op eigen houtje massamobilisaties tot stand te brengen. Steun zoeken bij andere groepen was een noodzaak. De open, niet – zuilgeoriënteerde organisatie stond samenwerking met anderen vlot toe. In eerste instantie werd toenadering gezocht met andere organisaties binnen de nieuwe sociale beweging. De ideologische verwantschap was een streepje voor in de stap naar coalitievorming. Ook de overlappende lidmaatschappen, het heen en weer geloop tussen verschillende bewegingen en de opbouw van een uitgebouwd netwerk van persoonlijke kennissen en actiegroepen bevorderden samenwerking met andere nsb.

Naast de verwante nieuwe sociale bewegingen, zochten nsb ook toenadering tot andere bewegingen, zoals de oude sociale bewegingen. De ideologisch minder radicaal opgestelde buitencirkels van  de nsb schiepen immers de mogelijkheid ook met meer traditionele organisaties samen te werken. Gezien de organisatorische zwakte van nsb moesten die niet bang zijn overvleugeld te worden.

         De samenwerking tussen nsb en andere groepen stelde nsb in staat gigantische mobilisatiegolven uit de grond te stampen[133]. Elke actiegroep of koepelorganisatie was immers een organisatorisch centrum dat in rustige tijd slapende was of marginaal actief maar, wanneer het eigen thema weer actueel werd, in staat om in een mum van tijd andere bewegingen te mobiliseren. Desondanks verliep de samenwerking met andere organisaties niet altijd van een leien dakje, en durfden eigenbelang, de te grote nadruk op autonomie, zwakke eensgezindheid inzake doeleinden en strategie, historisch gegroeide verschillen en de klemtoon op het ‘specifieke’ van de ‘eigen’ organisatie wel eens voor de nodige contactstoornissen zorgen[134]. De verscheidenheid die traditioneel als één van de typische kenmerken van nsb naar voor wordt geschoven, speelde dus niet altijd in het voordeel van de nsb, maar leidde soms tot versplintering, dubbel werk en enorme energieverspilling.

 

Wat was nu de concrete betekenis, de ware impact van nieuwe sociale bewegingen[135]? Nieuwe sociale bewegingen hebben in eerste instantie een nieuwe stuk maatschappelijk middenveld gecreëerd, ondermeer door hun niet – verzuilde, kleinschalige en basisdemocratische organisatiestructuur. Op cultureel vlak hebben de nsb voor innovatie gezorgd door de creatie van een uitgebreid en gevarieerd gamma aan verenigingen, organisaties en actiegroepen. Daarnaast hebben de nieuwe sociale bewegingen duidelijk een politieke rol gespeeld.

De relatie tussen nsb en de politiek was tweeslachtig[136]. In de grond stonden nsb zeer positief tegenover politiek. Politiek werd belangrijk geacht en men ijverde voor de participatie van bevolking, de openbaarheid van de politiek, de interventie van de overheid bij een aantal thema’s en een directe democratie indien mogelijk, een democratie met - sterk in het oog gehouden - vertegenwoordigers indien nodig. Aan de andere kant stonden nsb ook zeer negatief tegenover politiek, en dan meer bepaald tegenover de traditionele politiek. Nsb verwierpen de passiviteit van de burger en de elite - gestuurde participatie.

De eigen organisaties van de nsb zijn er nooit in geslaagd door te dringen tot het centrum van de politieke macht, maar dit betekent niet dat ze geen invloed hadden op de politiek. Alleen al het aankaarten van nieuwe, brandend actuele thema’s, zette de traditionele, gevestigde partijen onder druk. In hoofdzaak streefden de nsb een omvorming van de maatschappij na, op welke manier ook. Eerder dan de rechtstreekse beïnvloeding van de politieke besluitvorming, kozen de nsb ervoor op buitenparlementaire veranderingen door te drukken.

In essentie hebben de nsb een uitbreiding en uitdieping van de democratie bewerkstelligd. De nsb hebben de politieke participatie verruimd, door de sterke nadruk op politieke deelname van de bevolking. In dit licht moet ook het grote belang gekaderd worden dat nsb hechtten aan interne en externe vorming. Daarnaast hebben nsb voor een verbreding van de politieke participatie gezorgd, door het gebruik van een uitgebreid gamma aan actiemiddelen, gaande van sit – ins over fietsacties en open brieven tot het inrichten van tentenkampen en het maken van een levende ketting[137]. Hét wapen en drukkingmiddel bij uitstek was de mobilisatie van een ware mensenmassa. De - subjectieve – massaliteit van de mobilisatieacties maakte deels ook wel deel uit van de mystificatie die nsb rond zichzelf probeerden te creëren. Tot slot hebben de nsb de participatie doen verschuiven van elite-gestuurd, naar elite-uitdagend. De mobilisatie was nu immers niet langer in handen van instellingen en personen die deel uitmaakten van de verschillende elites zoals de kerk en de massapartijen; maar wel in handen van de nsb die het juist gemunt hadden tegen de maatschappelijke elite.

 

Evolutie

 

Een gedetailleerd overzicht geven van dé geschiedenis van dé nieuwe sociale bewegingen is een hachelijke tot bijna onmogelijke zaak[138]. Zo is in België slechts één overzichtswerk van de nsb voor handen, met name het boek “Van ‘Mei 68‘ tot ‘Hand in Hand’. Nieuwe sociale bewegingen in België, 1965-1995”, onder redactie van Marc Hooghe en Staf Hellemans[139].  In eerste instantie bemoeilijkt de aard zelf van de nsb en meer bepaald de zo grote verscheidenheid inzake opzet, organisatie, doelstellingen levensduur, en dergelijke, het opstellen van een algemeen overzicht. Daarnaast is het voorhanden zijnde bronnenmateriaal wat het geheel van de nieuwe sociale beweging betreft, toch nog heel schaars te noemen[140]. In combinatie met tijdsgebrek spitsen zowat alle gevoerde studies zich dan ook toe op een heel beperkt aantal ‘grote’ nieuwe sociale bewegingen, zoals de vredesbeweging, de derde wereldbeweging en de milieubeweging[141]. Wat de concrete stand van zaken in Wallonië betreft, is het onderzoek - nog - minder ver gevorderd dan in Vlaanderen. Er is slechts weinig wetenschappelijke literatuur voorhanden en empirische gegevens ontbreken bijna helemaal, zeker voor de kleinere bewegingen[142]. Om die reden betreffen de schaars voorhanden zijnde studies in hoofdzaak de drie grote nsb[143].

 

Om een overzicht te geven van de nieuwe sociale bewegingen in België wordt in de literatuur traditioneel een beroep gedaan op de ‘protestbenadering’[144]. Deze benadering bestudeert nsb als sociale actoren in een politieke protestgolf of in een dynamiek van collectieve actie en sociale bewegingen die elk een eigen leven leidden en zichzelf tegelijkertijd versterkten. Hoe verschillend de respectieve nieuwe sociale bewegingsorganisaties onderling ook waren, ze ontwikkelden zich kennelijk niet onafhankelijk van elkaar, doch maakten in de loop der jaren een aantal overlappende processen mee waardoor van een ‘golf’ sprake kan zijn. Het ontstaan van de protestgolf van de nsb wordt toegekend aan de mogelijkheden van het politiek systeem, zoals de kiesdrempel, de al of niet democratische inspraakprocedures, de onafhankelijkheid van de rechtspraak en dergelijke. De protestbenadering is in die zin een historische pendant van de political structure – benadering[145].

            Ter periodisering onderscheidt men traditioneel een viertal typische fasen in de protestgolf, namelijk een take – off, een boom, een periode van massamobilisatie en een laatste fase van institutionalisering, radicalisering en teruggang[146]. Deze vierledige periodisering is eveneens toepasbaar op de geschiedenis van de nsb in Wallonië[147]. De take – off van de nsb in Wallonië is, net als in Vlaanderen en elders, te situeren in de tweede helft van de jaren ’60[148]. Vanuit de nieuwe jeugdcultuur brak een nog zwak georganiseerde vorm van protest door. Na deze tegenculturele ontstaansfase ging het protest zich in de jaren ’70 blijvend structureren in allerhande sectoriële anti-systeem bewegingen, zoals de feministen, de pacifisten en de tiersmondisten. In het daaropvolgend decennium bereikten de nsb hun organisatorisch en activistisch hoogtepunt. Qua organisatie stonden de nsb nu zeer sterk, mede dankzij de aanwerving van een aantal professionele werkkrachten. De nsb gingen daarnaast samenwerken met de oude sociale bewegingen. Vooral de massale mobilisatie rond de vredesproblematiek was treffend. In het laatste decennium van vorige eeuw ontstond zonder enige scrupules een nauwere samenwerking tussen nsb en het politiek systeem. De onderlinge samenhang tussen nsb verwaterde, maar op zich stonden de nsb steviger op hun poten. Via verdere, nog dieper uitgekiende professionalisering en specialisatie, gekoppeld aan subsidiëring, geraakten de nsb geïntegreerd in het maatschappelijk systeem en zelfs geïnstitutionaliseerd. De scheidingslijn tussen ‘nieuwe’ en ‘oude’ sociale bewegingen werd nu heel dun[149]. Van overlapping was evenwel nooit sprake.

Door het historische traject van nsb te schetsen vanuit de protestgolf - benadering, worden noodgedwongen veralgemeningen gemaakt. In realiteit zijn zeer grote verschillen aantoonbaar, niet alleen tussen de nsb onderling, maar ook in de schoot zelf van een specifieke beweging. Het hoogtepunt van de verschillende nsb varieerde bijvoorbeeld in termen van ledenaantal, realisatie van de standpunten en mobilisatie. Naast de algemene protestgolf van de nsb, kan men met andere woorden ook verschillende subgolven ontwaren, zowel tussen als binnen de onderscheiden nsb.

 

Ondanks de parallelle periodisering, hebben de nsb zich in Wallonië anders ontwikkeld en gestructureerd dan in Vlaanderen[150]. In de loop der jaren werden de meeste organisaties gefederaliseerd, of ze ontstonden onmiddellijk op regionaal niveau. Wanneer dan al een structurele band bestond over de taalgrens heen, bleven grote verschillen aanwezig tussen het noorden en het zuiden van het land, bijvoorbeeld inzake werkwijze en prioriteiten. Deels is dit te verklaren door de eigen politieke en culturele achtergrond van beide landsdelen, alsook door de afwijkende voorgeschiedenis. Zo bleef de traditionele links – rechts tegenstelling veel sterker voelbaar in Wallonië dan in Vlaanderen. Idem dito wat de traditionele klassentegenstellingen betreft. In dergelijk politiek klimaat was het niet zo eenvoudig nieuwe vormen van politieke mobilisatie uit de grond te stampen. De nsb stonden in Wallonië doorgaans dan ook veel minder sterk en waren minder goed ontwikkeld dan in Vlaanderen. Nuance is dat ook hier sprake was van verschillen, niet alleen naargelang de beweging, maar ook op regionaal vlak, tussen Franstalig Brussel en de rest van Wallonië. 

 

 

Traditioneel en alternatief perslandschap[151]

 

Theoretische benaderingen

 

Schematisch voorgesteld worden in de literatuur een tweetal ideologische constructies onderscheiden met betrekking tot de werking van de pers in de samenleving, met name de marxistische visie en de liberale[152]. Hoewel de kernbegrippen van beide visies, identiek zijn, - te weten persvrijheid, mediapluriformiteit en objectieve informatie -,  verschilt de functie die aan deze begrippen toegekend wordt fundamenteel, naargelang een liberale dan wel marxistische invalshoek gehanteerd wordt.

         De liberale visie op de werking van de pers gaat uit van de idee dat de moderne samenleving vrij harmonisch is opgebouwd en dat het politiek bestel zichzelf in evenwicht houdt. De maatschappij zou relatief klasseloos geordend zijn en ieder lid van de samenleving zou behoorlijk positief ingesteld zijn tegenover het bestaande politiek systeem. Van eenzijdige druk of dwang door dominerende groepen of elites zou geen sprake zijn. Iedereen zou immers gelijke kansen krijgen en in de competitieve samenleving in staat zijn om de macht te verwerven. Vanuit dergelijk oogpunt wordt enkel de stabiliteit van het bestaande systeem nagestreefd. De media zouden hierin een cruciale rol spelen. Door informatie te verstrekken zou de pers de politiek participatie stimuleren en een controlefunctie uitoefenen op de machtsverhoudingen ten voordele van de publieke opinie. De media zouden met andere woorden fungeren als een ‘vierde macht’. Het is duidelijk dat deze visie nauw aansluit bij de basisconcepten van het klassiek liberalisme, waar begrippen zoals vrijheid, persoonlijk belang, individuele autonomie en gelijke kansen centraal staan.

         Uitgangspunt van de marxistische visie op de werking van de pers is de idee dat het politiek systeem lang niet klasseloos is. Aan de basis zou namelijk een voortdurende strijd woeden tussen groepen met uiteenlopende belangen. De maatschappelijke tegenstellingen zouden omgebogen worden tot een consensus, maar - in tegenstelling tot de liberale visie - niet via een participatieve democratie. De heersende elite zou door middel van dwang, sociale controle, assimilatie en ideologie - overdracht tot een maatschappelijk vergelijk komen. Competitie, keuzevrijheid, pluralisme, autonomie van de publieke opinie, controle en inspraak zouden slechts schijn zijn. In het verlengde hiervan wordt de underdog – functie van de media van tafel geschoven. De media zouden slechts een verhullingstrategie zijn in handen van de elite met als enig doel het status quo van de burgerlijke samenleving te legitimeren.

 

Wettelijk kader

 

Vrijheid van pers en vrijheid van meningsuiting zijn in België wettelijk erkende vrijheden[153]. In de geest van de liberale revolutie van 1830, werd volledige persvrijheid  en vrijheid van meningsuiting in België reeds opgenomen in het decreet van het Voorlopig Bewind in 1830 [154]. Alle overheidsbeperkingen uit het Ancien Regime, zoals censuur en borgstelling van schrijvers, uitgevers en drukkers, werden opgeheven. In 1831 werd deze wettelijke regeling aangevuld met een decreet dat een aantal misbruiken inzake persvrijheid omschreef. De basisvisie van de Belgische staat op de werking van de pers zoals vastgelegd in de grondwet, is dus in wezen liberaal. De individuele (rechten en) vrijheden van de burgers van het land moeten gewaarborgd worden met zoveel mogelijk respect voor het individu. Vanuit deze liberale opstelling beperkt de overheid haar opdracht inzake persvrijheid en vrijheid van informatie - principieel - tot toezicht en het vastleggen van misbruiken. 

 

Traditionele pers in crisis

 

Tijdens de jaren ’70 werd in de literatuur gewag gemaakt van een crisis van de geschreven pers[155]. Kranten en tijdschriften waren onderhevig aan een sterk concentratieproces[156]. In de meeste Westerse landen zette deze concentratiebeweging zich reeds door aan het einde van de negentiende eeuw. In België kondigde dit verschijnsel zich schuchter aan tussen de twee wereldoorlogen en nam pas sinds de jaren ’50 scherpe vormen aan.

 

Verklaring voor de concentratiebeweging in de geschreven pers ligt eerst en vooral in het medium zelf. De geschreven pers werd in de tweede helft van de 19de eeuw een massamedium. De aandacht kwam dan ook geleidelijk aan meer en meer te liggen op het realiseren van maximale winst en de accumulatie van mediakapitaal dan wel op informatieverstrekking, educatieve doelstellingen, culturele functies en ideologie – overdracht. Informatie en communicatie waren niet langer alleen verdienstelijke goederen, maar ook handelswaar. In de literatuur heet het dat de ruilwaarde van de geschreven pers of het economische aspect, ging domineren op de gebruikswaarde of het communicatieve aspect[157]. De gebruikswaarde van de geschreven pers bleef belangrijk, doch binnen de grenzen van de ruilwaarde.

Bijkomend element dat de concentratie van de geschreven pers in de hand werkte, is de opkomst van de audiovisuele media na de tweede wereldoorlog. Na een lange, experimentele aanloopfase braken radio en televisie nu definitief door als dé massamedia bij uitstek. De monopoliepositie van de geschreven pers was definitief verleden tijd.

 

Tegenover de stijgende concurrentie van de audiovisuele media en, in het verlengde van de grotere aandacht voor de ruilwaarde, streefde de geschreven pers ernaar de eigen positie te versterken[158]. Het opdrijven van het concurrentievermogen vereiste evenwel innovatie en schaalvergroting. Dit werd mogelijk door te rationaliseren en samen te werken, tot zelfs samen te smelten. Gevolg was ondermeer een daling van het aantal titels en van het aantal onafhankelijke dagbladondernemingen, afvloeiing van personeel, groeiende investeringen vanuit de reclamesector, omschakeling naar nieuwe technieken zoals offset en fotocompositie, mechanisering, verschuiving van de eigendomsstructuur van familiebedrijven naar banken en financiële holdings, stijgende participatie van buitenlandse groepen, omscholing van de werknemers en introductie van nieuwe niches zoals lokale pers en sensatiepers[159]. De concentratiebeweging van de geschreven pers hield met andere woorden zowel een financieel als een technisch kantje in. 

 

Over de repercussies van de concentratiebeweging van kranten en tijdschriften op inhoudelijk vlak, bestaat in de literatuur nogal wat onenigheid[160]. Inzet van de strijd is de bekommernis om pluralisme en diversiteit. Met pluralisme of pluriformiteit wordt gestoeld op een vrije pers waarin alle verschillende meningen en opinies aan bod – kunnen of mogen - komen. Diversiteit van zijn kant betekent dat de pers ruim toegankelijk is voor de verschillende geledingen van de samenleving. Impliciet houdt diversiteit dan ook een ruim en gevarieerd persaanbod in.

België kende traditioneel een gediversifieerd persaanbod, vooral bestaande uit opiniepers. Zowat alle publicaties situeerden zich in het verlengde van een zuilorganisatie, partij of vakbond. Het verdwijnen of samensmelten van persbedrijven, zou nu volgens sommigen een verschraling van de diversiteit en pluriformiteit met zich meegebracht hebben[161]. De steeds sterkere greep van financiële groepen op de geschreven pers zou het pluralisme in het gedrang gebracht hebben, terwijl de concentratie het gediversifieerde aanbod en bijgevolg ook de diversiteit zou geschaad hebben. Anderen beweren dan weer dat precies door de fusie kleinere kranten konden overleven en de geschreven pers in het algemeen door de betere economische situatie een verhoogde kwaliteit kon aanbieden.

In overheidskringen doken vanaf het begin van de jaren ’70 steeds meer stemmen op voor rechtstreekse overheidssteun aan de geschreven pers[162]. Onrechtstreekse steun werd reeds langer toegekend, onder andere in de vorm van gunsttarieven voor de post en voor verplaatsingen per spoor. Rechtstreekse overheidssteun werd voor het eerst ter discussie gesteld bij aanvang van de tweede regering Eyskens – Cools ( januari – november 1972). Uiteindelijk werd de wet tot overheidssteun aan de geschreven pers uiteindelijk op 27 november 1974 goedgekeurd en op 23 januari 1975 afgekondigd in het Belgisch Staatsblad. Wettelijke bepalingen inzake persconcentraties werden eigenlijk nooit doorgevoerd[163].

         De rechtstreekse steun van de overheid aan de geschreven pers kadert binnen de - liberale - bezorgdheid van de overheid om de pluriformiteit van de pers. Daarnaast was deze steun ook een maatregel om de zware concurrentie op te vangen van de door de overheid gemonopoliseerde audiovisuele media.

 

 

Een nieuwe pers in wording[164]

 

Zowat gelijktijdig met de ‘crisis’ van de traditionele pers vond de alternatieve pers ingang in België, en dan meer concreet vanaf het jaar 1972[165].

 

Als ontstaansreden nummer één voor de opkomst van de alternatieve pers, wordt in de literatuur gewezen op de ‘inhoudelijke crisis’ van de traditionele media, zowel van de geschreven pers als van de audiovisuele[166]. De traditionele pers zou enkel geautoriseerde en gesteriliseerde informatie vrij geven. Van echte persvrijheid zou geen sprake zijn. De elite, de bourgeois en God zouden alle touwtjes in handen hebben en de kleine mens monddood maken. Enkel winstbejag zou van tel zijn, niet de informatie op zich. Tegenover deze negatieve vaststelling van een zogenaamde lacune in de traditionele pers op het vlak van berichtgeving en vrije meningsuiting heeft de alternatieve pers op een positieve manier gereageerd, door zelf een eigen pers op te richten. Primair doel was wel iedereen de kans te bieden zichzelf uit te drukken. In plaats van gecensureerde massa – informatie in handen van de machthebbers, wou de alternatieve pers uitdrukking geven aan de gebeurtenissen in de straat, de bekommernissen van alledag, het leven aan de basis of ‘donner la parole au peuple’.

 

De alternatieve pers nam in België, net als elders, een eindeloze waaier aan gestaltes aan[167]. Deze diversiteit kan geïllustreerd worden met een greep uit de inhoudelijke domeinen waarop deze pers zich begaf[168]. Vele titels waren ‘sectorieel’ en sloten aan bij een specifiek thema van de nieuwe sociale bewegingen, zoals ecologie, justitie, derde wereld en vrouwenrechtenvrijheid van meningsuiting. Andere initiatieven richtten zich dan weer op de vrijheid van meningsuiting, kunst, studenten en dergelijke.

 

Evolutie van de alternatieve en traditionele pers

 

Een evolutie schetsen van de alternatieve pers in België op basis van literatuur, is onmogelijk[169]. Zoals aangegeven in de inleiding, dateren de voorhanden zijnde werken hoofdzakelijk uit de periode ’70 en ’80, met andere woorden de periode waarin de desbetreffende alternatieve persinitiatieven nog actief waren of net ter ziele gegaan[170]. Daarnaast betreft het gros van de literatuur monografieën. Slechts één ‘uniek en onvolledig’ overzichtswerk is voorhanden, met name het repertorium ‘Canards Enchainés’[171]. Dit repertorium werd opgesteld in 1980 naar aanleiding van een colloquium over de alternatieve pers met als doel de verschillende geïsoleerde initiatieven te verenigen. Echter, Canards en Chaine geeft louter een stand van zaken en staat niet toe een echte evolutie te ontwaren. In de meer algemene overzichtswerken van de pers in België kan de evolutie van de alternatieve pers in België al helemaal niet achterhaald worden[172]. Hierin wordt namelijk geen aandacht geschonken aan de alternatieve pers tout court[173].

 

Wat de traditionele pers betreft zetten de evoluties van het begin van de jaren ’70 zich door in de tweede helft van het decennium, alsook in de jaren ’80 [174]. De concentratiebeweging in de geschreven pers werd verder uitgediept, de mechanisering uitgebreid en de commercialisering ten top gedreven. Om de investeringen verder te diversifiëren ging de geschreven pers nu ook allianties aan met de audiovisuele media. Rond 1985 werd op on – line werking overgeschakeld. Deze evolutie plaatst de zogenaamde ‘crisis’ van de geschreven pers in de jaren ’70 in een nieuw daglicht. In feite waren de gebeurtenissen op het vlak van de geschreven pers toen niet meer dan de doorbraak van een niet – aflatende evolutie die zich vroeger reeds sluimerend had aangekondigd en zich later verder zette. Vanuit ruimer – historisch – perspectief bekeken bleek de grote omschakeling in de geschreven pers in de jaren ’70 al bij al beperkt qua consequenties op maatschappelijk vlak. Van drastische werkgelegenheidsafvloeiing was, in tegenstelling tot het buitenland, bijvoorbeeld geen sprake[175].

De positie van de audiovisuele media bleef versterkt worden. Ook hier zette de commercialisering zich door. Machtens een decreet van 6 februari 1987 werd commerciële reclame op televisie toegestaan en werd per gemeenschap één landelijke, niet – openbare, commerciële omroep mogelijk. In Wallonië verscheen in hetzelfde jaar nog RTL – TVI op de ether. Het monopolie van de openbare omroep was gebroken. In zekere zin hadden de regionale televisiezenders deze monopoliepositie al eerder aangevallen. In 1970 al kwamen in Wallonië regionale televisieomroepen tot ontwikkeling. In 1985 werden deze geïnstitutionaliseerd als TVLC of Télévisions locales et communautaires. Met betrekking tot de radio kregen de eerste vrije radio’s hun eigen frequentie toegewezen tegen het eind van de jaren ’80. Daarnaast stelde de Franstalige gemeenschap de openbare omroep RTBF in de mogelijkheid om reclameboodschappen uit de zenden, zowel op de radio als op televisie.

 

Op inhoudelijk vlak deed de sterke opmars van de neo – liberale marktlogica de zuil- en partijgebondenheid van de media en dan vooral van de geschreven pers, gevoelig afnemen. De grote band met financiële groepen belette evenwel niet dat de kranten aansluiting bleven zoeken bij een politieke stroming of partij.

 

De overheid nam ook op persvlak meer en meer afstand van haar keynesiaanse rol en paste zich in de neo – liberale marktlogica in. Zo heeft België nooit een duidelijk beleid gevoerd inzake persconcentraties. Integendeel, de overheid trof zelfs wettelijke maatregelen om de participaties van de dag- en weekbladgroepen in de commerciële televisiezenders te waarborgen. 

 

 

Besluit

 

Agence de Presse Libération – Belgique ontstond in een tijdsgewricht. Een protestgolf waadde door de hele samenleving en uitte openlijk kritiek op het euforische groeiklimaat van de golden sixties. Het verzet kwam het sterkst tot uiting in de vorm van de nieuwe sociale bewegingen, met de studentenbeweging op kop. Daarnaast liet ook de arbeidersklasse zijn stem horen. In het verlengde van het maatschappelijk protest doken een aantal – links – ideologische nieuwlichters op, waaronder AMADA – TPO en RAL – LRT. Op persvlak baadde apl op de jonge golf van alternatieve persinitiatieven, ontstaan naar aanleiding van de ‘inhoudelijke’ crisis van de traditionele pers. Markant in deze traditionele pers was de definitieve doorbraak van radio en televisie als massamedia en de sterke concentratiebeweging van de geschreven pers.

 

In de loop van de jaren ’70 en ’80, de periode waarin Agence de Presse Libération – Belgique zijn activiteiten ontvouwde, stak een felle economische crisis de kop op. Deze crisis versterkte de reeds bestaande sociale crisis en geraakte er tegelijk mee verstrengeld. De overheid reageerde aanvankelijk vanuit traditioneel, keynesianistisch oogpunt, maar gooide in 1982 resoluut het roer om en sloeg voortaan een neo – liberale weg in. In deze periode was het verzet door de nieuwe sociale bewegingen geenszins geluwd. Integendeel, het protest van de nsb ging zich in de loop van de jaren ’70 blijvend structureren in allerhande anti – systeembewegingen, om in het daaropvolgend decennium tot een organisatorisch en activistisch hoogtepunt te komen. Met het arbeidersverzet was het iets anders gesteld. Het protest, nog heel sterk in de jaren ’70 onder meer in de vorm van wilde stakingen en fabrieksbezettingen, bloedde geleidelijk aan dood tegen het eind van de jaren ’80.  Op ideologisch vlak ontpopten de nieuwe, linkse groeperingen zich met de vorming van Pvda – PTB en SAP – POS tot ware politieke partijen. Op het gebied van pers waren de traditionele media totaal in de ban van een steeds voortschrijdende concentratie, commercialisering en informatisering.

 

 

4. Apl, algemeen

 

Agence de Presse Libération – Belgique wou een alternatief persagentschap annex tijdschrift zijn. Wat dit concreet inhield, onderzoek ik in dit onderdeel. Na een schets van de ontstaansgeschiedenis leg ik de doelstellingen van apl bloot om deze te contrasteren met de concrete realisaties van apl. Ik neem daarbij diverse aspecten van de werking van apl onder de loep, zoals financiën, werkverdeling, redactie en ideologie.

 

 

Ontstaansgeschiedenis[176]

 

Agence de Presse Libération – Belgique zag het levenslicht in het jaar 1972, als één van de eerste alternatieve persinitiatieven in (Franstalig) België na de symbolische protestdatum van mei ’68 [177]. Over de grenzen heen was apl geen geïsoleerd fenomeen. In heel Europa en zelfs ruimer, overal in het Westen, schoten eind jaren ’60, begin jaren ’70 parallelle persinitiatieven als paddestoelen uit de grond, gaande van kranten en tijdschriften tot persagentschappen[178]. Veelal ontstonden deze initiatieven volledig onafhankelijk van elkaar. Concreet ontstond apl als uitloper van de studentencoöperatieve l’ Oeil Nu en naar het rechtstreekse voorbeeld van Agence de Presse Libération – France, afgekort apl - France.

 

Apl – France werd opgericht op 30 juni 1971, als antwoord op een aangevoelde – inhoudelijke - leemte in de traditionele pers. Onmiddellijke aanleiding was een incident met de journalist Alain Jaubert[179]. Op 19 mei 1971 werd deze hardhandig aangepakt door de politie. De pers kreeg hierop bericht na bericht waarin Jaubert afgedaan werd als een mentaal achtergesteld persoon. De maoïstische krant La Cause du Peuple en het democratische arbeidersblad J’Accuse besloten hierop de handen in elkaar te slaan en hun versie van te feiten weer te geven[180]. Op 3 juni 1971 publiceerden ze onder de naam La Cause du Peuple – J’Accuse het nummer ‘Special Flics’. Een dag na de publicatie vond een massale betoging plaats tegen het neerslaan van journalisten, en dit voor het Franse ministerie van Binnenlandse Zaken. Uit de navolgende discussies ontstond zowel bij militanten als bij journalisten de idee om in het verlengde van het gezamenlijke nummer van La Cause du Peuple en J’Accuse, een alternatief persagentschap op te starten. Zo werd op 18 juni 1971 Agence de Presse Libération – France opgericht. Het eerste tijdschriftnummer verscheen op 30 juni 1971. Onder de medestichters figureerden namen als Maurice Clavel en Jean – Paul Sartre[181].

De presentatietekst van apl – Frankrijk, van de hand van Maurice Clavel, ving aan als volgt:

 

Le trait prédominant de la presse bourgeoise française, c’est de taire systématiquement et avec bonne conscience, le mal de la société qui l’engendre, qu’elle exprime, qu’elle conserve. D’où sa prédilection, quand il faut quand même émouvoir avec des malheurs, pour les catastrophes naturelles. L’idéal, c’est le typhon ou le tremblement de terre (…). Et, lorsqu’ elle doit quand même rendre compte de conflits sociaux et de luttes, la presse se base sur les communiqués des autorités ou des organisations reconnues. Tout se passe comme si les principaux intéressés n’avaient pas la possibilité intellectuelle ou autre, de s' exprimer directement sur les faits[182].

 

Tegenover deze traditionele ‘bourgoispers’, wou Apl – France een persorgaan zijn waar iedereen zich vrij kon uitdrukken of une tribune qui donnera la parole aux journalistes qui veulent tout dire, aux gens qui veulent tout savoir: elle [l’ Agence de Presse Libération - France] donnera la parole au peuple[183]. In de prakrijk werd al gauw een fundamentele wending gegeven aan deze formule. Zij die alles wilden zeggen, bleken namelijk de gewone mensen in de staat te zijn terwijl de journalisten de rol van zij die alles wilden weten, op zich namen[184].

Agence de Presse Libération – France wou niet enkel anders zijn wat de aangesneden onderwerpen betrof, of de manier waarop de informatie vergaard werd. Ook qua praktische werking hield apl – France er een alternatieve visie op na. Zo was van professionele journalisten geen sprake, maar werd de informatie rechtstreeks gepuurd uit een correspondentennetwerk van gewone mensen, weliswaar liefst afkomstig uit een milieu waar de sociale strijd woedde[185]. Conform aan de werking van een persagentschap werd de informatie weergegeven in korte, commentaarloze berichten en verdeeld onder twee rubrieken : ‘national’ en ‘international’. Sporadisch werd een dossier uitgegeven. Alle informatie werd in Parijs per bromfiets rondgedragen aan de pers.

Uit de schoot van apl – France scheurde zich geleidelijk aan een groep los met het plan een krant op te starten. Op hun initiatief werd uiteindelijk op 22 mei 1973 het dagblad Libération uit de grond gestampt, le quotidien du quotidien, le journal sans banque, sans publicité[186]. Onder de medestichters bevond zich eveneens Jean – Paul Sartre. Het persagentschap Agence de Presse Libération – France bleef los van de krant Libération bestaan, wat niet belette dat “Libé”, zeker in de beginperiode, grotendeels geïnspireerd en gestoffeerd werd door apl – France. Expliciet doel van de krant was, analoog aan het persagentschap apl – France, een andere vorm van journalistiek aan te bieden. Libération zou een krant worden van en voor het volk. Dit impliceerde, net als apl – France, een alternatieve aanpak, zowel qua inhoud als qua praktische werking[187].

In het verlengde van apl – France ontstonden in de loop der jaren een aantal regionale apl’s. Plaatselijke bureaus werden ondermeer ingeplant in Tours, Bordeaux, Clermont, Lyon, Dijon, Nancy, Rennes, Toulouse en Narbonnes. De belangrijkste regionale apl’s waren apl – Nord (Lille), apl – Alpes – Dauphiné (Grenoble) en apl – Ouest (Nantes). Naast deze regionale initiatieven werden ook fotolib opgericht, een fotodienst van apl en, enkele apl’s gericht op specifieke sociale categorieën, zoals apl – paysans, met als doelpubliek landbouwers en apl – usines, specifiek afgestemd op het fabrieksleven. Deze zusterinitiatieven van apl – France werkten onafhankelijk van de hoofdzetel in Parijs. Velen onder hen waren evenwel geen lang leven geschoren.

 

In België werd in september 1972 een apl opgericht. Aan de basis lag l’ Oeil Nu, een studentencoöperatieve ontstaan op de campus van Leuven in 1971 met het oog op de animatie van een studentencabaret[188]. Geleidelijk aan koesterde men de idee een waar cultureel front op te richten, als antwoord op de zogenaamde (auto)censuur in de culturele sector. In het verlengde hiervan werd het persagentschap Agence de Presse L’ Oeil Nu opgestart. Rechtstreekse aanleiding was een uitstap naar Ierland door een drietal leden van de coöperatieve en dit in de Paasvakantie van het jaar 1972 [189]. Tijdens de reis hadden de drie een reportage gemaakt die anders wou zijn dan wat traditioneel in de pers verscheen. Onder de naam Agence de Presse L’ Oeil Nu boden ze hun reportage bij terugkeer aan de voltallige pers aan. Met beperkt resultaat weliswaar. Enkel La Wallonie, La Cité en Politique Hebdo werden bereid bevonden het artikel te publiceren. Een journalist van Politique Hebdo sprak de leden van L’ Oeil Nu evenwel aan over Agence de Presse Libération – France, wat een nieuwe wending gaf aan het persagentschap.

            In augustus 1972 begaven een aantal leden van Agence de  Presse L’Oeil Nu zich naar Parijs om er kennis te maken met apl – France[190]. Ter plaatse ontmoetten ze twee Belgische correspondenten van apl - France. Eén van hen was een medewerker van La Parole au Peuple, de Belgische tegenhanger van La Gauche Prolétarienne[191]. De andere correspondent was Michel Beerblock, een voormalig RTBf medewerker, ontslagen wegens te progressief. Eens terug in België namen de leden van Agence de Presse L’ Oeil Nu contact op met de Belgische apl – France correspondenten en samen besloten ze onmiddellijk van start te gaan met de oprichting van een alternatief persinitiatief in België. Apl – France zou de directe inspiratiebron worden. In het najaar van 1972 werd Agence de Presse Libération – Belgique, kortweg apl – b of apl boven de doopvont gehouden. Het manifest werd begin september 1972 opgesteld. Het eerste tijdschriftnummer verscheen op 18 september 1972. In zekere zin was apl daarmee één van de eerste “regionale apl’s”[192].

            Als voornaamste ontstaansreden van Agence de Presse Libération - Belgique werd, net als bij apl – France en in feite bij de hele alternatieve pers na mei ’68, een lacune in de traditionele pers naar voor geschoven en meer bepaald op het vlak van informatie en vrije meningsuiting[193]. Apl verweet de traditioneel pers onder meer hun zogenaamde objectiviteit. In apl’s ogen was dit niet meer dan un leurre, een valstrik[194]. Eenzelfde gebeurtenis zou in de traditionele pers immers op een honderdtal verschillende manieren aangekleed kunnen worden naar gelang de interpretatie van de journalist, en zo gelijk welke betekenis kunnen meekrijgen. Daarnaast zou de traditionele pers slechts één klok luiden, met name de officiële[195]. Enkel informatie uit de hoek van politieke partijen, vakbonden, regeringen, officiële instanties, ordemachten en sommige gevestigde privé - machten zou een plaats krijgen in de traditionele pers. Voor niet - officiële, niet - spectaculaire informatie, lees de visie van Jan met de pet, zou geen plaats zijn[196]. Het hele journalistenkorps zou gedwongen zijn te werken binnen de kaders van de bezittende klasse die de traditionele media in handen heeft. Wanneer dan al een progressieve journalist actief was binnen de traditionele media zou deze gecensureerd worden of genoodzaakt zijn zelfcensuur toe te passen[197]. In dergelijke sfeer zou de gewone man in de straat geen toegang hebben tot de informatiekanalen en zijn vrijheid van meningsuiting niet kunnen verdedigen[198].

            Na de oprichting van Agence de Presse Libération – Belgique bleef de Leuvense groep Agence de Presse L’Oeil Nu verder bestaan met een filiaal in Louvain – La – Neuve. Agence de Presse l’Oeil Nu werkte sporadisch samen met apl – Belgique[199]. Apl – Belgique gaf daarnaast, net als apl – France, aanleiding tot verschillende andere apl’s of soortgelijke initiatieven[200]. Zo verschenen eind 1973, begin 1974 de eerste nummers van respectievelijk apl – Tournai en apl – Liège[201]. Even later kwam een apl in Charleroi van de grond. In Vlaanderen groeide het in oktober 1974 opgestarte ‘Informatiegroep van de Algemene Studentenraad’ van de katholieke universiteit Leuven uit tot het ‘Bevrijdingspersagentschap’ of bpa[202]. Het eerste nummer van bpa verscheen in januari 1975. De link met apl – b is duidelijk. Niet alleen is Bevrijdingspersagentschap een vrije vertaling van Agence de Presse Libération – Belgique, bpa nam ook verschillende programmapunten van apl – b letterlijk over.

 

Besluit

 

Agence de Presse Libération – Belgique is ontstaan als een kind van zijn tijd. Het baadde op de golf van alternatieve persinitiatieven die na mei ‘68 door het Westen waadde en een antwoord wou bieden op de zogenaamde inhoudelijke crisis van de traditionele pers. Daarnaast is het ontstaan van apl te situeren in het studentenmilieu en meer concreet in de Leuvense studentencoöperatieve L’ Oeil Nu. Net in die kringen was ook het ruimere, maatschappelijke protest van de nieuwe sociale bewegingen ontstaan.

            Directe inspiratiebron van Agence de Presse Libération - Belgique was Agence de Presse Libération – France, dat duidelijk kaderde in de maoïstische traditie van La Cause du Peuple, J’Accuse en La Gauche Prolétarienne.

 

 

Doelstellingen

 

Agence de Presse Libération - Belgique stelde bij zijn oprichting een programmaverklaring op die toelaat de doelstellingen van het eerste uur te achterhalen. Moeilijkheid hierbij is dat dit document als dusdanig nergens integraal bewaard werd. Wel kan de programmaverklaring gereconstrueerd worden op basis van het eerste nummer van het  apl - tijdschrift[203], alsook van een artikel uit ‘La parole au peuple’[204], waarin uittreksels van de programmaverklaring te vinden zijn. Een dubbele doelstelling komt hierin naar voor met als sleutelwoorden onafhankelijk van gedachte en vrijheid van informatie. 

Enerzijds wou apl een instrument zijn waardoor een ‘volksinformatie’ of letterlijk une information populaire kon ontstaan. Idee was dat iedereen zich direct moest kunnen uitdrukken, zowel de arbeider in de fabriek als de buitenlandse student op de universiteit, als Jan met de pet in de straat. Bijzondere aandacht wou apl besteden aan al wie over weinig mogelijkheden beschikte om zijn of haar stem te laten horen. In een eerste fase wou apl hiervoor ter plaatse gaan helpen om de mensen te leren en te stimuleren het informatieproces zelf in handen te nemen. Het ideaal was te komen tot een correspondentennetwerk waarbij eenieder zou doorgeven wat zich in zijn of haar milieu afspeelde. Apl beoogde zo een actieve participatie in de massastrijd. Qua informatie wou apl zich richten op alles wat nuttig kon zijn voor de sociale strijd. Daarbij wou apl geen enkele groep of organisatie bevoordelen of benadelen.

Anderzijds wou apl een steun zijn voor ‘de strijders op het vlak van informatie’ . Als antwoord op de zogenaamde manipulatie en mystificatie in de traditionele media, wou apl journalisten mobiliseren en gevoelig maken voor de standpunten van het volk. Apl ging er immers van uit dat het hele Belgische persapparaat gedomineerd werd door de bezittende klasse en dat progressieve journalisten de mond gesnoerd werd.

 

Een eerste nieuwe inkijk in de doelstellingen van apl wordt pas gegeven in het jaar 1975. In het nummer 275 verscheen op de keerzijde van de voorpagina het artikel “qu’ est-ce que l’ apl” [205]. Dit artikel, dat herhaaldelijk opdook in latere nummers, gaf tekst en uitleg bij de objectieven van apl. Op zich kwamen de geformuleerde doelstellingen in “qu’ est-ce que l’ apl” overeen met de doelstellingen van het eerste uur. Apl was er ondertussen wel in geslaagd zijn dubbele doelstelling samen te vatten in de slagzin Lutter sur le front de l’information et donner la parole au peuple. Uitgangspunt was nog steeds de idee dat professionele journalisten enkel konden of moesten werken binnen de rigide kaders van het persbedrijf waarin ze actief waren en van de dominerende klasse die hun bedrijf in handen had met censuur of autocensuur tot gevolg. Met de strijd op het vlak van informatie stoelde apl nu evenwel niet enkel meer op progressieve journalisten, maar op al wie ‘eerlijk’ informatie wou verschaffen aan het publiek. Een nieuw element in “qu’ est-ce que l’ apl” was de explicitatie van het werkideaal van apl. Absolute regel was het vrijwilligerswerk en een collectief in eigen beheer of collectif autogéré. Alle taken zoals redactie, druk, administratie en acties moesten zonder onderscheid beurtelings door iedereen ter hand genomen worden. Opmerkelijk in “qu’ est-ce que l’ apl” is verder de sterke nadruk op het feit dat apl politiek onafhankelijk wou zijn. “Hoewel er in apl militanten werkzaam zijn van bepaalde organisaties en vanuit verschillende horizonten”, zo luidde het, “wil apl niet oordelen over de politieke lijn van verschillende bewegingen, maar slechts informatie doorgeven over de sociale strijd en deze strijd verbreden” of  Tous doivent oublier dans leur travail pour l’apl-b leurs affinités de départ pour se mettre au service des luttes populaires.

 

Een volgende aanwijzing van de doelstellingen van apl-b is het motto dat begin 1976 opdook in het apl – tijdschrift en meer concreet vanaf het nummer 287 [206] . Onder een afbeelding van een telefoon met een hoorn in de vorm van een geweer stond de slagzin L’ arme de vos informations. Achterliggende idee was kennelijk dat apl een wapen (arme) of zachter uitgedrukt een hulpmiddel wou zijn om informatie te verspreiden. De lezers (vos informations) moesten dit hulpmiddel hanteren. De slagzin “L’arme de vos informations” bleef behouden tot en met het nummer 473. Het prentje van de ‘geweertelefoon’ bleef langer opduiken en ging een eigen leven leiden. Zo werd de hoorn van het geweer af en toe vervangen, nu eens door een engeltje, dan weer door een visgraat[207]. Na het verdwijnen van de slagzin L’arme de vos informations, dook eenmalig het motto L’ information à la source op[208]. Inhoudelijk kwam dit motto overeen met het vroegere L’arme de vos informations, enkel de toon was nu veel gematigder door het weglaten van het nogal strijdbare woord ‘arme’. De klemtoon lag nu ook veel nadrukkelijker op het woord ‘information’[209].

 

Een eerder impliciete omschrijving van de doelstellingen van apl is te vinden in het feestnummer 300 [210]. In dit nummer omschreef apl zichzelf als een alternatief persagentschap van het type dat een alternatief wil bieden aan de traditionele informatiebronnen en informatie wou verschaffen onder de vorm van onbewerkte berichten of information brute. Commentaar zou enkel verschijnen in een editoriaal. Nieuws zou zowel aan de parallelle als aan de traditionele pers verschaft worden. Basisgedachte was ook hier dat (traditionele) journalistieke objectiviteit bedrog was en de sociale strijd vanaf de basis moest verslaan worden. Het nummer 300 verduidelijkte eveneens dat niet alle informatie moest of beter gezegd mocht weerhouden worden in het apl - tijdschrift. Informatie die in de ‘grote pers’ voldoende aan bod zou komen, zou geen schijn van kans maken in het tijdschrift. Apl wou zo óók door de keuze van de onderwerpen revolutionair zijn. Tot slot gaf het nummer 300 expliciet aan dat apl er niet in geloofde dat informatie door professionelen of specialisten moest gemaakt worden. Apl wou een open circuit zijn waaraan eenieder vrij kon en mocht deelnemen. Idee was dat men met een schrijfmachine, stencileermachine of offset even goede of zelfs betere informatie kon maken en dat iedereen dit kan doen.

 

Een nieuw zicht op de doelstellingen van apl wordt gegeven in eerder administratieve hoek, met name in het statuut alsook in de verschillende subsidieaanvragen van apl[211].

            In het jaar 1978 of 1979 stelde apl een statuut op met het oog op de vestiging als vzw[212]. In artikel 2 van het statuut werd de kernactiviteit van apl omschreven als “de promotie van sociale communicatie via alle mogelijke middelen en dit met het doel om de jongeren en arbeiders te leren zelf het informatieproces in handen te nemen met gebruik van alle bestaande of nog uit te vinden middelen”.  De objectieven van apl werden hier merkelijk vager en gematigder omschreven dan voorheen, wat ongetwijfeld verband houdt met de aard van het document. Zo werd de eigen rol van apl verschoven van een strijd – of werkinstrument naar een promotie – instrument. Zo ook werd elke directe verwijzing naar de maatschappelijke strijd weggelaten. Verder is het doelpubliek verengd. Enerzijds werd in dit artikel geen enkele aanspraak meer gedaan op journalisten. Anderzijds leek apl zich nu enkel nog te richten op jongeren en arbeiders; niet bepaald ‘Jan met de pet in de straat’ waarop het zich vroeger beriep. De doelstellingen zoals vermeld in het statuut van apl geven met andere woorden een minder strijdbare en minder maatschappelijk geïmpliceerde indruk.

In de subsidieaanvragen werden globaal genomen een viertal verschillende doelstellingen naar voor geschoven, met name[213] :

 

* diffusion d’une information qui ne peut trouver sa place dans la grande presse

* diffusion d’ une information sous sa forme «  brute» (sans analyse)

* ouverture des colonnes du bulletin à l’ expression des informateurs

* rendre à la population son pouvoir informatif

 

De doelstelling om “informatie te verspreiden die gewoonlijk verwaarloosd werd door de traditionele media”, sproot voort uit apl’s vaststelling dat de ‘grote pers’ bepaalde informatie zou veronachtzamen of minimaliseren[214]. Vanuit de idee dat het publiek het recht had te beschikken over alle informatie die hen aanbelangde wou apl een andere communicatieruimte creëren, open voor iedereen en met speciale aandacht voor dagdagelijkse informatie uit sociale, culturele of politieke hoek.

De tweede doelstelling, namelijk om “informatie onder een brute vorm weer te geven”, hing samen met apl’s verafschuwing voor opiniepers. Apl ijverde voor een duidelijk onderscheid tussen feiten en analyse, tussen information en formation. Apl was van oordeel dat de lezer zich zelf een mening moest kunnen vormen op basis van de aangeboden feiten. Analyse en opinie deed apl af als een vorm van propaganda.

De derde doelstelling om “het tijdschrift open te stellen voor zij die de informatie bezaten”, hield meer concreet in dat zij die informatie verschaften aan apl er steeds het laatste woord over bleven bezitten. Apl wou hiermee reageren tegen de traditionele pers waar de informatie onteigend zou worden aan de bron en een eigen leven zou gaan leiden, naar gelang de grillen en willen van de journalist in kwestie. Apl wou iedereen de kans bieden zich uit te drukken op zijn of haar manier, echter dans la mesure où ils ne déforment pas les faits,… .

De vierde en laatste doelstelling om “te helpen de informatiemogelijkheden, of letterlijk de pouvoir informatif van het volk te leren herontdekken”, kaderde binnen de idee dat iedereen zelf zijn zegje moest kunnen doen. Apl beoogde hiertoe niet enkel zijn tijdschrift open te stellen voor iedereen, maar wou iedereen aansporen zichzelf uit te drukken via apl of via een eigen informatiekanaal.

            Inhoudelijk komen deze vier doelstellingen zoals geformuleerd in de subsidieaanvragen overeen met alle eerder geponeerde doelstellingen. Opvallend is evenwel dat journalisten, net als in het statuut van apl, niet meer expliciet als doelpubliek naar voor komen. Daarnaast is ook hier de toon nogal gematigd en wordt bijvoorbeeld met geen woord gerept over de sociale strijd.

Aanvankelijk werden deze doelstellingen soms wat anders geformuleerd en figureerden ze niet noodzakelijk allemaal of even expliciet in de subsidieaanvragen[215]. Na verloop van tijd dook deze viervoudige cluster van doelstellingen in elk subsidiedossier op, woord voor woord identiek, en dit tot en met het laatste aanvraagformulier in 1988 [216]. Vermoedelijk werd steeds eenzelfde brondocument gebruikt bij de formulering van de doelstellingen in de subsidiedossiers. De ingevulde aanvraagformulieren laten uitschemeren dat een soort ‘intern reglement’ moet bestaan hebben waarin deze doelstellingen opgenomen waren en voornoemd artikel 2 van het statuut van apl als algemene doelstelling fungeerde, verder uitgewerkt in de vier bovenvermelde punten. De precieze waarde van het statuut van apl alsook van een mogelijks intern reglement daar gelaten, werpt dit wellicht een ander licht op de nogal vage en abstract geformuleerde doelstellingen in het statuut van apl. De dieperliggende basisdoelstellingen van apl waren hier tussen de lijnen kennelijk niet afwezig.

           

Ondanks het feit dat de doelstellingen in de subsidieaanvragen vanaf 1978 steeds letterlijk herhaald werden dook eind jaren ’80 naar de lezer toe een nieuwe formulering van de doelstellingen op en dit in het nummer 475 [217]. Voortaan werd volgend tekstje herhaaldelijk opgenomen in het tijdschrift:

Apl, ni une organisation politique, ni un groupe lié à un parti,mais un collectif autogéré proposant une conception de l’ information:

-    le souci d’ une information brute, sans commentaire, sans analyses toutes faites, sans «a priori» doctrinaires.

-    la possibilité offerte aux lecteurs de faire circuler les idées, expériences ou critiques favorisant un changement de société

Apl leek zich hier, net als in het statuut en in de subsidiedossiers enkel nog leek te richten tot de lezers. In tegenstelling tot het statuut en de subsidiedossiers is de toon hier evenwel iets progressiever. Apl beoogde in deze tekst namelijk expliciet een verandering van de maatschappij.

 

Besluit

 

Agence de Presse Libération - Belgique heeft bij de opstelling van zijn doelstellingen onmiskenbaar heel wat mosterd gehaald bij Agence de Presse Libération – France. Beiden maakten namelijk grosso modo dezelfde analyse van de traditionele pers en opteerden voor dezelfde remedies. Net als apl – France wou Agence de Presse Libération - Belgique een communicatieplaats zijn waarin een andere soort informatie aan bod kon komen, belicht vanuit een andere invalshoek. Waarschijnlijk is dit niet enkel te verklaren door het feit dat apl – Belgique in zekere zin een regionale apl van apl – France was. Aan de basis van beide apl’s lag ook een sterke maoïstische geïnspireerde kern. De kritiek van beide apl’s op de traditionele pers, alsook de doelstellingen die ze hiertegenover plaatsten, sluiten alvast mooi aan bij wat in de literatuur omschreven wordt als de marxistische visie op de werking van de pers[218].

Concreet wou apl – Belgique tegenover de zogenaamde censuur in de traditionele ‘bourgoispers’ een vrije communicatieruimte worden waarin iedereen zichzelf zonder onderscheid kon uitdrukken. Informatie die enkel afkomstig was van officiële informatiekanalen, zou geweerd worden. Apl wou immers informatie meegeven van de basis, de stem van het volk vertolken. Dagdagelijkse gebeurtenissen en sociale strijd moesten vooraan in de kijker komen te staan. Vooral die informatie die kon bijdragen tot maatschappelijke verandering zou een plaatsje krijgen bij apl. Apl beoogde op die manier een actieve deelname aan de ‘massastrijd’. Om de informatie weer te geven wou apl opteren voor korte, commentaarloze berichten of information brute. Opinie en analyse werden namelijk afgedaan als propaganda, objectiviteit (in de traditionele pers) als een valstrik. Apl wou de informatie telle quelle presenteren aan de lezer zodat die zich in alle vrijheid een eigen mening kon vormen over de feiten en gebeurtenissen. Daarnaast koos apl voor een pluralistisch perspectief en wou het geen enkele groep of organisatie bevoordelen of benadelen.

            Apl streefde niet enkel naar een aangepaste vorm van informatie, ook wat het hele informatieproces van bron tot lezer betreft, had apl een alternatief voor ogen. Specialisatie en professionalisme werden verworpen. Informatie zou zo veel mogelijk van het volk zelf moeten komen en alle taken, zowel materieel als intellectueel zouden beurtelings door iedereen ter hand moeten genomen worden. Apl zelf zou een collectief in eigen beheer moeten worden, volledig onafhankelijk van welke politieke of economische groep dan ook.

 

Hoewel apl zijn doelstellingen door de jaren heen herhaaldelijk herformuleerde, bleven de kernideeën behouden, alsook de ontstaans- of bestaansreden, te weten de zogenaamde inhoudelijke crisis van de traditionele pers. De enige echte verschuiving in de verwoordde doelstellingen was de grotere lezersgerichtheid ten koste van de journalisten, alsook de minder radicale toon. Zo werd het beoogde onderwerp van het apl – tijdschrift na verloop van tijd afgezwakt van ‘sociale strijd’ naar ‘maatschappelijke veranderingen’. Zo ook klonk de eenmalige slagzin L’ information à la source veel minder radicaal dan het lange tijd gebruikte motto L’ arme de vos informations. Zeker wat de laatste jaren betreft gaven de doelstellingen een gematigdere indruk. Dit hangt wellicht samen met het feit dat de laatste herformuleringen van de doelstellingen van apl, uitgezonderd dan het nummer 275, opdoken in administratieve hoek.

 

 

Algemene werking

 

Activiteiten

 

Persagentschap annex tijdschrift

 

Agence de Presse Libération - Belgique was in hoofdzaak een persagentschap dat anders wou zijn[219]. Concreet hield dit in dat apl, net als een traditioneel persagentschap, informatie wou verzamelen en doorgeven in de vorm van korte, commentaarloze berichten, echter met dat verschil dat apl er een andere visie inzake informatieproces op nahield[220]. Zowel wat de aard van de informatie betrof, als de manier waarop deze verwerkt moest worden, wou apl het traditionele pad verlaten en een alternatieve weg inslaan[221]. Actieterrein van apl was Franstalige België[222].

Aanvankelijk richtte apl zich enkel op de pers en dan zowel op kranten en tijdschriften, als op radio en televisie[223]. Werkinstrument van het persagentschap was het apl – tijdschrift, voor Agence de Presse Libération - Belgique hét middel bij uitstek om een andere soort informatie aan het licht te brengen, hét gedroomde kanaal om mensen aan de basis de kans te geven hun stem te laten horen[224]. Daarnaast maakte apl ook gebruik van de telefoon om dringende berichten door te geven, te antwoorden op de vragen van journalisten en deze in contact te brengen met andere bronnen[225]. Echter, al gauw kreeg apl de indruk dat de informatie haar doel niet bereikte en besloot het enkele maanden na aanvang zijn werkterrein te verruimen[226]. Het tijdschrift werd in vorm aangepast en voortaan ook rechtstreeks aan de lezers aangeboden.

 

Aanverwante activiteiten

 

Naast het persagentschap annex tijdschrift, ontplooide apl door de jaren heen een hele reeks aan nevenactiviteiten en deze groeiden alsmaar aan. Rechtstreeks in het verlengde van het persagentschap publiceerde apl sporadisch dossiers en hield het gedurende een bepaalde periode een fotodienst open onder de naam apl - photo. Daarnaast ging apl over tot het runnen van een documentatiecentrum, het organiseren van animatie- en vormingsdagen in het teken van informatie en sociale strijd, de deelname aan activiteiten in de meer alternatieve sector, het op punt stellen van acties inzake pers en vrije meningsuiting en de participatie in een handvol andere verenigingen.

 

In de dossiers spitte apl bepaalde thema’s uit de actualiteit dieper uit door de gebruikelijke berichten aan te vullen met achtergrondinformatie zoals interviews, getuigenissen en extra berichten[227]. Ter algemene situering vingen de dossiers gebruikelijk aan met een inleiding van het behandelde thema. Achteraan volgde meestal een adressenlijst  van organisaties die actief waren rond het bestudeerde thema, alsook een bibliografie waarin ondermeer verwezen werd naar eerder gepubliceerde artikels van apl. Met de dossiers beoogde apl het publiek gevoelig te maken voor specifieke onderwerpen zoals Glaverbel Gilly, de Roth Armee Fraction, de situatie in Portugal, Argentinië of Spanje en abortus in België[228]. Het liefst werkte apl hiervoor samen met specifieke organisaties, opgebouwd rond het aangeboorde thema. Zo werd het dossier over de Europese anti – terroristische conventie opgesteld met de hulp van GEDDA, Groupe d’étude et de défense du droit d’asile, of het dossier over socialistisch patriottisme in Baskenland met de hulp van het Comité basque de Belgique[229].

Apl stelde vooral in de periode 1975 – 1978 veel dossiers samen. Daarna viel de publicatie van dossiers een tijdje stil. Rond 1981 werd de idee om dossiers uit te geven terug uit de kast gehaald, weliswaar in een andere formule. De dossiers werden nu geïntegreerd in het tijdschrift en betroffen grofweg de groepering van verschillende berichten over een bepaald onderwerp in een gezamenlijk nummer[230]. Zo werd een bericht over kernenergie in België en een bericht over kernenergie in het buitenland niet meer ondergebracht onder de respectieve rubrieken ‘national’ en ‘international’ maar tot één geheel gebundeld. Deze formule hield evenwel niet lang stand. In de laatste periode van apl, met Michel Veys als verantwoordelijke uitgever, werden de dossiers nogmaals een nieuw leven ingeblazen. Dossiers waren nu in feite niet veel meer dan een samenraapsel van persartikels rond een bepaald onderwerp[231].  

 

Gedurende grosso modo de periode 1977 – 1979 beschikte apl over een eigen fotodienst, apl – photo genaamd[232]. Vroeger reeds had apl verscheidene pogingen ondernomen om een eigen fotodienst uit de grond te stampen, zonder veel succes echter[233]. Apl – photo hield zich uitsluitend bezig met fotografie en had als primair doel de geschreven berichten in het apl – tijdschrift aan te vullen met visuele informatie. Op geregelde ogenblikken bood apl – photo zijn foto’s te koop aan, aan al wie er oog voor had. In uitzonderlijke gevallen, wanneer apl meende als enige een exclusieve foto over een bepaalde gebeurtenis in handen te hebben, nam apl zelf contact op met de pers om zijn foto’s aan de man te brengen.

 

Apl heeft heel wat animatie- en vormingsavonden, -dagen, tot zelfs weken gehouden rond het thema informatie en sociale strijd. Deze activiteiten betroffen onder meer de vertoning van films, de organisatie van debatten, de inwijding van buitenstaanders (waaronder studenten journalistiek) in de geheime keuken van apl, het houden van een persconferentie en het verschaffen van praktische informatie in verband met de verspreiding van informatie in de media[234]. Een treffend voorbeeld was het feest dat apl in 1976 organiseerde naar aanleiding van de 300ste publicatie van het apl – tijdschrift. Dit feest werd opgefleurd met informatiestands van de Belgische en Franse alternatieve pers, videoprojecties over migratie en werkloosheid, een film over Glaverbel – Gilly, een debat over de regionale pers en over contra – informatie en optredens van allerlei artiesten[235]. Eenzelfde waaier aan vormings- en animatieactiviteiten werd aangeboden in de zomer 1977 met de actie ‘à babord toute’[236]. Per boot of péniche deed apl achtereenvolgens de steden Brussel, La Louvière, Charleroi, Namen en Luik aan. Gedurende een week stonden dan film, theater, muziek, debatten en infosessies over apl op het programma.

            Vanaf 1979 organiseerde apl jaarlijks een aantal animatie- en vormingsactiviteiten met de steun van het departement Cultuur van het ministerie van de Franstalige Gemeenschap[237]. Voorbeelden hiervan zijn volgende activiteiten: animation centrée sur l’expression écrite liée à l’information van juli tot en met december 1979; éveil aux problèmes de la presse en vue d’une prise en charge de l’information van 1 tot en met 6 december 1980; contribution à la mise en place d’un réseau d’alternatives van 1 juni tot en met 15 september 1981; boutique de communication in 1982; cycle animation - formation destiné aux chômeurs in 1983; cycle de formation à l’usage des médias van maart tot en met april 1984; stage aux techniques de presse écrite et parlée in de zomer 1986 en formation à la lecture et à l’analyse de la presse sur la question de droits de l’homme in 1987[238].

Rode draad doorheen deze gesubsidieerde activiteiten, die steeds uit een theoretisch en een praktisch deel bestonden, is het begrip pouvoir informatif. Met de animatie- en vormingsactiviteiten beoogde apl het publiek op een andere manier in contact te laten komen met het informatieproces en hen hiervoor gevoelig te maken. Ultieme opzet was dat het publiek nu voortaan zelf de touwtjes in handen zou nemen, zelf een persbericht zou opstellen of een persconferentie zou houden. Vaak had apl bij deze vormings- en animatiedagen een specifieke sociale groep voor ogen, zoals vluchtelingen of werklozen, mensen die ‘van nature’ een zogenaamd minder grote toegang hadden tot de informatiekanalen. De activiteiten waren meestal beperkt in opzet en richtten zich tot een groepje van een tiental personen.

 

Vanaf de oprichting hechtte apl veel belang aan het bijhouden van wat het bestempelde als ‘les archives’[239]. Zowel uit de traditionele, als uit de alternatieve pers, werden artikels betreffende specifieke onderwerpen zoals seksualiteit, armoede, mensenrechten, racisme en justitie, uitgeknipt en bijgehouden[240]. Deze persknipsels werden aangevuld met allerhande extra documenten zoals affiches, tracts, persmappen, telexberichten en ledenblaadjes van nieuwe sociale bewegingen[241]. Daarnaast beschikte apl over een steeds groeiende collectie kranten en tijdschriften op basis van een abonnement of ruilabonnement[242]. Deze massa aan informatie werd in eerste instantie bijgehouden ter ondersteuning van het persagentschap. De vergaarde documenten, die meer en meer de vorm van een waar documentatiecentrum aannamen, voorzagen de berichten in het tijdschrift van de nodige achtergrondinformatie en stoffeerden de sporadisch samengestelde dossiers[243]. Verder werd de verzamelde informatie bijgehouden ‘pour la raison elle – même’. De apl – medewerkers zagen in de bijeengezochte documenten een unieke getuige van de sociale strijd die woedde in de nadagen van mei ’68. Door het bijhouden van een documentatiecentrum wou apl zijn steentje bijdragen in het bewaren van een collectief geheugen[244].

            Op verzoek van de lezers werd het documentatiecentrum in 1979 toegankelijk gemaakt voor het publiek[245]. Dit had evenwel wat voeten in de aarde omdat de tot dan toe verzamelde documentatie niet altijd even systematisch was bijgehouden. Ook na de opening van het documentatiecentrum voor het publiek, onder meer mogelijk gemaakt door overheidssteun in de vorm van BTK’s, bleef het moeilijk alle informatie bij te houden zoals in een goed bewaard archief[246].

 

Apl probeerde niet enkel in zijn lokaal te Brussel werk te verrichten, maar ook zo veel mogelijk actief te zijn op het terrein. Op heel wat manifestaties van de nieuwe sociale bewegingen in Brussel, alsook elders, was apl te bespeuren, niet alleen om er informatie te verzamelen, maar ook voor de zaak zelf. Daarnaast nam apl deel aan allerlei specifieke activiteiten in de alternatieve sfeer, zoals een rondetafelconferentie over de situatie van de alternatieve pers in 1974 met ondermeer BRT, Le Peuple, Knack, La Cité,  Le Soir en het Laatste Nieuws op de affiche[247]; een solidariteitsfeest voor de stakers van het bedrijf Sanecap in 1978 [248] en een colloquium over de alternatieve pers in 1980, getiteld ‘Canards Sauvages’[249]. Ook aan deze activiteiten nam apl niet enkel deel met het oog op het vergaren van nieuwsberichten.

 

De meest significante acties van apl op het vlak van vrije meningsuiting waren ‘Contraste Soir’ enerzijds en ‘Marie Claire Censurée’ anderzijds. Apl heeft daarnaast ook minder spectaculaire acties ondernomen inzake vrije meningsuiting, bijvoorbeeld door vermeende inbreuken te melden in het apl – tijdschrift[250].

Contraste Soir was een nogal geëngageerd zondagavondprogramma op de RTB – radio. Toen de uitzending van Contraste Soir op 22 november 1975, met als onderwerp een epitafenconcours naar aanleiding van de dood van Franco, abrupt onderbroken werd, interpreteerde apl dit als een ongeoorloofde vorm van censuur. Apl stelde onmiddellijk een tract op en deelde deze rond in Brussel met als inzet de onmiddellijke voortzetting van de uitzending[251]. Apl ging zelfs verder en richtte een ‘Comité de soutien Contraste Soir’ op, ter ondersteuning van de presentatoren van het radioprogramma van wie de loopbaan op de helling stond[252]. In het dossier dat dit comité uitgaf, werd gepoogd aan te tonen dat de directie van RTB schuldig was aan censuur. Het comité eiste in plaats daarvan een volledige vrijheid van meningsuiting op deze openbare omroep.

            Marie Claire Censurée betrof de inbeslagname van het artikel ‘Déjà on peut avorter en France sans se cacher’, gepubliceerd in het blad Marie Claire in het najaar 1974[253]. Als reactie op de inbeslagname riep apl de lezers op zich op te geven als co – auteur bij de heruitgave van het artikel in kwestie. Apl wou zich niet uitspreken over de inhoud van het artikel, maar verzette zich heftig tegen wat in hun ogen een aantijging was van de persvrijheid, de vrijheid van meningsuitdrukking, het recht op informatie en het recht om ideeën vrij te laten circuleren. Dat apl niet licht tilde aan de schending van deze grondwettelijke rechten bewijst het feit dat apl bleef oproepen tot een heruitgave van het artikel van Marie Claire, óók toen de herpublicatie van het artikel door apl aanleiding had gegeven tot een tweede inbeslagname en een huiszoeking bij apl. Pikant detail is evenwel dat apl bij de heruitgave van het artikel niet de integrale tekst weergaf, doch slechts enkele grote uittreksels. Il ne s’agit en aucun cas de censure!, zo luidde het, Les phrases supprimées n’ont que très peu d’importance quant au fond du texte.

 

Apl was tot slot een spil in een handvol andere organisaties; met wisselend succes weliswaar. Enkele voorbeelden zijn RIF of Réseau d’ Information Filmée, een droom die nooit echt van de grond geraakte[254]; Diffusion Alternative, waar apl in 1979 de taak van distributie op zich nam[255]; ALO of Association pour la Libération des Ondes, een vereniging van niet – publicitaire radio’s in België waarvoor apl eind jaren ’80 de rol van persagentschap vervulde[256]; FERL of Fédération Européenne des Radios Libres, eveneens een vereniging van vrije radio’s, nu op Europees vlak, waarin apl ALO in 1987 vertegenwoordigde in de functie van persagentschap[257]; het Festival des Cinq Continents, een filmweek die apl samen met Libération – Films organiseerde van 12 tot en met 20 juni[258]; EGA of Etats Généraux du mouvement associatif volgens sommigen, alternatif volgens anderen, een initiatief waarin apl samen met andere alternatieve organisaties in 1988 enerzijds de twintigjarige verjaardag van het ’68 gebeuren wou vieren en anderzijds een stand van zaken wou opstellen van de – resterende - alternatieve verenigingen door de pijnpunten bloot te leggen en te zoeken naar mogelijke toekomstscenario’s[259] en Europa tegen de stroom in - Europe à contre – courant, een festival in Amsterdam van 15 tot en met 17 september 1989 met het oog op de vrije uitwisseling van onafhankelijke, radicale en alternatieve informatie binnen Europa[260].

 

Relatie tussen de activiteiten onderling

 

De grote diversificatie aan activiteiten wijst erop dat apl kennelijk meer wou zijn dan enkel en alleen een persagentschap annex tijdschrift, maar een ruime invulling gaf aan de doelstelling een strijd te willen voeren op het vlak van informatie. Apl verwoordde het als volg : Nous pensons plus que jamais que, en matière d’information alternative, l’écrit doit être complété par d’autres médias[261]. In de vorm van debatten, dossiers, films, animatie- en vormingsdagen wou apl het begrip ‘informatie’ in al zijn gedaanten laten kennen en het publiek stimuleren zelf een stap te zetten in het informatieproces. Daarnaast volstond het voor apl niet om de strijd van anderen te berichten, apl wou er ook zelf aan deelnemen. Om die reden ging apl regelmatig zelf het terrein op om te participeren in de activiteiten van andere organisaties en werd het de spil in een handvol verwante verenigingen.

Hoe meer de nevenactiviteiten van apl aangroeiden, hoe vager de scheidingslijn werd tussen deze verschillende activiteiten. Alle bezigheden van apl, van het tijdschrift over het documentatiecentrum tot de acties op het vlak van vrije meningsuiting, vloeiden immers voort uit één enkele bekommernis : een andere informatie brengen, informatie voor en door het volk, op welke manier ook.

            De sterke diversificatie aan activiteiten mag evenwel niet overroepen worden. Hoofdactiviteit van apl bleef het persagentschap annex tijdschrift; minimumtaak het verzamelen, uitschrijven en uitgeven van informatie[262]. Uitzondering is de laatste periode, met als Michel Veys als verantwoordelijke uitgever, waar de meeste aandacht uitging naar het documentatiecentrum[263]. Verder schuilt achter de organisatie van veel nevenactiviteiten onmiskenbaar een economische reden, alleszins vanaf 1979. Dat de animatie en het vormingswerk een kans op subsidiëring inhielden, was zeker geen detail. Tot slot kunnen, wat de laatste periode betreft,  de vele stappen op een terrein dat buiten de directe werking van het persagentschap annex tijdschrift vielen, wellicht geïnterpreteerd worden als  het zoeken naar een vorm om te overleven.

 

Vestiging[264]

 

Als eerste vestiging kon Agence de Presse Libération - Belgique gebruik maken van een  huis in de Collegestraat 2 te Leuven, waar ook de studentencoöperatieve l’Oeil Nu gevestigd was[265]. L’Oeil Nu had dit huis ter beschikking gekregen van de culturele commissie van de universiteit Leuven. In maart 1973 eiste de administratieve raad van de universiteit het gebouw echter terug en zag apl zich genoodzaakt te verhuizen. Apl verliet hierop het studentenmilieu en besloot zich voortaan in Brussel te vestigen. Dit had als voordeel dat apl zich nu in de nabije omgeving van de meeste kranten-, radio- en televisieredacties bevond. Daarnaast was Brussel ook veel centraler gelegen en vonden in de hoofdstad heel wat acties van de nieuwe sociale bewegingen en de arbeidersverenigingen plaats[266]. Als noodoplossing werd apl tijdelijk een lokaal in bruikleen gegeven door MUBEF (Mouvement Unifié Belgie des Etudiants Francophones) in de Rue Goffart 9[267]. Apl verbleef hier uiteindelijk ruim een jaar, van april 1973 tot en met mei 1974. Volgende vestiging was Rue de l’Inquisition 35, waar apl tot in de zomer van 1978 gevestigd was. Bedoeling was om in augustus 1978 te verhuizen naar Rue du Luxembourg 45, maar op het laatste nippertje werd van dit idee afgestapt wegens te duur. De keuze viel uiteindelijk op Rue Faider 42, waar apl tot november 1979 over een lokaal beschikte in de garage van Auto - Gestion. In die maand verhuisde apl naar Rue Jardin des Olives 14, waar het een tiental jaar verbleef. In hetzelfde huis was alvast tijdelijk ook OAB, Organisation Anarchiste de Bruxelles gehuisvest en enkele huizen verder bevond zich de toenmalige drukker van apl, met name asbl 22 mars[268]. Begin jaren ’90 verhuisde apl een laatste maal naar Rue du Midi. Tot en met de stopzetting van de activiteiten maakte apl er gebruik van een lokaal in het gebouw van Coopération Culturelle.

            Naast de hoofdzetel in Brussel had apl gedurende een bepaalde periode ook een aantal lokale vestigingen. Regionale apl’s werden eind 1973, begin 1974 ingeplant in Luik en Doornik[269]. Even later werd ook in Charleroi een apl uit de grond gestampt. Aan de overzijde van de taalgrens, vervulde het Bevrijdingspersagentschap in Leuven zowat de rol van Vlaamse apl. Bpa had op zijn beurt vestigingen in Kortrijk, Gent, Hasselt en Antwerpen. Al bij al was het aantal regionale apl’s, de bpa’s aan Vlaamse zijde niet meegerekend, nogal beperkt. Apl droomde alvast van een veel sterkere decentralisatie. Vooral bij gebrek aan mensen is deze droom nooit werkelijkheid geworden[270]. Hoe lang de lokale apl’s actief waren, is niet duidelijk.

 

Juridisch kader

 

Het juridisch kader van Agence de Presse Libération - Belgique is nogal onduidelijk. Vermoedelijk is apl steeds een feitelijke vereniging geweest of een association de fait, zonder enige wettelijke bestaansgrond. Dit wijst in de richting van een nogal ongebonden en spontaan karakter. Apl wou zich kennelijk niet schikken naar één of andere rechtsbepaling.

            Op verscheidene ogenblikken drukte apl de wens uit een vzw te worden. In 1974 luidde het dat apl op die manier een bolwerk wou worden ‘tegen alle juridische en fiscale pogingen om apl te knevelen’[271]. Begin 1975 riep apl de lezers op bij te dragen in de kosten voor de publicatie van de statuten in het Belgisch Staatsblad om zich als vzw te kunnen vestigen[272]. Of aan deze oproep voldaan werd, is onduidelijk. Feit is dat apl in 1978 opnieuw de wens uitte een vzw te willen worden, nu in het kader van de uitbreiding van de activiteiten[273]. Een voorlopig statuut werd hiertoe opgesteld. Het is echter weinig waarschijnlijk dat apl ooit effectief een vzw geweest is. Een stelling die dit kan staven is dat apl ook na het opstellen van het voorlopig statuut nog als association de fait werd omschreven[274]

            Hoewel apl dus hoogst waarschijnlijk nooit een vzw geweest is doch steeds een association de fait, toont de keuze voor een vzw dan wel een andere rechtsvorm alvast aan dat apl geen lucratief doel voor ogen had. Het feit dat apl bij het opgeven van de juridische status aan association de fait de vermelding sans but lucratif toevoegde, versterkt dit beeld[275].

 

Financiën[276]

 

Inkomsten

 

Qua inkomsten was apl ervoor beducht niet zomaar toe te happen op elke geldkraan die werd opengedraaid. Financiële onafhankelijkheid en collectif autogéré of collectief in eigen beheer waren basisprincipes die zo goed en zo kwaad mogelijk werden nagestreefd[277]. Apl boorde dan ook specifieke geldbronnen aan en probeerde volledig zelfbedruipend te zijn.

Het budget waarover apl beschikte was zeer laag[278]. De verkoop van het tijdschrift en dan vooral via abonnementen, was lange tijd de enige bron van inkomsten[279]. Betaling gebeurde hoofdzakelijk per overschrijving of per handgift[280]. Aanvankelijk was het aantal betalende abonnementen beperkt[281]. Tijdens het eerste werkjaar werd het tijdschrift bij wijze van kennismaking namelijk gratis opgestuurd naar de pers en verschillende organisaties[282]. In oktober 1973 zette apl hier definitief een punt achter en ging van start met het promoten van abonnementen[283]. Belangrijk element is dat de abonnementsgelden zeer laag waren en dat apl nooit een eenheidstarief hanteerde[284]. Zo moest de pers merkelijk meer betalen om het apl – tijdschrift te ontvangen dan andere abonnees[285]. Zo ook waren de tarieven in feite slechts indicatief, althans voor individuen en organisaties[286]. Apl vond het “een revolutionaire eerlijkheid om ieder voor zich de waarde van het tijdschrift te laten inschatten in functie van zijn of haar financiële draagkracht van elkeen”. Later verviel deze notie, maar werd een aparte prijscategorie toegevoegd voor al wie onder het bestaansminimum leefde. Enkel wie zijn abonnement echt niet kon betalen of in de gevangenis verbleef kreeg het tijdschrift volledig gratis opgestuurd[287]. Dit was evenwel een uitzondering. Zelfs de meeste medewerkers van de harde kern van apl betaalden hun abonnement. Het persabonnement verdween in 1974; zowat gelijktijdig dook een aparte prijsvermelding op voor abonnementen in het buitenland. Dit laat doorschemeren dat de afname van het tijdschrift door de pers zeer laag moet zijn geweest en er vanuit het buitenland een niet onbelangrijke vraag groeide naar het apl – tijdschrift.

            Naast abonnementen kon apl rekenen op aanvullende gelden uit schenkingen en nevenactiviteiten zoals de publicatie van dossiers, de verkoop van foto’s in tijden dat apl – photo actief was en de organisatie van steunactiviteiten, zoals het feest ter gelegenheid van de 300ste publicatie van het apl – tijdschrift[288]. In zekere zin kan de “zelf-exploitatie” of het vrijwilligerswerk in apl ook als een bron van inkomsten en zelfs van subsidiëring gezien worden. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de recyclage van materiaal, geschonken door sympathisanten en de gratis reproductie van illustraties[289]. Kenmerkend is de totale afwijzing van publiciteit[290]. Publiciteit impliceerde volgens apl immers financiële en inhoudelijke afhankelijkheid. Een ‘petite annonce gratuite’ kon daarentegen wel zijn plaats vinden in het tijdschrift.

 

Uitgaven

 

Met de inkomsten streefde apl ernaar de kosten te dekken, meer niet. Winst werd bewust niet nagestreefd[291]. Apl wou informeren, niet doen consumeren[292]. Dit verklaart onder meer waarom een aantal diensten, zoals de toegang tot het documentatiecentrum en het bekomen van praktische informatie inzake de werking van de pers, volledig gratis waren[293]. In ruil verwachtte apl dan wel dat de tegenpartij informatie zou verschaffen aan apl wanneer voorradig en dat apl kon rekenen op de competentie van de tegenpartij indien nodig.

            De lopende kosten splitsten zich op in materiële kosten enerzijds en werkingskosten anderzijds[294]. Onder de materiële kosten vielen ondermeer de aankoop van papier, inkt, stencils, omslagen en postzegels; onder de werkingskosten de rekeningen van gas, water, elektriciteit, telefoon, huur, verzekeringen, onderhoud,  afschrijvingen van materiaal en verplaatsingen. Transportkosten waren de enige geldelijke vergoeding die apl – sporadisch - aan zijn medewerkers betaalde[295].

De lopende kosten werden gedekt door de abonnementsgelden en apl slaagde hier kennelijk relatief goed in[296]. De prijzen van het abonnement waren zo berekend dat ze de kosten net konden dekken[297]. Wanneer echter extra investeringen aan de orde waren, volstonden de abonnementsgelden niet[298]. Zo werd apl eind 1974 bijvoorbeeld een auto geschonken, maar was het niet in staat de autoverzekering te betalen. Zo ook volstond het voorhanden zijnde budget niet om de 3000 BEF kostende publicatie in het Belgisch Staatsblad te bekostigen, nodig voor de vestiging van apl als vzw[299]. Voor extra investeringen moest apl naast de abonnementsgelden dan ook aanvullende inkomsten aanspreken, ondermeer uit schenkingen en nevenactiviteiten[300]. De grootste kluif extra investeringen betrof technische uitbreiding zoals de aankoop van een nieuwe elektronische schrijfmachine, een adressograaf, een automatisch antwoordapparaat,  een lichttafel en, wellicht de omvangrijkste investering, de overstap naar offset in 1978 [301].

            Om het budget van apl op te krikken opteerde apl bijna uitsluitend voor het promoten van abonnementen. Slechts wanneer de nood te hoog werd, vroeg apl om directe financiële steun in de vorm van geldelijke stortingen[302]. Meestal richtte apl zich eenvoudigweg tot de lezers met de vraag het abonnement te vernieuwen of nieuwe abonnees aan te brengen, naar wie dan drie proefnummers gestuurd werden[303]. Soms zette apl ook ware campagnes op poten zoals de campagne un millier d’abonnées, sans subventions, ni fonds occultes, ni mécènes, gelanceerd in het nummer 122 (september 1973), na de stopzetting van de gratis abonnementen aan de pers en verschillende organisaties[304]. Een ander voorbeeld was de campagne 600 abonnés dans six mois, opgestart in het nummer 358 (najaar 1977)[305]. Inzet hier was de overstap naar offset bekostigen; financieel mogelijk mits 600 betalende abonnees. Daarnaast riep apl de lezers sporadisch op om (bureau-)materiaal zoals papier, omslagen, lijm, mappen en telefoonboeken te schenken[306].  De voorkeur van apl voor abonnementen dan wel voor andere (extra) bronnen van inkomsten kan verklaard worden doordat apl op deze manier twee vliegen in één klap kon slaan. Meer abonnementen impliceerde niet alleen meer lezers, maar bracht ook in bepaalde mate financiële zekerheid met zich mee, waardoor planning mogelijk werd.

 

Het staat buiten kijf dat het apl financieel gezien niet altijd even goed voor de wind ging. De krappe marge tussen inkomsten en uitgaven en de bijna exclusieve afhankelijkheid van de abonnementsgelden maakten apl kwetsbaar. Zo kon een daling of het niet tijdig verlengen van de abonnementen de boekhoudkundige balans abrupt uit evenwicht brengen[307]. Zo ook kon een toename van de kosten, zoals een stijging van de papierprijs of van de algemene levensstandaard, tot gevolg hebben dat de inkomende gelden ontoereikend werden. Een aanpassing van de tarieven moest dan in overweging genomen worden, zoals bijvoorbeeld gebeurde in het najaar van 1974, alsook in het najaar van 1978[308]. Na verloop van tijd begonnen de financiële moeilijkheden zich op te stapelen en kreeg apl het eind jaren ’70, begin jaren ’80 zelfs moeilijk de basiskosten de dekken[309]. De (te) krappe spaarpot begon op die manier alle aandacht op te slorpen en drukte een niet geïntendeerde stempel op de werking van apl. Zo zag apl zich uit plaatsgebrek - lees geldgebrek - genoodzaakt bepaalde informatie uit het tijdschrift te schrappen, het lettertype te verkleinen of de periodiciteit te verminderen[310]. Dit gebeurde evenwel niet zonder negatieve reacties van de lezers[311]. Om dezelfde, financiële reden kon apl zich geen promotie meer bekostigen en riep daarom op tot mond aan mond reclame. Expansie was zelfs  zo goed als onmogelijk geworden[312].

            Om het hoofd te bieden aan de financieel moeilijke situatie en eventuele uitbreiding te kunnen bekostigen, droomde apl er geleidelijk aan luidop van te kunnen beschikken over een vast basiskapitaal of fonds de roulement[313]. Dit zou apl niet alleen toestaan de kosten te dekken, maar ook een aantal uitgaven te drukken en tijd te winnen door bijvoorbeeld papier in grotere hoeveelheden te kunnen aanschaffen dan wel in kleine, wekelijkse pakketjes naar gelang het voorhanden zijnde budget. Om zo’n vast kapitaal te bekomen, riep apl niet langer enkel op tot meer abonnementen, maar ook tot permanente schenkingen[314]. Daarnaast waagde apl in 1979 de stap naar de overheid, met het oog op subsidiëring[315]. Dit ging evenwel gepaard met enige onenigheid binnen de kern van apl[316]. Subsidiëring hield namelijk administratieve en andere verplichtingen in, zoals een regelmatige publicatie van het apl – tijdschrift en het invullen van subsidiedocumenten. Daarenboven impliceerde dit een directe, financiële afhankelijkheid van de overheid. Aan de andere kant waren extra gelden meer dan welkom en leek er geen gevaar op inhoudelijke afhankelijkheid.

 

Sinds 1979 tot en met de stopzetting van alle activiteiten in 1993 genoot apl een drietal vormen van subsidiëring, te weten buitengewone subsidiëring, BTK’s en subsidies in het kader van de erkenning als service général d’éducation permanente.

            De buitengewone subsidiëring van apl of de subsides exceptionnels, grosso modo van 1979 tot en met 1984, betrof geldelijke overheidssteun voor specifieke animatie- en vormingsactiviteiten. Gefinancierd met buitengewone subsidies organiseerde apl zo ondermeer een cycle de formation à l’usage des médias en stelde het een mode d’emploi de l’ information samen[317].

            In het kader van het plan Spitaels had apl in 1979, 1980 en 1981 een aantal werknemers met het statuut van BTK of Bijzonder Temporeel Kader, in het Frans CST of Cadre Spécial Temporaire, in dienst[318]. Apl vroeg ook in 1982 BTK’s aan met het oog op een tweetal andere projecten. Het is niet duidelijk of deze werden goedgekeurd[319]. BTK werd in 1978 uitgedacht door minister Spitaels en kaderde binnen de maatregelen van de minister om de aanhoudende werkloosheid in tijden van crisis terug te dringen[320]. De doelstelling van het ‘plan Spitaels’ was dubbel. In eerste instantie wou het plan meehelpen aan de resorptie van de werkloosheid. Daarnaast wou het plan een injectie zijn voor nieuwe, socio – culturele projecten in het algemeen belang. Van echte creatie van jobs was geen sprake. BTK’s werden enkel tijdelijk tewerkgesteld tot voltooiing van het project. Dit belette niet dat een project aan de basis van een nieuwe job kon liggen of zoals de slogan van het plan Spitaels luidde : En faisant des projets, vous créez des emplois. De vergoeding van de BTK’s was helemaal voor de rekening van de overheid en de BTK’s behielden het statuut van werkloze. De subsidiëring in de vorm van BTK’s hield met andere woorden geen som geld in die de spaarkas van apl kon spijzen, doch het kosteloos tewerkstellen van een betaalde werkkracht.

In 1980 startte apl een procedure om erkend te worden als service d’ éducation permanente. Deze dienst was uitgedacht door Marcel Hicter, zelf nogal progressief van instelling. De uitgangspunten van deze dienst waren sterk verbonden met de sociale strijd. Om die reden kon apl zich goed vinden in deze dienst en zag het geen bezwaar in zo’n vorm van subsidiëring. De aanvraag werd uiteindelijk in 1983 goedgekeurd na een voorprocedure van drie jaar. Apl werd met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1982 erkend als service général d’ éducation permante. Apl was hiermee één van de laatste organisaties aan wie de erkenning als service d’ éducation permanente werd toegewezen en één van de zeldzame organisaties die als algemene dienst erkend werd [321]. In tegenstelling tot de andere vormen van subsidiëring die apl genoot, hield de erkenning als service d’éducation permante de toekenning van een jaarlijks budget in, mits althans de actualisering van het dossier. Echter, hier knelde het schoentje. Apl vulde weliswaar jaarlijks het aanvraagformulier in tot vernieuwing van de erkenning als service d’éducation permante, doch deed – vooral in de eindperiode - niet meer dan het uiterste administratieve minimum[322]. Eén of ander vereist bewijsstuk durfde zo wel eens ontbreken, met als gevolg dat de toegekende som ver onder het bedrag lag waar apl recht op had[323]. Gezien de erkenning als service général d’éducation permante was dit bedrag, in principe althans, niet verwaarloosbaar. Bijkomende moeilijkheid was dat de subsidies, en dan niet allen de subsidies in het kader van de erkenning als service d’éducation permante, pas na lange tijd beschikbaar waren[324]. Apl had echter op korte termijn geld nodig had. De economische situatie bleef met andere woorden precair. Naar het eind van de jaren ’80 toe meldde apl zelfs continu financiële problemen te hebben[325]. Alle mogelijke steun was nu welkom, van abonnementen over giften en permanente stortingen tot zelfs leningen[326].

 

Apl verwoordde niet altijd even expliciet dat het er regelmatig moeite mee had de eindjes aan elkaar te knopen. Het is opvallend hoe goed apl er soms in slaagde de financiële moeilijkheden te minimaliseren, “Apl heeft niet veel schulden, zo’n 15 à 20.000 BEF”, of lacherig weg te wuiven: La situation financière n’est pas plus dramatique que d’habitude[327]. Daarnaast was apl zeer vindingrijk om de lezer telkens opnieuw te overtuigen apl een financiële helpende hand toe te stoppen; getuige volgende uitspraken: Ce n’est donc pas le moment de vous endormir sur vos lauriers de généraux donateurs! L’apl est encore loin d’avoir des capitaux à  placer en Suisse!, of nog "Er is slechts één geschenk voor moederdag: een apl – abonnement. Er is slechts één ding dat je nog ontbreekt om er charmant uit te zien: een apl – abonnement”[328].

 

Ideologie

 

Agence de Presse Libération - Belgique stond geen duidelijke politieke lijn voor[329]. Apl was geen spreekbuis van één of andere politieke partij, was niet rechtstreeks verbonden met een bepaalde politieke organisatie en was zelf geen politieke groepering. Deze politiek onafhankelijke opstelling betekent evenwel niet dat apl politiek niet belangrijk vond. Integendeel, apl was zeer sterk politiek geëngageerd, doch hing geen vast omlijnd ideeënsysteem aan. Eerder stond apl een vaag uitgewerkt geheel voor van met elkaar verwante waarden zoals vrijheid, gelijkheid, autonomie, inspraak, participatie en vrije meningsuiting. De reeds eerder aangehaalde aspecten van de algemene werking van apl, zoals de anti – commerciële en anti – kapitalistische ingesteldheid, de acties op het vlak van vrije meningsuiting, het stimuleren van de ‘pouvoir informatif’ van de bevolking, de grote aandacht voor specifieke sociale groepen en mensen die van nature een minder vlotte toegang hebben tot de informatiekanalen, het zich beperken tot het minimum minimorum bij het invullen van de subsidiedossiers, het perspectief van onderuit, het streven naar informatie voor en door het volk, het pluralistisch perspectief en de actieve deelname aan de sociale strijd, kunnen dit illustreren. Ook in de praktische werking van het persagentschap annex tijdschrift, gaf apl uiting aan zijn ideologische ingesteldheid[330]. Met Ingelhart kan de ideologische positie van apl omschreven worden als post – materialistisch, met Hellemans als links – libertair[331].

 

De politiek onafhankelijke opstelling en de post – materialistische, links – libertaire oriëntatie beletten niet dat er wel eens doctrinair ogende standpunten durfden doorsijpelen in apl. De programmaverklaring van het eerste uur bijvoorbeeld leek met doelstellingen als “het brengen van une information populaire”, “het steunen van de luttes des travailleurs de l’information” en “het meehelpen met de luttes de masses, avec ses armes et son action propre”, niet enkel opgesteld in een post – materialistische, links – libertaire sfeer, doch ook beïnvloed door de maoïstische voedingsbodem waarin apl ontstaan was[332]. Het feit dat apl in het najaar van 1973 herhaaldelijk zijn politieke onafhankelijkheid herbevestigde, wijst in dezelfde richting. Zo beklemtoonde apl in het nummer 270 : “Moest apl dan ooit de invloed ondergaan hebben van bepaalde organisaties, deze periode is al lang voorbij. De huidige medewerkers van apl komen uit verschillende politieke horizonten en zijn in het geheel niet verbonden aan één of andere groep of organisatie. Qu’on se le dise[333]." Op hetzelfde ogenblik besliste apl in een vereniging van het collectief tot het wissen van de linkse woordenschat of letterlijk vocabulaire gauchiste[334].

Dat tijdens het eerste werkjaar van apl, zowel in de programmaverklaring als in de concrete realisaties van apl, een toch wel doctrinaire invloed durfde doorschemeren en dan meer concreet uit maoïstische hoek, lijken evenwel jeugdige schoonheidsfoutjes te zijn geweest. La Parole au Peuple bestond uiteindelijk niet zo lang en besliste al gauw zichzelf op te heffen[335]. Na de herbevestiging van de politieke onafhankelijkheid in 1973, bleven in apl medewerkers actief die verbonden waren met specifieke politieke partijen, zoals Alternative Libertaire of LRT (Ligue Révolutionnaire des travailleurs)[336]. Toch slaagde apl vanaf dan behoorlijk goed in de doelstelling Tous doivent oublier dans leur travail pour l’apl – b leurs affinités de départ (…)[337].

 

Besluit

 

Inzake algemene werking, hield apl er duidelijk een alternatieve visie op na. Een mooie indicatie hiervan is de waaier aan activiteiten die apl door de jaren heen ontvouwde, met als primaire inzet de informatiemogelijkheden of pouvoir informatif van het volk stimuleren. Apl vatte de doelstelling een strijd te willen leveren op het vlak van informatie, kennelijk zeer ruim op. Via alle mogelijke kanalen deed apl zijn uiterste best om een andere informatie aan de man te brengen, een informatie voor en door het volk. Met zijn hoofdzetel in Brussel was apl hiertoe ideaal gevestigd. In de hoofdstad bevond apl zich niet enkel in de nabijheid van de belangrijkste persredacties, Brussel lag eveneens in het brandpunt van de sociale strijd.

            Op ideologisch vlak was apl doordrongen van het post – materialistische, links – libertaire waardesysteem ontstaan in het verlengde van mei ’68. Apl hing geen sterk omlijnde doctrine aan, doch een vaag afgebakend ideeëngoed waarin waarden als vrijheid, gelijkheid en autonomie centraal stonden. In het verlengde hiervan, hield apl zich bewust op een zekere afstand van politieke partijen en organisaties. Apl was op die manier wel sterk politiek geëngageerd, doch niet rechtstreeks betrokken in de politiek. De beginjaren van apl vormen hierop in zekere zin wel een uitzondering.

            Economisch gezien was apl anti – commercieel tot zelfs anti – kapitalistisch ingesteld. Apl beschikte over een laag budget, niet uit noodzaak, maar als bewuste keuze. Winst werd niet nagestreefd, publiciteit afgezworen. De inkomsten en uitgaven werden zo goed en zo kwaad mogelijk op elkaar afgestemd en alle werk gebeurde op vrijwillige basis. Ondanks de financieel veelal precaire situatie slaagde apl er op die manier relatief goed in een collectief in eigen beheer te zijn of un collectif autogéré. Opmerkelijk in dit verband is de stap naar subsidiëring eind jaren ’70, begin jaren ’80. Hierdoor kwam immers een eind aan de economisch onafhankelijke positie van apl. Dat apl uiteindelijk toch de knoop doorhakte, is waarschijnlijk te verklaren doordat apl in financiële steun door de overheid geen gevaar zag voor inhoudelijke afhankelijkheid.

            Op juridisch vlak was apl’s sterke drang naar onafhankelijkheid eveneens voelbaar. Apl is vermoedelijk steeds een association de fait geweest, een feitelijke vereniging zonder enig wettelijk bestaansrecht. Dat apl steevast de woorden ‘sans but lucratif’ toevoegde wanneer naar het juridisch kader gepeild werd, is daarnaast een extra indicatie voor de anti – commerciële ingesteldheid van apl.

 

 

Praktische werking persagentschap annex tijdschrift

 

Een identiteitskaart van het apl – tijdschrift met technische gegevens zoals prijs, periodiciteit, verantwoordelijke uitgever en lay – out is te vinden in bijlage 3[338].

 

Medewerkers

 

Apl werkte op basis van een zeer gevarieerde en wisselende ploeg van losse medewerkers[339]. Het enige gemeenschappelijke kenmerk was dat ze zich allen inzetten voor hetzelfde doel, te weten een andere vorm van informatie aan de man brengen, en hiervoor heel wat vrije tijd opofferden. Apl werkte namelijk volledig op basis van vrijwilligers en dit was een absolute basisregel[340]. Zo luidde het antwoord op sollicitatiebrieven steevast dat er in apl genoeg werk om handen was, doch onbezoldigd. Vous y [à l’apl] gagnerez de l’expérience, mais pas de quoi vivre[341]. Het vrijwilligerswerk in apl kaderde niet alleen binnen de anti – economische ingesteldheid van apl, maar ook binnen de verafschuwing van professionalisme[342]. Informatie werd te belangrijk geacht om overgelaten te worden aan betaalde werkkrachten.

 

Vanuit het principe dat informatie in apl informatie voor en door het volk moest zijn, stond apl in theorie open voor iedereen en kon wie maar wou, komen meewerken[343]. Een specifieke vooropleiding was niet vereist. Een vorming genoot men in feite bij apl zelf, volgens de methode ‘al doende leert men’[344]. Sporadisch liepen enkele studenten stage in apl[345]. Echter, hoewel in apl principieel iedereen zonder onderscheid kon meehelpen, werd apl in de praktijk draaiende gehouden door steeds dezelfde ploeg vaste medewerkers, sporadisch aangevuld met extra helpende handen[346]

Het aantal medewerkers in de ‘harde kern’ van apl varieerde van een 3 à 4 – tal personen in de beginjaren over een 8 à 12 – tal op het hoogtepunt van apl en een 5 – tal of nog minder in de eindfase[347]. Een aantal onder hen waren nog student, de meesten hadden reeds een stap naar de arbeidsmarkt gezet en oefenden een beroep uit of waren werkzoekend[348]. De scholing van de apl - medewerkers was zeer divers, van sociologie over schilderkunst en cinematografie tot informatica. Slechts enkelen hadden een journalistieke opleiding genoten en niemand onder hen was ooit op professionele wijze journalist geweest. Michel Beerblock had evenwel een tijdje voor de RTB gewerkt, maar dit was in de functie van productieleider of réalisateur. De leeftijd van de medewerkers uit de vaste kern schommelde grosso modo tussen de 18 en de 50 jaar. Naast hun engagement in apl waren vele apl – medewerkers ook actief in andere verenigingen, zowel in sectoriële nieuwe sociale bewegingen zoals Collectif Femmes Battues, Collectif pour la Liberté d’ Expression, CQFD (cyclistes quotidiens follement dynamiques), Comité Zaire, Amis de la Terre en Front Antifasciste; als in politieke groeperingen zoals La Parole au Peuple, Alternative Libertaire en LRT (Ligue révolutionnaire des travailleurs). Anderen waren dan weer niet aangesloten bij andere verenigingen, maar voelden zich door hun engagement in apl ‘au carrefour de tout ça’. Niet iedereen in apl maakte deel uit van een politieke vereniging. De meeste apl – medewerkers waren -bewust- politiek dakloos of apartidaire.

Wat de extra medewerkers van apl betreft, speelde het principe ‘ons – kent – ons’ en ‘ons – helpt – ons’ een belangrijke rol[349]. Een echt waterdicht schot tussen apl en andere verenigingen in de sociale strijd, zoals bijvoorbeeld de sectoriële nieuwe sociale bewegingen, bestond er niet. Zowat iedereen kende iedereen en het wederzijds engagement was groot. Het wou dan al eens voorkomen dat wie toevallig, via via, verzeild was geraakt in apl of er doelbewust langsging om een persbericht af te geven of bepaalde informatie te verkrijgen, een helpende hand uit de mouwen stak[350]. Door deze open, ongedwongen, familiale sfeer was apl in zekere zin ook een ontmoetingsplaats waar gelijk wie zomaar kon binnen- en buitenwandelen. Het ging er allemaal ernstig, doch ook plezierig aan toe[351].

 

Werkverdeling

 

Basisprincipe voor de werk-‘verdeling’ in Agence de Presse Libération - Belgique  was de idee van collectif autogéré of een collectief in eigen beheer[352]. Concreet hield de idee van collectif autogéré, wat de werkverdeling betreft, in dat alle medewerkers van apl moesten meehelpen met het vervullen van alle taken, zowel materieel als intellectueel[353]. Alle beslissingen moesten daarenboven gezamenlijk genomen worden en iedereen werd op zijn beurt verantwoordelijk geacht voor het reilen en zeilen in apl. Anders uitgedrukt stond het principe van collectif autogéré voor de afwijzing van hiërarchie en specialisatie. Niemand had een afgelijnde functie, iedereen was elkaars gelijke en er werd nauwlettend op toegekeken dat niet één persoon in macht de meerdere kon worden. Apl beklemtoonde herhaaldelijk dat het principe van collectief autogéré meer was dan een mooiklinkend ideaal. Het was een doelstelling die in de praktijk moest omgezet worden; een activiteit die ertoe moest bijdragen dat eenieder meester werd van zijn of haar informatie[354]. En, hoewel het principe van collectif autogéré in de praktijk soms paralyserend kon werken, het vormde een essentiële schakel in de werking van apl. Het afzweren ervan zou de negatie zelf zijn geweest van (de geest van) apl.

 

Het ideaal van collectif autogéré werd in de praktijk omgezet door een wekrotatie[355]. Elkeen moest om beurten nu eens artikels schrijven, dan weer materiaal aankopen, ter plaatse informatie gaan verzamelen, adressen schrijven of stencileren.  Het argument dat men bijvoorbeeld nooit met een typmachine had leren omgaan en dus geen artikels kon typen, gold niet. Iedereen werd geacht alles te kunnen en alles te doen. Door iedereen de mogelijkheid te verschaffen zelf informatie te verspreiden, beoogde apl allen het gevoel te geven het informatieproces volledig zelf in handen te hebben[356].

            Vanuit de idee van collectieve verantwoordelijkheid werden alle taken in apl doorgaans anoniem vervuld[357]. Artikels, brieven of andere documenten opgesteld door een medewerker van apl, werden zelden of niet bij naam ondertekend, doch kortweg met ‘apl’. Wanneer dan al ergens een naam figureerde, werd deze bijna steevast voorafgegaan door de formule “pour le collectif” of “pour l’ apl”. De enige die bij naam genoemd werd, was de verantwoordelijke uitgever[358]. Echter, dit impliceerde niet dat deze persoon alle touwtjes in handen had in apl. Integendeel, met de opgave van een verantwoordelijke uitgever wou apl enkel tegemoet komen aan de wettelijke verplichtingen bij de publicatie van een tijdschrift. In de praktijk tilde apl niet zo zwaar aan deze (non) – functie. Zo lachte apl de taak van een verantwoordelijke uitgever weg door deze persoon te omschrijven als een éditeur irresponsable of door in éénzelfde tijdschriftnummer op verschillende plaatsen verschillende verantwoordelijke uitgevers op te geven[359].

 

Op geregelde tijdstippen, afhankelijk van de periodiciteit van het tijdschrift, hield apl in het lokaal te Brussel een werkvergadering[360]. Tijdens deze vergaderingen werden de lopende problemen ter discussie gebracht en werd beslist welke onderwerpen in het tijdschrift behandeld moesten worden en wie het editoriaal zou schrijven. In een nieuwe bijeenkomst wat later op de week werd het tijdschrift daadwerkelijk samengesteld.

De vergaderingen van apl stonden open voor wie maar wou en beslissingen werden gezamenlijk genomen[361]. Indien de lezers niet naar Brussel konden afzakken, stelde apl voor een ontmoeting te organiseren in hun dorp of stad. Apl droomde namelijk van een sterke(re) decentralisatie. Deze droom paste binnen het plaatje van een informatie voor en door het volk. Door de jaren heen kregen zo een aantal lokale apl’s vorm, te weten in Charleroi, Doornik en Luik[362].

Wanneer meer fundamentele agendapunten aan de orde waren, nodigde apl de lezers zeer expliciet uit op een assemblée de lecteurs[363]. Apl legde dan letterlijk zijn hele bestaan in handen van de aanwezigen op de vergadering en liet hen beslissen welke weg apl voortaan moest inslaan. Aan de lezers die op deze vergaderingen niet aanwezig konden zijn, werd gevraagd hun kritische mening per post door te geven[364]. Daarnaast stuurde apl regelmatig vragenlijsten en enquêtes op naar de lezers met de vraag te reflecteren over apl[365]. Dit alles had eveneens tot doel de lezer, die nu toch wel centraal stond in apl, beter te leren kennen. De respons op deze enquêtes en vragenlijsten, alsook op de oproepen voor een lezersvergadering was vermoedelijk niet altijd even groot[366]. Zo leek de assemblée de lecteurs in de praktijk dan ook samen te vallen met het doordeweekse collectief. Een indicatie hiervoor is dat belangrijke wendigen, zoals de aanpassing van de periodiciteit van het tijdschrift of de voortaan meer onderwerpsgerichte aanpak nu eens werden aangekondigd als een beslissing van het collectief, dan weer als een beslissing van de assemblee de lecteurs[367].

 

Om de continuïteit van apl te waarborgen, werden van maandag tot en met vrijdag permanenties gehouden[368]. Tijdens de permanenties werden de meeste administratieve taken vervuld, kon eender wie eens binnenspringen en werd een telefoondienst verzorgd. Al wie telefonisch informatie wou doorgeven of aanvragen, kon dit tijdens de uren van de permanentie doen. Apl droomde van een automatisch antwoordapparaat om deze dienst te verlichten, maar het ziet er niet naar uit dat dit er ooit gekomen is[369]. Per telefoon gaf apl verder ook dringende binnengekomen berichten door aan de pers.

            Gedurende een bepaalde periode hield apl een werkschrift bij om de onderlinge contacten te bevorderen[370]. In een nogal rudimentair ogend A5 schriftje schreven de verschillende medewerkers allerhande nuttige informatie op, meestal in het verlengde van de permanenties, zoals wie langsgekomen was, waar en wanneer een bepaalde persconferentie zou gehouden worden, hoeveel lezers hun abonnement reeds vernieuwd hadden, welke betalingen bij hoogdringendheid moesten gebeuren en welke telefoons binnengekomen waren.

 

Ondanks het feit dat apl zijn uiterste best deed om het principe van collectif autogéré niet tot dode letters te laten verworden, staat het buiten kijf dat er in de praktijk af en toe iets aan schorde. Het is duidelijk dat de taken niet steeds door iedereen ter hand genomen werden en dat niet iedereen alle taken vervulde. Zo schijnt er in de praktijk toch een zekere vorm van specialisatie te hebben bestaan.

Apl keek er bijvoorbeeld nauwlettend op toe dat er geen groepje intellectuelen en een groepje ‘handarbeiders’ zou bestaan[371]. Echter, dat éénzelfde persoon een overduidelijke voorkeur kon hebben voor bepaalde onderwerpen en andere onderwerpen steevast links liet liggen of eerder brieven schreef dan stencileerde, werd oogluikend toegestaan[372]. Apl vergoelijkte dit met de uitspraak: Même si tout le monde ne fait pas tout, tout le monde a la possibilité de le faire[373]. Daarnaast doen de herhaalde oproepen om mee te komen helpen, vermoeden dat de lezers de verschillende taken in apl de facto niet ter hand namen zoals gewenst en alle werk steeds op dezelfde schouders terecht kwam[374]; getuige bijvoorbeeld het onverbloemde : Nous ne sommes au service de personne, mais nous assurons l’existence d’une structure à votre disposition pour répercuter vos luttes et vos informations; of het speelse : Apl accepte aussi les doigts maldroits et les cerveux embrumés; of nog L’apl ne fonctionne pas par des miracles, mais par la force de travail de ses militants. [On fait] appel à votre soutien actif[375].

Dat de lezers niet echt kwamen opdagen om de materiële en intellectuele taken ter hand te nemen, betreurde apl ten zeerste. Het gebrek aan helpende handen werkte niet alleen de specialisatie in de hand, in combinatie met het vrijwilligerswerk leidde het ertoe dat de taken de harde kern van apl weleens boven het hoofd durfden te groeien[376]. Zo bleef er bijvoorbeeld geen tijd meer over om apl kenbaar te maken bij het grote publiek[377]. Een ander voorbeeld is het feit dat sommige nummers zeer mager waren, niet bij gebrek aan informatie, doch bij gebrek aan ‘handen en hersenen’[378]. Apl ging zelfs zo ver een lijstje op te stellen van de artikels die het nog had willen publiceren, maar bij gebrek aan werkkrachten niet op de pers kreeg[379]. Op de duur zag apl zich zelfs genoodzaakt de periodiciteit van het tijdschrift aan te passen om alle werk rond te krijgen[380]. De droom ooit een dagblad te worden verviel al helemaal[381]. Apl wou in eerste instantie het collectief kost wat kost uitbreiden.

            Als tijdelijke oplossing werd geopteerd voor de aanwerving van BTK’s in het kader van het plan Spitaels[382]. De taak van de BTK’s bestond er voornamelijk in de permanenties te verzekeren, de administratieve taken zoals boekhouding en briefwisseling af te handelen en de uitbreiding van apl mogelijk te maken door mee te helpen met de nevenactiviteiten zoals het documentatiecentrum. De aanwerving van BTK’s veranderde echter niets aan het principe van collectif autogéré. Hoewel de BTK’s een eerder afgelijnde taakomschrijving hadden, bleven de ‘gewone’ medewerkers van apl het beurtrolsysteem in ere houden[383]. Wanneer sporadisch een aantal studenten stage liepen in apl, moesten deze zelfs volledig meedraaien volgens alle werkprincipes van apl[384]. Echter, de aangeworven BTK’s, alsook de enkele studenten die stage liepen waren niet meer dan een adempauze van korte duur en veranderden niets fundamenteel aan de te passief bevonden houding van het lezerspubliek. Het tekort aan medewerkers bleef tot op het einde van apl een pijnpunt[385].

 

Informatieverzameling

 

De aard van informatie die Agence de Presse Libération - Belgique verzamelde, zowel visueel als verbaal, licht ik uitgebreider toe in deel vijf[386]. In een notendop samengevat wou apl een volksinformatie tot stand brengen en ging de voorkeur vooral uit naar informatie die kon bijdragen tot maatschappelijke veranderingen.

 

Uitganspunt van Agence de Presse Libération - Belgique bij het verzamelen van informatie was de idee van een informatie voor en door het volk. Apl vond dat informatie geen zaak was van professionelen, maar daarentegen door iedereen ter hand moest genomen worden[387]. Apl streefde er dan ook naar dat ieder op zijn beurt, in de mate van het mogelijke, zou doorgeven wat zich in zijn of haar milieu afspeelde. In plaats van een groepje professionele journalisten te worden op zoek naar informatie, wou apl een werkinstrument zijn waarbij iedereen meehielp met de verspreiding van informatie. Vanuit deze opvatting onttroonde apl de status van journalist met de stelling: Vous n’ êtes pas des journalistes? Nous non plus![388]

 

Aanvankelijk ging apl zelf heel actief op zoek naar informatie en boorde het eerder traditionele bronnen aan om informatie te verzamelen[389]. Apl woonde persconferenties bij, nam de traditionele en alternatieve pers door, vroeg per post allerhande brochures, ledenblaadjes, artikels en inlichtingen aan en trok op pad naar de plaats van gebeuren[390]. Echter, reeds toen spande apl zich in om een andere vorm van journalistiek aan te bieden. Wat de interventies op het terrein betrof, had apl bijvoorbeeld enkel oog voor de versie van de mensen aan de basis. In plaats van razendsnelle journalistiek te willen maken, trok apl alle tijd van de wereld uit om zich volledig te laten onderdompelen in het reilen en zeilen van de respondenten. Apl deed zijn uiterste best ook andere journalisten warm te maken voor deze niet conventionele vorm van journalistiek door hen bijvoorbeeld uit te nodigen om apl te vergezellen bij de interventies ter plaatse[391]. Een andere indicatie van apl’s andere vorm van journalistiek is de afwijzing van een perskaart en van het lidmaatschap van de Orde der Journalisten. In plaats daarvan beschikte apl over zelfgemaakte batchen, volledig waardeloos als toegangskaartje, maar wel een erkenningsteken.

 

Apl bleef gedurende zijn hele bestaan beroep doen op deze eerder traditionele informatiebronnen[392]. De klemtoon verschoof geleidelijk aan weliswaar meer en meer naar de opbouw van een correspondentennetwerk[393]. Apl beschouwde iedere lezer voortaan als een potentiële correspondent of als des abonnés – correspondants[394] Apl verwoordde het als volgt : Renforcer l’apl, c’est faire en sorte que chacun se considère comme un correspondant et nous envoie le compte - rendu de ce qui se passe dans son milieu et sa région. Het was vooral bij gebrek aan mensen en bijgevolg aan tijd dat apl na een zekere periode overwoog om niet zo vaak meer ter plaatse te gaan, maar er de voorkeur aan te geven dat zij die alles beleefd hadden zelf een artikel zouden opsturen, als een soort réflexe apl[395]. De overstap naar een correspondentennetwerk kaderde eveneens binnen de steeds grotere lezersgerichtheid van apl, ten koste van het primaire doelpubliek, de pers[396].

            Het op punt stellen van een correspondentennetwerk en het aanleren van de ‘réflexe apl’ verliep weliswaar niet van een leien dakje. Getuige bijvoorbeeld de herhaalde oproepen van apl naar de lezers toe om informatie door te sturen naar apl, met als wellicht meest belerende uithaal : Trop de lecteurs s’imaginent que l’apl a l’information, or, l’information, c’est vous qui nous l’apportez[397]. Getuige ook het feit dat apl de moeilijkheid om een echt correspondentennetwerk op punt te stellen aankaartte in het door apl georganiseerde debat ‘La petite presse régionale et la contra – information’. Geleidelijk aan vervaagden de slechte punten voor de lezers evenwel en werden die vervangen door het bericht dat het tijdschrift meer en meer gemaakt werd op basis van de berichten van de lezers, alsook van andere correspondenten[398]. Pijnpunt was nu dat apl over te weinig mensen beschikte om alle informatie te verwerken[399].

 

Het correspondentennetwerk van apl bestond uit een zeer gevarieerde groep mensen en organisaties die meestal per post of per telefoon artikels of berichten doorgaven[400].

Een eerste groep correspondenten betrof de individuele lezers van apl[401]. Apl gaf deze op allerlei manieren impulsen mee om naast lezer ook correspondent te worden. Naast de herhaalde oproepen, van informerend tot zeer paternalistisch, dat de lezer zelf zijn informatie moest doorsturen, heeft apl gedurende een aantal weken bijvoorbeeld aangegeven wat de oorsprong van de artikels was en de manier waarop deze tot stand gekomen waren, aangevuld met een lijst van onderwerpen “waarover verschillende abonnees zeker geïnformeerd moesten zijn, maar waarover apl nog nooit informatie ontvangen had”[402]. Daarnaast kreeg de lezer – schrijver sinds de publicatie in offset ook directieven mee. Apl vroeg artikels op te sturen, getypt op respectievelijk 12,5 cm, 10 cm, en 11,5 cm breedte, schuin als het een communiqué betrof, recht als het louter om feiten ging[403]. Voor de opsmuk van het tijdschrift waren illustraties, eveneens sinds de overstap naar offset, altijd welkom[404]. Zoniet zag apl zich bij gebrek aan tekentalent en vanuit zijn anti – commerciële ingesteldheid ‘gedwongen’ om zich links of rechts een aantal illustraties eigen te maken[405].

            Een tweede groep correspondenten omvatte allerhande organisaties verwikkeld in de sociale strijd, gaande van losse actiegroepen, over klein – linkse groeperingen tot sectoriële nieuwe sociale bewegingen, zoals bijvoorbeeld Amnesty International, les Amis de la Terre en LRT[406]. Deze groepen stuurden veelal persberichten op naar apl, met de vraag : Auriez – vous l’obligation de publier le communiqué suivant dans vos collones[407].

            Een derde groep correspondenten bestond uit de regionale apl’s gevestigd in Luik, Doornik en Charleroi, alsook BPA in Leuven en R te Virton[408]. Daarnaast puurde apl ook heel wat informatie uit de grote inspirator apl – France, vooral wat het buitenlands nieuws betreft[409]. Apl – Belgique distantieerde zich evenwel expliciet van Libération, de krant die ontstond in de schoot van apl – France. “Libé” werd aanzien als een zware vergissing, een staatsgreep door Serges Julie die van de krant een spreekbuis wou maken voor zijn maoïstische stroming[410]. De contacten met BPA waren niet zo intens en wisselden van moment tot moment[411]. Met R onderhield apl daarentegen een levendige correspondentie, vooral naar het eind van de jaren ’80 toe[412]. Apl droomde evenwel van een veel sterker uitgewerkt netwerk van regionale correspondenten. In het tijdschrift riep het bijvoorbeeld op in elke dorp of stad lokale apl’s op te starten zodat apl kon beschikken over informatie uit alle uithoeken van het land[413].

            Een laatste groep correspondenten van apl betrof een aantal individuen waar apl bevoorrechte contacten mee onderhield, gaande van journalisten uit de traditionele pers die een iets progressiever bericht wilden verspreiden en dit in hun persorgaan niet konden over advocaten die apl indien nodig inlichtingen verschaften of technische toelichting gaven bij een dossier, tot mensen die in het buitenland woonden en apl ten gepaste tijde een stand van zaken meedeelden.

 

Redactie, productie en distributie

 

De verbale en visuele weergave van de weerhouden informatie licht ik uitgebreider toe in deel 5[414]. Beknopt geformuleerd wou apl de weerhouden informatie weergeven in de vorm van korte, commentaarloze berichten. Apl streefde ernaar om hierbij zoveel mogelijk aandacht te hebben voor de vrijheid van meningsuiting en de pluriformiteit.

 

De redactie, productie en distributie van het apl – tijdschrift waren taken die vanuit de idee van collectif autogéré in principe door iedereen ter hand moesten genomen worden[415]. Door het hele informatieproces uit handen te geven hoopte apl een middel te zijn waardoor eenieder meester kon zijn en blijven van zijn of haar informatie. De droom ooit le seul bulletin te zijn qui est fait par ses lecteurs, is nooit evenwel helemaal bewaarheid geworden. De facto viel de redactie, productie en distributie van het tijdschrift immers steeds op dezelfde schouders.

 

Redactie

 

Het apl – tijdschrift werd gestoffeerd met de weerhouden informatie, verzameld door de kern van apl of doorgegeven door leden van het correspondentennetwerk[416]. Een groot deel van het redactionele werk omvatte niet meer dan het eenvoudigweg overtypen van toegestuurde berichten en communiqués[417]. Deze toegestuurde informatie werd niet op zijn juistheid gecontroleerd. Elke correspondent werd immers als een gelijke beschouwd, als een onmisbaar schakeltje in het informatienetwerk van apl.  De overige artikels werden opgesteld door leden van de kern van apl. Deze redactie gebeurde in principe collectief, iedereen werd geacht nu eens een editoriaal neer te pennen, dan weer de rubriek ‘national’ of ‘animation’ te verzorgen. De facto bestond er evenwel een zekere specialisatie wat de behandelde onderwerpen betrof[418].

In de geest van collectif autogéré verschenen alle artikels, opgesteld door de harde kern van apl, anoniem in het apl – tijdschrift[419]. Iedereen in apl werd namelijk in gelijke mate verantwoordelijk geacht voor wat uiteindelijk in het tijdschrift figureerde. Bij de berichten en communiqués vermeldde apl daarentegen zo exact mogelijk de naam van de persoon of organisatie die de informatie had doorgegeven. Apl was er ten zeerste voor beducht zomaar de woorden van anderen in eigen mond te nemen en zich de informatie van anderen eigen te maken door er de stempel ‘apl’ op te plakken[420]. In plaats daarvan poogde apl dat het ten allen tijde duidelijk was wie wat geschreven of gezegd had. Deze vermelding had tegelijk ook tot doel het informatieproces te demystificeren door aan te tonen dat de informatie niet voortkwam van een specialist, doch van gewone mensen.

 

De opgestelde artikels werden voorzien van een titel met opgave van plaats, bron (apl – b of andere), datum en onderwerp. Vervolgens werden de artikels onderverdeeld in een aantal rubrieken[421]. Apl ging hierbij weliswaar allesbehalve consequent te werk. Het aantal, alsook de aard van de rubrieken veranderde door de tijd heen zeer sterk en zelfs van nummer tot nummer konden de weerhouden rubrieken, alsook de plaats van de rubrieken in het tijdschrift, verschillen.     

De enige echt vaste waarden in het apl – tijdschrift lijken de rubrieken national en international te zijn geweest, soms ontdubbeld in een extra ‘document national’ of ‘document international’. Deze periodiek opduikende documenten betroffen in feite gewoonweg iets uitgebreidere artikels, vaak ook wat technischer van aard. Een waterdicht onderscheid tussen de documenten en de ‘gewone’ artikels bestond evenwel niet en in tijden dat de rubriek ‘document’ verdwenen was, figureerden de artikels die anders onder deze rubriek zouden gestaan hebben, gewoonweg elders in het tijdschrift, respectievelijk onder de rubriek ‘national’ of ‘international’.

In de rubriek communiqué werden vanaf een bepaalde periode en niet altijd even systematisch alle toegestuurde persberichten ondergebracht[422]. Bedoeling was dat er een duidelijk visueel onderscheid bestond tussen de berichten van apl en de berichten van andere groepen en organisaties.

In de rubriek agenda kondigde apl alle activiteiten aan, van vergaderingen over spektakels tot manifestaties, georganiseerd door jeugdhuizen, culturele foyers, alternatieve ontmoetingsplaatsen of domeinspecifieke organisaties[423]. Eigenaardigheidje, althans voor die tijd, was dat de activiteiten dag per dag en uur per uur geordend waren en niet onder de gebruikelijke indelingen film, theater, vergadering, manifestatie en dergelijke werden ondergebracht. Apl stelde deze rubriek op samen met de alternatieve tijdschriften Pour, Hebdo en Notre Temps.

In de rubriek animation (culture klonk te ‘bourgeois’) konden allerhande verenigingen dan weer verslag uitbrengen over het verloop van de door hen georganiseerde activiteiten, problemen, strijd en acties.

Wanneer op de laatste knip interessante berichten binnenliepen in apl, werd een rubriek dernière minute toegevoegd aan het tijdschrift.

Overige rubrieken waren revue des revues waarin een overzicht gegeven werd van de traditionele en alterantieve pers; petite annonce gratuite waarin gelijk wie een aankondiging kon doen of zoekertjes kon plaatsen; mot croisé mensuel, een conventioneel kruiswoordraadsel; alternative waarin bijvoorbeeld alternatieve vakantietips werden gegeven; la grande presse vous a dit waarin de zogenaamde censuur en leugens van de traditionele pers uit de doeken gedaan werden en les aventures d’Arthur et Zoé, een satirische rubriek over dagdagelijkse gebeurtenissen. Sporadisch gaf apl ook dossiers uit, al dan niet in een apart tijdschrift.

Buitenbeentje tot slot was de rubriek edito. De editorialen betroffen geen opiniestukken, doch korte artikels waarin tekst en uitleg gegeven werd over het reilen en zeilen binnen apl. In de editorialen lichtte apl de pijnpunten van zijn werking toe en lanceerde het allerhande oproepen naar de lezer toe. Echter, het was niet al kommer en kwel in de editorialen. Ook feestelijk nieuws vond er een plaatsje.

 

Qua formule opteerde apl voor een zeer soepele vorm[424]. Apl veranderde niet alleen om de haverklap het aantal en de plaats van de rubrieken, het voelde zich bijvoorbeeld ook vrij om het aantal pagina’s zomaar te verminderen of vermeerderen, de periodiciteit aan te passen, van stencils over te stappen op offset en dan weer op stencils, het tijdschrift plots heel rijkelijk te illustreren, van papierformaat te wisselen, de hoofdding een ander uitzicht te geven of zelfs uit te pakken met ‘een nieuwe formule’[425]. De lezers waren evenwel kennelijk niet altijd even opgezet met apl’s gedaantewissels[426].

Het is duidelijk dat apl alleen al door deze soepele vorm geen tijdschrift was in de traditionele zin van het woord, gebonden aan vaste verschijningsdata en een duidelijk afleesbare structuur. Een minimum aan normen was vastgelegd, maar voor de rest voelde apl zich volledig vrij om het tijdschrift die wending te geven die het wou[427]. De veelvuldige en onregelmatige wissels van apl hingen ongetwijfeld samen met de al dan niet aanwezigheid van de nodige werkkrachten, informatie en budget. Tegelijkertijd reflecteren deze wendingen evenwel dat apl zichzelf meer dan eens in vraag stelde en op zoek leek te zijn naar de perfecte formule om de informatie, conform aan zijn doelstellingen, aan de man te brengen. Een extremer voorbeeld hiervan is het feit dat apl soms een tijdje helemaal niet verscheen om over de nodige tijd en ruimte te beschikken om zichzelf te bevragen, over zichzelf, zijn platform, zijn taal, rol, publiek, werkorganisatie, …[428]. Naast deze cesuur onder het mom on-arrête-tout-on-réflichit-et-c’est-pas-triste, zorgden de vakantiemaanden alsook een verhuis steeds voor een periode van onderbreking of alvast van minder regelmatige werking[429]. Opvallend is dat apl na deze onderbrekingen vaak met herboren moed terug begon. De tussenstops bezorgden apl kennelijk nieuwe ideeën en nieuwe energie.

 

Productie

 

Het apl – tijdschrift verscheen aanvankelijk op stencil[430]. Deze productiemethode had als voordeel snel, goedkoop en gemakkelijk te zijn. Apl beschikte over een eigen stencileermachine en drukte het tijdschrift volledig zelf. Deze productie verzekerde apl met andere woorden technische onafhankelijkheid. Probleem was evenwel de slechte kwaliteit van de druk. Niet alleen was de tekst vaak moeilijk leesbaar, er slopen ook veel zetduivels in. Samen met de ‘van nature’ reeds overvloedige taal- en grammaticafouten, schaadde dit de geloofwaardigheid van de informatie ten zeerste [431]. Apl was zich hier ter dege van bewust en ondernam verscheidene pogingen om de presentatie van het tijdschrift te verbeteren[432]. Een echte vooruitgang wat de kwaliteit van de druk betreft, kwam er pas met de overstap naar offset. De druk was vanaf dan veel eenvormiger en leesbaarder. Dat slechts de helft van de letters duidelijk was, op ongewenste plaatsen streepjes opdoken, een bepaalde letter plots een tikje hoger of lager stond dan de rest, de letters zomaar van geschreefd naar niet geschreefd overgingen of nu eens knusjes tegen elkaar stonden en dan weer plots heel ver van elkaar pronkten en, op ongepaste plaatsen witte pagina’s opdoken of tweemaal dezelfde pagina werd afgedrukt, was nu voorgoed verleden tijd[433].

 

Gezien het hoge prijskaartje dat vasthing aan de druk in offset, gebeurde deze omschakeling in fasen. Vanaf het nummer 358 (najaar 1977) werden vier pagina’s van het tijdschrift in offset gedrukt, te weten de omslag en de agenda; de rest van het tijdschrift bleef gedrukt op stencils. Als voorsmaakje werd het nummer 387 eenmalig volledig in offset uitgebracht. Het duurde evenwel tot en nummer 400 (najaar 1978) vooraleer het tijdschrift definitief van de eerste tot en met de laatste pagina in offset gedrukt werd.

            Minpunten aan de druk in offset waren dat deze techniek veel duurder was en een veel grotere technische kennis vereiste. Daar apl slechts een deel van het materiaal kon aankopen en daarnaast niet over voldoende technisch inzicht beschikte, zag het zich genoodzaakt beroep te doen op een drukker. Dit betekende dat apl het productieproces voortaan niet meer volledig in handen had[434]. Apl had het evenwel moeilijk met deze vorm van technische afhankelijkheid en koesterde de stille droom ooit zelf over alle materiaal te beschikken om het tijdschrift in offset te drukken[435]. Opmerkelijk detail hierbij is dat apl zijn materiaal soms leende aan andere organisaties. Het betrof dan niet enkel het materiaal om te drukken, maar ondermeer ook de schrijfmachines en de donkere kamer[436]. Dit toont aan dat apl de idee dat iedereen in staat moest zijn om zelf op een onafhankelijke manier informatie te verspreiden zeer letterlijk nam én zeer ruim interpreteerde.

Eerste drukker van apl was Pierre Carret, toen verbonden aan de organisatie asbl 22 mars[437]. Pierre Carret was als drukker in die tijd gevestigd in dezelfde straat als apl, te weten Rue de l’ Inquisition. De medewerkers van apl waren niet direct aanhanger van Carrets stroming, doch Pierre Carret was een goede drukker én gesitueerd in linkse hoek. Na onenigheid stapte apl over naar een andere drukker, te weten I.D.I.[438].

 

De druk in offset bleef, enkele uitzonderingen daar gelaten, behouden tot op het laatste nummer van het apl – tijdschrift. Uitzondering was bijvoorbeeld dat apl in het nummer 533 aankondigde voortaan twee tijdschriften te zullen uitgeven[439]. Het ene tijdschrift, dat geconcentreerd zou zijn op één of meerdere dossiers, zou nog steeds in offset verschijnen; het andere tijdschrift, dat de traditionele artikels, berichten en agenda zou omvatten, zou voortaan gedrukt worden op stencil. Apl wou hiermee zogenaamd “beter beantwoorden aan zijn project van contra – informatie en tegelijkertijd de kosten drukken”. Deze formule was evenwel van korte duur. De allerlaatste nummers het apl – tijdschrift vormden dan weer op hun manier een uitzondering. Deze nummers bestonden immers hoofdzakelijk uit kopies van kranten – en tijdschriftartikels[440].

 

Wat de lay – out betreft, onderging het apl – tijdschrift letterlijk een aantal maal een grondige face – lift. Aanvankelijk sloot het apl – tijdschrift qua uitzicht zeer precies aan bij de vormgeving van het tijdschrift door apl – France[441]. Net als apl – France figureerde op de voorpagina boven de inhoudstafel een sobere hoofding tegen een rode achtergrond. Verder viel in het tijdschrift enkel tekst, tekst en tekst te onderscheiden; doorlopend, met weinig witregels en zeer bescheiden titels. Door de jaren heen evolueerde het apl – tijdschrift qua uitzicht evenwel meer en meer naar een ‘echt’ tijdschrift, zeker vanaf de publicatie in offset. De aan elkaar geniete vellen papier met doorlopende tekst ruimden plaats voor een verzorgde titelpagina, tekst in kolommen en artikels opgesmukt met prenten en tekeningen. Deze evolutie naar een tijdschriftachtige look hield ongetwijfeld verband met de steeds grotere lezersgerichtheid van het apl ten koste van de pers[442]. De verschillende face – lifts van het apl – tijdschrift, gingen evenwel gepaard met de nodige discussies binnen de kern van apl. Een mooier uitzicht mocht onder geen beding ten koste gaan van de kwaliteit van de informatie. Voor apl bleef de inhoud primeren op de vorm[443]. Vandaar bijvoorbeeld de prangende vraag of er nu te veel of te weinig illustraties in het tijdschrift stonden, of de druk in kolommen plaatsverlies betekende in vergelijking met de druk over een volledige pagina, of …, of…[444].

 

Distributie

 

De verspreiding van het apl – tijdschrift gebeurde, uitgezonderd het eerste jaar, voornamelijk op basis van betalende abonnementen[445]. Aanvankelijk bood apl naast de gewone abonnementen, een speciaal persabonnement aan[446]. Naast een tijdschrift - toen driemaal per week - , hield het persabonnement in dat apl de pers telefonisch inlichtte zodra een nieuw bericht zich aanmeldde[447]. Zolang apl in Leuven gevestigd was, werd het persabonnement per post opgestuurd. De verhuis naar Brussel betekende hierin een grote vooruitgang omdat de medewerkers van apl het tijdschrift voortaan de avond zelf van publicatie nog per auto konden ronddragen bij de pers[448]. Het persabonnement verdween evenwel al na een tweetal jaar. De betalende abonnees bestonden vanaf dan exclusief uit ‘gewone lezers’ vanuit alle uithoeken van het land, alsook in het buitenland. Het merendeel van de lezers was weliswaar woonachtig te Brussel[449].

            Naast de betalende abonnementen bereikte het tijdschrift de lezer in veel mindere mate door militante verkoop tijdens (folk)festivals, manifestaties en dergelijke; ruilabonnementen met andere - alternatieve - persagentschappen en tijdschriften; depots in culturele centra en (folk)cafés en, verkoop in - alternatieve - boekhandels [450]. De meeste boekhandels hielden een bepaald percentage van de verkoop af, sommigen maakten daarentegen bij wijze van steun het hele bedrag over aan apl[451].

 

In absolute cijfers uitgedrukt lag de oplage van het apl – tijdschrift niet echt hoog[452]. Concrete cijfers van de totale oplage zijn niet voorhanden, doch een sporadische inkijk in het aantal betalende abonnementen leert dat apl op zijn hoogtepunt net de kaap van 500 betalende abonnementen overschreden heeft[453]. Echter, apl streefde geenszins een hoge oplage na[454]. Primair doel van apl was om door middel van het tijdschrift een eerste stap te zetten in de verspreiding van informatie. Apl hoopte dat het tijdschrift na lectuur niet zomaar in de papiermand terecht zou komen, maar dat de berichten uit het apl – tijdschrift verder verspreid zouden worden. Vermelding van apl als bron was niet vereist. Apl stond een volledig vrije reproductie toe van alle artikels uit het apl tijdschrift.

 

Apl heeft nooit helse promotiecampagnes opgestart om het tijdschrift aan de man te brengen. Apl probeerde daarentegen op een eerder bescheiden manier aan bekendheid te winnen door middel van mond aan mond reclame, affiches van eigen makelij en de vermelding van apl als alternatief persagentschap annex tijdschrift in publicaties die apl in samenwerking met andere organisaties opstelde zoals het dossier “Contraste Soir” of de “Mode d’emploi à l’ information”[455]. Een eerder onrechtstreekse vorm van reclame was de vermelding van apl in allerhande repertoria en overzichtswerken zoals bijvoorbeeld de Bottin Social van CPGA; de agenda van Jeunes CSC, de socio - culturele gegevensbank van Acceuil Jeunes; de databank van Loretom, Centre de recherches et de documentation sur le loisir, la création et le tourisme du ministère de la communauté française; het Répertoire Pratique des périodiques Belges édités en langue française en het Répertoire d’ Offres de Formation à l’action Socio – culturelle du ministère de la communauté française, direction générale de la culture[456]

Apl spoorde de lezers daarnaast herhaaldelijk aan om hun tijdschriftabonnement te vernieuwen  of potentieel nieuwe lezers aan te reiken[457]. Naar hen werden dan drie proefnummers opgestuurd vergezeld van een ‘facicule de présentation’. Sporadisch zette apl ware abonnementencampagnes op poten[458]. In enkele gevallen stuurde apl, met het oog op een ruilabonnement, uit eigen beweging een proefnummer op naar bepaalde kranten en tijdschriften. In het nadeel van apl speelde dan weer dat de administratie van apl niet altijd even vlot liep en bepaalde organisaties bijvoorbeeld al een tijdje hun publicatie naar apl opstuurden zonder het apl – tijdschrift in ruil te krijgen. Eenzelfde beeld komt naar voor wat de betalende abonnementen betreft. Heel wat lezers lieten weten hun abonnement al geruime tijd vernieuwd te hebben, evenwel zonder sindsdien een apl – tijdschrift in de bus te hebben ontvangen[459].

 

Doelpubliek

 

Primair doelpubliek van apl was de pers en dan zowel kranten en tijdschriften, als radio en televisie[460]. Echter gezien de geringe afname van het apl – tijdschrift door de pers gecombineerd met het gevoel dat de informatie van apl haar uiteindelijke doel niet bereikte, besliste apl al gauw zijn werkterrein te verruimen en het tijdschrift ook rechtstreeks aan de lezers aan te bieden[461]. Wie was nu deze concrete, geïntendeerde lezer?[462] Apl richtte zich zeer expliciet tot de arbeidersklasse, progressieve journalisten, militanten begaan met de strijd om vrije informatie en, individuen en verenigingen actief rond uiteenlopende thema’s van de sociale strijd zoals anti – racisme, homoseksualiteit, leefmilieu, vrede, derde wereld en vrouwenrechten[463]. Apl richtte zich met andere woorden op al wie ook maar met één of andere voet in het midden van de sociale strijd stond, gaande van het protest van de nieuwe sociale bewegingen over het arbeidersprotest en nog veel breder.

            Opmerkelijk is dat apl het zich zeer sterk ter harte nam dat de verschillende initiatieven in de sociale strijd, met andere woorden het doelpubliek van apl, geen geïsoleerd leven zouden leiden, doch naar elkaar zouden toegroeien en met elkaar zouden samenwerken. Concreet probeerde apl zijn steentje hierin bijdragen door bijvoorbeeld onder elk communiqué in het tijdschrift een contactadres te vermelden[464]. Zo ook was apl’s hoofdzetel in Brussel in zekere zin een ontmoetingsplaats, waar mensen van diverse pluimage zomaar mochten langskomen om een bericht af te geven, informatie te zoeken, advies te vragen of een babbeltje te slaan[465]. Op die manier kende apl heel wat abonnees persoonlijk. Ongetwijfeld moet een zeker ons – kent – ons gevoel dan ook meegespeeld hebben als factor om zich te abonneren op het apl – tijdschrift.

 

Erkenning of miskenning

 

De traditionele pers an sich lijkt apl nooit erkend te hebben als alternatief persagentschap of volwaardige bron van informatie. Een gevoel van misprijzen, verachting en minachting was overheersend[466]. Pourquoi Pas schilderde de acties van apl bijvoorbeeld af als ‘intoxication gauchiste’, La Libre Belgique noemde apl ‘Agence de Presse d’extrème gauche Libération’ en Belga liet apl botweg weten dat het nu maar eens gedaan moest zijn om berichten via Belga te willen verspreiden. Apl was toch zelf een persagentschap[467]! La Dernière Heure ging zelfs zo heftig tegen apl tekeer, dat apl een rechtszaak inspande toen La Dernière Heure weigerde apl’s recht op antwoorde te respecteren[468].

De traditionele pers zag apl met andere woorden als een rood nest, een militante bende revolutionaire manipulators, een klik propagandisten[469]. De kwaliteit van de informatie, verspreid door apl, was in de ogen van de traditionele pers waardeloos. Apl zou de cijfers van het aantal manifestanten bijvoorbeeld opgeblazen hebben en bepaalde berichten argeloos en ongegrond de wereld ingestuurd hebben door zich kritiekloos te baseren op ‘la parole du peuple’. Apl gaf grif toe in de beginperiode op dit vlak een aantal fouten te hebben begaan, maar deed zijn uiterste best om niet in deze jeugdzonden te vervallen[470]. De traditionele pers bleef evenwel volharden in zijn boosheid. 

            Of de traditionele pers zich effectief bediende van de informatie die apl verspreidde, is niet zo duidelijk. Apl stond immers vrije reproductie toe van alle informatie uit het apl – tijdschrift. Bronvermelding was niet vereist. Zeker is dat ‘la grande presse’ in de beginperiode van apl een artikel al eens durfde aanvangen met ‘L’Agence de Presse Libération annonce que…’[471]. De verwijzing naar apl verviel echter al snel en, verschillende persredacties verboden hun journalisten zelfs apl als bron te gebruiken, laat staan te lezen. De afname van apl’s informatie door de traditionele pers was vermoedelijk dan ook verwaarloosbaar klein, zeker toen de traditionele pers het apl – tijdschrift niet meer gratis in de bus kreeg

Dat dé traditionele pers apl niet wou erkennen, belet niet dat een aantal individuele journalisten, weliswaar via hun privé – adres, geabonneerd waren op apl en zich beriepen op de informatie verspreid door apl[472]. Vooral wat de RTB – radio betreft lijken een aantal journalisten af en toe gebruik te hebben gemaakt van het apl – tijdschrift.

Met betrekking tot de alternatieve pers duikt een iets ander beeld op. Een aantal - links - alternatieve persorganen zoals Pour, Notre Temps, Hebdo, La Gauche, La Revue Nouvelle en een handvol vrije radio’s gebruikten apl enthousiast als bron[473]. Anderen, zoals de marxistisch – leninistische pers, vonden dan weer dat apl te gematigd was, niet revolutionair genoeg en te democratisch[474].

         Bij zijn lezers leek apl, ondanks sommige schoonheidsfoutjes overwegend geliefd wat de toon en de aard van de informatie betreft[475]. Maar, ook onder de lezers doken af en toe stemmen op dat apl bepaalde informatie niet correct had weergegeven[476].

         Wat het grote publiek betreft blijkt apl in eerste instantie een grote onbekende te zijn geweest. Zelfs in een publicatie naar aanleiding van de Semaines Sociales Wallonnes over macht en informatie, met als uitgangspunt de stelling dat er nieuwe informatiekanalen nodig waren om een andere informatie aan de man te brengen, werd apl slechts zeer zijdelings vermeld, na Belga en traditionele telexbureaus[477]. In extreem – rechtse hoek was men apl dan weer liever kwijt dan ruik. In 1977 viel het bijvoorbeeld ten prooi van agressie door fascisten[478].

De overheid van zijn kant leek niet zo sterk begaan met het reilen en zeilen van apl. Gedurende de hele periode dat apl actief was, hield de BSR of Brigade Spéciale de la Recherche twee huiszoekingen bij apl, eerst in verband met de herpublicatie door apl van een in beslag genomen artikel verschenen in Marie Claire en daarna in verband met foto’s die apl genomen had op een tegenmanifestatie tijdens een speciale dag in het teken van Haïti.

 

Besluit

 

Qua praktische werking zette Agence de Presse Libération – Belgique dezelfde lijn voort als zijn algemene werking. Apl beijverde zich merkbaar om het persagentschap annex tijdschrift op een alternatieve manier draaiende te houden. Basisprincipes waren de idee van collectif autogéré en bénévolat absolut. Deze principes stonden voor vrijwilligerswerk; werkrotatie of ‘iedereen moet alles doen’; afwijzing van bureaucratie, hiërarchie, professionalisme en specialisatie en onafhankelijkheid op alle vlak. Op die manier hoopte apl dat iedereen het informatieproces volledig zelf in handen zou hebben, van de verzameling van informatie over de redactie en productie tot de distributie en, dat iedereen meester kon zijn en blijven van zijn of haar informatie.      

 

Apl beschouwde de principes van collectif autogéré en bénévolat absolut niet als zomaar uit de mouw geschudde, mooi klinkende idealen. Het was een levensdoel dat dagdagelijks zo goed mogelijk moest nagestreefd worden.

Op een aantal vlakken slaagde apl aardig in de realisatie van dit levensdoel. Getuige het vrijwilligerswerk, de soepele vorm van het apl - tijdschrift, de nodige ademruimte die apl zichzelf gunde door onderbrekingen, het eigen beheer van de distributie, het van de grond gekomen correspondentennetwerk en het productieproces in eigen handen, zeker voor de druk in offset. 

Op andere vlakken bleef er dan weer heel wat werk aan de winkel. Groot knelpunt was het gebrek aan helpende handen, gemotiveerde mensen die zich voor apl’s zaak wilden inzetten. Concreet leidde dit ertoe dat de decentralisatie niet vlot tot stand kwam, dat het werk soms te zwaar werd voor wie zich de taken in apl wel ter harte nam en dat er de facto sprake was van een zekere vorm van specialisatie.

 

Bloeiperiode van apl is onmiskenbaar te situeren rond het einde van de jaren ‘70 en het begin van de jaren ‘80. Indicaties hiervoor zijn dat apl in deze periode de sprong naar offset waagde, met als gevolg dat de oplage van de (betalende) abonnementen een piek bereikte; dat het aantal medewerkers in de harde kern van apl toen het hoogst lag en dat de interne werking dan het vlotst verliep, onder meer door het gebruik van een carnet de bord. Verder ontvouwde apl tijdens deze werkjaren een brede waaier aan activiteiten en zette het de stap naar subsidiëring door de overheid.

 

 

Einde [479]

 

De eindperiode van Agence de Presse Libération - Belgique of la chevelure de la comète omvat grofweg een tiental jaar of zowat de helft van de levensduur van apl[480]. Tegen het midden van de jaren ’80 en meer concreet vanaf 1983- 1984 nam apl alvast een totaal andere wending dan bovenstaande schets.

 

Meest opvallende ommekeer was het feit dat de periodiciteit van het apl – tijdschrift zienderogen achteruit ging[481]. Het tijdschrift verscheen minder en minder en uiteindelijk helemaal niet meer. Vanaf het najaar 1983 (nr. 531) tot en met het voorjaar 1991 (nr. 568) publiceerde apl over een periode van een kleine zeven jaar en een half een vijventwintigtal tijdschriften[482]. Deze verschillende nummers verschenen evenwel niet mooi in tijd gespreid. Soms kon het tijdschrift stipt om de maand verschijnen, om dan gedurende een half jaar even helemaal te verdwijnen. De forse daling van het aantal gepubliceerde apl – tijdschriften gedurende de laatste werkjaren van apl hing vooral samen met een gebrek aan militantisme en bijgevolg aan werkkrachten en aan tijd. Bijkomende factoren waren de enorme vertragingen in het informatieproces tijdens de druk en bij de post en, het te hoog geworden prijskaartje.

Apl gaf er dan ook meer en meer de voorkeur aan om alle informatie telefonisch te verspreiden. Als werkinstrument van het persagentschap werd het apl – tijdschrift geleidelijk aan vervangen door de telefoon. Dit had als voordeel dat de informatie nu veel sneller en goedkoper zijn doel bereikte. Apl wachtte voortaan voornamelijk af tot men telefonisch beroep deed op zijn diensten, in plaats van zelf het heft in handen te nemen en informatie door te geven. Bijkomend voordeel, nu de informatie telefonisch werd doorgegeven, was de directe wederzijdse communicatie. Vraag en antwoord van beide partijen konden onmiddellijk op elkaar afgestemd worden.

 

Tegelijkertijd met het dalend aantal apl - tijdschriften dat ter perse ging, verschoof de hoofdactiviteit van apl van het tijdschrift naar het documentatiecentrum[483]. Dagdagelijkse bezigheid van apl werd voortaan het verzamelen en klasseren van gesproken en geschreven bronnenmateriaal. Artikels uit de traditionele en parallelle pers, communiqués, publicaties allerhande en andere documenten werden vergaard en ondergebracht in thematisch ingedeelde dossiers. Op basis van deze dossiers stelde apl op vraag “persmappen” samen rond een specifiek thema[484]. Wie wou, kon afzakken naar het documentatiecentrum van apl en ter plaatse zelf een persmap samenstellen. In feite waren de apl – tijdschriften naar het einde toe niet meer dan een uitloper van het dagelijkse werk van apl in het documentatiecentrum en kregen de tijdschriften meer en meer het uitzicht van een persmap of een bundel van allerhande knipsels geconcentreerd rond een specifiek thema zoals Zaire, de vrijlating van Nelson Mandela en Le Quartier Maritime in Molembeek[485].

            Op zoek naar een manier om te overleven ondernam apl een aantal pogingen om zich op nieuwe domeinen te richten zoals de vrije of correcter de niet – commerciële radio’s. Zo profileerde apl zich als persagentschap van ALO (Association pour la Libération des Ondes) en FERL (Fédération Européenne des Radios Libres), zonder veel succes weliswaar. Probleem was dat apl zich tot dan toe gespecialiseerd had in geschreven tekst en, dat radio daarentegen een gesproken medium is.

 

De koerswijziging van apl tegen het midden van de jaren ’80 is te verklaren door interne en externe factoren.

         In eerste instantie vond een belangrijke persoonswissel plaats in de kern van apl. Pascal Delaunois en Monique Quintart, gedurende een zevental jaar de drijvende motor achter apl, werden een zekere burn – out gewaar en besloten zich minder rechtstreeks te engageren voor apl[486]. Het vrijwilligerswerk gedurende een tiental jaren begon te zwaar te wegen, verandering van lucht was nodig. Hun vertrek betekende tegelijkertijd het wegblijven van een aantal losse medewerkers die zich vooral uit sympathie voor Delaunois en Quintart hadden geëngageerd in apl. Het heft werd nu voornamelijk in handen gegeven van Michel Veys, die er andere ideeën en andere inzichten op nahield.

         In de buitenwereld was de klok evenmin stil blijven staan. De maatschappij was in tussentijd grondig veranderd. Op het vlak van pers en communicatie eiste internet bijvoorbeeld geleidelijk aan zijn plaats op. Apl besloot niet mee op deze virtuele communicatiekar te springen. Internet was voor een volgende generatie, een volgende beweging, een volgende golf. Daarnaast kreeg apl ook het gevoel dat de ‘grote pers’ en dan vooral de radio, in zeker opzicht een versterkte aandacht had gekregen voor ‘de stem van het volk’, ‘informatie van onderuit’ en ‘de mening van zij die van nature weinig toegang hebben tot de informatiekanalen’. De nieuwe ‘peeple’- aanpak van de traditionele pers had in apl’s ogen ook zijn goede kant.

 

Agence de Presse Libération - Belgique heeft in feite een dubbele dood gekend, te weten de publicatie van het laatste nummer, nr. 568 op 1 mei 1991 en de definitieve stopzetting van alle activiteiten medio 1993. Dit belette niet dat apl vroeger reeds een punt wou zetten achter zijn bestaan. Reeds sinds het eind van de jaren ’80 was apl op zoek naar een manier om er een eind aan te maken. Gezocht werd naar een organisatie aan wie de erkenning van apl als service général d’ éducation permanente kon overgedragen worden[487]. Uiteindelijk viel de keuze op “Les Kaputtes”, een eerder rebels – radicale beweging begaan met de bescherming van de stadscultuur. Les Kaputtes werd omgedoopt tot Agence de Presse Libération Kaputtes[488].

 

Besluit

 

Agence de Presse Libération - Belgique kende een lange eindfase, ruwweg van 1983 tot en met 1993. In deze periode sloeg apl radicaal een andere weg in door de verminderde publicatie van het tijdschrift en door het documentatiecentrum tot hoofdactiviteit te bombarderen. Enerzijds hield deze omslag verband met de wisselende ploeg medewerkers, anderzijds met de veranderde maatschappij. De tijdsgeest had het militantisme doen afnemen en bijgevolg het aantal mensen dat actief of passief betrokken was bij apl. Op het gebied van pers en communicatie was met internet een nieuwe fase aangebroken. De traditionele pers bleek daarnaast meer en meer oog te hebben voor die soort informatie die apl lange tijd zo fel bevochten had. Met de woorden van Monique Quintart samengevat : L’ apl avait joué son rôle. (…). C’était un mouvement. Il fallait que ça s’ arrête. Il était temps pour autre chose[489].

 

 

5. Apl, verbale en visuele informatie

 

Het kernwoord waar het in Agence de Presse Libération – Belgique in essentie om draaide en waar alle activiteiten van apl in wezen uit voortvloeiden was informatie of meer precies een andere vorm van informatie, een informatie voor en door het volk. In deel vier stond het ruimere informatieproces in de kijker en dit in de zeer brede zin van het woord. In dit onderdeel zoom ik in de informatie an sich. Hiertoe belicht ik het apl – tijdschrift  - werkinstrument van het persagentschap -, vanuit een caleidoscopische blik[490]. Eerste aandachtspunt is de aard van informatie die apl weerhield, de thema’s en onderwerpen die het belichtte. In tweede instantie onderzoek ik de manier waarop apl de weerhouden informatie vorm gaf. Tot slot werp ik een blik op de wijze waarop apl het tijdschrift vanaf een bepaalde periode illustreerde. Voor elk van deze drie onderzoeksonderdelen doe ik een beroep op specifieke methodologische hulpmiddelen, met name statistiek, inhoudsanalyse, discoursanalyse en iconografie. Gezien de informatie die centraal stond in apl slechts een onderdeel is van mijn onderzoek, volg ik deze technieken niet op de voet, doch op een rustige manier.

 

 

Weerhouden informatie

 

Agence de Presse Libération – Belgique gaf in zijn doelstellingen aan een information populaire tot stand te willen brengen en daarnaast die informatie een plaatsje te willen geven in het tijdschrift die kon bijdragen tot maatschappelijke veranderingen. Apl wou op die manier óók door de keuze van zijn onderwerpen revolutionair zijn[491].

Het begrip information populaire of volksinformatie hield in dat apl informatie vanuit de massa wou weergeven, van de mensen op straat, in de fabriek of op school, van Jan met de pet[492]. Uitgangspunt van apl was dat de traditionele pers enkel oog had voor officiële informatie, voor de standpunten van politieke partijen, vakbonden, regeringen, ordemachten en andere officiële instanties. Door deze eenzijdige blijk zouden bepaalde onderwerpen – bewust of onbewust – niet aan bod komen in de traditionele pers. Om hieraan te remediëren wou apl net de stem van onderuit laten horen, la parole des petits gens, la parole des gens de la rue[493]. Apl beoogde zo letterlijk een organe de contra – information te worden of een middel dat de traditionele pers zou wakker schudden door een andere informatie aan te bieden, een informatie die in de traditionele pers niet aan bod kwam[494].

Apl streefde er niet naar zomaar alle informatie weer te geven[495]. Feiten en gebeurtenissen waar in de traditionele pers voldoende kolommen aan besteed werden, zouden geen schijn van kans maken ooit in het apl – tijdschrift te figureren. De keuze van apl viel eerder op alles wat bewoog, wat contesteerde, wat protesteerde, wat het systeem kon doen veranderen, wat een alternatief aanbood en wat deed nadenken over de samenleving. De focus van apl was vrij algemeen[496]. Apl wou zich niet specialiseren in één of ander specifiek onderwerp, maar de volledige sociale strijd verslaan en dit zeer ruim geïnterpreteerd.

 

Methodologie

 

Om te achterhalen welke informatie apl nu precies weerhield, welke onderwerpen wel belicht werden en welke niet en, of hierin een evolutie merkbaar was, heb ik een beroep gedaan op een kwantitatieve, descriptieve methode en meer bepaald een vereenvoudigde vorm van inhoudsanalyse.

            Inhoudsanalyse kan omschreven worden als een onderzoekstechniek die de manifeste betekenis van een tekst op een systematische en objectieve manier wil blootleggen[497]. Uitgangspunt van de inhoudsanalytische methode is de idee dat de oppervlaktebetekenis van een tekst vrij ondubbelzinnig is en door de onderzoeker in kwantitatieve termen kan gelezen en uitgedrukt worden. Doel van deze methode is boodschappen op consistente wijze te bestuderen en dit los van de subjectiviteit van de onderzoeker. Anders uitgedrukt wil inhoudsanalyse brute gegevens aanbieden die een geheel aan informatie samenvatten en vatbaar zijn voor toetsing. Daarvoor moeten de uitgangspunten en procedures van de analyse vooraf geëxpliciteerd worden. De inhoudsanalyse zelf is dan een toepassing van deze vooraf geformuleerde regels op een consistente en controleerbare manier. Hulpmiddel voor een vlotte interpretatie van het uiteindelijk bekomen cijfermateriaal is het opstellen van grafieken.

            De inhoudsanalytische methode is evenwel onderhevig aan heel wat kritiek. Hoewel de kwantitatieve methode in opzet bijvoorbeeld zo objectief mogelijk wil zijn en op elk ogenblik vatbaar voor toetsing door anderen, staat het buiten kijf dat in de praktijk een zekere mate van subjectiviteit niet uit te sluiten is. Alleen al de afbakening van de verschillende criteria ter klassering van een bepaalde categorie is een heikel punt. Vraag is of de subjectiviteitskritiek niet voor elke methode geldt. Het komt er bij discoursanalyse dan ook op aan om, net zoals in elk onderzoek, een zo groot mogelijke vorm van objectiviteit na te streven. De meeste kritiek op de inhoudsanalytische methode spitst zich weliswaar toe op de uitgangspunten van de methode, met name de idee dat alle tekst vertaalbaar zou zijn in kwantitatieve gegevens. Op die manier zou voorbijgegaan worden aan de kwaliteiten in een tekst. De kwantitatieve analyse wordt dan ook best gecombineerd met een kwalitatieve analyse of Ce procédé [l’ analyse quantitative] n’ exclut donc pas une analyse qualitative; au contraire, il l’ appelle[498].

 

Operationalisering

 

Ik heb de inhoudsanalytische methode op een drietal niveaus toegepast. Ten eerste heb ik onderzocht welke rubrieken in het apl – tijdschrift zeer rijkelijk gestoffeerd waren en welke minder (reeks 1). Ten tweede heb ik bestudeerd in welke mate apl bepaalde onderwerpen wel of net niet belichtte (reeks 2). Ten derde ben ik nagegaan welke actievormen van de sociale strijd apl’s aandacht genoten (reeks 3). Om concreet werkbaar te zijn heb ik eerst de analyse – eenheden, meet – eenheden en categorieën van deze verschillende onderzoeksniveaus vastgelegd.

 

Analyse – eenheid van reeks 1 vormen alle rubrieken in het apl - tijdschrift. Voor reeks 2 en reeks 3 heb ik enkel de rubrieken ‘national’, ‘document national’, ‘dossier’  - en dan enkel de dossiers met betrekking tot nationale thema’s -, en ‘communiqué’ weerhouden. Motivatie hiervoor is dat deze rubrieken mijns inziens de meest relevante informatie verschaffen over apl’s focus op de sociale strijd in (Franstalig) België.

 

Meeteenheid voor reeks 1, reeks 2 en reeks 3 vormt het aantal artikels in het apl – tijdschrift per weerhouden categorie. De artikels heb ik beschouwd als een ondeelbaar geheel. Met mogelijke ondertitels heb ik geen rekening gehouden. Vervolgartikels of één artikel gespreid over verschillende tijdschriftnummers, heb ik telkens per nummer geteld.

Ik ben me ervan bewust dat een meting in aantal artikels niet de volledige werkelijkheid weerspiegeld gezien bepaalde artikels heel kort en andere dan weer heel lang kunnen zijn. Een meting in aantal bladzijden kan zo een - iets – ander beeld opleveren. Enkel wat reeks 1 betreft heb ik, althans deels, naast het aantal artikels ook het aantal bladzijden, of preciezer het aantal halve bladzijden als meeteenheid gehanteerd. Het had me te ver geleid dit ook voor de andere reeksen te doen. Bij de meting in aantal bladzijden heb ik er geen rekening mee gehouden dat apl al eens van lettertype durfde wisselen, de marges durfde verbreden of versmallen of de druk durfde aanpassen. Zeker de overstap naar offset ging op dit vlak gepaard met grote veranderingen. Niet alleen werd het lettertype dan kleiner, wat betekende dat er meer informatie op éénzelfde bladzijde kon staan; vanaf dan werd de tekst ook in kolommen afgedrukt, wat meer witruimtes tot gevolg had en het aantal informatie mogelijk op éénzelfde bladzijde dan weer inperkte. Ik ben me ervan bewust dat dit alles voor een zekere vertekening zorgt, mijns inziens weliswaar aanvaardbaar binnen het opzet van mijn onderzoek. Eerder dan hypercorrect cijfermateriaal te presenteren, beoogde ik met de kwantitatieve methode immers een eerste analyse te geven van de aard van de informatie die centraal stond in apl.

 

Categorieën voor reeks 1 lagen voor de hand, met name de rubrieken zelf die in het apl – tijdschrift figureerden[499]. Moeilijkheid hierbij was dat apl in het gebruik van de rubrieken niet altijd even consequent te werk ging. Bij de klassering van de informatie in categorieën heb ik apl’s indeling dan ook niet tot op de voet gevolgd. Bij inconsequenties heb ik ervoor geopteerd zoveel mogelijk de lijn van apl aan te houden en bij verschillende mogelijkheden heb ik voor de door mij meest logisch bevonden indeling geopteerd, en deze optie steeds consequent nagevolgd. Een voorbeeld van inconsequentie wat de rubrieken betreft, vormen de documenten in het apl – tijdschrift. Nu eens stonden deze onder een aparte rubriek ‘document’, dan weer tussen de rubrieken ‘national’ en ‘international’, afhankelijk of het een document over binnen- dan wel buitenland betrof. Omdat bij de desbetreffende artikels steeds de vermelding ‘document’ stond, heb ik deze allen ondergebracht onder de categorie ‘document’. Ander voorbeeld van inconsequentie vormen de communiqués in het apl – tijdschrift. Soms figureerden deze onder de aparte rubriek ‘communiqué’, in andere gevallen namen ze dan weer een plaatsje in tussen de rubrieken ‘national’ en ‘international’, en dit zonder aparte vermelding dat het een communiqué betrof. Het gebeurde zelfs dat in eenzelfde tijdschrift bepaalde communiqués onder de rubriek ‘communiqué’ stonden en andere onder de rubriek ‘national’ of ‘international’. Hier heb ik de indeling van apl gevolgd en de communiqués respectievelijk onder de rubrieken ‘communiqué’, ‘national’ of ‘international’ ondergebracht. Ik ging ervan uit dat apl een reden moet gehad hebben voor deze indeling.

         Het op punt stellen van de categorieën voor reeks 2 en dan vooral van de verschillende criteria die aan deze categorieën verbonden waren, was een delicater werk. Na het opstellen van een aantal categorieën en criteria, ben ik via toetsing nagegaan of deze werkbaar en toepasbaar waren voor de hele periode. Mits trial and error heb ik zo de verschillende vooraf opgestelde categorieën bijgeschaafd, gehergroepeerd, aangepast of geschrapt. Ik liet met voor de verschillende categorieën nieuwe sociale bewegingen aanvankelijk bijvoorbeeld zeer sterk inspireren door de nieuwe sociale bewegingen onderscheiden in het boek ‘Van mei ’68 tot hand in hand’[500]. Bij toetsing bleek evenwel dat bepaalde nsb opgesomd in dit standaardwerk, zoals spirituele verenigingen, niet of nauwelijks aan bod kwamen in het apl – tijdschrift. Uiteindelijk heb ik acht grote categorieën weerhouden, sommige mits onderverdelingen of opsplitsingen, te weten : de categorie ‘nieuwe sociale bewegingen’ opgesplitst in de thema’s ‘derde – wereld’, ‘vrede’, ‘milieu’, ‘seks’, ‘vreemdelingen’, ‘onderwijs’, ‘buurt’, ‘alternatieve organisaties’, ‘verbruikersorganisaties’, ‘cultuur en jeugd’, ‘ondersteuning van mensen of partijen in een conflict’ en ‘andere’; de categorie ‘media’ met onderverdeling ‘vrije meningsuiting’; de categorie ‘economie’ met onderverdeling ‘arbeid’; de categorie ‘politiek’ met onderverdeling ‘ideologische thema’s’ en de categorieën ‘juridische thema’s’, ‘cultuur’, ‘maatschappij’ en ‘niet relevant’.

         Voor bepaalde categorieën van reeks 2 is een korte toelichting nodig. Zo heb ik onder de categorie ‘derde wereld’ bijvoorbeeld landen als Vietnam, Israël en Palestina ondergebracht, alsook landen waar volgens apl’s berichtgeving de mensenrechten geschonden werden, en dit eveneens in het Westen, zoals het Spanje onder Franco. Verder heb ik onder de categorie ‘milieu’ eveneens alle berichten omtrent kernenergie geplaatst; is de categorie ‘seks’ zeer ruim en omvat ze onder meer ook de abortuskwestie en homoseksualiteit en heeft de categorie ‘onderwijs’ betrekking op zowel het protest van studenten, als van leerkrachten en proffen. Wat de onderverdelingen betreft, groepeert de hoofdcategorie alle algemene informatie en de categorie als onderverdeling alle informatie die handelt over een specifieke subdiscipline. Zo omvat de categorie ‘economie’ bijvoorbeeld alle algemeen economische informatie en de onderverdeling ‘arbeid’ alle informatie omtrent het arbeidersprotest. Mutatis mutandis slaat de categorie ‘politiek’ op alle algemeen politieke informatie zoals de komst van een buitenlandse politicus naar België en de onderverdeling ‘ideologische thema’s’ op alle informatie die verbonden is met politieke partijen, alsook met ideologieën.

         Wat de categorieën van reeks 3 betreft, heb ik het actievormenschema van Duyvendak als basis genomen[501]. (Zie bijlage 4 [502]). Dit schema betreft een overzicht van de verschillende actievormen uit het repertorium van de nieuwe sociale bewegingen. Ik heb dit schema evenwel ruimer geïnterpreteerd en toegepast op de hele ‘sociale strijd’, zowel van nieuwe sociale bewegingen als van arbeiders.

 

Gezien het hoog aantal nummers van het apl – tijdschrift, zo’n 568 – tal, heb ik ervoor gekozen slechts een gedeelte van de tijdschriftnummers te onderzoeken, en dit vanuit de vooronderstelling dat de resultaten op kleinere schaal een goede afspiegeling zouden zijn van het geheel. Ik heb niet geopteerd voor een blinde steekproef, maar wel voor een steekproef op basis van verschillende ‘sleutelmomenten’ in het apl - tijdschrift, met name een verandering van titel, periodiciteit, prijs, adres, verantwoordelijke uitgever, druk, drukker, devies en formule[503]. Naast het tijdschriftnummer dat uiting gaf aan zo’n sleutelmoment, heb ik twee nummers voor en twee nummers na het desbetreffende ‘sleutelmoment’ weerhouden en onderzocht. Hierdoor ontstonden clusters van vijf tijdschriftnummers met als middelste nummer een ‘sleutelmoment’. De facto viel dit soms wat anders uit, wanneer twee sleutelmomenten bijvoorbeeld dicht op elkaar volgden. In zo’n geval konden de weerhouden nummers een langere opeenvolgende reeks vormen. Andere nummers, zoals de nummers 388, 532 en 537, waren dan weer onvindbaar. De eerstvolgende nummers werden dan weerhouden. (Zie bijlage 5 [504]).

         Idee achter een steekproef op basis van sleutelmomenten was enerzijds het aantal tijdschriften als basis voor de kwantitatieve methode reduceren en anderzijds mogelijks discontinuïteiten in het apl – tijdschrift dit in relatie tot deze sleutelmomenten, aan het licht brengen. Tegelijkertijd had deze methode als voordeel dat het tijdschrift – idealitair – in groepjes van vijf opeenvolgende nummers onderzocht kon worden waardoor opvolging van een bepaald onderwerp duidelijk naar voor zou kunnen komen. 

 

Eens alle analyse – eenheden, meet – eenheden en categorieën waren vastgelegd en de nummers van de steekproef weerhouden, heb ik het tijdschrift systematisch doorgenomen en alle resultaten geklasseerd in een database in Excell[505]. De bekomen cijferreeksen van brute gegevens heb ik in eerste instantie procentueel uitgedrukt in relatie tot het aantal weerhouden artikels[506]. Om de resultaten vlot leesbaar te maken,  heb ik deze procentuele gegevens vervolgens omgezet in cirkeldiagrammen enerzijds en lijngrafieken anderzijds. (Zie bijlage 6 [507])

De cirkeldiagrammen tonen het rekenkundig gemiddelde van een weerhouden categorie over de hele periode en staan vergelijking vlot toe; de lijndiagrammen geven de resultaten daarentegen een plaats op een tijdsas en maken het mogelijk een evolutie te onderscheiden. Om deze evolutie meer zichtbaar te maken, heb ik een trendlijn toegevoegd aan de grafieken. Voor de vlotte leesbaarheid, heb ik de grafieken opgesplitst en slechts enkele categorieën samen weergegeven. X – as van de lijngrafieken zijn de desbetreffende nummers van het apl – tijdschrift, Y – as het aantal artikels per nummer, procentueel uitgedrukt tegenover het totaal aantal weerhouden artikels.

         Ik heb daarnaast twee extra lijngrafieken toegevoegd die buiten de drie weerhouden cijferreeksen vallen, met name een grafiek met de evolutie van het aantal bladzijden per nummer en een grafiek met de evolutie van het aantal artikels per nummer. De waarden op de X – as betreffen hier eveneens de desbetreffende nummers van het apl – tijdschrift, de waarden op de Y – as daarentegen het totaal aantal artikels of pagina’s per nummer, in absolute cijfers uitgedrukt.

 

Resultaten

 

Evolutie van het aantal artikels en aantal pagina’s per nummer

 

De lijngrafieken met de evolutie van respectievelijk het aantal pagina’s en aantal artikels per nummer tonen aan dat zowel het aantal pagina’s, als artikels per nummer het hoogste lag grosso modo tussen de nummers 218 en 427. In cijfers uitgedrukt lag het aantal pagina’s per nummer dan tussen de 30 en de 45 en het aantal artikels per nummer  tussen de 40 en de 55. Dit hoogtepunt in aantal pagina’s en aantal artikels per nummer valt zowat samen met bloeiperiode van apl eind jaren ’70, begin jaren ’80[508]. Opmerkelijk verschil tussen beide grafieken is dat het aantal artikels wat de laatste nummers betreft zeer laag was en het aantal pagina’s zeer hoog. Verklaring hiervoor is dat de laatste nummers van het apl – tijdschrift geconcentreerd waren op één specifiek onderwerp[509]. Opvallend is daarnaast dat het aantal bladzijden van het apl - tijdschrift zeer wisselend was. Apl wou de hoeveelheid artikels kennelijk niet beknotten en het volume van het tijdschrift aanpassen aan de voorhanden zijnde informatie. Echter, voor bepaalde periodes is het aantal bladzijden in het tijdschrift wel heel constant te noemen, en dan met name tussen de nummers 400 en 500.  Uit de brute cijfers blijkt zelfs dat het aantal pagina’s wat de rubriek ‘agenda’ betreft vanaf dan steeds schommelde rond de twee à drie bladzijden. De overstap naar offset en daarmee gepaard gaande de steeds meer tijdschriftachtige look zitten hier onmiskenbaar voor iets in tussen[510].

 

Reeks 1

 

De cirkeldiagrammen van reeks 1, zowel van het gemiddeld aantal pagina’s als van het gemiddeld aantal artikels per rubriek, leren dat de rubriek national onmiskenbaar de belangrijkste plaats innam in het apl – tijdschrift, gevolgd door de rubriek international. Gezien inhoudelijk sterk verwant, kunnen de rubrieken document national en document international in feite beschouwd worden als een onderdeel van de rubrieken national en international en mee in rekening gebracht worden met de rubrieken national en international. Niet onbelangrijk waren daarnaast de rubrieken animation, communiqué, revue des revues en agenda. De andere rubrieken, met name dossier, Arthur et Zoé, dernière minute en ‘andere’ namen in het tijdschrift een geringe plaats in.

         De cirkeldiagrammen leren verder dat de verhoudingen tussen de rubrieken onderling wisselen naargelang uitgedrukt in aantal pagina’s dan wel in aantal artikels. Het grootste verschil betreft de rubriek agenda. Verklaring hiervoor ligt in het feit dat deze rubriek aanvankelijk bestond uit een aantal artikels omtrent een komende activiteit. Na verloop van tijd veranderde deze rubriek evenwel volledig van opvatting en bestond ze uit korte aankondigingen van tientallen verschillende activiteiten, mooi verspreid over twee à drie bladzijden in offset als omslag van het apl – tijdschrift[511]. Ik heb deze verschillende kleine artikels telkens als één artikel geteld. Andere groot verschil tussen de rubrieken uitgedrukt in aantal pagina’s dan wel in aantal artikels  is dat de rubrieken ‘national’ en ‘international’ weliswaar de belangrijkste blijven, maar proportioneel gezien niet meer zo belangrijk. Net het omgekeerde geldt bijvoorbeeld voor de rubriek dernière minute. Niet alle artikels namen in het tijdschrift met andere woorden evenveel plaats innamen[512].

 

De lijngrafieken van reeks 1 tonen in eerste instantie de grote wispelturigheid van apl aan. Uitgezonderd dan misschien van de rubriek edito die om de zoveel nummers opdook en steeds een kleine bladzijde besloeg, nam geen enkele rubriek qua omvang een echt constante plaats in, in het tijdschrift. De rubriek communiqué verdween bijvoorbeeld lange tijd uit het tijdschrift om plots weer even op te duiken, dan terug te verdwijnen, op te duiken, …  Als grote lijn komt naar voor dat de rubrieken national en international in relatie met document national en document international steeds de belangrijkste zijn geweest, doch proportioneel gezien aan belang inboetten en dit ten voordele van altijd maar nieuwe rubrieken, zoals revue des revues en animation. Opmerkelijk zijn ook hier de grote verschillen wat de eindperiode betreft. De (traditionele) rubrieken national en international waren helemaal van het toneel verdwenen ten voordele van dossiers en de analytische rubriek ‘andere’. Net als in de lijngrafieken met de evolutie van het aantal pagina’s en het aantal artikels per nummer, wordt in deze lijngrafieken van reeks 1 met andere woorden duidelijk de andere formule weerspiegeld waar apl in zijn eindjaren voor opteerde ondermeer door het tijdschrift vooral als verlengstuk van het documentatiecentrum te zien dan wel als verlengstuk van het persagentschap[513].

 

Reeks 2

 

De cirkeldiagrammen van reeks 2 leren dat de focus van apl zeer algemeen was. Eerder dan zich te concentreren op één specifiek onderwerp, liet apl een hele reeks thema’ s de revue passeren. Uit de brute cijfers blijkt dan weer dat in éénzelfde tijdschrift meestal een aantal onderwerpen centraal stonden. Vaak genoten deze onderwerpen ook opvolging[514]. Wat de belichte onderwerpen zelf betreft, ging zowat driekwart van apl’s aandacht uit naar de sociale strijd en meer bepaald naar het thema arbeid enerzijds (21%) en de nieuwe sociale bewegingen anderzijds (samen zo’n 50%) . Om dit beeld te versterken heb ik in de tweede cirkeldiagram de verschillende opsplitsingen van de categorie nieuwe sociale samengevoegd tot één geheel. Binnen de categorie nieuwe sociale bewegingen stond het onderwerp derde wereld bovenaan in het lijstje, gevolgd door de onderwerpen vrede, milieu, seks, vreemdelingen, buurt en onderwijs. Cultuur en jeugd, alternatieve organisaties, verbruikersorganisaties, en ‘andere’ thema’s van de nieuwe sociale bewegingen kwamen slechts beperkt aan bod in het apl – tijdschrift. In niet onbelangrijk mate belichtte apl daarnaast juridische en ideologische themata en berichten met betrekking tot de media. Slechts zeer geringe aandacht genoten de  - eerder traditionele -  onderwerpen economie, politiek, cultuur en maatschappij. Hierbij moet evenwel opgemerkt worden dat ook deze meer traditioneel ogende en neutraal klinkende categorieën in wezen een alternatieve lading dekten. Zo omvat de categorie ‘juridische onderwerpen’ bijvoorbeeld een rechtszaak voor abortus, het politieoptreden tegen het verspreiden van tracts en de situatie van gedetineerden in gevangenissen. Opmerkelijk is de beperkte plaats die het onderwerp vrije mening - althans in cijfers uitgedrukt - in het tijdschrift innam. Apl zich nam dit onderwerp in de praktijk zeer sterk te harte en zette verschillende acties op het getouw, zoals bijvoorbeeld “Marie Claire Censurée” of nog “Contraste Soir”[515]. Hieruit blijkt duidelijk dat cijfergegevens niet de volledige werkelijkheid weerspiegelen en voor een correct begrip ook rekening moet gehouden worden met de kwaliteiten die achter de droge cijfers schuilen.

 

De lijngrafieken van reeks 2 leggen een duidelijke evolutie bloot in de thema’s die behandeld werden in het apl – tijdschrift. Ideologische thema’s, alsook de onderwerpen milieu en vreemdelingen genoten merkbaar een groeiende aandacht in het apl – tijdschrift, terwijl de plaats die voorbehouden werd voor de thema’s derde wereld, vrede en arbeid steeds kleiner werd. Een lichte daling was daarnaast merkbaar wat de onderwerpen ondersteuning van mensen of partijen in een conflict en vrije meningsuiting betreft, terwijl de onderwerpen maatschappij en alternatieve organisaties, alsook juridische thema’s een lichte stijging kenden. De onderwerpen onderwijs, buurt, politiek, verbruikersorganisaties, seks, cultuur, media en  economie, alsook andere nieuwe sociale bewegingsthema’s bleven grosso modo over de hele lijn behouden bleven.

         Verklaring voor de evolutie in de aard van de thema’s lijkt tweeërlei te zijn. In eerste instantie had het ruimere maatschappelijke gebeuren onmiskenbaar een invloed op de aard van de belichte onderwerpen. De toename van ideologische thema’s hangt bijvoorbeeld samen met de opkomst van extreem – rechts, terwijl de forse daling van het thema’s arbeid dan weer verklaard kan worden door het geluwde protest van de arbeiders[516]. In tweede instantie had de interne werking van apl een invloed op de aard van de belichte onderwerpen. Bepaalde medewerkers van apl onderhielden sterke banden met specifieke organisaties in de sociale strijd en genoten een bevoorrechte positie om informatie te verkrijgen over het onderwerp waar deze organisaties rond opgebouwd waren[517]. Wat de laatste periode betreft is de grote aandacht voor het thema derde wereld bijvoorbeeld deels te verklaren doordat Michel Veys op dat ogenblik naast verantwoordelijke uitgever van apl ook lid was van Comité Zaire. Zo ook zijn de vele dossiers omtrent Spanje in de periode 1976 – 1978 te verklaren doordat een medewerkster van apl ook lid was van het Comité Espagne[518].

 

Reeks 3

 

De cirkeldiagram van reeks 3 leert dat de meeste aandacht in het apl – tijdschrift uitging naar mediagerichte informatieverstrekking (nr. 31). Verwonderlijk is dit niet, gezien apl zelf een informatiemedium was. In zekere zin is deze actievorm dan ook overgerepresenteerd in het apl – tijdschrift. Daarnaast moet opgemerkt worden dat het plaatsen van een advertentie met een oproep tot actie (nr. 34) of met eisen (nr. 35), actievormen waren die eveneens aan bod kwamen in het apl, echter in de vorm van communiqués. Ik heb deze actievormen bijgevolg eveneens ondergebracht onder de actievorm ‘mediagerichte informatieverstrekking’. Opmerkelijk is de grootte van de categorie ‘niet relevant’. In feite betreft deze categorie alle artikels die niet over de sociale strijd handelden of, anders uitgedrukt, alle artikels die in reeks 2 noch handelde over het thema arbeid, noch over het thema nieuwe sociale bewegingen. Relatief groot was daarnaast de aandacht voor directe informatieverstrekking (nr. 30), demonstratieve bijeenkomsten (nr. 52), boycots (nr. 60) en andere confrontatief – legale actievormen (nr. 65). Eerder klein was de aandacht voor andere conventioneel mediagerichte actievormen (nr. 33), bijeenkomsten gevolgd door een persconferentie (nr. 36), demonstraties en protestmarsen (nr. 52) en, feesten met een politiek symbolische waarde (nr. 57). In nog mindere mate kwamen volgende actievormen aan bod: andere conventioneel juridische actievormen (nr. 13), het indienen van een klacht of bezwaarschrift (nr. 22), de deelname aan onderhandelingen (nr. 25), handtekeningenactie, petities en enquêtes (nr. 50), het inrichten van een tentenkamp (nr. 53), brievenacties (nr. 54), inzamelactie ten gunste van een partij in een conflict (nr. 55), vrijwilligersmobilisatie ten gunste van een partij in een conflict (nr. 56), overige demonstratieve actievormen (nr. 59), hongerstaking (nr. 61) andere confrontatief – legale actievormen (nr. 65), blokkade of andere vormen van verstoring (nr. 72), bezetting (nr. 73), andere confrontatief – illegale maar geweldloze actievormen (nr. 77), Bommelding (nr. 78), sabotage (nr. 85) en, bedreiging van personen (nr. 86).

            Alles bij elkaar genomen gaf apl de voorkeur aan conventionele mediagerichte actievormen, gevolgd door demonstratieve en confrontatief - legale actievormen. Direct demonstratieve, conventioneel politieke of conventioneel juridische actievormen kwamen niet of nauwelijks aan bod in het tijdschrift, evenmin als confrontatief - illegale, symbolische en gewelddadige actievormen. Anders geïnterpreteerd blijkt uit deze grafieken een eerder gematigd progressieve voorkeur van apl wat de actievormen van de sociale strijd betreft.

 

Lijngrafieken van reeks 3 tonen aan dat volgende actievormen een groeiende aandacht genoten in het tijdschrift: directe informatieverstrekking, mediagerichte informatieverstrekking, debatten en, in iets mindere mate, demonstraties. Opmerkelijk is dat de artikels die geen betrekking hadden op specifieke acties (‘niet relevant’) door de jaren heen in aantal toenamen. Belangrijke daling betreft dan weer de andere confrontatief legale actievormen. Alle andere actievormen bleven over de hele periode plus minus evenveel aandacht genieten in het apl – tijdschrift. Uit deze lijngrafieken blijkt met andere woorden dat apl zich na verloop van tijd steeds mediagerichter en gematigder ging opstellen wat de actievormen betreft die in het apl – tijdschrift weerhouden werden.

 

Besluit

 

Agence de Presse Libération - Belgique hanteerde duidelijk alternatieve selectiecriteria wat de aard van informatie betreft die centraal stond. Lang niet alle onderwerpen kwamen aan bod in het tijdschrift; aandacht ging bijna exclusief uit naar de sociale strijd, en dit in de meest brede zin van het woord. Apl spitste zich niet toe op één specifiek onderwerp, maar versloeg de volledige sociale strijd in al zijn gedaantes, van het protest van de nieuwe sociale bewegingen over het arbeidersprotest en nog veel ruimer. Op die manier gaf apl zichtbaar vorm aan zijn doelstelling een information populaire tot stand te willen brengen en de voorkeur te willen geven aan een informatie die kon bijdragen tot maatschappelijke veranderingen. Ondanks de wens te komen tot een andere maatschappij was apl qua toon weliswaar progressief, doch vrij gematigd. Door de jaren heen zwakte de relatief revolutionaire instelling van apl zelfs nog verder af.

            Min of meer parallel met de afgezwakte toon van apl, ontwikkelden de aard van de thema’s die aan bod kwamen in het apl – tijdschrift. Verklaring hiervoor ligt in eerste instantie in de veranderende maatschappij die apl omgaf en waarover apl berichtte. Het is opvallend hoe nauw apl mee evolueerde met de sociale strijd. Slechts in tweede instantie is de evolutie in de aard van de informatie die apl in zijn tijdschrift weerhield, te verklaren door de interne werking van apl zelf en dan meer concreet door de wisselende ploeg van medewerkers.

Een echt sluitende verklaring voor de verandering in de thema’s in het apl – tijdschrift lijken de vooropgestelde ‘sleutelmomenten’ niet te bieden, op enkele uitzonderingen na dan. Zo is duidelijk dat de overstap naar offset, alsook de koerswijziging die apl tijdens zijn laatste levensjaren onderging, een grote impact hadden op het apl – tijdschrift. Op de meeste vlakken is de link tussen de verschillen inzake aard van informatie en vooropgestelde ‘sleutelmomenten’ evenwel niet duidelijk en moet de oorzaak elders gezocht worden[519]. De impact van deze sleutelmomenten op de aard van de informatie lijkt op het eerste gezicht dan ook miniem te zijn geweest.

 

 

Verbale weergave van de informatie

 

Agence de Presse Libération - Belgique streefde er in zijn doelstellingen naar de weerhouden informatie weer te geven sous sa forme brute, vanuit een pluralistisch perspectief en met aandacht voor de vrijheid van meningsuiting[520].

Information brute hield in dat analyse en commentaar geweerd moesten worden en enkel de feiten aan bod mochten komen[521]. De keuze voor deze manier van berichtgeving vloeide niet enkel voort uit de functie van apl als persagentschap, maar ook en vooral uit de kritiek van apl op de zogenaamde objectiviteit van de traditionele (opinie-)pers. Apl meende dat de traditionele pers eenzelfde gebeurtenis aan de hand van analyse en commentaar steeds weer op een andere manier wist aan te kleden en de gebeurtenissen zo gelijk welke betekenis wist mee te geven. In het verlengde daarvan zag apl in de achtergrondinformatie en de op- of aanmerkingen in de traditionele pers een verscholen vorm van propaganda. In plaats van analyse en commentaar wou apl de informatie dan ook telle quelle presenteren aan de lezer, opdat die zich in alle vrijheid een eigen mening kon vormen over de feiten en gebeurtenissen. Op die manier beoogde apl de subjectiviteit van de journalist zoveel mogelijk te omzeilen en een zo groot mogelijke vorm van objectiviteit te benaderen[522]. Apl was er zich evenwel terdege van bewust dat het bereiken van de absolute objectiviteit een pure utopie was en het alleen al door de keuze van de weerhouden onderwerpen de facto in zekere zin subjectief was.

            Het pluralisme en de vrijheid van meningsuiting wou apl garanderen door de weerhouden informatie zo veel mogelijk weer te geven in de woorden van zij die alles beleefd hadden en, door geen enkele groep of organisatie te bevoordelen of benadelen[523]. Ten allen tijde moest daarnaast ook duidelijk zijn wie wat gezegd of aangebracht had. Apl wou zich geenszins de informatie van anderen eigen maken. Apl’s aandacht voor pluralisme en vrijheid van meningsuiting vloeide, net als de bezorgdheid om brute informatie, voort uit een kritiek van apl op de traditionele pers. Concreet verweet apl de traditionele pers slechts één klok te luiden, de officiële[524]. Als reactie hierop had apl wat de aard van de informatie betreft reeds geopteerd voor een informatie van onderuit[525]. Wat nu de manier van berichten betreft, wou apl elke mening en stem zonder onderscheid aan bod laten komen, van gematigd links tot extreem – links en, van de fabriek tot op straat[526].

 

Methodologie

 

Om te onderzoeken op welke manier apl de weerhouden informatie in het tijdschrift weergaf, heb ik – alvast voor een deel van de artikels– een beroep gedaan op een kwalitatieve onderzoeksmethode en meer bepaald een vereenvoudigde vorm van discoursanalyse.

            Discoursanalyse kan omschreven worden als een onderzoekstechniek die de dieperliggende betekenislagen van een tekst op het spoor wil komen. Uitgangspunt van de discoursanalytische methode is een kritiek op de inhoudsanalytische methode[527]. In tegenstelling tot wat de inhoudsanalyse claimt, zou de latente betekenis van een tekst zou niet zomaar voor het grijpen liggen, laat staan af te lezen zijn uit numerieke of statistische gegevens. In plaats van te focussen op de frequentie van bepaalde analyse - eenheden, pleit de discoursanalyse er dan ook voor om het onderzoek naar de betekenis van teksten af te stemmen op de onderlinge verbanden tussen woorden en zinnen, alsook op de impliciete of vooronderstelde betekenis van een tekst. Traditioneel voorbeeld van de discoursanalytische methode is het onderzoek door Teun Van Dijk. In zijn onderzoek naar het (latente) racisme in pers en parlement besteedt Van Dijk voornamelijk aandacht aan verwoordingstrategieën. Zijn focus ligt bijgevolg vooral op de argumentatie, stijl en retoriek van een tekst. Voorbeelden van verwoordingsstrategieën die Van Dijk onderscheidt zijn het gebruik van disclaimers, de cijferdans, de streng-maar-rechtvaardig-strategie en de negatieve voorstelling van de andere of de out – group[528].

            Een variant, of correcter een subdiscipline van de discoursanalyse is de linguïstische pragmatiek[529]. Uitgangspunt van de linguïstische pragmatiek is evenals de traditionele discoursanalyse, dat taal zelfs tussen de regels door een verklikker is voor de denkwereld van de auteur van een tekst. Linguïstische pragmatiek legt daarentegen veel sterker de nadruk op het feit dat taal steeds in een context gevat zit en dat de context invloed heeft op de taal. De linguïstische pragmatiek ziet taal of concreter taalgebruik met andere woorden als een dynamisch gegeven dat voor een goed begrip steeds gecontextualiseerd moet worden. Aandacht moet in die optiek dan ook uitgaan naar wie wat gezegd heeft in welke context. Geestesvaders van de linguïstische pragmatiek zijn Jan Blommaert en Jef Verschueren. In het concrete onderzoek naar taalgebruik gaat hun aandacht, evenals in de traditionele discoursanalyse, uit naar verwoordingstrategieën en meer concreet naar grammaticale en lexicale keuzes. Blommaert en Verschueren stellen daarenboven de vraag naar de impliciete betekenis van een tekst en dan zowel in de vorm van implicaties, als van presupposities; alsook naar de globale betekenislagen van tekst.

 

Voor mijn onderzoek heb ik ervoor geopteerd de discoursanalytische methode op een rustige manier toe te passen. Geen van bovenvermelde onderzoeksmethodes heb ik op nauwgezet van a tot z toegepast. Eerder dan een muis te willen zijn die elke vierkante centimeter van haar onderzoeksterrein afspeurt, wou ik als een roofvogel met een scherp oog boven de teksten vliegen om hier en daar een opmerkelijk detail op te pikken. Mijn aandacht ging hierbij voornamelijk uit naar grammaticale en lexicale keuzes, het afwezige of hetgeen in de tekst kwaadwillig dan wel onbewust was weggelaten, de schrijfstijl, de retoriek en het gebruik van dichotomieën en specifieke technieken zoals herhalingen, veralgemeningen, simplificering en het geven van onvolledige of incorrecte informatie.

Deze discoursanalyse op een rustige manier heb ik enkel toegepast op de artikels die geschreven waren door de harde kern van apl. Heel wat van het redactionele werk van apl bestond daarnaast immers in het eenvoudigweg overtypen van toegestuurde berichten. Wat deze ingezonden artikels betreft leek het me niet relevant de hierboven weerhouden methode toe te passen. Veeleer leek hier een traditionele historische kritiek aan de orde.

 

Gezien het hoge aantal artikels dat in de loop der jaren in het apl – tijdschrift verschenen is, heb ik er ook hier, net als voor de kwantitatieve analyse, voor geopteerd niet alle redactionele stukken te onderzoeken, doch steekproefsgewijs te werk te gaan en dit aan de hand van dezelfde sleutelmomenten en dezelfde tijdschriftnummers als bij de kwantitatieve methode.

Verdere beperking van het aantal onderzochte tijdschriftnummers was de exclusieve focus op editorialen enerzijds en op artikels met betrekking tot het thema derde wereld anderzijds. De keuze voor de editorialen kan gemotiveerd worden doordat deze rubriek een wat losstaand genre vormt in vergelijking met de andere rubrieken in het apl – tijdschrift en per definitie de meer persoonlijke stem van apl laat horen. De keuze voor de artikels met betrekking tot het thema derde wereld kan dan weer gemotiveerd worden doordat het thema nieuwe sociale bewegingen kwantitatief gezien de meeste aandacht genoot in het apl – tijdschrift en binnen dit thema het onderwerp derde wereld[530].

Ik ben me ervan bewust dat een kwalitatieve analyse van enkel de editorialen en de artikels met betrekking tot het thema derde wereld geen volledige afspiegeling is van de manier van berichten door apl en een focus op andere thema’s wellicht een ander of genuanceerder beeld zou opleveren. Ook hier geldt evenwel dat de kwalitatieve methode slechts een onderdeel en niet het hoofddoel van mijn onderzoek is.

 

Resultaten

 

Derde wereld : artikels van de hand van de harde kern van apl

 

Apl’s manier van berichten kan in één woord omschreven worden als ‘sec’. Zo luidden de titels van de meeste artikels bijvoorbeeld kortweg ‘persconferentie door … over …” of “manifestatie door …. over …”[531]. Veel meer variatie dan de concrete invulling door wie een activiteit of gebeuren georganiseerd was en waarover het handelde was er niet. De artikels van hun kant betroffen veelal korte, feitelijke verslagen met opgave van wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe; en dit in een zo neutraal mogelijk taalgebruik[532]. In sommige artikels werd deze droge, feitelijke stijl tot het extreme gedreven en gaf apl de informatie gewoonweg weer in puntjes[533]. Brute informatie dus, geen analyse of commentaar.

Desondanks schorde af en toe iets aan de nagestreefde doelstelling van een information brute die de lezer in staat zou moeten stellen zich zelf een mening te vormen over de feiten en gebeurtenissen. Zo kon een artikel bijvoorbeeld zo beknopt zijn en de gegeven achtergrondinformatie zo rudimentair dat niet meer duidelijk was wat apl nu precies wou melden of berichten. Zo ook durfde al eens een nogal geladen woord of tussenwerpsel tussen de doorgaans eerder neutrale zinnen sluipen[534]. Apl stapte op die manier bewust dan wel onbewust uit zijn rol van neutrale verslaggever. Na verloop van tijd was in de harde kern van apl trouwens discussie ontstaan of het hier en daar niet mogelijk was toch een mening te geven[535]. In zekere zin werd deze discussie beantwoord met de nieuwe rubriek Arthur et Zoé, die dagdagelijkse gebeurtenissen op een satirische manier weergaf[536].

 

Op grammaticaal en lexicaal vlak springen de vele schrijffouten in het apl – tijdschrift in het oog[537]. Wat de eerste werkjaren betreft kunnen deze fouten nog deels toegeschreven worden aan de slechte druktechniek. Tijdens het stencileren durfde een letter al eens verdwijnen of net op een ongepaste plaats opduiken. De schuld moet evenwel voornamelijk bij de penhouder gezocht worden. Apl was zich terdege bewust van de overvloedige taal- en grammaticafouten in het tijdschrift, maar er bestond geen eensgezindheid of hieraan moest verholpen worden[538]. Aan de ene kant wou apl iedereen alle vrijheid geven om zijn of haar artikel te schrijven, zonder zich te moeten schikken naar de bourgeoisregels van de orthografie. Aan de andere kant schaadde het feit dat het tijdschrift doorspekt was schrijffouten de geloofwaardigheid van de informatie. De taal- en grammaticafouten bleven ondanks alles gedurende de hele periode even flagrant en enkel tijdens de laatste werkjaren van apl was er op dit vlak sprake van enige beterschap.

         Puur grammaticaal gezien opteerde apl voornamelijk voor de verleden tijd en de actieve vorm van het werkwoord. Onderwerp van het gebeuren werd dus niet verdoezeld door een passieve werkwoordsvorm of onpersoonlijke te gebruiken. Wat de grammaticale volgorde betreft, werden de zinnen bijna steevast opgebouwd volgens dezelfde structuur, te weten onderwerp, gevolgd door werkwoord, meewerkend voorwerp of lijdend voorwerp en eventuele bepalingen van tijd, plaats, reden, gevolg of oorzaak. Dit paste binnen apl’s droge manier van schrijven. Geleidelijk aan evolueerde deze telexachtige stijl en werden de zinnen vlotter en levendiger bijvoorbeeld door de toevoeging van citaten of door de zinnen eens aan te vangen met bijzinnen van tijd of plaats dan wel steevast met het onderwerp[539]. Deze evolutie is te verklaren door het feit dat de aankondiging van activiteiten verhuisd was naar de rubriek ‘agenda’, door het steeds grotere tijdschriftgehalte van het apl – tijdschrift en vermoedelijk ook door de persoonlijke schrijfstijl van de steeds wisselende ploeg auteurs. Dit laatste is evenwel niet met zekerheid te achterhalen gezien alle artikels opgesteld door de harde kern van apl anoniem waren[540]. Een naam werd nooit genoemd en slechts uitzonderlijk figureerde onderaan het artikel de vermelding collectif de l’ apl. Dit paste binnen de idee van collectif autogéré.

         Puur lexicaal gezien hanteerde apl overwegend ‘gewone’ woorden. Het taalgebruik in het apl – tijdschrift was noch zeer opgepoetst, noch zeer platvloers. Geen poepchique woorden, maar evenmin slang of turbotaal. Wanneer bijvoorbeeld sprake was van een manifestatie sprak apl over une manifestation en niet over une manif

 

Grote afwezige in de weergegeven informatie was duidelijk volledigheid en precisie. Vele letterwoorden werden niet toegelicht, vaak ontbrak de vermelding van plaats van gebeuren of organisator, soms werd verwezen naar een voetnoot die nergens te vinden was, dan weer getrooste apl zich niet de moeite alle informatie weer te geven of gedegen samen te vatten en opteerde het gemakshalve voor het onvolledige et cetera, ook wel in de vorm van een opschortingsteken of …[541] Haast absurd is het wanneer dit gebeurde midden in een opsomming[542]. Verder kwam het meer dan eens voor dat bepaalde informatie in het tijdschrift in feite achterhaald was. Op een moment dat het apl – tijdschrift wekelijks verscheen konden sommige artikels bijvoorbeeld al twee of drie weken oud zijn[543]. Nog significanter is dat apl een activiteit kon aankondigen die in feite plaatsvond voor de publicatiedatum van het tijdschrift. Tot slot liep de bronvermelding vaak mank. Lang niet altijd was duidelijk wie nu precies wat stelde en waar de informatie vandaan kwam. Zo wekken bepaalde artikels bij lectuur de indruk te zijn geschreven op basis van een reeds bestaande tekst  - zeker wanneer het artikel in streepjes en puntjesstijl was opgesteld of bepaalde woorden onderlijnd waren -, zonder dat evenwel duidelijk werd aangegeven op welke bron het artikel gebaseerd was[544].  Zo ook vingen slechts weinig artikels aan met On assista à, terwijl uit de tekst vaak kan afgelezen worden dat een welbepaald artikel in feite de samenvatting betrof van een persconferentie of dergelijke[545]. Op andere momenten haalde apl dan weer duidelijk de mening aan van andere, maar zette deze niet tussen aanhalingstekens of in de indirecte rede[546]. Na verloop van tijd verbeterde de bronvermelding bij de artikels evenwel door de opgave van Correspondance apl en een consequenter gebruik van de indirecte rede en aanhalingstekens[547].

Gevolg van de grote afwezigheid van volledigheid en precisie in de weergave van de informatie is dat apl ook hierdoor, weliswaar eerder onopgemerkt, uit zijn rol van neutrale verslaggever stapte. Het niet gebruik van de indirecte rede, de afwezigheid van aanhalingstekens, de vervanging van sommige informatie door (…) en de onduidelijke bronvermelding maakten dat apl zich - wellicht vooral uit onachtzaamheid en in zeker zin dus ongewild – inschreef in de boodschap die het belichtte of de gebeurtenissen die het versloeg. Daarnaast schaadde de onzorgvuldigheid en achteloosheid van apl de betrouwbaarheid van de informatie. Meer dan eens dook in het tijdschrift dan ook een bericht tot rechtzetting op en lieten lezers apl weten dat bepaalde informatie niet volledig of niet correct was weergegeven in het apl – tijdschrift[548].

 

Retoriek van apl was die van de sociale strijd. Dit kan vooral tussen de lijnen door afgelezen worden. Ondanks het feit dat apl al eens uit zijn rol van neutrale verslaggever durfde te vallen  - veelal uit slordigheid -  nam apl in het tijdschrift idealitair geen stelling in. Een ruimere blik op het tijdschrift leert dat hierop één uitzondering gemaakt werd en meer bepaald voor het thema van de vrije meningsuiting. Apl zag de grote pers kennelijk als een boosdoener die eenzijdige en foutieve informatie gaf[549]. Om voort te bouwen op het thema van de vrije meningsuiting is het opvallend dat apl eerder een paar kleine berichten over één bepaald onderwerp weergaf dan één lang artikel[550]. Deels is dit wellicht ook te verklaren vanuit apl’s functie als persagentschap.

 

Derde wereld : artikels van de hand van correspondenten van apl

 

De artikels in het apl – tijdschrift toegestuurd door correspondenten, werden door de harde kern van apl overgetypt en kregen een plaatsje in het tijdschrift. Bedoeling was dat hierbij steeds duidelijk zou blijven wie welke informatie doorgegeven had. Indien mogelijk moest een contactadres opgegeven worden. De facto ging apl behoorlijk ordeloos om met de ingezonden berichten. Net als bij de eigen opgestelde berichten, was apl ook hier al eens te lui om alle informatie op te nemen in het tijdschrift en de artikels volledig over te typen. In plaats daarvan durfden ‘etc.’ of drie opschortingtekens opduiken[551]. En, ook hier apl niet altijd even consequent in het gebruik van de indirecte rede of van aanhalingstekens[552]. Soms vergat apl zelfs gewoonweg de originele auteur van een bepaald bericht te vermelden of gaf het überhaupt niet aan dat een bepaald bericht van een correspondent afkomstig was[553].

Enige vooruitgang wat de weergave van toegestuurde informatie betreft werd geboekt toen de berichten ingezonden door organisaties en verenigingen verhuisden naar de aparte rubriek ‘communiqué’[554]. De slordigheid waar apl mee tewerk ging, veranderde hierdoor evenwel niet. Zo kon apl in de rubriek communiqué op éénzelfde pagina bij twee verschillende communiqués volledig anders te werk gaan en werd bij het ene bijvoorbeeld in de titel reeds aangekondigd dat het desbetreffende artikel een communiqué betrof, terwijl dit bij het andere artikel enkel af te leiden viel uit de aanhalingstekens bij het begin en einde van het artikel[555]. Zo ook betekende het bestaan van de aparte rubriek ‘communiqué’ nog niet dat alle communiqués in het apl – tijdschrift nu onder deze rubriek figureerden[556]. Desondanks was door de jaren heen toch een zekere evolutie merkbaar en ging apl steeds meer secuur om met de ingezonden informatie. Verbaal dan wel visueel werd de lezer duidelijk gemaakt wanneer een artikel van de hand van een correspondent was, door het communiqué bijvoorbeeld schuin af te drukken, zoals bijna steevast gebeurde sinds de druk in offset of, door de vermelding Nous reproduisons …of communiqué de [557].

 

Apl liet in het tijdschrift veel verschillende klokken luiden. Wat het thema derde wereld betreft, nam apl ondermeer berichten over van CNVN (comité national Vietnam étudiants),  ABC (association Belgique-Chine),  Amnesty international, MEPROBA (mouvement des étudiants progressistes burundais), CNP (comite national Palestine), HISD (Haïti information solidarité démocratique), CNAPD (comité national d’action pour la paix et le développement), CEL (comite Espagne libre), ZANU (Zimbabwe african union), AEPPA (association des ex-prisonniers politiques antifascistes portugais) en comite zaïre. Dit is slechts een zeer beperkte greep  uit de grote waaier aan verenigingen die hun berichten verspreidden via apl. Kennelijk wou apl iedereen de kans bieden om via het apl – tijdschrift informatie te verspreiden.

Dat apl soms niet volledig achter het verkondigde standpunt stond of dat de informatie soms wat onhandig weergegeven was, deed er niet zo toe[558]. Het principe dat al wie wou informatie kon verspreiden en dit in zijn of haar woorden was zoniet belangrijker, dan op zijn minst even belangrijk als de aard van de informatie die effectief verspreid werd. Meest significante voorbeeld hiervan, dat weliswaar buiten het thema derde wereld valt, is het feit dat apl ook extreem – linkse organisaties zoals de Belgische CCC (cellulles communistes combatentes) en het Duitse Roth Armee Fraction een plaatsje gaf in het apl – tijdschrift. Hoewel apl overwegend pacifistisch, niet – terroristisch of anti – terroristisch was ingesteld, was het van mening dat iedereen in de mogelijkheid moet zijn om zijn mening te uiten - ook extreem – linkse organisaties -, en dit zonder censuur of deformatie[559]. Anders uitgedrukt vond apl dat ook de CCC of de Roth Armee Fraction gesteund moesten worden, dan misschien wel niet in hun acties, maar wel in hun recht op vrije meningsuiting of En tant qu’ à crier contre les attentats terroristes de ce côté – là, … Il y avait des attentats terroristes tous les jours faits par les gens du pouvoir. Donc, pour nous, les pires terroristes, ce ne sont pas eux[560]. Daarnaast achtte apl alle informatie even belangrijk en kende zich niet het recht toe bepaalde informatie de voorkeur te laten genieten boven andere[561]. Vanuit deze optiek gaf apl er de voorkeur aan verschillende standpunten over eenzelfde gebeurtenis naast elkaar weer te geven eerder dan ze te willen versmelten tot één geheel[562].

 

Editorialen

 

De editorialen verschillen duidelijk met de overige artikels in het apl – tijdschrift, en dan niet alleen qua inhoud, maar ook qua stijl. Inhoudelijk berichtten de editorialen over de interne werking van apl. Geen hoogdravende opiniestukken dus, maar een inkijk in het reilen en zeilen in apl. Op eerder informatieve wijze werd in de editorialen uitgelegd hoe het er in apl aan toeging[563].

 

Over het algemeen waren de editorialen kort maar krachtig geschreven en apl schuwde de imperatief, alsook het uitroepteken niet om zijn standpunt kracht bij te zetten[564]. Dit belet niet dat de toon tegelijkertijd ook luchtig, speels, grappig of levendig kon zijn[565]. Het woordgebruik in de editorialen neigde in tegenstelling tot de rest van de artikels soms al wat meer naar het dialect en apl sprak hier over zichzelf als nous of le collectif, wat duidt op een zekere laagdrempeligheid[566]. Daarnaast was apl in de editorialen ook zeer vertrouwelijk[567]. Apl ontboezemde werkelijk alles aan de lezer, zowel vreugdevol nieuws als grote moeilijkheden. Veelal richtte apl zich in de editorialen, expliciet dan wel impliciet, tot de lezers met de vraag te komen helpen, informatie toe te sturen, het abonnement te vernieuwen of een kritische noot te laten horen[568].

 

Qua woordgebruik valt op dat apl in de editorialen in feite steeds op hetzelfde thema borduurde, met als gevolg dat een aantal woorden bijna steevast terugkwam, te weten instrument de l’ information, lutte populaire, démocratie,  diffusion de l’information, s’exprimer directement, front de l’information, reflex apl en travailleurs de l’information. Desondanks deed apl zijn uiterste best om niet steeds uit dezelfde woordenvijver te vissen en af en toe origineel uit de hoek te komen. Zo was apl bijvoorbeeld zeer vindingrijk om de herhaalde oproepen naar de lezers toe steeds anders te verwoorden[569].

 

Wat apl’s houding tegenover de lezers betreft, leek apl bij het schrijven van de editorialen kennelijk uit te gaan van een eerder negatieve ingesteldheid van de lezer tegenover apl en hierop te willen anticiperen[570]. Dit belet niet dat apl in zijn oproepen naar de lezers toe evolueerde weg van zijn aanvankelijk eerder afstandelijke en zelfs schuchtere houding naar een steeds directere opstelling[571]. In de eindperiode was apl dan weer wat afstandelijker[572]. Steeds bleef evenwel eenzelfde portie nonchalance behouden. Wanneer apl zich dan al de moeite getroostte de lezer op de één of andere manier op attent te maken op één van de vele gedaanteveranderingen of face – lifts die het had ondergaan, verwoordde het dit meestal als volgt : Vous avez dû le remarquer, …[573]. De houding tegenover de lezer leek met andere woorden dubbel. Op bepaalde momenten kon apl de lezer gewoonweg negeren of zelfs beladen met slechte punten. Op andere ogenblikken kon apl zijn hele bestaan dan weer in handen van de lezers leggen. De gemoedsgesteldheid van de harde kern van apl of beter de vraag hoe de zaken ervoor stonden, speelden hierin ontegensprekelijk een belangrijke rol.

 

Besluit

 

Qua manier van berichten stond het ideaal van een information brute kennelijk voorop. Analyse en commentaar werden geweerd en de informatie werd in korte, feitelijke berichten weergegeven met aandacht voor wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe. Lexicaal gezien vertaalde dit zich in een zo neutraal mogelijk woordgebruik; grammaticaal gezien in een duidelijk afleesbare structuur van onderwerp gevolgd door werkwoord en de rest van de zin. In de loop der jaren werd apl’s stijl weliswaar vlotter, analoog met het steeds hogere tijdschriftgehalte van het apl – tijdschrift. Doch, het ideaal van information brute bleef behouden.

            De facto durfde het ideaal van information brute al eens mank lopen. Vooral de onzorgvuldigheid, onvolledigheid en onachtzaamheid waarmee apl met de informatie omging, speelde apl parten. Dit gaf niet alleen een subjectief tintje aan de weergegeven informatie, het kwam evenmin ten goede aan de geloofwaardigheid van de berichten.

 

Apl had bij zijn manier van berichten oog voor de vrijheid van meningsuiting en de pluriformiteit. In zijn tijdschrift maakte apl plaats voor berichten opgesteld door correspondenten en respecteerde het zo veel mogelijk de woorden van deze correspondenten. Echter, ook hier is de slordigheid van apl opvallend. Qua ingesteldheid was apl vrij gematigd. Toch konden in het apl – tijdschrift alle mogelijke verenigingen hun mening uiten, weliswaar zolang ze binnen apl’s retoriek van de sociale strijd pasten. Enkel linkse organisaties met andere woorden, maar dan wel gaande van gematigd links tot extreem – links.

 

De editorialen vormen een uitzondering op apl’s manier van berichten. In deze artikels liet apl zichtbaar zijn persoonlijke stem horen en dit op aan zeer vertrouwelijke en laagdrempelige manier. In tegenstelling tot alle andere artikels in het apl – tijdschrift hanteerde apl in de editorialen duidelijk een aantal technieken zoals herhalingen en het ontkrachten van een geanticipeerde stelling, om zijn standpunt kracht bij te zetten.

 

 

Visuele weergave van de informatie

 

Het apl – tijdschrift bestond aanvankelijk enkel uit tekst. Vanaf het nummer 358 kregen ook foto’s en prenten een plaatsje in het tijdschrift[574]. Deze omschakeling vond niet van de ene dag op de andere plaats, maar progressief[575]. Parallel aan de evolutie in offsetdruk, werden in een eerste fase enkel de vier omslagpagina’s  - in offset gedrukt -  geïllustreerd. Pas toen het apl – tijdschrift volledig in offset verscheen doken overal in het tijdschrift prenten en foto’s op, en dit tot en met het laatste nummer.

Dat het apl – tijdschrift vanaf een bepaalde periode niet langer enkel verbale informatie omvatte, doch ook visuele, was niet zonder consequenties voor de globale betekenis van het tijdschrift. Immers : The visual component of a text is an independently organized and structured message, connected with the verbal text, but in no way dependent on it; and similarly the other way around[576].

 

Methodologie

 

De analyse van beeldmateriaal is het terrein van de imagologie[577]. Vanuit het adagium every picture tells a story, is deze discipline sterk beïnvloed door de semiotiek en andere tekstanalytische methodes. Bovenal is de imagologie schatplichtig aan de iconografie of beeldbeschrijving en iconologie of beeldinterpretatie. Grondleggend op dit vlak is het werk Studies in Iconologie van de hand van Erwin Panofsky. In zijn studie stelt Panofsky een methode in drie stappen voor om de betekenis van beelden te achterhalen, met name de herkenning van de realistische gegevens, de identificatie van de gegevens en het zoeken naar de intrinsieke betekenis en boodschap van de gegevens.

In dezelfde lijn stelde Laurent Gervereau met zijn werk Voir, comprendre, analyser les images, een praktische gids op voor het onderzoek naar beeldmateriaal[578]. Concreet stelt Gervereau voor om het onderzoek te starten met een beschrijving van de beelden of décrire, c’est déjà comprendre. Hierbij moet aandacht geschonken worden aan techniek, compositie en thematiek van de visuele informatie. Vervolgens moet, aldus Gervereau, de context in rekening gebracht worden of specifieker het productieproces, de auteur, de impact, de verspreiding en de ruimere maatschappelijke context. De studie van de context is een steun om de resultaten van de beschrijving van het beeldmateriaal voor interpretatie vatbaar te maken of de laatste fase die Gervereau onderscheidt. 

 

Om te onderzoeken welke visuele informatie in het apl – tijdschrift werd weergegeven en, om te achterhalen of de boodschap die apl uitdroeg anders klinkt wanneer ook het beeldmateriaal in rekening gebracht wordt, heb ik me laten inspireren door bovenstaande uitgangspunten en richtlijnen, doch zonder deze rigoureus toe te passen. Apl’s opvatting qu’on reprend toute illustration qui est publié, que ce soit de gauche ou de droite sans publier de droit et sans demanderl’autorisation maakt het zowat onmogelijk om bijvoorbeeld te achterhalen door welke hand een bepaalde illustratie gemaakt was[579]. Mijn aandacht is dan ook vooral uitgegaan naar de thema’s die apl visueel in beeld bracht en, de functie en dieperliggende betekenis van dit beeldmateriaal. Ik heb de afbeeldingen in het apl - tijdschrift niet onderzocht als losstaande gehelen, doch in relatie met mogelijke onderschriften of tekstballonnen, alsook in relatie tot de artikels. Voor de analyse van het beeldmateriaal in het apl – tijdschrift heb ik een close – reading toegepast op de afbeeldingen in dezelfde tijdschriftnummers als weerhouden in de steekproef voor de kwantitatieve en kwalitatieve analyse van de verbale informatie in het apl – tijdschrift[580].

 

Resultaten

 

Het beeldmateriaal in het apl – tijdschrift omvat zowel prenten als foto’s. De afbeeldingen waren meestal in zwart – wit, sporadisch in één egale kleur. De kwaliteit van de weergave was niet altijd even optimaal. Qua omvang konden de tekeningen en prenten wisselende proporties aannemen, van een kleine vierkante centimeter tot een hele bladzijde.

Een echt vaste relatie tussen foto’s en prenten bestond er niet. Nu eens werden overwegend foto’s afgedrukt in het tijdschrift, dan weer namen de prenten de bovenhand. Wat wel duidelijk is, is dat het tijdschrift van een aanvankelijk eerder sobere illustratie overging tot een ware illustratiepsychose[581]. Foto’s en tekeningen werden op de duur werkelijk overal ingelast. Dit had niet enkel tot gevolg dat het beeldmateriaal de overhand leek te krijgen op de geschreven tekst, de hele lay-out van het tijdschrift leed eronder. In het najaar van 1980 werd hierin zichtbaar kuis gehouden en kreeg alle informatie in het tijdschrift, zowel visueel als verbaal, terug een duidelijke plaats. Kennelijk waren op dat moment in de harde kern van apl een aantal medewerkers actief met een meer grafische en meer artistieke aanleg. Op de voorpagina verscheen voortaan bijvoorbeeld regelmatig één grote afbeelding en, in de rechter bovenhoek, naast de titel van het tijdschrift, werd een detail uit deze afbeelding uitgewerkt[582]. Deze vormgeving bleef ongeveer behouden tot en met het jaar 1983. Visueel werd het tijdschrift dan opnieuw een warboel. De laatste nummers van het apl – tijdschrift lijken niet meer te zijn dan een samenraapsel van hier en daar bij elkaar gegrabbelde documenten, zonder dat enige moeite gedaan werd dit alles in een mooie, overzichtelijke lay – out te gieten[583].

 

De prenten in het apl – tijdschrift zijn uiteenlopend van aard, gaande van zeer kinderachtig ogende tekeningen over striptekeningen, karikaturen en tekeningen die ontsnapt leken uit een encyclopedie van het begin van de twintigste eeuw tot werkelijk artistieke pareltjes. De prenten waren met andere woorden geenszins van eenzelfde hand. In feite beschikte apl over een grote map waarin allerhande illustraties - links of rechts tegengekomen - verzameld werden[584]. Om het tijdschrift te illustreren putte apl vrij uit deze goudmijn aan prenten. Dit verklaart waarom bepaalde illustraties herhaaldelijk opdoken in het tijdschrift. Apl’s illustratiemethode werd echtern niet door iedereen evenzeer gewaardeerd. Apl kreeg meer dan eens te horen niet het recht te hebben een tekening zonder toestemming of zonder erkenning van de auteursrechten te publiceren[585]. Deze reacties veranderden evenwel niets aan apl’s instelling. Apl bleef ervan uit gaan dat illustraties, net alle andere informatie in het tijdschrift, volledig gratis moesten zijn en dat het mogelijk moest zijn deze zonder beperkingen te verspreiden[586]. Slechts heel af en toe werd toch aangegeven waar apl een afbeelding vandaan had.

         De meeste foto’s in het apl – tijdschrift waren afkomstig van apl – photo, althans zolang deze fotodienst actief was. Echt consequent in de bronvermelding of nog, in de opgave van een legende was apl hier evenmin.         

 

Qua onderwerpen lagen de afbeeldingen in het apl - tijdschrift in het verlengde van de thema’s die in de artikels belicht werden, zoals derde wereld, milieu, vrouwenrechten, arbeid en vrije meningsuiting. Opvallend is evenwel dat de thema’s die visueel uitgebeeld werden proportioneel niet in overeenstemming waren met de thema’s die verbaal werden weergegeven[587]. Kwantitatief gezien handelen de meeste artikels in het tijdschrift namelijk over het thema derde wereld, terwijl de afbeeldingen zich vooral lijken toe te spitsen op het thema vrije meningsuiting alsook op juridische thema’s en dan zeer concreet op het thema van gevangenschap.

 

Tussen de prenten en de artikels in het tijdschrift was niet altijd een directe relatie. Sommige prenten deden duidelijk dienst als illustratie bij een bepaald bericht, zoals bijvoorbeeld de weergave van het logo van de organisatie waarover bericht werd[588]. Apl interpreteerde de illustratie van artikels evenwel zeer ruim en voegde al snel een prent toe aan de tekst, ook al hield deze prent slechts in de verste verte verband met een desbetreffende artikel[589].

Bij andere prenten was er dan weer geen link met een specifiek artikel. Zo werden aan het tijdschrift af en toe prenten toegevoegd enkel met als doel het geheel wat luchtiger te maken, zoals bijvoorbeeld een schildpad die het hele tijdschrift door opdook en een wandeling leek te maken tussen de artikels of een kevertje die de rubriek ‘petite annonce gratuite’ aankondigde of nog, een speelse variant op het logo van apl door de hoorn van de ‘geweertelefoon’ te vervangen door een engeltje, een visgraat, een televisie en dergelijke[590]. Veelal betroffen deze losstaand prenten evenwel specifieke thema’s, opvallend vaak dus het thema vrije meningsuiting en gevangenschap. Uit deze prenten valt een duidelijke boodschap af te lezen, expliciet dan wel impliciet. Zo durfde de onder- of boventekst van een prent al eens luiden A bas les prisons. Oui, mais vite alors of Tout le monde à le droit de s’exprimer[591]! Zo ook werd zichtbaar uitgehaald naar de bourgois, de financiële, religieuze en politieke elite[592].

De foto’s van hun kant deden veelal dienst als illustratie en, wanneer afgedrukt op de voorpagina van het tijdschrift zelfs als eye – catcher. Visueel werd dan een voorsmaak gegeven van wat verder in het tijdschrift belicht zou worden, bijvoorbeeld een verslag van een antinucleaire manifestatie, een toelichting van een hongerstaking tegen de verdwijningen in Chili of een bericht over een landbouw – coöperatieve[593]. Ook hier durfde apl expliciet dan wel impliciet stelling innemen, zoals blijkt uit het onderschrift ‘Fond’roy: une photo qui se passe de commentaires bij een foto van enkele manifestanten op de voet gevolgd door een hele horde politieagenten of nog Ah, ces régimes militaires! bij een foto van een rij militairen met opgeheven been[594]

        

Besluit

 

De visuele informatie in het apl – tijdschrift lag in dezelfde lijn als de verbale informatie in het tijdschrift, maar leidde tegelijkertijd ook een eigen leven. Enerzijds werden in de foto’s en prenten dezelfde thema’s belicht als in de artikels. Anderzijds was de toon van de afbeeldingen verschillend. Expliciet dan wel impliciet droeg apl in het beeldmateriaal duidelijk een boodschap uit die verweven was met de centrale thema’s van de ‘sociale strijd’. Het subjectieve gehalte dat apl zoveel mogelijk wou mijden in de verbale informatie, was in de visuele informatie kennelijk geen probleem. Op die manier leverde apl toch commentaar zonder evenwel te tornen aan het ideaal van een ‘information brute’ wat de artikels zelf betreft. De inlassing van foto’s en prenten in het apl – tijdschrift was met andere woorden een vorm van betekenisgeving op zich.

 

 

6. Apl, een interpretatie

 

Opzet van dit onderzoek naar Agence de Presse Libération - Belgique was tweevoudig. In eerste instantie wou ik de doelstellingen van apl ontrafelen om deze te plaatsen tegenover hetgeen apl uiteindelijk realiseerde en de manier waarop het dit deed. Naast de informatie die centraal stond in apl, wou ik focussen op de positie en werking van apl en dit alles in het licht van de context. In tweede instantie wou ik aan de hand van een aangepaste theorie en methodologie onderzoeken of, hoe en waarom apl, conform aan zijn zelfbeeld, tot de alternatieve pers gerekend kan worden. In dit onderdeel wil ik een concreet antwoord formuleren op deze twee grote onderzoeksvragen. Tot slot volgt in het algemeen besluit een eindbeschouwing van dit onderzoek.

 

 

Realisaties apl in relatie tot de doelstellingen van apl

 

- Chers clients, et néanmoins abonnées, peut-être même lecteurs (20 . 11 . 78)

. Hum, un rien vache

- On aurait voulu vous faire un bel édito, bien torché… (13 . 06 . 78)

. Pas très convainquant

- Que les gens qui pleurent sur la disparition successive des journaux (et autres moyens d’information) arrêtent de verser leurs larmes ou leur billet de cent balles chronique et agissent. (21 . 11 . 77)

. Trop autoritaire

- Re-assurez-vous, il n’est pas question d’élever les prix du bulletin, ni de vous demander de l’argent (a moins que vous ne sachiez qu`en faire…).

. Pas réaliste

- Avec vous c’est toujours pareil. Rien ne va plus, et pourtant vous paraissez toujours. Qu’on nous dit… effectivement, on continue mais dans quelles conditions? (11 . 07 . 79)

. Je vous le demande

- Nous relançons notre appel pour votre aide. L’apl connaît de graves ennuis financiers qui mettent en danger sa survie. Nos créanciers nous pressent de très près. (12 . 04 . 74)

. Alarmiste

- … Faites l’effort de nous engeuler, de nous critiquer, de nous dire à quoi on vous sert et, le cas échéant, fût-ce de mâle rage, abonnez-vouz, et venez nous aider à faire plus, mieux, plus vite et plus complètement votre information. (23 . 01 . 79)

. Faites vos critiques vous-même![595]

 

Agence de Presse Libération - Belgique heeft een twintigtal jaar bestaan, van september 1972 tot halfweg 1993. In vergelijking met soortgelijke initiatieven is deze levensduur zeer lang te noemen. Enige nuance is evenwel vereist. De bloeiperiode of époque centrale van apl betrof pakweg een zevental jaar, van eind jaren ’70 tot en met begin jaren ’80. De eerste jaren waren eerder een aanloopfase, de laatste jaren een  zoeken naar overleven door de laatste mohikanen van een generatie die stilletjes aan afgelost werd.

Gedurende zijn hele bestaan heeft apl zijn doelstellingen niet echt aangepast. De doelstellingen collectif autogéré, onafhankelijkheid op alle vlak, information brute, lezers als medewerkers, strijd op het vlak van informatie, donner la parole au peuple, pluriformiteit, maatschappelijke verandering, vrije communicatieruimte, pouvoir informatif, doelstellingen van het eerste uur, zijn perfect terug te vinden in de laatste adem die apl uitblies. Wat veranderde waren niet zozeer de doelstellingen, maar wel de concrete vorm waarin apl deze realiseerde.

 

In alles wat Agence de Presse Libération - Belgique deed, ademde het de geest uit die in de geformuleerde doelstellingen vervat zat.

Op een aantal vlakken is apl er in de loop der jaren in geslaagd enkele van zijn doelstellingen op de één of andere manier te realiseren. Concreet gelukte het apl bijvoorbeeld om na verloop van tijd een waar correspondentennetwerk op punt te stellen waardoor de droom uitkwam dat de mensen zelf informatie moesten toesturen. Verder concretiseerde apl met zijn grote aandacht voor thema’s uit de sociale strijd, alsook voor de vrijheid van meningsuiting, de doelstelling een andere informatie te willen verschaffen en dit vanuit een pluralistisch perspectief. Op inhoudelijk en materieel vlak bereikte apl dan weer een hoge mate van onafhankelijkheid door zoveel mogelijk zelfbedruipend te zijn, informatie van officiële instanties af te wijzen, de druk van het apl – tijdschrift alvast voor de publicatie in offset volledig zelf in handen te nemen en, juridisch gezien het ‘statuut’ van een association de fait aan te nemen.

Echter, op een aantal punten bleef een zekere spanning bestaan tussen de mooi geformuleerde doelstellingen en de concrete realiteit. Apl was zich hiervan terdege bewust en meldde soms heel openhartig : Nous ne sommes pas satisfaits de ce que nous avons publié jusqu’à présent of  Le travail de tous ceux qui ont collaboré à l’ apl depuis près de 7 ans, n’ a certes pas atteint tous les buts qui furent fixé au départ (…)[596]. Groot knelpunt was een gebrek aan mensen en aan een vast basiskapitaal; met alle gevolgen van dien: een decentralisatie die niet van de grond kwam, een administratie die niet vlot boterde, een interne communicatie die al eens mank durfde te lopen, een periodiciteit die moest aangepast worden bij gebrek aan ‘handen en hersenen’ en de facto een zekere vorm van specialisatie. Heil werd gezocht in eindeloze oproepen naar de lezers toe, alsook in het aanwerven van BTK’s en het aanvaarden van financiële steun door de overheid. Binnen de limieten van de geponeerde doelstellingen werd zeer wijd geschipperd tussen wat wensbaar en wat leefbaar was.

Ondanks de soms grote moeilijkheden waar apl mee te kampen had en de reële kloof tussen (sommige) doelstellingen en de concrete realiteit, valt op dat apl tot op het einde een enorm geloof in de eigen zaak uitstraalde. Daarnaast bleef apl de stille droom koesteren ooit tot iets groots uit te groeien. Zo wenste apl aanvankelijk op een gegeven ogenblik een dagblad te worden en hoopte het later “de embryo te kunnen worden van een meer ambitieus project”[597]. Op minder rooskleurige momenten beklemtoonde apl dan weer steevast “de belangrijke rol die het speelde op het vlak van informatie”[598]. Op zo’n ogenblikken had apl er ook een handje van weg de schuld voor het niet goed functioneren in de schoenen van de lezer te schuiven. Apl leek zich dan volledig weg te stoppen achter de idee van een informatie voor, en vooral door het volk. Vanuit deze redenering trof de harde kern van apl geen schuld. Andere merkwaardigheid van apl in minder makkelijke momenten is dat apl van het ene ogenblik op het andere volledig uit zijn as herrezen kon zijn. Getuige bijvoorbeeld het feit dat het apl – tijdschrift, na een staking omdat apl volledig in crisis zat, plots volledig in offset verscheen, een plan dat apl al heel lang in de kast had liggen, maar ondermeer om financiële redenen niet wist te realiseren[599]. Getuige ook volgend bericht, na een heftige abonnementencampagne: L’apl se porte de mieux en mieux![600].

 

Teruggrijpend naar de stelling dat het niet apl’s doelstellingen waren die veranderden, doch de manier waarop apl deze doelstellingen in de praktijk realiseerde, valt op dat apl constant zeer ingrijpende, wispelturige, radicale, tot zelfs haast onopvallende gedaantewissels heeft ondergaan.

In eerste instantie vloeiden deze constante gedaantewissels voort uit apl’s vrees dat een aantal doelstellingen eeuwig dode letter zouden blijven. Hiervoor beducht, leek apl zichzelf voortdurend in vraag te stellen en op zoek te zijn naar dé perfecte formule om de geponeerde doelstellingen te concretiseren. Een masterplan was kennelijk niet voor handen; eerder werd geopteerd voor de formule ‘trial and error’. Voorbeelden van de zelfbevraging van apl, alsook van de vele gedaantewissels zijn legio. Nu eens richtte apl zich tot de lezers met de vraag een enquête in te vullen of in een brief kritisch te reflecteren over bijvoorbeeld de aard, hoeveelheid en soort illustraties in het apl – tijdschrift; dan weer hield apl ‘reflectieweekendjes’ of verscheen het apl – tijdschrift een poosje niet zodat apl in alle rust kon nadenken, onder meer over de journalistieke lijn, het gezicht van het tijdschrift, de vorm van actievoeren en de praktische werking. Meest tastbare voorbeeld zijn de – meestal onaangekondigde en ongemotiveerde – aanpassingen van de titel van het apl – tijdschrift, de kleur, het lettertype, de paginering, de rubrieken, de periodiciteit, enzovoort, enzovoort.

            Naast de zelfbevraging vanuit de vaststelling dat er een gapende kloof bestond tussen (sommige) doelstellingen en de realiteit, spelen nog een tweetal andere factoren mee in de verschillende gedaantewissels van apl. Enerzijds bestond apl uit een steeds vernieuwde ploeg van medewerkers. Nieuwe mensen brachten nieuwe ideeën mee, en dit had zijn meerslag op apl. Anderzijds bleef de maatschappij tijdens het twintigjarig bestaan van apl niet stilstaan. Gezien apl niet in een vacuüm ageerde, maar juist in, voor en door deze veranderende maatschappij, had ook dit zijn impact op apl. Op het vlak van pers en communicatie bijvoorbeeld vond tijdens de jaren ’70 en ’80 een enorme informatiseringsgolf plaats. Hiermee geconfronteerd ruimde de papieren informatie ook in apl meer en meer plaats voor andere informatiekanalen, in casu de telefoon.

Op iets bredere schaal valt op hoe sterk apl mee evolueerde met de ‘sociale strijd’, zowel wat de verspreidde informatie betreft, als het hele proces waardoor deze informatie tot stand kwam. Parallel met de ontwikkelingen in het arbeidersprotest en het protest van de nieuwe sociale bewegingen, evolueerden bijvoorbeeld de thema’s die apl in zijn tijdschrift belichtte en werd de toon na verloop van tijd gematigder. En, op een moment dat de nieuwe sociale bewegingen meer en meer professionele werkkrachten aantrokken als gevolg van het afnemende militantisme van de leden, daalde in apl het aantal medewerkers dat op vrijwillige basis een helpende hand kwam toesteken. In feite is dit logisch, gezien ook apl in wezen een product was van het mei ’68 – gebeuren en bijgevolg zélf deel uitmaakte van de sociale strijd. Vele medewerkers van apl waren bijvoorbeeld tegelijkertijd ook lid van de één of andere nieuwe sociale beweging en, apl was doordrongen van hetzelfde post  - materialistische, links – libertaire waardesysteem als de nieuwe sociale bewegingen. Ondanks de overwegend parallelle evolutie, zou het evenwel foutief zijn apl te bestempelen als één of andere nieuwe sociale beweging. Het blikveld, alsook het actieterrein van apl was veel ruimer dan dat van de nieuwe sociale bewegingen en omvatte bijvoorbeeld ook het protest van de arbeidersbewegingen.

 

In één woord samengevat kan apl omschreven worden als ‘fluctuerend’. De geschiedenis van apl laat zich niet samenvatten tot één manier van werken, één groep medewerkers, één soort informatie. Apl was als een kameleon die steeds andere gedaantes aannam, naar gelang van de interne en externe omgeving die apl omgaf of “Désormais, vous direz: apl? Mais bien sûr, je connais l’apl". Non. D’ailleurs, je préfère ne pas conclure car ici, la conclusion est toujours reportée (…)[601]

 

 

Realisaties apl in relatie tot de definitie en het model van alternatieve pers

 

Agence de Presse Libération - Belgique kan op een meer theoretisch niveau terecht een alternatief persagentschap annex tijdschrift genoemd worden. Alle kenmerken die naar voor komen in de doelstellingen en concrete realisaties van apl sluiten perfect aan bij de weerhouden definitie en model van alternatieve pers, zoals opgesteld door Chris Atton.

 

Tegenover de negatieve vaststelling van een zogenaamde lacune in de traditionele pers op het vlak van informatie wou apl een positief alternatief aanreiken. Centraal stond de idee van een informatie voor en door het volk. Het is deze idee die ik wou weerspiegelen in de titel van mijn onderzoek, te weten Parce que l’information, c’est vous![602].

            Wat het informatieproces betreft, verzette apl hemel en aarde opdat de lezers ook schrijvers zouden worden en het proces voor de verspreiding van informatie van begin tot eind volledig zelf in handen zouden nemen. Een echt onderscheid tussen lezers en harde kern van apl was er niet; communicatie geschiedde op een horizontale manier. In dezelfde lijn stonden op organisatorisch vlak de principes collectiviteit, zelfbestuur en vrijwilligerswerk centraal. Professionalisme en specialisatie waren uit den boze, hiërarchie werd koste wat kost vermeden. Het hele proces van informatieverzameling over redactie en productie tot distributie, geschiedde in een anti – commerciële en anti – kapitalistische sfeer. Op die manier wou apl een zo hoog mogelijke graad van onafhankelijkheid bereiken, zowel qua werking als qua inhoudelijke lijn.

            Wat de informatie zelf betreft, kenmerkte apl zich door alternatieve selectiecriteria. Apl liet een wereld zien van onderuit, een wereld van het gewone volk met zijn dagdagelijkse bezigheden en eenvoudige noden, een wereld van mensen die een andere maatschappij voorstonden. Het perspectief dat apl hanteerde was pluralistisch. Apl zelf was vrij gematigd van instelling, maar maakte in zijn tijdschrift plaats voor meer radicale of, net meer gematigde boodschappen.

 

In Chris Attons termen uitgedrukt, hield apl er een alternatieve visie op na, zowel inzake product, als inzake  proces van het persagentschap annex tijdschrift.

Het is duidelijk dat apl meer wou dan de zuivere communicatie van feiten en ideeën. Niet enkel het argument op papier was van tel voor apl, maar ook het hele proces waardoor dit argument vorm kreeg. Apl was kennelijk de mening toegedaan dat een andere informatie pas mogelijk was mits een andere werking. Anders uitgedrukt wou apl een concrete maatschappelijke functie vervullen door een hulpinstrument te zijn in de sociale strijd en eenieder toe te laten zelf zijn berichten te verspreiden, zelf ‘meester’ te zijn en te blijven van zijn of haar informatie. De doelstellingen van apl waren dan ook meer dan gepredikte idealen, het waren principes die apl absoluut in de praktijk wou omzetten.

            Apl moet in die zin en, in het verlengde van Attons bevindingen, dan ook niet als een ‘mislukking’ geïnterpreteerd worden. Het lage budget was geen noodzaak, maar een doelstelling; het vrijwilligerswerk geen oplossing voor de financiële moeilijkheden, maar een levensvisie. En, hoewel de omzetting van apl’s alternatieve doelstellingen de facto wel eens verlammend kon werken, deze doelstellingen vormden een essentiële schakel in de werking van apl. Het afzweren ervan in de praktijk zou de negatie zelf zijn geweest van apl.

 

Het staat buiten kijf dat apl op de één of andere manier in een getto bleef. Het beperkte budget van apl liet bijvoorbeeld geen grote expansie toe, laat staan een grote bekendheid of oplage. Daarnaast bleek de traditionele pers al gauw niet geïnteresseerd te zijn in apl en zag apl zich genoodzaakt om zich rechtstreeks tot een - beperkt - alternatief publiek te richten indien het wou dat de informatie zijn doel bereikte. Vraag is of apl ook uit zijn getto wou. De notie ‘alternatieve publieke sfeer’ kan hier wellicht soelaas brengen. Wanneer in plaats van ‘getto’ de term ‘alternatieve publieke sfeer’ geponeerd wordt, komt een ander beeld van apl naar voor. Dan blijkt apl een ruimte te zijn geweest voor alternatieve discussie en debat, en dit binnen een complexe structuur van alternatieve economische praktijken, alternatieve organisatie en sociale actie. De hele opzet van apl hing samen met de idee te integreren in de ‘sociale strijd’ die apl ondersteunde en versloeg, zowel in als door het tijdschrift. Het eerder kleinschalige karakter van apl bijvoorbeeld krijgt in het licht van de notie alternatieve publieke sfeer een heel andere betekenis. Voor de alternatieve publieke sfeer waren duizenden kleine publicaties met een beperkt lezerspubliek immers beter en belangrijker dan een tiental grote publicaties met een hoog lezerspubliek. Een grote diversiteit aan publicaties betekende niet alleen een versterking van de pluriformiteit, het impliceerde tegelijk ook een versterking van de democratie an sich.

 

Samengevat met een citaat van Veys: Il faut que ça fonctionne? Non, il faut d’abord qu’on s’amuse ou du moins que l’on se fasse plaisir à faire ce que l’on croit on doit faire et qui n’est pas possible de faire autrement. (…). On n’aurait pas pu vivre ou faire ce qu’on voulait faire en matière d’information sans le pratiquer de la manière dont on l’a pratiqué[603].

 

 

Algemeen besluit

 

Uit dit onderzoek blijkt dat Agence de Presse Libération - Belgique een alternatief persagentschap annex tijdschrift was dat als dusdanig onderzocht moet worden. Enkel aan de hand van een aangepaste theorie en methodologie kunnen de doelstellingen en de concrete realisaties van apl correct ingeschat worden en krijgen elementen zoals werkrotatie, horizontale communicatie en anti-commerciële instelling hun volle betekenis. Apl wou immers geen concurrent zijn voor de traditionele pers -laat staan voor Belga-, maar een alternatief. Hiervoor verwierp het alle grondslagen van de traditionele pers om deze te vervangen door alternatieve.

            Daarnaast blijkt uit dit onderzoek dat een blik op de context van primordiaal belang is voor een goed begrip van apl. Apl was onmiskenbaar een geesteskind van het mei ’68 – gebeuren en was onlosmakelijk verbonden met de ‘sociale strijd’ die woedde in de jaren ’70 en ’80 van de twintigste eeuw. De hele opzet van apl kan dan ook slechts terdege begrepen worden mits aandacht voor de concrete historische inbedding van apl.

 

Concluderend blijkt dat Agence de Presse Libération - Belgique e

erder dan mislukt te zijn in zijn opzet, erin geslaagd is de - alternatieve -  doelstellingen die het voor ogen hield effectief in de praktijk om te zetten, of althans deels, en zo een maatschappelijke functie te vervullen, wellicht de primaire doelstelling van Agence de Presse Libération - Belgique.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[1] Opzet van de Odis-workshop “Historische en sociologische benaderingen van nieuwe sociale bewegingen”, 22 november 2002, Congreszaal van de Kamer Van Volksvertegenwoordigers en de Senaat, Leuvenseweg 21, Brussel. / Odis staat voor Onderzoekssteunpunt en databank intermediaire structuren in Vlaanderen 19de – 20ste eeuw. / Zie ook het verslag van deze workshop : Weber (Donald), Nieuwe, nieuwere en nieuwste sociale bewegingen, in: Brood en rozen, 2003, 1, pp. 77-79.

[2] Verder schrijf ik de term “nieuwe sociale bewegingen” niet steeds voluit, maar ook afgekort met het standaardletterwoord “nsb”.

[3] Dat Hooghe ervoor pleit het onderzoek naar nieuwe sociale bewegingen over te dragen aan historici, wijst er niet op dat historici zich nog niet op dit wetenschapsterrein zouden gewaagd hebben. Wel, aldus Marc Hooghe, zou dit onderzoek een privilege moeten worden van historici. Hooghe (Marc), Inleidend overzicht van het onderzoek naar nieuwe sociale bewegingen, Odis-Workshop 2002. / Niet alle aanwezigen op de workshop waren het eens met Hooghes voorstel. Zo zou ook voor sociologen nog wel wat werk aan de winkel zijn, zeker wanneer de recente golf van nieuwe sociale bewegingen, ook wel de nieuwste sociale bewegingen genoemd, bij het onderzoeksdomein betrokken worden. Daarnaast zouden historici beroepsmatig een eerder ingebakken wantrouwen hebben tegen het gebruik van de term ‘nieuw’ en minder geneigd zijn dan sociologen en politicologen om de ‘nieuwe’ sociale bewegingen als een afzonderlijk onderzoeksveld te beschouwen. Zie Weber (Donald), Nieuwe, nieuwere en nieuwste sociale bewegingen, …, p. 78.

[4] Opzet van de Odis - workshop 2002

[5] Hierbij neem ik volgende werken als leidraad: Aerts (Remieg), Het tijdschrift als culturele factor en historische bron, in: Groniek 30, 1996, pp. 170 - 183. / Aron (Pierre), Pour une sociologie des revues littéraires. Le cas de la Belgique de la langue française, in: Revue et Recherche, s.d., pp. 97 - 107. / Beetham (M.), Towards a theory of the periodical as a publishing genre, in: Investigation victorian journalism, New York, Sint-Martens Press, 1990, pp. 19 - 32. / Pluet-Despatin (J.), Une contribution à l’histoire des intellectuels: les revues, in: Cahiers de l’IHTP, 1992, pp. 125-136. / Pycket (Lyn), Reading the periodical press: text and context, in: Investigation victorian journalism, New York, Sint-Martens Press, 1990, pp. 3 - 18.

Daarnaast heb ik in dit verband de optie ‘bronnenonderzoek naar tijdschriften’ gekozen in het kader van de lessen historische kritiek, nieuwste tijden II, academiejaar 2003-2004 en deelgenomen aan het colloquium “Van nu en straks als gangmakers, Vlaamse tijdschriften in het fin de siècle”, georganiseerd door de Universiteit Gent, 30-31 oktober 2003, Pand, Onderbergen 1, Gent.

Hoewel de meeste van deze artikels, alsook het colloquium een sterk literair karakter hebben, leggen ze de grote lijnen bloot van de recentste inzichten in het onderzoek naar tijdschriften.

[6] Aerts (Remieg), Het tijdschrift als culturele factor en historische bron, … p. 179.

[7] Met ‘impliciet’ bedoel ik dat ik deze elementen niet onderzoek als grote, aparte onderdelen, maar eerder kort aanhaal. 

[8] Het is mijns inziens immers nog veel te vroeg om een echt overzichtswerk van alternatieve pers in België op te stellen.

[9] In een e-mail d.d. 23 november 2002, antwoordde Luk Schokkaert, afdelingshoofd Publieke Diensten en Informatica van het Kadok, me op mijn vraag of het bpa-archief zich daar bevond, dat er geen archiefstukken van het Bevrijdingspersagentschap bewaard zijn in het Kadok.

[10] Zie hoger

[11] Gryspeerdt (Axel), Les nouveaux courants de la presse francophone en Belgique après mai 1968, p. 1, p. 10.

[12] Voor verdere motivatie, zie deel 2: Theorie en methodologie, Alternatieve pers - een omschrijving, Afbakening van het definitievoorwerp.

[13] Als proef op de som volstaat het om in een elektronische zoekmachine zoals google.be de functie ‘altern* media’ in te voeren. Het resultaat van de zoekfunctie bewijst het bestaan van een gevarieerde waaier aan elektronische alternatieve media - initiatieven.

[14] http://belgium.indymedia.be / Indymedia.be werd opgericht in juni 2000 als onderdeel van het internationale Indymedia – netwerk (www.ingymedia.org) dat ontstond naar aanleiding van de protesten tegen de wereldhandelsorganisatie in november 1999 te Seattle. Indymedia omschrijft zichzelf als een onafhankelijk collectief van media – activisten dat actief wil zijn in alle denkbare media, en dit vanuit een sociale opstelling. Indymedia.be wil immers de kant kiezen van al wie zich verzet tegen de kapitalistische globalisering. Doelstellingen van Indymedia.be zijn de stem van het verzet laten horen, een alternatief massamedium zijn, andere informatie promoten en verspreiden en, participatie, kritiek en analyse stimuleren. Indymedia.be vat deze gedachte samen met de quote ‘ Don’t hate the media, be the media!’

[15] Amsab - ISG, Bagattestraat 174, Gent.

[16] Agence de Presse Libération, in: Amsab Tijdingen, 1994, 23, p. 24

[17] Met Piet Creve Sprak ik hier ondermeer over op 14.07.2003, 10.11.2003 en 24.12.2003 / Piet Creve was bij aanvang van mijn onderzoek als medewerker van het archiefdepartement van het Amsab – ISG de belangrijkste kracht achter de beschrijving van het apl – archief, samen met Rik de Coninck, archivaris van het archiefdepartement van het Amsab – ISG. Intussen is Piet Creve benoemd tot departementshoofd van de afdeling archief en is enkel nog Rik De Coninck belast met de beschrijving, bijgestaan door een extra medewerker van het Amsab – ISG. / In een e – mail d.d. 21.04.2004 liet Rik de Coninck me weten dat de inventarisring van het apl – archief binnen twee maanden klaar zou zijn, uitgezonderd dan de inventarisering van de bibliotheek van apl. Voor een stand van zaken, zie : www.amsab.be, pallas (electronische catalogus van het Amsab – ISG).

[18] Allerhande briefwisseling heb ik bijvoorbeeld teruggevonden in:  Amsab - ISG, dozen 29, 129, 130, 162, 194, 227, 228, 229, 231 en 238.

[19] De hele periode in beschouwing genomen, genoot apl grof geschetst een drietal vormen van subsidiëring, zijnde de erkenning als ‘Service Général d’Education Permanente’, de uitzonderlijke subsidiëring (subsides exeptionnels) en het CST – TCT (cadre special temporaire, troisième circuit de travail). Op deze verschillende vormen van subsidiëring die aan apl werden toegekend, ga ik verder uitgebreider in. Zie deel 4: Apl, Een concrete casus, Praktische werking, Financiën. 

[20] Ik houd eraan de omvang van het archief ook in positieve zin te onderstrepen. Het bewaarde archiefmateriaal vormt een unieke getuige van het progressieve landschap van de jaren ’70 en ’80, en dit zowel in binnen- als in buitenland.

[21] Ik had hierover eind januari 2004een gesprek met Rik De Coninck.

[22] Zie bijlage 2 : Overzicht van de weerhouden bronnen en vindplaatsen

[23] Zie deel 4: Apl, Een concrete casus

[24] Zie deel 5: Apl, Informatie in woord en beeld

[25] Zie deel 4 : Apl, Een concrete casus

[26] Volledigheidshalve moet ik opmerken dat lang niet elk nummer een editoriaal had.

[27] Zie bijlage 3: Identiteitskaart van het apl – tijdschrift.

[28] Zie deel 5 : Apl, Informatie in woord en beeld.

[29] Amsab-ISG, MTSK 164

[30] Koninklijke Bibliotheek, BD 30259 / In tegenstelling tot de collectie apl – tijdschriften in het Amsab – ISG en de tijdschriften die ik in eigen beheer heb, zijn de apl – tijdschriften in de Koninklijke Bibliotheek niet los bewaard, doch ingebonden in een aantal boekdelen. Beetham beziet dit als een paradox. Aan de ene kant staat het inbinden van een collectie tijdschriften haar inziens garant voor de bewaring van de tijdschriften. Aan de andere kant ligt het, aldus Beetham, in de natuur van een tijdschrift om in aparte nummers, van elkaar in tijd gescheiden, te verschijnen. Het inbinden van een tijdschrift zou dan ook belangrijke repercussies hebben op de vorm van de tekst. Daarnaast, zo vervolgt Beetham, moet ook rekening gehouden worden met hetgeen niet werd ingebonden, zoals betalingsformulieren en reclame. Ik meen dat Beethams opmerking ruimer geïnterpreteerd kan worden en geldt voor elke bewaarde collectie tijdschriften, ingebonden of niet. Zie: Beetham (M.), Towards a theory of the periodical as a publishing genre, …, pp. 23.

[31] Zie verder in dit hoofdstuk en zie bijlage 2: Overzicht van de weerhouden bronnen en vindplaatsen.

[32] In se behoort het apl – tijdschrift ook tot het ‘harde archiefmateriaal’ van apl. Gezien het tijdschrift zo’n grote en aparte bronnenreeks is, heb ik dit hoger apart besproken.

[33] Gezien de inventarisering van het archief nog niet voltooid was bij beëindiging van mijn onderzoek, was het niet mogelijk de uiteindelijke inventaris op te nemen in deze verhandeling.

[34] In de Pijnderstraat bevindt zich het depot van het Amsab – ISG. De hele inventarisering van het archief vond en vindt hier plaats. 

[35] Monique Quintart en Pascal Delaunois stuurden me daarnaast een brief op met aanvullende informatie over apl. Eigen beheer, . Brief van Monique Quintart en Pascal Delaunois (04. 05. 2004)

[36] Eigen beheer, Vragenlijst over apl, ingevuld door Sophie Louveaux (februari 2004) / Voor de wet van de remmende meeropbrengst, zie : De Wever (Bruno) en Wouters (Nico), Module mondelinge geschiedenis, 2001-2002.

[37] Sophie Louveaux werkte in apl als BTK in het kader van het plan Spitaels. Zie deel 4: Apl, Een concrete casus, Algemene werking, Financiën en Praktische werking persagentschap annex tijdschrift, Medewerkers.

[38] Amsab – ISG, S/2004/036

[39] Delaunois (Pascal), L’Agence de Presse Libération - Belgique, Bruxelles, ULB, (Mém. Lic), 1974, (journalisme). / Delaunois was zich bewust van zijn ambivalente positie en het probleem van compatibiliteit tussen wetenschappelijk onderzoek en participatie. Met zijn licentiaatverhandeling streefde hij er als onderzoeker naar om zo objectief en wetenschappelijk mogelijk te zijn. Als medewerker van apl streefde hij ernaar met zijn onderzoek een analyse – instrument aan te bieden dat apl moest helpen te strijden voor een andere informatie. Zie : Delaunois (Pascal), L’Agence de Presse Libération – Belgique, …, Avertissement.

[40] ULB, Espace multimédia, MEM.TO5321M.

[41] Gezien apl zijn berichten vrij liet overnemen door anderen en bronvermelding niet verplicht stelde, is het daarenboven onmogelijk de volledige raakwijdte van de informatieverspreiding van apl te achterhalen.

[42] Amsab - ISG, doos 231, brief MCF (13 12 89). In een brief van het Ministerie van Cultuur van de Franstalige Gemeenschap werd apl gevraagd concrete gegevens over zichzelf door te sturen om het Répertoire d’offres à l’action socio - culturelle aan te vullen / Guide de la Belgique des luttes, Brussel, Editions vie Ouvrière, 1977, 473 p.

[43] Zie deel 2: Theorie en methodologie

[44] Prevenier (Walter), Howell (Martha) en Boone (Marc), Uit goede bron,…, p. 10.

[45] Gesprek met Michel Veys, Schaarbeek, d.d. van het interview, 13 november 2003.

[46] Zie deel 5: Apl, Informatie in woord en beeld.

[47] De Wever (Bruno) en François (Pieter), Gestemd verleden, …, p. 7 en p. 18

[48] De Wever (Bruno) en François (Pieter), Gestemd verleden, …, pp. 12-15. / De Wever (Bruno), Mondelinge geschiedenis, pp. 55-56, 68-70.

[49] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, 13 november 2003, Schaerbeek. / Veys vermeldde er evenwel bij dat dit een karikaturistisch beeld is van apl. Toch blijkt uit deze beeldspraak dat Veys volledig anders tegenover apl staat en stond dan Delaunois en Quintart.

[50] In bovenvermeld interview omschreef Veys de periode waarin hij verantwoordelijke uitgever was van apl op deze manier.

[51] Voorbeeld hiervan is de licentiaatverhandeling van Pascal Delaunois. [zie hoger, Weerhouden bronnen en vindplaatsen] / Ander voorbeeld is de licentiaatverhandeling van Christian Vanderwinnen, permantent medewerker van het tijdschrift Pour: Vanderwinnen (Christian), Structures et projet d’un hebdomadaire belge élaboré par un groupe de militants marxistes. ‘Pour, un journal au service des luttes’, Bruxelles, ULB, (Mém. Lic.), 1975, (Journalisme).

[52] Beys (Mathieu), La parole au peuple. Presse progressiste et indépendante autour de mai ’68 en Belgique francophone, Bruxelles, ULB, (Mém. Lic), 1999, (Histoire contemporaine). / In zijn licentiaatverhandeling onderzocht Beys volgende alternatieve persinitiatieven : Le Point, Mai, Notre Temps, Hebdo, Pour en apl.

[53] Impliciet lijkt Beys tamelijk sterk uit te gaan van de denkkaders in de traditionele pers. Dit blijkt ondermeer uit zijn conclusie die aanvangt met “Au terme de ce panorama de différents journaux, un constat vient immédiatement à l’esprit : l’existence de la plupart d’entre eux se résume souvent à une lutte pour la survie". [Beys (Mathieu), La parole au peuple. Presse progressiste et indépendante autour de mai ’68 en Belgique francophone, …, p. 133.]. Mijns inziens gaat Beus dan ook deels voorbij aan de eigenheid van de alternatieve pers. Zie ook verder, deel 2: Theorie en methodologie, Naar een model voor het onderzoek van alternatieve pers. 

[54] Atton (Chris), Alternative media, London, Sage Publications, 2002, 172p. / Zie ook het eerder verschenen artikel: Atton (Chris), A reassessment of the alternative press, in: Media, culture and society, 1999, 21, pp. 51-76.

[55] In het Nederlands ook aangeduid met de term nieuwste sociale bewegingen.

[56] Dit uitgangspunt sterkt me in mijn focus op Agence de Presse Libération – Belgique als concrete casus, veeleer dan een overzichtswerk van de alternatieve pers tot stand te willen brengen.

[57] Dit is alvast Attons betrachting.

[58] Zie deel 2: Theorie en methodologie.

[59] Het criterium ‘links’ als afbakeningselement voor een mogelijke definitie voor alternatieve pers, is een criterium dat ikzelf heb ingevoerd. Nergens in de geraadpleegde literatuur wordt er rekening mee gehouden dat mogelijks ook in het ‘andere kamp’ alternatieve persorganen ontstaan kunnen zijn. Ik ben me ervan bewust dat de noties ‘links’ en ‘rechts’ vrij vage en betwistbare begrippen zijn. Toch volstaan deze ingeburgerde en contrasterende begrippen mijns inziens om duidelijk te stellen welke pers ik wel in rekening breng en welke niet.Traditioneel stoelt de term ‘links’ op in min of meerdere mate progressieve idealen en rechts op conservatieve. Recent is de invulling van deze termen eerder verschoven naar respectievelijk een grote nadruk op gelijkheid voor de term links en op vrijheid voor de term rechts.

[60] Zie hiervoor ondermeer: Atton (Chris), Alternative media, …, p. 1-2  / Gryspeerd (Axel), Les nouveaux courants de la presse francophone en Belgique après mai 1968, …, p.3 / Philippart (Michel), Sauvage, ces canards? , …, p 55-56 / Dietsch (Jean-Claude), Aujourd’hui une "autre" presse?, …, p. 378 / Canards en chaîne, Répertoire unique et incomplet d’ une presse «alternative» plus ou moins sporadique, …, pp. 6-8. Bij dit werk is alleen al de titel veelzeggend.

[61] In de Franstalige literatuur duikt ook wel de term ‘canard sauvage’ op. / Zoals hoger aangegeven en gemotiveerd, opteer ik voor de term alternatieve pers.

[62] De belangrijkste werken in dit verband zijn : Gryspeerdt (Axel), Les nouveaux courants de la presse francophone en Belgique après mai 1968: la conta-information régionale, locale et sectorielle, in: CH. CRISP, 1979, 845-846, pp. 1- 41. / Canards en chaîne, Répertoire unique et incomplet d’ une presse «alternative» plus ou moins sporadique, Ittre, Mediacom-Presse, 1980, s.p. / Dietsch (Jean-Claude), Aujourd’hui une "autre" presse? in: Etudes,  1972, p. 385. / Philipart (Michel), Sauvage, ces canards? La petite presse en Belgique francophone, in: La Revue Nouvelle, LXXIV, 1981, 7-8, pp. 55- 68. / Royal Commision on the Alternative Press, Periodicals and the alternative Press, London, HMSO (Her Majesty’s Stationery Office), 1977, 73p.

Gezien het vage, onvruchtbare karakter van de definities van alternatieve pers in deze werken, beperk ik me hier tot het geven van een algemeen beeld van de geformuleerde definities. Ik acht het niet nuttig deze studies gedetailleerder toe te lichten, aangezien alle onderscheiden kenmerken eveneens opduiken in de – veel meer volledige en gestructureerde - omschrijving door Atton. (zie lager).

[63] Zie bijvoorbeeld: Gryspeerd (Axel), Les nouveaux courants, …, p7-8. Gryspeerd onderscheidt ondermeer decentralisatie als een kenmerk van alternatieve pers. Zijns inziens hangt dit kenmerk enkel samen met de inhoud van alternatieve pers.

[64] Zie bijvoorbeeld: Gryspeerd (Axel), Les nouveaux courants, …, pp. 4-6

[65] Zie bijvoorbeeld: Philipart (Michel), Sauvage, ces canards?, …, pp. 56-59. Philippart omschrijft de alternatieve pers (of in zijn terminologie de ‘petite presse’) als een pers die niet de grote pers is, noch de commerciële pers, noch de politieke pers. Het is, aldus Philippart ‘le reste’. (p. 59) / De Royal Commission on the Alternative Press gaat niet zo ver, maar omschrijft de alternatieve pers toch als ‘publications not normally regarded as belonging to the ‘established’ press, of nog ‘any publication which espouses views or deals with subjects not given regular coverage by publications generally available at newsagents’, Royal Commision on the Alternative Press, Periodicals and the altenrative Press,…,pp. 40-41.

[66] Wat de betrokkenheid betreft, zie bijvoorbeeld het repertorium: “Canards en chaîne, Répertoire unique et incomplet d’ une presse «alternative» plus ou moins sporadique”. Dit repertorium werd opgesteld naar aanleiding van een gelijknamig colloquium gehouden te Tubize in 1979, op het initiatief van l’Arme à l’oeil. L’Arme à l’oeil was zelf een alternatief persorgaan. Canards en chaîne, Répertoire unique et incomplet d’ une presse «alternative» plus ou moins sporadique, Ittre, Mediacom-Presse, 1980, 169p.

[67] Dit onderdeel is volledig gebaseerd op Atton (Chris), Alternative media, …, pp. 1-31 / Atton (Chris), A reassessment of the alternative press, pp. 51-56. Dit artikel was de basis voor het tweede hoofdstuk van het recentere boek “Alternative media”.

[68] Voor een bespreking van Atton, zie ook deel 1: Inleiding, Literatuur

[69] Atton (Chris), Alternative media, …, p. 4. / Gezien Atton de definiëring van alternatieve media in de vorm van een allesomvattend, maar zijns inziens ook betwistbaar containerbegrip afwijst, is het niet mijn betrachting dit wel te doen. Met dit citaat wil ik enkel de belangrijkste kenmerken van alternatieve media volgens Atton nog eens in herinnering brengen.

[70] Dit onderdeel is gebaseerd op de inleidende lessen historische kritiek nieuwste tijden II (bronnenonderzoek naar een tijdschrift), academiejaar 2003-2004; op het door de universiteit Gent georganiseerde colloquium ‘Van nu en straks als gangmakers, Vlaamse tijdschriften in het fin de siècle’, 30-31 oktober 2003, Gent, Pand en op volgende werken : Aerts (Remieg), Het tijdschrift als culturele factor en historische bron, in: Groniek 30, 1996, pp. 170 - 183. / Aron (Pierre), Pour une sociologie des revues littéraires. Le cas de la Belgique de la langue française, in: Revue et Recherche, s.d., pp. 97 - 107. / Beetham (M.), Towards a theory of the periodical as a publishing genre, in: Investigation victorian journalism, New York, Sint-Martens Press, 1990, pp. 19 - 32. / Pluet-Despatin (J.), Une contribution à l’histoire des intellectuels: les revues, in: Cahiers de l’IHTP, 1992, pp. 125-136. / Pycket (Lyn), Reading the periodical press: text and context, in: Investigation victorian journalism, New York, Sint-Martens Press, 1990, pp. 3 - 18.

[71] Volledigheidshalve zou ik in dit verband de notie ‘symbolisch profijt’ moeten laten vallen. Kort geschetst houdt dit begrip in dat de deelname aan een tijdschrift, onder welke vorm dan ook, een strategie zou zijn tot erkenning. Jacqueline Pluet – Despatin spreekt in dit verband van ‘sociabilité’. Gezien niet rechtstreeks relevant voor het verdere betoog van mijn onderzoek, ga ik niet verder in op deze notie. Zie hiervoor ondermeer : Aron (Paul), Pour une sociologie des revues littéraires. Le cas de la Belgique de la langue française, in: Revue et Recherche, s.d., pp. 97 - 107. / Pluet-Despatin (Jacqueline), Une contribution à l’histoire des intellectuels: les revues, in: Cahiers de l’IHTP, 1992, pp. 125-136.

[72] Zie Aerts (Remieg), Het tijdschrift als culturele factor en historische bron, …, p. 173.

[73] Atton (Chris), Alternative media, …, pp. 7-31/ Atton (Chris), A reassessment of the alternative press, …, pp. 51-56.

[74] Atton (Chris), Alternative media, …, pp. 19-23, 29-30 / Atton (Chris), A reassessment of the alternative press, …, pp 55-56. / Atton heeft de notie van ‘alternatieve publieke sfeer’ overgenomen van Downing. Downing deed onderzoek naar de Duitse anti – nucleaire beweging en anti – nucleaire pers in de jaren ’80.

[75] Atton (Chris), Alternative media, …, pp. 29-30.

[76] Getuige hiervan Remieg Aerts die in zijn historische schets van tijdschrifttypen, “de intrede van de politiek en de ontdekking door modern-kapitalistische, op voortdurend expansie gerichte commercie van de mogelijkheden van het tijdschrift als middel om mensen te verenigen, te binden en door reclame tot consumptie aan te zetten”, omschrijft als de belangrijkste recente evoluties van tijdschriften. Zie : Aerts (Remieg), Het tijdschrift als culturele factor en historische bron, …, p. 177

[77] Zo kan de hoger vermelde notie van ‘symbolisch profijt’ of ‘sociabilité’ in zekere zin ook teruggevonden worden in de alternatieve pers, met die nuance dat de voorwaarden van deelname aan de  alternatieve pers volledig verschillen van de traditionele pers en bijgevolg ook de aard van de mogelijks te bekomen erkenning.

[78] Atton (Chris), A reassessment of the alternative press, …, pp. 53-54.

[79] De idee dat de alternatieve pers ‘mislukt’ is komt sterk naar voor bij de Engelse Comedia Group. De Comedia Group was oorspronkelijk opgestart in 1978 als de Minority Press Group en werd in 1980 omgevormd tot de Comedia Group. Deze groep boog zich over het lot van de alternatieve pers in Engeland vanuit het uitgangspunt dat de alternatieve pers gefaald was in haar doelstellingen omdat ze er niet in slaagde financieel te plannen en organisatorisch efficiënt te zijn. Graadmeter voor succes was een hoge circulatie en goede marktpenetratie. De groep ging op zoek naar concrete aanbevelingen om de alternatieve pers uit zijn ‘getto’ te krijgen, uit zijn van ‘nature ondergeschikte positie ten opzichte van de mainstream pers’. De (kapitalistische) aanbevelingen die de Comedia Group formuleerde, werden later herhaaldelijk ontkracht. Zie hiervoor ondermeer: Khiabany (Gholam), Red Pepper: a new model for the alternative press? In: Media, culture and society, 2000, 22, pp. 447-463.

[80] Deneckere (Gita), Historische kritiek van woord en beeld in de massamedia, …, p. 6.

[81] Hoewel onderhevig aan felle kritiek omwille van het simplistische karakter, houdt het transitiemodel stand. Wel werd het model gecompliceerd door de introductie van een communicator-figuur, de klemtoon op feit dat communicatie ook draait rond het vangen van de aandacht van het publiek naast de pure overdracht van informatie en, door de vergrote focus op de ontvanger en de manier waarop deze de boodschap interpreteert. Zie: Deneckere (Gita), Historische kritiek van woord en beeld in de massamedia, pp. 6-8.

[82] Net als zijn definitie, is Attons model ruimer dan hier omschreven en omvat het in wezen de hele alternatieve media. In het licht van mijn onderzoek, focus ik evenwel enkel op de alternatieve pers.

[83] Zie hoger

[84] Atton (Chris), Alternative media, …p. 27. / Dit model omvat de hele alternatieve media, en niet enkel de alternatieve pers.

[85] Zie deel 4: Apl, Een concrete casus, en deel 5: Apl, Informatie in woord en beeld. / In zekere zin onderzoek ik apl in deel 4 als ‘proces’ en in deel 5 als ‘product’.

[86] Zie deel 6, Apl, Een interpretatie, Realisaties apl in relatie tot de definitie en het model van alternatieve pers. 

[87] In dit hoofdstuk staat de algemene sociale, politieke en economische context centraal waarin apl het levenslicht zag en zijn activiteiten ontvouwde. Gezien het onmogelijk was en tegelijk onnodig deze drie dimensies evenredig toe te lichten, heb ik ervoor geopteerd de economische dimensie als invalshoek te hanteren en de twee andere dimensies, te weten de politieke en sociale, hieraan vast te knopen. De keuze voor een economische invalshoek ligt in de lijn van het achtste hoofdstuk van het boek Politieke geschiedenis van België, getiteld ‘De economische en sociale politiek sinds de jaren vijftig’. Zie Witte (Els), Politieke geschiedenis van België, …, pp. 287- 318.

Voor de niet echt traditionele indeling van dit hoofdstuk, waarbij de jaren ‘68-‘73 als een apart blok belicht worden en niet binnen hun respectieve decennia, liet ik me tevens inspireren door het achtste hoofdstuk van Wittes Politieke geschiedenis van België, alsook door de geest van het eerste hoofdstuk van Kerhofs boek over de oude en nieuwe waarden in het België van de jaren ’80, getiteld ‘Historische inleiding tot de studie der waarden’. Zie Kerkhofs (Jan), De stille ommekeer, …, pp. 11-38.

[88] Tenzij anders aangegeven is dit onderdeel gebaseerd op Witte (Els), Politieke geschiedenis van België, …, pp. 295-304 / Kerkhofs (Jan), De stille ommekeer, …, pp. 17-21 / Vanhaute (Eric), Economische en sociale geschiedenis van de nieuwste tijden, …, pp. 138 – 147 / Blom (J.C.H.), Geschiedenis van de Nederlanden, …, pp. 304-305. / Guido Despiegelaere, De revolutie van de golden sixties,…, pp. 108-111. / Mabille (Xavier), Histoire politique de la Belgique, …, pp. 345-347. / Van den Brande (August), Sociologie van een halve eeuw Belgische politiek, …, pp. 105, 145 – 148, 158 - 161.

[89] Commers (Ronald), Introductie tot de studie van de wereld-systeem analyse, …, pp. 81 – 82 / Vanhaute (Eric), Economische en sociale geschiedenis van de nieuwste tijden, …, pp. 1-2.

[90] Het vooruitgangsgeloof werd het eerst geformuleerd door Adam Smith en komt het duidelijkst naar voor in de fasentheorie van Walt Rostow. Toch is het moderniseringsdenken niet enkel in kapitalistische hoek terug te vinden. Ook tegenstanders van het kapitalisme, Karel Marx voorop, stonden een sterk geloof in de vooruitgang voor.

[91] Vanhaute (Eric),  Economische en sociale geschiedenis van de nieuwste tijden, …, pp. 152 / Witte (Els), Politieke geschiedenis van België, pp. …, 307.

[92] Commers (Ronald), Introductie tot de studie van de wereld-systeem analyse, …, pp. 82 – 83 / Vanhaute (Eric), Economische en sociale geschiedenis van de nieuwste tijden, …, pp. 2.

[93] Bucke (Bernard), De vijftigers, …, p.5.

[94] Van den Brande (August), Sociologie van een halve eeuw Belgische politiek, …, p. 161.

[95] In: Kerkhofs (Jan), De stille ommekeer, …, p. 12.

[96] Say (Marc), Wereld – systeem analyse. Een antwoord op 1968,…, p. 26.

[97] Kerkhofs (Jan), De stille ommekeer, …, pp.17, 21-22.

[98] Kerkhofs (Jan), De stille ommekeer, …, p. 24

[99] Kerkhofs (Jan), De stille ommekeer, …, p. 9

[100] Kerkhofs (Jan), De stille ommekeer, …, pp. 21 – 26 / Witte (Els), Politiek en democratie, …, p. 153 / Daniels (Eddy), De helden van ’68 en de antihelden van ’86, …, p. 3 – 5.

[101] Kerkhofs (Jan), De stille ommekeer, …, p. 23

[102] Witte (Witte), Politieke geschiedenis van België, …, pp. 304 - 307 / Van den Brande (August), Sociologie van een halve eeuw Belgische politiek, …, pp. 137 – 141, 161 – 163.

[103] Buelinckx (Jan), Radicaal – links in België, …, pp. 1-2, 63.

[104] Ludo Abicht licht de term klein – links toe. ‘Links’ moet begrepen worden in de traditioneel sociaal – politieke zin van het woord. ‘Klein’ stoelt op de lage tot marginale electorale quotering van de betrokken partijen en groeperingen. Gezien deze ver onder de kiesdrempel blijven, tellen ze letterlijk en figuurlijk niet mee. Klein krijgt dan ook vaak de bijbetekenis van onbelangrijk, irrelevant  en voorbijgestreefd. Zie: Abicht (Ludo), Als het zout der aarde, …, p.1. / Jan Buelinckx motiveert dat de term klein – links hoewel de meest ingeburgerde, z.i niet de meest correcte is. Buelinckx opteert voor het begrip “radicaal – links”. Radicaal, zo stelt hij, stamt af van ‘radix’, wortel. Radicaal – linkse partijen zouden de maatschappij van bij de wortel willen omvormen. Zie: Buelinckx (Jan), Radicaal – links in België, …, p. 1

[105] Witte (Els), Politieke geschiedenis van België, … , pp 308 – 311.

[106] Van den Brande (August), Sociologie van een halve eeuw Belgische politiek, …, p. 161. / Kerkhofs (Jan), De stille ommekeer, …, pp. 27 – 28.

[107] Mabille (Xavier), Histoire politique de la Belgique, …, pp. 361 – 364 / 370 – 375. / Vanhaute (Eric), Economische en sociale geschiedenis van de nieuwste tijden, …, pp. 152 - 153 / Blom (J.C.H.), Geschiedenis van de Nederlanden, …, pp. 308-309.

[108] De recente economische malaises tonen evenwel aan dat de economie ook vandaag de dag nog niet hersteld is van de grote kater na de gouden jaren ’60.

[109] Vanhaute (Eric), Economische en sociale geschiedenis van de nieuwste tijden, …, pp. 153 – 155. Vanhaute zelf sluit aan bij een interpretatie volgens wereld – systeem analyse en ziet in de crisis een mogelijke signaalcrisis die een nieuw maatschappijmodel zou inluiden.

[110] Witte (Els), Politieke geschiedenis van België, …, pp. 311-316. / Mabille (Xavier), Histoire politique de la Belgique, …, pp. 364 – 368.

[111] Hellemans (Staf), Veel volk, niet zo veel macht, …, p. 13 / De Bock (Veerle), Solidariteit met (H)el Salvador, ..., pp. 18-20. 

[112] Witte (Els), Politieke geschiedenis van België, …, pp. 316-318.

[113] Witte (Els), Politieke geschiedenis van België, …, pp. 318 – 330.

[114] Hellemans (Staf), Veel volk, niet zo veel macht, …, p. 14

[115] Daniels (Eddy), De helden van ’68 en de antihelden van ’86, …, p. 6 / Buelinckx (Jan), Radicaal – links in België, …, pp. 1-2, 63 – 66, 74 – 79, 86 – 91.

[116] Hellemans (Staf), Het lot van Agalev, … pp. 12-14. / Walgrave (Stefaan), Van Anders Gaan Leven tot AGaLev,…  pp. 131-142.

[117] Rihoux (Benoît), Ecolo en de nieuwe sociale bewegingen in Franstalig België, … , pp. 138 – 141. / Van den Eeckhout (Patricia), Bronnen voor de studie van het hedendaagse België, …, pp. 773.

[118] Staf Hellemans flirt in zowat al zijn artikels met de idee van een links - libertaire versus rechts-autoritaire tegenstelling in de Belgische politiek. Het krachtigst wordt deze idee uitgewerkt in: “De politieke potentie van een kleine scharen militanten,…” en “Veel volk, niet zo veel macht,…”.  De links – liberale waardestroom ontstond veel vroeger dan het eind van de jaren ’80. Het ontstaan ervan is meer bepaald te situeren in de protestgolf rond mei ’68.

[119] Zie ondermeer : Deschouwer (Kris), Naar een nieuwe breuklijn?,… pp. 71-73 / Witte (Els), Politieke geschiedenis van België, … , p. 408.

[120] Zie ondermeer: Hellemans (Staf), Veel volk, niet zo veel macht, …, pp. 10 – 11 / Hellemans (Staf), Nieuwe sociale bewegingen in de Belgische politiek, pp. 197-200. / Walgrave (Stefaan), Nieuwe sociale bewegingen in Vlaanderen, …, p. 141 / Duyvendak (Jan Willem), Tussen verbeelding en macht, …, pp. 16 – 19.

[121] De meeste historici vallen onder deze groep. Dit hangt deels samen met het ‘ingebouwde wantrouwen’ van historici tegenover al wat als ‘recent’ of ‘nieuw’ wordt bestempeld. Zie ook : Weber (Donald), Nieuwe, nieuwere en nieuwste sociale bewegingen, …, p. 78.

[122] Het meest klassieke voorbeeld van de oude nieuwe sociale bewegingen is de arbeidersbeweging.

[123] Gezien nsb niet de inzet van mijn onderzoek zijn, ga ik niet dieper in op het definitieprobleem en heb ik ervoor gekozen een eerder oriënterende omschrijving van nsb aan te rijken aan de hand van de definitie van Hooghe en Hellemans.  Voor verdere literatuur, zie ondermeer: Duyvendak (Jan Willem), Tussen verbeelding en macht, …, pp. 12 – 19 / Walgrave (Stefaan), Nieuwe sociale bewegingen, een type van sociale bewegingen,… pp. 71 – 104 / Walgrave (Stefaan), Nieuwe sociale bewegingen in Vlaanderen, …, pp. 7 – 8 / 140 – 141.

[124] Hellemans (Staf) en Hooghe (Marc), Van “mei ’68” tot “Hand in hand”,…, p. 9.

[125] In zijn inleidende lezing op de ODIS - workshop lichtte Marc Hooghe deze paradigmaverschuiving toe. Odis-workshop “Historische en sociologische benaderingen van nieuwe sociale bewegingen”, Brussel, 22 november 2002. / Van de hand van Marc Hooghe zijn hieromtrent ook een tweetal artikels verschenen. Zie : Hooghe (Marc), Van herrieschoppers tot politieke vernieuwers, evoluties in de sociologische visie op sociale bewegingen, in: Tijdschrift voor sociologie, 1993, pp. 279-305 en, Hooghe (Marc), And never the twain shall meet? De theorievorming rond oude en nieuwe sociale bewegingen, in: Brood en rozen, 1998, 4, pp. 7-17.

[126] Zoals blijkt uit het overzicht van de verschillende theoretische benaderingen van nsb, wordt een omschrijving van de ware aard van nsb mee bepaald door het gehanteerde paradigma. In dit overzicht van de kenmerken heb ik gepoogd een zo volledig mogelijk beeld op te hangen van nsb. Daartoe beperk ik me niet tot één bepaalde invalshoek. Eerder licht ik een reeks kenmerken toe door de combinatie van de verschillende theoretische invalshoeken. Dit wordt in de recente literatuur als de meest vruchtbare aanpak aanzien. / In dit hoofdstuk belicht ik enkel de nieuwe sociale bewegingen. De nieuwere en nieuwste sociale bewegingen, waarvan recent sprake is in de literatuur, laar ik hier buiten beschouwing, gezien dit buiten het onderzoeksdomein van deze verhandeling valt.

[127] Walgrave (Stefaan), Nieuwe sociale bewegingen in Vlaanderen, …, pp. 141 – 142. / Hellemans (Staf), Veel volk, niet zo veel macht, …, p. 11.

[128] Hellans (Staf), Veel volk, niet zo veel macht, …, p. 11. / Zie ook hoger

[129] Walgrave (Stefaan), Nieuwe sociale bewegingen in Vlaanderen, …, pp. 141 - 142.

[130] Walgrave (Stefaan), Nieuwe sociale bewegingen in Vlaanderen, …, p. 3 / De Aguirre (Phara), Laatste keer: Nieuwe sociale bewegingen, …, p. 32.

[131] Walgrave (Stefaan), Nieuwe sociale bewegingen in Vlaanderen, …, pp. 142 - 143.

[132] Hellans (Staf), Veel volk, niet zo veel macht, …, p. 15 - 18.

[133] Hellemans (staf), Veel volk, niet zo veel macht, …, p. 17.

[134] De Aguirre (Phara), Het lot van nieuwe sociale bewegingen, …, pp. 64 – 70.

[135] Hellemans (Staf), Veel volk, niet zo veel macht, …, pp. 26 – 27. / Rihoux (Benoît), Nieuwe sociale bewegingen in Franstalig België,…, pp. 124 – 125.

[136] Hellemans (Staf), Nieuwe sociale bewegingen in de Belgische politiek,…pp. 200-211 / Hellemans (Staf), Veel volk, niet zo veel macht, …pp. 15-25 / 110.

[137] In de literatuur bestaat heel wat onenigheid over het feit of de door de nsb gebruikte acties nu zo nieuw waren als algemeen aangenomen. Feit is dat nsb er een uitgebreid actierepertorium op na hielden. De Nederlandse politicoloog Jan Willem Duyvendak werkte een schema uit voor de analyse van de verschillende actievormen van nieuwe sociale bewegingen. Zie: Duyvendak (Jan Willem), Tussen verbeelding en macht, …, pp. 254 – 256. / Verder in dit onderzoek hanteer ik dit actievormenschema voor de analyse van de thema’s die apl belichtte in het tijdschrift. Zie deel 5: Apl, Informatie in woord en beeld, Aard van de informatie en bijlage 4 : Actievormenschema van Duyvendak.

[138] Hooghe (Marc), Woord vooraf, in: Van mei ’68 tot hand in hand,… p. 1-2 / Rihoux (Benoît), Nieuwe sociale bewegingen in Franstalig België,…, pp. 109 - 110.

[139] Hellemans (Staf) en Hooghe (Marc), Van ‘Mei 68‘ tot ‘Hand in Hand’. Nieuwe sociale bewegingen in België, 1965-1995, Leuven, Garant, 1995, 173p.

[140] Eigenlijk is enkel wat de ‘grotere’ sociale bewegingen betreft een mooi bronnenpakket voor handen –en dan nog - . De laatste jaren komt hier evenwel stilaan verandering in. Meer en meer nsb maken hun archief nu over aan een erkende archiefinstelling, wat de consulteerbaarheid van het bronnenmateriaal bevordert. Zie deel 1: Inleiding, Probleemstelling.

[141] In tegenstelling tot de internationale literatuur, waar de milieubeweging, de vredesbeweging en de vrouwenbeweging als onbetwiste koplopers van de nsb golden, stonden in Belgiëde milieubeweging, derde wereldbeweging en vredesbeweging aan de top van de nsb, en dit zowel in Vlaanderen als in Wallonië. Zie Walgrave (Stefaan),  Nieuwe sociale bewegingen in Vlaanderen, …, p. 5.

[142] Rihoux (Benoît), Nieuwe sociale bewegingen in Franstalig België,…, p. 110. / In Wallonië is Benoît Rihoux zowat de enige onderzoeker die zich bezig houdt met de studie van de nsb. Een blik op de literatuur van ‘Hand in hand’ leert dat voor Wallonië geen overzichtswerken van de nsb voorhanden zijn, zoals dit wel het geval is voor Vlaanderen. Het gros van de gevoerde studies over de situatie in Wallonië betreft licentiaatverhandelingen. Volledigheidshalve moet ik hierbij vermelden, dat het onderzoek naar nsb in Wallonië de laatste jaren zelfs zo goed als stil ligt, ook wat Rihoux betreft.

[143] In casu dus de milieubeweging, derde wereldbeweging en vredesbeweging

[144] Walgrave (Stefaan),  Nieuwe sociale bewegingen in Vlaanderen, …, pp. 11 – 13 / Duyvendak (Jan Willem), Tussen verbeelding en macht, …, pp. 26 – 30.

[145] Zie hoger

[146] Walgrave (Stefaan),  Nieuwe sociale bewegingen in Vlaanderen, …, p.12 / Hellemans (Staf), Veel volk, niet zo veel macht, …, p. 11 – 12.

[147] Rihoux (Benoît), Nieuwe sociale bewegingen in Franstalig België,…, p. 124 – 126.

[148] In bovenstaand hoofdstuk ‘Algemene sociale, politieke en economische context’, werd de geschiedens van de nsb in algemene termen geschetst, en dit in de geest van de protestbenadering en de vierledige fasering.

[149] Marc Hooghe in zijn inleidend overzicht van het onderzoek naar nsb op de Odis-workshop “Historische en sociologische benaderingen van nieuwe sociale bewegingen”, Brussel, 22 november 2002. / Odis staat voor Onderzoekssteunpunt en databank intermediaire structuren in Vlaanderen 19de – 20ste eeuw.

[150] Rihoux (Benoît), Nieuwe sociale bewegingen in Franstalig België,…, pp. 124 – 126. / Walgrave (Stefaan),  Nieuwe sociale bewegingen in Vlaanderen, …, p.5.

[151] Gezien het tijdschriftkarakter van apl, ligt de klemtoon in dit hoofdstuk op de geschreven pers.

[152] Witte (Els), Media en politiek, …,  pp. 57 – 62. Deze theoretische schets is nogal ruw en simplificerend. In realiteit bestaan zowel binnen de liberaal getinte visie op de werking van de pers als binnen de eerder marxistisch georiënteerde visie verschillende variaties en nuances.

[153] G.W., art. 19. “(…) vrijheid om op elk gebied zijn mening uit te drukken (…)”.

[154] Deneckere (Gita), Historische kritiek van woord en beeld in de massamedia, …, pp.44 - 45. / De Bens (Els), De pers in België, …, pp. 25 – 26. / Luykx (Theo), Evolutie van de communicatiemedia, …, pp. 217 – 222.

[155] Zie ondermeer: Campé (René), Radioscopie de la presse belge, …, p.5 / Danis (Th.), Information et pouvoir, …, pp. 9 - 10 / Ringlet (Gabriel), Radioscopie de l’information locale en Wallonie et à Bruxelles, …, p. 2

[156] Luykx (Theo), Evolutie van de communicatiemedia, …, pp. 333 – 342, 506 - 507.

[157] Witte (Els), Media en politiek, …, pp. 15 – 17.

[158] Luykx (Theo), Evolutie van de communicatiemedia, …, pp. 325 – 328, 520 - 538 / De Bens (Els), De pers in België, …, pp. 60 – 62, 74 – 86, 195 - 198 . / Witte (Els), Media en politiek, …, pp. 18 – 19. / Van Bol (Jean – Marie), Teksten en documenten, …, pp. 26 – 28. / Lentzen (Evelyne), Petit panorama de la presse belge, …, pp. 161 – 166.

[159] Ook het persagentschap Belga, sinds 1970 volledig tweetalig door de ontdubbeling met een Nederlandstalige en een Franstalige redactie, ontsnapte niet aan deze evolutie. Zie ondermeer : Persagentschap Belga is 50 jaar, …, pp. 7 – 10. / Luykx (Theo), Evolutie van de communicatiemedia, …, pp. 318 – 325. / Invoering van de informatica bij het Agentschap Belga, …, pp. 1-18.

[160] De Bens (Els), De pers in België, …, pp. 66 – 67.

[161] Het weze duidelijk dat de verzuilde pers in België eveneens vragen deed en doet oprijzen omtrent het pluralisme van de pers.

[162] Luykx (Theo), Evolutie van de communicatiemedia, …, pp. 538 – 540.

[163] De Bens (Els), De pers in België, …, p. 70.

[164] Voor definitie en kenmerken van de alternatieve pers, zie deel 2: Theorie en methodologie.

[165] Gryspeerdt (Axel), Les nouveaux courants de la presse francophone en Belgique après mai 1968, p. 1, p. 10.

[166] Philippart (Michel), Sauvage ces canards?,…, pp. 63 - 65. / Canards en chaîne, …, pp. 6-8./ Barou (Jean – Pierre), De la liberté de la presse à la presse de la liberté, …, pp. 11 – 33, 44 – 51. / Boris (Claude), Les tigres de papier. Crise de la presse et autocritique du journalisme, Paris, Seuil, 1975, 311p. In feite is de hele basisidee achter dit boek dat de traditionele pers in crisis was, niet om financiële of technische redenen, maar om inhoudelijke reden. Naast twee open brieven waarin het bestaande perssysteem gehekeld werd, wou Boris illustreren ‘hoe het anders kon’.

[167] Een volledig overzicht geven van de alternatieve pers in België is onmogelijk. Niet alleen waren de initiatieven enorm talrijk, over vele ‘canards’ is eenvoudigweg niets geweten.

[168] Philippart (Michel), Sauvage, ces canards? , …, pp. 60 – 61 / Canards en chaîne, …, pp. 120 – 121, 142 – 159.

[169] Een van de verdere aandachtspunten in mijn verhandeling is dan ook of er een evolutie merkbaar is in de brede werking van apl. Op die manier hoop ik een bescheiden bijdrage te leveren in de kennis van zaken over de algemene evolutie van de alternatieve pers in (Franstalig) België.

[170] Zie deel 1: Inleiding, literatuur.

[171] Canards en chaîne, Répertoire unique et incomplet d’ une presse «alternative» plus ou moins sporadique, Ittre, Mediacom-Presse, 1980, s.p. / Daarnaast belichten enkele artikels een aantal initiatieven samen. Zie ondermeer : Gryspeerdt (Axel), Les nouveaux courants de la presse francophone en Belgique après mai 1968: la conta-information régionale, locale et sectorielle, in: CH. CRISP, 1979, 845-846, pp. 1- 41., Philippart (Michel), Sauvage, ces canards? , …, pp. 62 / Tot slot dient de licentiaatverhandeling van Mathieu Beys hier een vermelding. Beys geeft in zijn werk een overzicht van Le point, Mai, Notre Temps, Le Journal d’Europe, Hebdo, Pour en Apl. Zijn onderzoek reikt evenwel niet zo ver dat een meer algemene trend gedissecteerd werd op basis van de bestudeerde alternatieve persorganen. Zie : Beys (Mathieu), La parole au peuple. Presse progressiste et indépendante autour de mai 68 en Belgique francophone, Bruxelles, ULB, (Mém. Lic.), 1999, (Histoire contemporaine).

[172] Bijvoorbeeld : Luykx (Theo), Evolutie van de massamedia, Brussel, Elsevier,  1978, 576p. /  De Bens (Els), De pers in België. Het verhaal van de Belgische dagbladpers, gisteren, vandaag en morgen, Tielt, Lanno, 1997, 480p.

[173] In tegenstelling tot België, zijn in de Franse literatuur bijvoorbeeld wel een aantal alternatieve persinitiatieven opgenomen in meer algemene persoverzichten. Zie bijvoorbeeld : Histoire générale de la presse française de 1958 à nos jours, Paris, Presses universitaires de France, s.n., s.p. 

[174] Lentzen (Evelyne), La presse quotidienne française, …, pp. 3 – 14. / De Bens (Els), De pers in België, …, pp. 70, 74 – 95. / Witte (Els), Media en politiek, …, pp. 18 – 19. / Witte (Els), Politieke geschiedenis van België, …, pp. 242 – 246. / Deneckere (Gita), Historische kritiek van de massamedia, …, p. 46 – 59. / Boone (Luk), Vers une politique des médias, …, pp. 1-5./ Van den Eeckhout (Patricia), Bronnen voor de studie van het hedendaagse België, …, pp. 1200 - 1205.

[175] De Bens (Els), De pers in België, …, p. 201.

[176] Basis voor dit hoofdstuk zijn volgende twee bronnen, aangevuld met details uit andere documenten (zie verdere voetnoten): KBR, BD 30 259, nr. 300 en ULB, MEM. T05321 M. / Het is duidelijk dat de licentiaatverhandeling van Pascal Delaunois, zeker wat de ontstaansgeschiedenis van Agence de Presse  Libération – Belgique betreft, de grondslag was voor verschillende latere documenten, waaronder het apl - feestnummer 300, alsook verscheidene subsidieaanvragen, zoals de aanvraag tot erkenning als service d’éducation permanente. [Amsab – ISG, doos 232, brief van apl MCF, aanvraag tot erkenning als organisation d’éducation permanente des adultes en tant que service en catégorie générale, (vermoedelijk begin 1980)]. In al deze documenten komen verschillende passages immers woord voor woord overeen. Gezien de licentiaatverhandeling van Delaunois de oudste bron is, gold deze hoogstwaarschijnlijk als inspirator voor de andere documenten.  / Het tijdschriftnummer 300 was een feestnummer dat de 300ste verschijning van het apl – tijdschrift wou vieren, niet door een balans op te stellen, maar wel door apl beter kenbaar te maken. In het nummer werd ondermeer de ontstaansgeschiedenis van apl belicht, de doelstellingen, realisaties en pijnpunten.

[177] Gryspeerdt (Axel), Les nouveaux courants de la presse francophone en Belgique après mai 1968, p. 1, p. 10. 

[178] Bijvoorbeeld : Agence de Presse Libération – Quebec in Canada, Athenes Presse Libre, Griekenland. / Zie: Amsab – ISG, doos 129, krantenartikel, s.n., over apl (s.d., Rue de l’Inquisition) / On en parlera demain, …, p. 11. / Amsab – ISG, ‘apl zelf, Brief van André Noel aan Pascal Delaunois (1974)

[179] Raskin (Brigitte), Libération. Alternatieve massakrant in Frankrijk, …, pp. 20 – 21 / Links persagentschap, …, p.21 / Nobre-Correia, L’information selon les agences de presse, …, p.7. / Histoire générale de la presse française de 1958 à nos jours, …, pp. 410 – 412 / Boris (Claude), Les tigres de papier, …, pp. 2187 – 211.

[180] La Cause du Peuple was de informatiekrant van la Gauche Prolétarienne, een maoïstisch geïnspireerde beweging in Frankrijk met anarchistische affiniteiten. Eerder dan een echte partij te willen zijn, wou La Gauche Prolétarienne vooral de spontane strijd op maatschappelijk vlak ondersteunen. Hun interesseveld was betrekkelijk ruim, gaande van de strijd in gevangenissen, over de eisenbundels van vrouwen tot de pers. Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003

[181] Sartre vervulde een eerder symbolische rol in apl – France. Eerder was Sartre al opgetreden als directeur van zowel La cause du Peuple, als het gefuseerde J’Accuse - La cause du Peuple, alsook van de publicaties Tout! en Révolution. Sartre stond op die manier zowat symbool voor de alternatieve pers in Frankrijk. Zie : Histoire générale de la presse française de 1958 à nos jours, …, p. 410

[182] Canards en chaîne, Répertoire unique et incomplet d’ une presse «alternative» plus ou moins sporadique, …, p.22. / KBR, BD 30 259, nr. 300, p. 3

[183] KBR, BD 30 259, nr. 300, p. 7.

[184] Gezien de tijdsgeest opteer ik voor de woorden en begrippen gewone mensen in de straat, het volk, Jan met de pet en dergelijke. Het begrip burger past mijns inziens niet in deze context. Deze opmerking maakte Pascal Delaunois althans tijdens het interview dat ik van hem afnam. Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[185] Met het begrip sociale strijd stoel ik zowel op het protest van de nieuwe sociale bewegingen als van de arbeidersbeweging. 

[186] KBR, BD 30 259, nr. 300, p. 10.

[187] Albert (Pierre), La presse française, …, p. 124.

[188] Amsab – ISG, doos 194, buitengewone subsidiëring door MCF, brief van apl aan MCF (21 . 02 . 80) / doos 232, brief van apl MCF, aanvraag tot erkenning als organisation d’éducation permanente des adultes en tant que service en catégorie générale, (vermoedelijk begin 1980).    

[189] Ik heb niet kunnen achterhalen wie deze personen waren.

[190] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[191] La Parole au Peuple onderhield bevoorrechte contacten met La Gauche Prolétarienne. Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003

[192] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[193] Zie ook deel 3: Traditioneel en alternatief perslandschap, Een nieuwe pers in wording.

[194] Canards en chaîne, Répertoire unique et incomplet d’ une presse «alternative» plus ou moins sporadique, …, p.22. / Conaissez – vous l’apl?, …, s.p. / Amsab – ISG, doos 29, krantenartikels bootactie, krantenartikel La Gauche, L`a.p.l. nous mène en bateau (06 . 07 . 77) / KBR, BD 30 259, nr. 357, p. 25

[195] De Belgische pers krijgt regelmatig alternatieve informatie, …, p.6

[196] Amsab – ISG, doos 194, aanvraagformulier van CST [centre de documentation] (vermoedelijk 1978), aanvraagformulier CST, [boutique de communication] (14 . 09 .82), aanvraagformulier TCT [extension de l’apl – b et mise au service de tout groupe , collectivité ou individu de la communauté francophone] (vermoedelijk 1982).         

[197] Amsab – ISG, doos 194, Petit mode d’ emploi de l’ information          

[198] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[199] De Belgische pers krijgt regelmatig alternatieve informatie, …, p.6

[200] In mijn verhandeling focus ik enkel op apl – Belgique.

[201] Gryspeerdt (Axel), Les nouveaux courants de la presse francophone en Belgique après mai 1968, p. 1 en p. 13.

[202] Bpa Leuven gaf op zich dan weer aanleiding tot ondermeer bpa Kortrijk, bpa Gent, bpa Hasselt en bpa Antwerpen. Zie : Canards en chaîne, Répertoire unique et incomplet d’ une presse «alternative» plus ou moins sporadique, …, p.24.

[203] KBR, BD 30 259, nr. 1, p.3

[204] On en parlera demain, …, p. 11

[205] KBR, BD 30 259, nr. 275

[206] KBR, BD 30 259, nr. 287, titelpagina / Zie tussenblad voor deel 1, p. 2

[207] Zie tussenblad voor deel 5, p. 135

[208] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[209] Amsab – ISG, S / 2004 / 036,

[210] KBR, BD 30 259, nr. 300, pp. 1-24

[211] Op de aard zelf van de subsidiëring die apl trachtte los te weken bij het ministerie van de Franstalige Gemeenschap, afdeling Cultuur, wordt verder dieper ingegaan. Zie lager: Financiën.

[212] Amsab – ISG, doos 194, statuut apl. / Het statuut in kwestie betreft een gekopieerd velletje, zonder datumvermelding. Een aanwijzing tot datering is vermelding van het adres van apl : “Rue Faider 42”, 1050 Brussel. Apl was hier gevestigd van augustus 1978 tot november 1979. Vermoedelijk was dit statuut evenwel enkel een eerste stap in de richting van een vzw en heeft apl zich zelfs nooit als een association sans but lucratif gevestigd. Zie lager: Juridisch kader. / Opmerkelijk detail is dat het tweede artikel van het statuut van de organisatie Solidarité des Etudiants Etrangers letterlijk overeenkomt met bovenvermeld artikel, waarin de doelstellingen van apl verwoord staan. Vermoedelijk was een medewerker van apl eveneens actief in Solidarité des Etudiants Etrangers. Het statuut van Solidarité des Etudiants Etrangers verscheen in het Belgisch Staatsblad op 24 december 1970 en werd samen met het statuut van apl bewaard in doos 194. Amsab – ISG, doos 194, statuut Solidarité des Etudiants Etrangers.

[213] Zie ondermeer : Amsab - ISG, doos 194, CST – TCT, aanvraagformulier van CST [centre de documentation] (vermoedelijk 1978); aanvraagformulier CST [centre de documentation] (vermoedelijk 1979); buitengewone subsidiëring MCF, brief aan MCF [ animation, élaboration et réalisation d’un journal] (20 . 08 . 79); aanvraagformulier TCT [extension de l’apl – b et mise au service de tout groupe , collectivité ou individu de la communauté francophone] (vermoedelijk 1982); buitengewone subsidiëring MCF, brief van apl aan MCF [projet de cycle de formation à l’usage des médias] (23. 01. 84) / doos 231, subidiëring MCF, evaluatierapport van apl (1986 - 1987), evaluatierapport van apl (1987 - 1988) / doos 232, Service générale d’ éducation permanente, MCF, brief van MCF (06 . 01 . 80)

[214] Een explicitering van de vier verschillende doelstellingen die opdoken in de subsidiedossiers wordt het duidelijkst gegeven in het aanvraagformulier ter erkenning van apl als service général d’éducation permanente. Amsab – ISG, doos 232, Service générale d’ éducation permanente - MCF, brief van apl MCF, aanvraag tot erkenning als organisation d’éducation permanente des adultes en tant que service en catégorie générale, (vermoedelijk begin 1980).

[215] Zo komen in de aanvraag voor een documentatiecentrum rond 1978 reeds grosso modo dezelfde vier doelstellingen aan bod, doch lichtelijk anders geordend en anders verwoord :Amsab - ISG, doos 194, CST – TCT, aanvraagformulier van CST [centre de documentation] (vermoedelijk 1978). / In het nieuwe aanvraag formulier voor een documentatiecentrum, een jaar later, werden slechts zijdelings enkele van deze vier doelstellingen aangehaald : Amsab - ISG, doos 194, CST – TCT, aanvraagformulier CST [centre de documentation] (vermoedelijk 1979);

[216] Amsab – ISG, doos 231, subidiëring MCF, evaluatierapport van apl (1987 - 1988)

[217] KBR, BD 30 259, nr. 475

[218] Zie deel 3 : Apl, situering in de samenleving, Traditioneel en alternatief perslandschap, Theoretische benaderingen.

[219] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003

[220] Amsab – ISG, doos 228, briefwisseling apl 1980, brief van apl aan Communauté de la Verte Vie (14 . 04 . 80)

[221] Het persagentschap wordt hier slechts kort voorgesteld. Op de concrete werking van het agentschap en dan vooral van het tijdschrift wordt verder dieper ingegaan. Zie lager: Praktische werking persagentschap annex tijdschrift.

[222] Amsab – ISG, doos 232, subsidiëring - MCF, aanvraagformulier TCT [extension de l’Agence de Presse Libération – Bruxelles et mise au service de tout groupe, collective ou individu de la Communauté Francophone] (oktober 82); brief van apl MCF, aanvraag tot erkenning als organisation d’éducation permanente des adultes en tant que service en catégorie générale, (vermoedelijk begin 1980)

[223] Canards en chaîne, Répertoire unique et incomplet d’ une presse «alternative» plus ou moins sporadique, …, p.22. / Amsab – ISG, doos 228, briefwisseling apl, brief aan een filmmaker (16 . 03 . 76)

[224] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003 / KBR, BD 30 259,  nr. 357. / Connaissez – vous l’apl?,…, s.p.

[225] Amsab – ISG, doos 228, briefwisseling apl 1976, brief aan la Relève (20 . 05 . 76)

[226] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003 / Canards en chaîne, Répertoire unique et incomplet d’ une presse «alternative» plus ou moins sporadique, …, p.22. / Gryspeerd (Axel), Les nouveaux courants de la presse francophone en Belgique après mai 1968, …,  pp. 14.

[227] Amsab – ISG, doos 232, Service générale d’ éducation permanente - MCF, brief van apl MCF, aanvraag tot erkenning als organisation d’éducation permanente des adultes en tant que service en catégorie générale, (vermoedelijk begin 1980)

[228] KBR, BD 30 259, respectievelijk nr. 293 (Glaverbel Gilly), nr. 311 (RAF, Roth Armee Fraction), nr. 310 (Portugal), nr. 315 (Argentinië), nrs. 227, 320, 329, 332 en 346 (Spanje) en nr. 505 (abortus in België)[228].

[229] KBR, BD 30 259, respectievelijk nrs. 327 en 394 (de Europese anti – terroristische conventie) en 329 (socialistisch patriottisme in Baskenland).

[230] Deze formule wordt duidelijk uit de doeken gedaan in het nr. 505. Zie: KBR, BD 30 259, nr. 505.

[231] Zie bijvoorbeeld : KBR, BD 30 259, nr. 544. Nr. 544 was een dossier over Haïti.

[232] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[233] ULB, MEM. T05321 M.

[234] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003 / KBR, BD 30 259, nrs. 300 en 347 / Amsab – ISG, doos 129, Persbericht apl (15 . 05 . 78); Persbericht apl (1977), briefwisseling van apl, brief apl canards sauvages ( 25 . 11 . 80) / doos 228, briefwisseling apl, brief van A. Gryspeerdt (04 . 77)

; brief van apl aan lezers, animatieweek (20 . 08 .80) / Canards en chaîne, Répertoire unique et incomplet d’ une presse «alternative» plus ou moins sporadique, …, p.22

[235] Amsab – ISG, doos 129, krantenknipsels, Nieuwe Tijd, apl nummer 300,  (22 . 04 . 76); Persconferentie apl nummer 300

[236] KBR, BD 30 259, nr. 357 / Amsab – ISG, doos 29 Apl, Peniche, action juillet 197, krantenartikel La Gauche, L`a.p.l. nous mène en bateau (06 . 07 . 77)

[237] Verder ga ik dieper in op de verschillende vormen van subsidiëring die apl genoot. Zie lager: Juridisch kader.

[238] Respectievelijk Amsab – ISG, doos 194, Buitengewone subsidiëring –MCF, brief van apl aan MCF [ animation élaboration et réalisation d’un journal] (20 . 08 . 79); brief van apl aan MCF [éveil aux problèmes de la presse en vue d’une prise en charge de l’information] (08 . 05 . 80);         brief van apl aan MCF [contribution à la mise en place d’un réseau d’alternatives] (10 . 08 . 81); aanvraagformulier CST, [boutique de communication] (14 . 09 .82); brief van apl aan MCF [cycle animation – formation destiné aux chômeurs] (05 . 03 . 83); brief van apl aan MCF [projet de cycle de formation à l’usage des médias] (23. 01. 84) / doos 231 Subsidiëring – MCF, evaluatierapport van apl (1986-198), evaluatierapport van apl (1987-1988)

[239] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003

[240] Amsab – ISG, doos 232, subsidiëring MCF, TCT, bief aan de minister van cultuur (13 . 08 . 82).

[241] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003. De telexberichten die apl in zijn bezit had, werden geschonken door bevriende journalisten van de traditionele pers.

[242] Amsab – ISG, doos 194, Lijst van publicaties, publicaties waarmee apl relaties onderhoudt of uitwisselingen (midden december 1987); publicaties uit het buitenland ontvangen door apl (s.d.)

[243] Amsab – ISG, doos 194, CST – TCT, aanvraagformulier CST [centre de documentation] (vermoedelijk 1979)         

[244] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12.

[245] Amsab – ISG, doos 194, CST, aanvraagformulier CST [mise en fonctionnement et ouverture au public d’un centre de documentation] (vermoedelijk 1979); TCT, aanvraagformulier TCT [extension de l’apl – b et mise au service de tout groupe, collectivité ou individu de la communauté francophone] (vermoedelijk 1982) / doos 232, brief van apl MCF, aanvraag tot erkenning als organisation d’éducation permanente des adultes en tant que service en catégorie générale, (vermoedelijk begin 1980)

[246] Dat het documentatiecentrum van apl af en toe boven het hoofd groeide, blijkt ondermeer in : Amsab – ISG, doos 231, subsidiëring MCF, subsidie-aanvraag organisation générale d’éducation permanente voor 1988  (periode van activiteiten 01 . 07 . 1986 – 01 . 07 . 1987) / Twee aparte subsidies werden apl toegekend in het kader van het documentatiecentrum, en dit in de vorm van BTK’s. Amsab – ISG, doos 194, CST – TCT, aanvraagformulier TCT [extension de l’apl – b et mise au service de tout groupe , collectivité ou individu de la communauté francophone] (vermoedelijk 1982) en doos 232, TCT, aanvraagformulier TCT [extension de l’Agence de Presse Libération – Bruxelles et mise au service de tout groupe, collective ou individu de la Communauté Francophone] (oktober 82) / Wat het bijhouden van de documentatie zelf betreft, zie eveneens deel 1: Inleiding, Bronnen, Staat van het archief.

[247] Amsab – ISG, doos  162, Dossier redactie APL, brief apl, ronde tafelconferentie over de pers in België ( 09 / 74)

[248] Amsab – ISG, doos 129, Persbericht apl (15 . 05 . 78)

[249] Amsab – ISG, doos 129, Briefwisseling van apl, brief apl canards sauvages ( 25 . 11 80)

[250] Zie bijvoorbeeld: KBR, BD 30 259, nr. 224. ‘Quand un journaliste oublie sa mission d’information pour faire de l’intoxication’ (kritiek op La Dernière Heure) of nr. 500. ‘La grande presse aussi dit (et fait) des conneries’.

[251] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003 / doos 129, un appel (s.d.) / KBR, BD 30 259, nr. 277 (dossier Contraste Soir).

[252] Amsab – ISG, MAD / 543.22, affaire Contraste Soir.

[253] KBR, BD 30 259, nr. 239.

[254] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[255] Amsab - ISG, ‘apl zelf’, Diffusion Alternative / Eigen beheer, Brief van Monique Quintart en Pascal Delaunois, 05 . 04. 2004

[256] Amsab – ISG, doos 231, Subsidiëring – MCF, evaluatierapport van apl (1987-1988)  en subsidiedossier (1986-1987) / doos 229, briefwisseling 1990, brief van Veys over CEDRI en FERL(13 . 03 . 90) / KBR, BD 30 259, nr. 542

[257] Amsab – ISG, doos 231, Subsidiëring – MCF, evaluatierapport van apl (1987-1988) /doos 229, briefwisseling 1990, brief van Veys over CEDRI en FERL(13 . 03 . 90) / KBR, BD 30 259, nr. 542.

[258] Amsab – ISG, doos 231, Subsidiëring – MCF, Foldertje van Libération Films en apl (1987)

[259] Voor meer uitgebreide informatie hieromtrent, zie: Amsab – ISG, doos 231, Subsidiëring – MCF, Persbericht Etats Généraux du mouvement associatif / alternatif (1987) / verslag van het forum "communication et médias alternatifs" (17 . 10 . 87) / Pour des états généraux des alternatifs (1986) / Préparons la rentrée (s.d.) / KBR, BD 30 259, nr. 543. / Zie ook het infoblaadje dat EGA uitgaf: Amsab – ISG, doos 231, Subsidiëring – MCF, feuille de liaison mensuelle du collectif pour la tenue des états généraux du mouvement associatif/alternatif (n° 8 november 1987) - (nr. 9 dec 1987).

[260] Amsab - ISG, ‘apl zelf’, Europa tegen de stroom in (09 / 89)

[261] Amsab – ISG, doos 232, TCT, evaluatierapport van apl (1981 – 1982) (13 . 08 . 82)

[262] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003 / Amsab – ISG, doos 231, Subsidiëring – MCF, evaluatierapport van apl (1986 - 1987)

[263] Amsab – ISG, doos 232, TCT, evaluatierapport van apl (1981 – 1982) (13 . 08 . 82) / KBR, BD 30 259, nr. 542. / Zie ook briefwisseling Veys, 1986 – 1990. (ondermeer): Amsab – ISG, doos 229, briefwisseling apl, brief van Veys aan Dominique Raucy (1990), brief van Veys aan les Cahiers du GRIF (21 . 01 . 90) en brief van apl aan Socialisme International (03 . 10 . 87)

[264] Zie ook bijlage 3: Identiteitskaart van het apl – tijdschrift.

[265] ULB, MEM. T05321 M / KBR, BD 30 259, nr. 300.

[266] De Belgische pers krijgt regelmatig alternatieve informatie, …, p.6 / Gryspeerdt (Axel), Les nouveaux courants de la presse francophone en Belgique après mai 1968, p. 1, p. 14. 

[267] Eigen beheer, Brief van Monique Quintart en Pascal Delaunois, 05 . 04. 2004

[268] Amsab – ISG, doos 130, briefwisseling apl, uitnodiging van OAB (Organisation Anarchiste de Bruxelles) (s.d.). Uit deze teruggestuurde brief blijkt dat OAB gevestigd was op de eerste verdieping van Rue Jardin des Olives 14. / Voor meer concrete gegevens in verband met de drukker(s) van apl, zie lager : Praktische werking persagentschap annex tijdschrift, Redactie, productie, distributie; en bijlage 3, Identiteitskaart van het apl – tijdschrift.

[269] Gryspeerdt (Axel), Les nouveaux courants de la presse francophone en Belgique après mai 1968, p. 1 en p. 13. / Canards en chaîne, Répertoire unique et incomplet d’ une presse «alternative» plus ou moins sporadique, …, p.24. / Amsab – ISG, S/2004/036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[270] KBR, BD 30 259, nr. 312 bis.

[271] KBR, BD 30 259, nr. 256.

[272] KBR, BD 30 259, nrs. 264 – 265. De publicatie van statuten in het Belgisch Staatsblad kostte in die tijd 3000 BEF. Apl kon dit bedrag niet alleen ophoesten.

[273] Amsab – ISG, doos 194, aanvraagformulier van CST [centre de documentation] (vermoedelijk 1978)

[274] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003 / doos 194, aanvraagformulier TCT [extension de l’apl – b et mise au service de tout groupe , collectivité ou individu de la communauté francophone] (vermoedelijk 1982)               

[275] Amsab – ISG, doos 194, aanvraagformulier CST [mise en fonctionnement et ouverture au public d’un centre de documentation] (vermoedelijk 1979)            

[276] Gezien de zeer onvolledige staat van de boekhouding van apl, heb ik geen gebruik gemaakt van dit bronnentype.

[277] Het principe van collectif autogéré is ruimer dan pure financiële onafhankelijkheid. Zie lager: Praktische werking persagentschap annex tijdschrift, Werkverdeling.

[278] Hoeveel dit budget exact inhield, is moeilijk in te schatten. De resterende boekhoudkundige stukken zijn te onvolledig om een duidelijke financiële staat op te maken. Volledigere cijfers worden daarentegen wel gegeven in de subsidiedossiers. Echter, de perfecte balans tussen uitgaven en inkomsten die in deze bronnen naar voor komt, staat in schril contrast met de vele berichten over de financieel moeilijke situatie in andere bronnen. Zie ook verder.

[279] Het tijdschrift werd ook op andere manieren aan de man gebracht. Zie lager: Praktische werking persagentschap annex tijdschrift, Redactie, productie, distributie.

[280] Amsab – ISG, doos 228, briefwisseling apl, brief van apl aan Claude Chalençon (20 11 81)

[281] KBR, BD 30 259, nr. 13.

[282] De Belgische pers krijgt regelmatig alternatieve informatie, …, p.6

[283] ULB, MEM. T05321 M. / Amsab – ISG, doos 227, briefwisseling apl, brief aan Danielle, Annette en Colette (20 . 11 . 73) / KBR, BD 30 259, nr. 122.

[284] Zie ook bijlage 3: Identiteitskaart van het apl – tijdschrift

[285] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003

[286] KBR, BD 30 259, nr. 13.

[287] Amsab – ISG, doos 228, briefwisseling apl, brief van apl aan Infor-Jeunes La Louviere (1979)

[288] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003; doos 29, krantenartikel La Gauche, Sur tous les fronts, Agence de Presse Libération, On vous mène en bateau (24 . 08 . 77); 228, briefwisseling apl,  brief aan een filmmaker (16 . 03 . 76) / ULB, MEM. T05321 M /

[289] Canards en chaîne, Répertoire unique et incomplet d’ une presse «alternative» plus ou moins sporadique, …, p.22. / Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003; doos 194, buitengewone subsidiëring - MCF, brief van apl aan MCF (21 . 02 . 80); doos 227, briefwisseling apl, brief van UCL (24 . 02 . 75). In deze brief vroeg de UCL de bindmachine of assembleuse terug die het apl sinds 1972 in leen had gegeven, indien apl zijn activiteiten stopzetten.

[290] KBR, BD 30 259, nr. 388

[291] Amsab – ISG, doos 194, subsidiëring – MCF, brief van apl MCF, aanvraag tot erkenning als organisation d’éducation permanente des adultes en tant que service en catégorie générale, (vermoedelijk begin 1980); doos 229, briefwisseling apl, brief van Veys aan les Cahiers du GRIF (21 . 01 . 90) / KBR, BD 30 259, grève à l’apl ( 26. 04. 1978)

[292] KBR, BD 30 259, nr. 493.

[293] Amsab – ISG, doos 229, briefwisseling apl, brief van Veys aan Ondes FMR 96,9 (20 . 11 . 89)

[294] KBR, BD 30 259, nr. 273  en «grève à l’apl»( 26. 04. 1978) / Amsab – ISG, doos 231, subsidiëring – MCF, subsidieaanvraag 1988 (activiteitenperiode 01 . 07 . 1986 – 30 . 06 . 1987); doos 232, subidiering MCF, TCT, evaluatierapport van apl (1981 – 1982) (13 . 08 . 82)

[295] KBR, BD 30 259, nr. 254. 

[296] KBR, BD 30 259, nr. 300 en«grève à l’apl» ( 26. 04. 1978) 

[297] KBR, BD 30 259, nr. 254 en «grève à l’apl» ( 26. 04. 1978)

[298] KBR, BD 30 259, nr. 300

[299] Zie hoger: Juridische omkadering, alsook KBR, BD 30 259, nrs. 264 en 265.

[300] Amsab – ISG, doos 194, aanvraagformulier CST [mise en fonctionnement et ouverture au public d’un centre de documentation] (vermoedelijk 1979)            

[301] KBR, BD 30 259, nrs. 300, 358  en 395

[302] KBR, BD 30 259, apl, nr. 189 e.v.

[303] Zie bijvoorbeeld : KBR, BD 30 259, nr. 132 e.v., nr. 159 e.v., nr. 189 e.v., nr. 254, nr. 273, nr. 414 en nr. 517 / Amsab – ISG, doos 194, Redactie 1980 (uittreksel van een interview gepubliceerd in La Gauche, 30 . 11. 77)

[304] KBR, BD 30 259, nr. 122

[305] KBR, BD 30 259, nr. 358 e.v. De campagne werd herhaald in het nummer 379.

[306] Amsab – ISG, doos 227, briefwisseling apl, brief van apl, Apl revit (23 . 04 . 75) / KBR, BD 30 259, apl, nrs. 254, 379 en 447

[307] KBR, BD 30 259, nr. 414, “apl, un choix décisif, le vôtre”.

[308] KBR, BD 30 259, respectievelijk de nrs. 220, 254 en 395. In het nummer 220 begon apl zich, geconfronteerd met de prijsstijging van het papier en de kostprijs van het leven, af te vragen of het de publicatie van het tijdschrift nog voor de prijs van 300 fr voor drie maanden (500 fr voor journalisten) kon bolwerken. In het nummer 254 werd hierop de verhoging van de tarieven aangekondigd. Drie jaar later verhoogde apl in het nummer 395 zijn tarieven gezien apl de publicatie van het tijdschrift materieel gezien anders niet meer kon waarmaken.

[309] Amsab – ISG, doos 194, buitengewone subsidiëring MCF, brief van apl aan MCF (21 . 02 . 80); doos 228, briefwisseling apl, brief aan Association Etud. Franc Louvain (11 . 03 . 79) / KBR, BD 30 259, nr. 493

[310] KBR, BD 30 259, nrs. 414,. 417, 454, “apl un choix décisif, le vôtre”, 477, 517 en 545 / In het nummer 454 werd aangekondigd dat de limiet nu op een 20 – tal pagina’s per nummer lag. 20 pagina’s was nog net financieel haalbaar, meer niet. Nos moyens financiers ne  nous permettant pas de dépasser les 20 pages, dernière limite.

[311] Amsab – ISG, doos 232, subsidiëring – MCF, evaluatierapport van apl (1981 – 1982) (13 . 08 . 82).  / KBR, BD 30 259, nr. 424. In het nummer 424 stond bijvoorbeeld te lezen : Pour répondre aux nombreuses critiques au sujet de nos trop petits caractères, nous avons décidé de réduire moins nos textes. .

[312] Amsab – ISG, doos 232, subsidiëring – MCF, brief van apl MCF, aanvraag tot erkenning als organisation d’éducation permanente des adultes en tant que service en catégorie générale, (vermoedelijk begin 1980)

[313] KBR, BD 30 259, nrs. 396 en 399.

[314] KBR, BD 30 259, nr. 500. In 1981 kreeg apl maandelijks zo’n 3000 BEF via permanente stortingen, maar apl vond dit onvoldoende. Zie ook : Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[315] Amsab – ISG, doos 194, buitengewone subsidiëring MCF, brief van apl aan MCF (21 . 02 . 80); doos 232, subsidiëring – MCF,  brief van apl aan Jean-Pierre Hubert (La Louvière), (14 . 02 . 83) /  KBR, BD 30 259, nr. 436.

[316] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[317] De mode d’emploi à l’information werd vermoedelijk opgesteld in 1983. De cycle de formation à l’usage des médias vond plaats van maart tot en met april 1984. Amsab – ISG, doos 194, subsidiëring – MCF, brief van apl aan MCF [mode d’emploi de l’information] (s.d.), brief van apl aan MCF [mode d’emploi de l’information] (22 .12 . 82); brief van apl aan MCF [projet de cycle de formation à l’usage des médias] (23. 01. 84) / Zie ook hoger: Activiteiten.

[318] Meer concreet betrof het de projecten ‘mise en fonctionnement d’un centre de documentation socio – culturel’ in 1979 en het ‘programme de sensibilisation au traitement et à la diffusion de l’information’ in 1980 en 1981. Amsab – ISG, doos 194, CST – TCT, aanvraagformulier CST [mise en fonctionnement et ouverture au public d’un centre de documentation] (vermoedelijk 1979), contract van CST (Alain Timmermans) (1979), aanvraagformulier van CST [centre de documentation] (vermoedelijk 1978), brief van het onem, (11 . 03 . 81), brief van het onem, (10 . 04 . 81), contract van CST (Beumier Jean-christophe) (22 . 04. 81),

[319] Amsab – ISG, doos 194, CST – TCT, aanvraagformulier TCT [extension de l’apl – b et mise au service de tout groupe , collectivité ou individu de la communauté francophone] (vermoedelijk 1982), aanvraagformulier CST, [boutique de communication] (14 . 09 .82), brief van  ministère de l’ emploi et du travail (14 . 12 . 82)            

[320] Amsab – ISG,doos 129, krantenknipsels, La Libre Belgique, CST (03 . 11 . 81), La Libre Belgique, CST (04 . 11 . 81); doos 194contract van CST (Alain Timmermans) (1979); doos 231, petit guide du cadre spécial temporaire (MCF, s.d) / Zie ook deel 3: Algemene sociale, politieke en economische context, The silveren seventies and eighties.

[321] Amsab – ISG, doos 231, Subsidiëring – MCF, brief van MCF (13 . 04 . 1983); doos 232, Subsidiëring – MCF, Service générale d` éducation permanente, brief van MCF ( 13 . 08 . 83) / Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003

[322] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003

[323] Amsab – ISG, doos 228, brief van apl aan Bulletin d’Info Bolivie(22 . 01 . .86), brief aan Drapeau Rouge (21 . 11 . 85); doos 229, briefwisseling apl, brief van apl aan P. Bourge (02 12 87) / Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003

[324] Amsab – ISG, doos 194, subsidiëring – MCF, brief van apl aan MCF (21 . 02 . 80).        

[325] Amsab – ISG, doos 229, briefwisseling apl, brief aan student (06 . 11  89)

[326] KBR, BD 30 259, nr. 533 / Amsab – ISG, doos 229, briefwisseling apl, brief aan student (06 . 11  89)

[327] KBR, BD 30 259, nr. 396

[328] KBR, BD 30 259, nrs. 197  en 198

[329] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003; Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003 / Amsab – ISG, doos 129, krantenknipsels, S.n., over apl (s.d., Rue de l’Inquisition)

[330] Zie lager: Praktische werking persagentschap annex tijdschrift.

[331] Zie deel 3: Apl, situering in de samenleving, Nieuwe sociale bewegingen, Kenmerken.

[332] KBR, BD 30 259, nr. 1, p.3 / On en parlera demain, …, p. 11 / Zie ook hoger: Doelstellingen.

[333] KBR, BD 30 259, nr. 270

[334] KBR, BD 30 259, nr. 300 / ULB, MEM. T05321 M

[335] Hetzelfde lot was trouwens ook La Cause du Peuple beschoren. Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[336] Eigen beheer, Brief van Monique Quintart en Pascal Delaunois, 05 . 04. 2004. /  Vragenlijst over apl, ingevuld door Sophie Louveaux (februari 2004)

[337] KBR, BD 30 259, nr. 275.

[338] Bijlage 3 : Identiteitskaart van het apl – tijdschrift.

[339] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[340] Uitzondering hierop vormt de periode 1979 tot en met 1981 waarin apl een aantal BTK’s in dienst had. Zie hoger: Algemene werking, Financiën, en lager: Werkverdeling.

Amsab – ISG, doos 228, briefwisseling apl, brief van apl aan Drapeau Rouge (04 . 09 . 84);  doos 229, briefwisseling apl, brief van Veys aan Ondes FMR 96,9 (20 . 11 . 89), brief van apl aan P. Bourge (02 12 87); doos 232, subsidiëring – MCF,  brief van apl MCF, aanvraag tot erkenning als organisation d’éducation permanente des adultes en tant que service en catégorie générale, (vermoedelijk begin 1980) / ULB, MEM. T05321 M. / Connaissez – vous l’apl?, …, s.p.

[341] Zie briefwisseling apl 1984 tot en met 1990. Amsab – ISG, doos 228 – 229.

[342] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[343] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003

[344] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[345] Amsab – ISG, doos 194, aanvraagformulier CST [mise en fonctionnement et ouverture au public d’un centre de documentation] (vermoedelijk 1979); doos 228, briefwisseling apl, stageverslag door Christophe Beumier (1981), brief van Institut Superieur de Formation Sociale, Brussel (1980), brief van Institut Superieur de Formation Sociale (01 . 07 . 76); doos 232, CST, evaluatierapport van apl (1981 – 1982) (13 . 08 . 82) / Alle stagaires liepen school in het Institut Supérieur de formation Sociale, 1030 Brussel.

[346] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003.

Een echte overzichtslijst van apl – medewerkers heeft nooit bestaan en het is zo goed als onmogelijk om de namen te achterhalen van al wie ooit op de één of andere manier een helpende hand heeft toegestoken in apl; laat staan dat dit mogelijk is voor de harde kern van apl. De enigen die echt bij naam genoemd werden, waren de verantwoordelijke uitgevers. Elders figureerde enkel ‘le collectif de l’apl’. [Zie lager, Praktische werking persagentschap annex tijdschrift, Werkverdeling].

In administratieve documenten, zoals subsidieaanvragen en briefwisseling, alsook in het werkschrift van apl en de documenten betreffende de rechtzaak tegen La Dernière Heure durfde hier en daar al eens een naam opduiken. Deze informatie is echter te onvolledig om een overzichtelijke lijst van medewerkers te kunnen opstellen. Dit heb ik dan ook bewust niet gedaan. Voor een inkijkje, zie ondermeer: Amsab – ISG, doos 129, Werkschrift apl (11 / 1979 – 05 / 1979); Affaire Brébart, apl contre la Dernière Heure (1977 - 78); doos 194, Werkschrift (1979-1982) en subsidieaanvragen; dozen 227, 228 en 229, briefwisseling apl; dozen 231 en 232, subsidieaanvragen

[347] 1972 : 3 à 4 personen / 1973 : 8 personen / 1974 : 10 personen / 1976 : 12 personen / 1978 : 8 personen / 1980 : 10 personen / 1981 : 5 personen (?)  / 1983 : 10 personen

KBR, BD 30 259, nrs. 13, 56, 300, 312 bis, 396, 493. / Amsab – ISG, doos 129, krantenknipsels, S.n., over apl (s.d., Rue de l’Inquisition); doos 228, briefwisseling apl, brief van Phillipe Dutry (21 . 01 . 83); doos 232, brief van apl MCF, aanvraag tot erkenning als organisation d’éducation permanente des adultes en tant que service en catégorie générale, (vermoedelijk begin 1980) / ULB, MEM. T05321 M.

[348] Ik heb geen doorgedreven sociologisch onderzoek gevoerd om het profiel van de apl – medewerkers te achterhalen. Een aantal bronnen gaven evenwel een mooi inzicht in de persoonseigenschappen van de harde kern van apl, te weten : ULB, MEM. T05321 M / Eigen beheer, Vragenlijst over apl, ingevuld door Sophie Louveaux (februari 2004), Brief van Monique Quintart en Pascal Delaunois (04. 05. 2004)

[349] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[350] Zo waren occasionele medewerkers in de jaren 1987, 1988 vooral mensen uit het milieu van de vrije radio’s en EGA; twee domeinen waarin apl in die periode ook actief was. Amsab – ISG, doos 231, subsidiëring – MCF, evaluatierapport van apl (1987-1988)

[351] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003.

[352] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003; doos 129, briefwisseling apl, brief apl proefnummers (s.d., Jardin des Olives) / Canards en chaîne, Répertoire unique et incomplet d’ une presse «alternative» plus ou moins sporadique, …, p.22. / Connaissez – vous l’apl?…, s.p. / doos 232, sbusidëring MCF, brief van apl MCF, aanvraag tot erkenning als organisation d’éducation permanente des adultes en tant que service en catégorie générale, (vermoedelijk begin 1980)

[353] De term collectif autogéré kwam reeds ter sprake in financiële hoek met betrekking tot de financiële onafhankelijkheid van apl. De klemtoon lag toen eerder op autogéré, terwijl die hier eerder op collectif ligt. Zie hoger: Algemene werking, Financiën.

[354] KBR, BD 30 259, “26.04.78, grève à l’apl” / Canards en chaîne, Répertoire unique et incomplet d’ une presse «alternative» plus ou moins sporadique, …, p.22.

[355] Zie tussenblad voor deel 4, p.70

Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003 / KBR, BD 30 259, nrs. 13, 275 en 358.

[356] KBR, BD 30 259, nr. 357.

[357] Getuige bijvoorbeeld een blik op de briefwisseling van apl, alsook de artikels in het tijdschrift. Respectievelijk Amsab – ISG, doos 227 – 228 – 229 en KBR, BD 30 259.

[358] Uitzondering hierop vormt de periode 1982 tot en met 1987, goed voor zo’n 15 – tal nummers,  waarin geen verantwoordelijke uitgever vermeld stond op het tijdschrift. Zie bijlage 3: Identiteitskaart van het apl – tijdschrift.

[359] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[360] KBR, BD 30 259, nrs. 300 en 312 bis. / Eigen beheer, Vragenlijst over apl, ingevuld door Sophie Louveaux (februari 2004); Brief van Monique Quintart en Pascal Delaunois (04. 05. 2004)

[361] KBR, BD 30 259, nrs. 274, 312 bis, 314, 359, “apl, un choix décisif, le vôtre”.

[362] KBR, BD 30 259, nrs. 358, “apl, un choix décisif, le vôtre”. / Zie ook hoger: Ontstaansgeschiedenis en Vestiging.

[363] KBR, BD 30 259, nrs. 314, 426, 466, 470, 533. / Amsab – ISG, doos 232, subsidiëring MCF, brief van apl MCF, aanvraag tot erkenning als organisation d’éducation permanente des adultes en tant que service en catégorie générale, (vermoedelijk begin 1980)

[364] KBR, BD 30 259, nrs. 56, 312, 339 en 359, 383, "apl, un choix décisif, le vôtre".

[365] Bijvoorbeeld enquêtes bij : KBR, BD 30 259 “26.04.78, grève à l’apl”, nrs. 312 bis, 466 en 493. / Amsab – ISG, doos 227, brief van apl aan de lezers, appel aux lecteurs et journalistes (1973)

[366] Zie bijvoorbeeld KBR, BD 30 259, nr. 468. “Er is een kleine vergadering geweest met de lezers en weinigen stuurden de enquête (nr. 466) terug.”

[367] KBR, BD 30 259, respectievelijk nrs. 426 en 533.

[368] KBR, BD 30 259, nrs. 3, 27, 300, 358 en 517 / Eigen beheer, Vragenlijst over apl, ingevuld door Sophie Louveaux (februari 2004)

[369] KBR, BD 30 259, nr. 312 bis. 

[370] Amsab – ISG, doos 129, Werkschrift apl (11 / 1979 – 05 / 1979); doos 194, Werkschrift (1979-1982) / KBR, BD 30 259, nr. 312 bis.

[371] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[372] KBR, BD 30 259, nrs. 300, 312 bis.

[373] Connaissez – vous l’apl?, …, s.p.

[374] Zie naast de verder aangehaalde citaten, de oproepen in volgende nummers : KBR, BD 30 259, nrs. 56, 235, 312 bis, 318 of nog de oproep bij de uitnodiging tot hernieuwing van het abonnement : Amsab – ISG, doos 129, briefwisseling apl, brief ter hernieuwing van het abonnement (s.d., Rue de l’Inquisition)

[375] Respectievelijk KBR, BD 30 259, “26. 04. 1976, grève à l’apl”, nr. 383 en nr. 123.

[376] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[377] KBR, BD 30 259, nr. 493.

[378] KBR, BD 30 259, nrs. 318, 365, 384, 469, 475 en 493.

[379] KBR, BD 30 259, nr. 365.

[380] KBR, BD 30 259, “ apl, un choix décisif, le vôtre”.

[381] KBR, BD 30 259, nrs. 13, 56 en 245bis. In het nummer 13 kondigde apl aan : “Zonder twijfel zal apl vanaf januari 1973 een dagblad zijn”.

[382] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003; doos 194, brief van apl aan MCF (21 . 02 . 80) / KBR, BD 30 259, nrs. 436 en 499 / Meer concreet betrof het de projecten ‘mise en fonctionnement d’un centre de documentation socio – culturel’ in 1979 en het ‘programme de sensibilisation au traitement et à la diffusion de l’information’ in 1980. Amsab – ISG, doos 194, CST – TCT, aanvraagformulier CST [mise en fonctionnement et ouverture au public d’un centre de documentation] (vermoedelijk 1979), contract van CST (Alain Timmermans) (1979), aanvraagformulier van CST [centre de documentation] (vermoedelijk 1978), brief van het onem, (11 . 03 . 81), brief van het onem, (10 . 04 . 81), contract van CST (Beumier Jean-christophe) (22 . 04. 81), aanvraagformulier TCT [extension de l’apl – b et mise au service de tout groupe , collectivité ou individu de la communauté francophone] (vermoedelijk 1982), aanvraagformulier CST, [boutique de communication] (14 . 09 .82), brief van  ministère de l’ emploi et du travail (14 . 12 . 82)      

Zie ook hoger: Algemene werking, Financiën.

[383] Eigen beheer, Vragenlijst over apl, ingevuld door Sophie Louveaux (februari 2004)

[384] Amsab – ISG, doos 228, briefwisseling apl, stageverslag door Christophe Beumier (1981)

[385] Getuige het feit dat apl ook na 1982, de periode waarin de laatste BTK’s vermoedelijk ‘in dienst’ waren, oproepen lanceerde in het tijdschrift om meer werkkrachten en zelfs een nieuwe subsidieaanvraag indiende met het oog op de aanwerving van personeel, in het kader van FBI, Fonds Budgettaire Interdépartemental. Zie respectievelijk KBR, BD 30 259, nrs. 533 en 545 / Amsab – ISG, doos 194, Aanvraag van FBI (1987 – 1989)

[386] Deel 5 : Apl, informatie in woord en beeld, weerhouden informatie.

[387] KBR, BD 30 259, nr. 366. L’information n’es pas affaire de professionels. Elle est un moyen de lutte très important que personne ne peut négliger. / Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[388] KBR, BD 30 259, nr. 379.

[389] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003 / KBR, BD 30 259, nr. 13.

[390] Dat apl aanvankelijk per post allerhande informatie aanvroeg, blijkt duidelijk uit de briefwissling. Amsab – ISG, doos 227.

[391] Concreet gebeurde het bijvoorbeeld dat apl op pad trok samen met journalisten van de alternatieve tijdschriften Pour, Notre Temps en Hebdo. De jounalisten van de traditionele pers, zoals Le Soir en La Cité kon apl niet overtuigen mee te gaan. Wel lichtte apl hen in waar en hoe ze een andere vorm van informatie konden aantreffen. Amsab – ISG, , S / 2004 / 036,Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[392] Getuige bijvoorbeeld een blik op de briefwisseling van apl. Zo bleef apl tot in de laatste werkjaren allerlei informatie per post aanvragen. Zie Amsab – ISG, dozen 227, 228, 229. Zie ook zeer specifiek volgende brieven: Amsab – ISG, doos 228, briefwisseling apl, brief van Phillipe Dutry (21 . 01 . 83), brief van apl aan Communauté de la Verte Vie (14 . 04 . 80)

[393] KBR, BD 30 259, nr. 379 / Amsab – ISG, doos 129, briefwisseling apl, brief apl proefnummers (s.d., Jardin des Olives)

[394] KBR, BD 30 259, nr. 235 / Canards en chaîne, Répertoire unique et incomplet d’ une presse «alternative» plus ou moins sporadique, …, p.22.

[395] KBR, BD 30 259, nrs. 245 en 359

[396] Amsab – ISG, doos 129, brief apl proefnummers (s.d., Jardin des Olives)

[397] Zie ondermeer : KBR, BD 30 259, nrs. 312 bis, 314, 318, 355, 359 en 366. Het citaat komt uit het nummer 318. De klemtoon op a en vous is authentiek.

[398] KBR, BD 30 259, nrs. 300, 312 bis, 384, 410, 417, “apl, un choix décisif, le votre”, 545, 493, 496 / Conaissez – vous l’apl?, …, s.p. / Amsab – ISG, doos 29, krantenartikel La Gauche, L`a.p.l. nous mène en bateau (06 . 07 . 77); doos 129, briefwisseling apl, brief apl proefnummers (s.d., Jardin des Olives); doos 194, aanvraagformulier CST [mise en fonctionnement et ouverture au public d’un centre de documentation] (vermoedelijk 1979) / doos 232, brief van apl MCF, aanvraag tot erkenning als organisation d’éducation permanente des adultes en tant que service en catégorie générale, (vermoedelijk begin 1980)

[399] Zie hoger: Medewerkers.

[400] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003

[401] In de briefwisseling van apl zijn een aantal artikels terug te vinden toegestuurd door lezers. [Zie voornamelijk : Amsab – ISG, dozen 227, 228 en 229]. Sporadisch werden deze artikels geannoteerd door apl. Boven een artikel dat onder de rubriek ‘national’ hoorde, werd bijvoorbeeld in dikke letters ‘national’ geschreven. Echter, vermoedelijk zijn veel toegestuurde artikels niet bijgehouden. Het aantal toegestuurde artikels in de briefwisseling is immers zeer laag, zeker in vergelijking met wat andere bronnen, zoals de editorialen in het apl – tijdschrift of nog, een blik op de artikels zelf, doen vermoeden.

[402] Voor de oproepen van apl tot de lezers, zie ondermeer KBR, BD 30 259, nrs. 132, 229, 275, 360, 384, 400, 402, “apl un choix décisif, le vôtre” en 424, alsook Amsab – ISG, doos 129, briefwisseling apl,  brief ter hernieuwing van het abonnement (s.d., Rue de l’Inquisition). / Het initiatief om gedurende verschillende weken de herkomst van de artikels weer te geven, alsook een lijst van onderwerpen waarover apl nog niet veel informatie had ontvangen, werd gelanceerd in het nummer 366. KBR, BD 30 259, nr. 366.

[403] Respectievelijk KBR, BD 30 259, nrs. 384, 410 en 417 / 424 / 454.

[404] KBR, BD 30 259, nrs. 384, 400, 402, “apl un choix décisif, le vôtre”.

[405] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003 / nr. 400. / Canards en chaîne, Répertoire unique et incomplet d’ une presse «alternative» plus ou moins sporadique, …, p.22.: Le tout est brillamment illustré au moyen de photos et de dessins, originaux si possible, piqués à droite et à gauche dans les autres cas.

[406] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003; doos 29, krantenartikel La Gauche, L`a.p.l. nous mène en bateau (06 . 07 . 77) / dozen 227, 228 en 229, briefwisseling apl.

[407] Bijvoorbeeld Amsab – ISG, doos 162, dossier Ligue Révolutionnaire des Travailleurs (1976 – 1977)

[408] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003; doos 194, briefwisseling met R; CST – TCT, brief van apl aan MCF (13 . 11 . 85); dozen 227, 228 en 229, briefwisseling apl.              

[409] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003

[410] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003

[411] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[412] Getuige een blik op de briefwisseling van apl. Amsab – ISG, dozen 227, 228 en 229.

[413] Zie bijvoorbeeld: KBR, BD 30 259, nrs. 275 en 314.

Ik heb geen onderzoek gedaan naar de geografische oorsprong van de berichten in het apl – tijdschrift. Een aandachtige blik op het tijdschrift doet evenwel vermoeden dat het gros van de berichten afkomstig was uit Brussel en omgeving.

[414] Deel 5 : Apl, Informatie in woord en beeld, Verbale weergave van de informatie, visuele weergave van de informatie

[415] Zie hoger: Medewerkers en Werkverdeling.

[416] Zie hoger: Informatieverzameling.

[417] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[418] Zie hoger: Medewerkers en Werkverdeling.

[419] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

Zie ook hoger: Medewerkers en Werkverdeling.

[420] Amsab – ISG, doos 231, subsidiëring MCF, evaluatierapport van apl (1986 - 1987)       

[421] Deze paragraaf is opgesteld op basis van het doornemen van het apl - tijdschrift. [KBR, BD 30 259]

Zie ook bijlage 3: Identiteitskaart van het apl – tijdschrift.

[422] KBR, BD 30 259, nr. 300.

[423] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003; doos 29, kennismakingsbrief apl (s.d., Rue de l’Inquisition)

[424] Connaissez – vous l’apl?,…, s.p.

[425] Zie bijlage 3: Identiteitskaart van het apl – tijdschrift. / Wat de nieuwe formules betreft, werden deze bijvoorbeeld aangekondigde in KBR, BD 30 259, nrs. 477, 505, 533 en 542.

[426] Zie ook briefwisseling apl, Amsab – ISG, dozen 227, 228 en 229. 

[427] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003

[428] Bijvoorbeeld: KBR, BD 30 259, nrs. 339. 355, 358, “26.04.78, grève à l’apl”, 406, “apl, un choix décisif, le vôtre” en 500.

[429] Vakantie: KBR, BD 30 259, nrs. 263, 314, 398, 468 en 505. / Verhuis : KBR, BD 30 259, nrs. 56, 254, 369 en 436; Amsab – ISG, doos 228, briefwisseling apl, brief aan Centre de Rencontre (24 . 09 . 80) / De benaming on-arrête-tout-on-réflichit-et-c’est-pas-triste komt uit KBR, BD 30 259, nr. 406.

[430] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003 / Zie bijlage 3: Identiteitskaart van het apl – tijdschrift.

[431] KBR, BD 30 259, nrs. 300, 312 bis en 358. De fouten zijn soms zeer flagrant. Zo sprong de letter t in de nummers 370 en 371 bijvoorbeeld een heel tijdschrift door boven de andere letters uit, of schreef apl in “apl, un choix décisif, le vôtre”, een oproep om apl te redden, volgende zin vol fouten :  Parler en autour de vous, contatez nous, venez à la réunion, (…).

[432] KBR, BD 30 259, nr. 300 en 312 bis. / Nobre-Correia, L’information selon les agences de presse, …, p.7.

[433] Een geschreefd lettertype is een lettertype waarbij de letters gedragen worden door horizontale lijntjes onder- en / of bovenaan de letters. Vergelijk de geschreefde letters r, f, n, m met de niet - geschreefde letters r, f, n, m.

[434] KBR, BD 30 259, nrs. 387, “apl, un choix décisif, le vôtre" / Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[435] Deze droom is nooit werkelijkheid geworden.

[436] Amsab – ISG, doos 232, brief van apl MCF, aanvraag tot erkenning als organisation d’éducation permanente des adultes en tant que service en catégorie générale, (vermoedelijk begin 1980)

[437] Pierre Carret lag later aan de basis van de CCC, Cellulles Communistes Combatentes / Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003.

Zie ook bijlage 3: Identiteitskaart van het apl – tijdschrift.

[438] Vermoedelijk deed apl na asbl 22 mars beroep op meer dan één drukker. Dit liet alvast het interview met Monique Quintart en Pascal Delaunois uitschijnen [Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003]. Welke de mogelijke andere drukkers waren, is niet duidelijk.

[439] KBR, BD 30 259, nr. 533 / Amsab – ISG, doos 228, briefwisseling apl, brief van apl aan lezers (04 . 07  . 83)

[440] Zie bijvoorbeeld: KBR, BD 30 259, nrs. 553, 554, 555. 566, 568.

[441] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003 / KBR, BD 30 259, nr. 300

[442] Amsab – ISG, doos 129, briefwisseling apl, brief apl proefnummers (s.d., Jardin des Olives)

[443] Zie bijvoorbeeld KBR, BD 30 259, nr. 387. In dit nummer riep apl op tot meer abonnementen om de sprong naar offset te kunnen wagen. Apl voegde er evenwel aan toe dat offset of stencil niet de basisvraag was, doch de informatie zelf.

[444] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003 / Voor een concrete oproep naar de lezers toe betreffende het aantal illustraties in het tijdschrift, zie : KBR, BD 30 259, nr. 432.

[445] Amsab – ISG, doos 29,  krantenartikel La Gauche, L`a.p.l. nous mène en bateau (06 . 07 . 77) / Gedurende het eerste werkjaar werd het apl – tijdschrift ter kennismaking gratis opgestuurd naar de pers en verschillende verenigingen en organisaties. Zie hoger: Algemene werking, Financiën.

[446] Primair doelpubliek van apl was immers de pers. Zie hoger: Algemene werking, activiteiten en Praktische werking, Informatieverzameling en redactie / Zie ook bijlage 3: Identiteitskaart van het apl – tijdschrift. KBR, BD 30 259

[447] Hoewel een persagentschap, heeft apl nooit informatie per telex verstuurd. Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[448] Dit heeft wat weg van de verdeelronde van apl – France die zijn tijdschrift na publicatie per bromfiets ronddroeg aan de Parijse pers. / Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[449] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003; doos 232, brief van apl MCF, aanvraag tot erkenning als organisation d’éducation permanente des adultes en tant que service en catégorie générale, (vermoedelijk begin 1980): “Eind juni 1979 zijn er in Wallonië 531 abonnementen; 65 in Brabant, 76 in Henegouwen, 39 in Namen, 62 in Luik, 13 inLuxemburg en 276 in Brussel. Daarnaast zijn er ook abonnees in Vlaanderen en in het buitenland”.

[450] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003 / KBR, BD 30 259, nrs. 300, 358, 359, 360 en 379  / Voorbeelden van boekhandels waar het apl – tijdschrift verkocht werd, zijn wat Brussel betreft : “Joli Mai” Chaussée d’Ixelles 331; “La Force de Lire”, Rue Malibran 53; “L ‘ Oeil Sauvage”, Chaussée d’Ixelles 221; “Chat Ecarlate”, Rue de La Croix 39, “Romarin”, Rue St – Alphonse 57; “Tigre”, Rue Josphat 188; “Inforjeunes, Rue du Musée 14.

[451] Amsab – ISG, doos 228, briefwisseling apl, brief van apl aan Boutique Informations Paralleles (14 . 09 . 76)

[452] Zie bijlage 3: Identiteitskaart van het apl – tijdschrift.

[453] Een wettelijke verplichting om de oplagecijfers te publiceren bestond niet en daarnaast bemoeilijkt de aard van het apl – tijdschrift de aanwezigheid van zo’n data. Zie in dit verband respectievelijk : Ringlet (Gabriel), Radioscopie de l’information locale en Wallonie et à Bruxelles, …, p. 2. en Dietsch (jean-Claude), Aujourd’hui une autre presse?, …, pp. 378.

[454] Amsab – ISG, doos 231, subsidiëring – MCF, evaluatierapport van apl (1986 - 1987)    

[455] KBR, BD 30 259, nr. 477. / Amsab – ISG, MAD /  543 22, affaire Contraste Soir / doos 129, briefwisseling apl,  kennismakingsbrief apl (s.d., Rue de l’Inquisition); doos 194, buitengewone subsidiëring – MCF, brief van apl aan MCF [mode d’emploi de l’information] (s.d.), brief van apl aan MCF [mode d’emploi de l’information] (22 .12 . 82) / KBR, BD 30 259, nrs. 379, 477, 493.

[456] Of apl in al deze documenten daadwerkelijk werd opgenomen is niet duidelijk. Wel werd aan apl gevraagd om concrete gegevens over zichzelf op te sturen met het oog op de vermelding van apl in deze documenten. Slechts in enkele gevallen is het zeker dat apl dit ook effectief gedaan heeft. Amsab – ISG, doos 228, brief van Répertoire pratique des périodiques belges (1980); doos 229, brief van apl aan CPGA (1989), brief aan Nathalie Harchies, CPGA (26 . 01 . 87), brief van Jeunes CDC (1987); doos 231,  brief van MCF (13 . 04 . 1983)

[457] Bijvoorbeeld : KBR, BD 30 259, nr. nr. 132 e.v., nr. 159 e.v., nr. 189 e.v., nr. 254, nr. 273, nr. 414 en nr. 517 / Amsab – ISG, doos 194, Redactie 1980 (uittreksel van een interview gepubliceerd in La Gauche, 30 . 11. 77) / Zie ook hoger: Algemene werking, Financiën

[458] Bijvoorbeeld : KBR, BD 30 259, nrs. 122, 358 en 379 / Zie ook hoger: Algemene werking, Financiën

[459] Amsab – ISG, dozen 227, 228, 229 : briefwisseling apl

[460] Canards en chaîne, Répertoire unique et incomplet d’ une presse «alternative» plus ou moins sporadique, …, p.22. / Amsab – ISG, doos 228, briefwisseling apl, brief aan een filmmaker (16 . 03 . 76)

[461] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003 / Canards en chaîne, Répertoire unique et incomplet d’ une presse «alternative» plus ou moins sporadique, …, p.22. / Gryspeerd (Axel), Les nouveaux courants de la presse francophone en Belgique après mai 1968, …,  pp. 14.

[462] Abonnementslijsten heb ik niet teruggevonden in het archief van apl. Wat het profiel van de abonnees betreft, beperk ik me dan ook tot een schets van de geïntendeerde lezer van apl, de lezer die apl wou bereiken. Indicaties hierbij zijn de doelstellingen van apl alsook de verschillende oproepen van apl tot de lezers. Het weze duidelijk dat de geïntendeerde lezer en de feitelijke lezer in werkelijkheid niet volledig samenvielen, doch grotendeels.   

[463] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003 / KBR, BD 30 259, nrs. 1, 13, 56, 275, 383 en 501 . // KBR, BD 30 259, nrs. 1, 300, 475 / On en parlera demain, …, p. 11 / Amsab – ISG, doos 232, Service générale d’ éducation permanente - MCF, brief van apl MCF, aanvraag tot erkenning als organisation d’éducation permanente des adultes en tant que service en catégorie générale, (vermoedelijk begin 1980) / Zie ook: Doelstellingen.

[464] Zie apl tijdschrift : KBR, BD 30 259

[465] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[466] ULB, MEM. T05321 M / Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[467] Respectievelijk : Amsab – ISG, doos 29, krantenartikel Pourqoui Pas, L’intoxication gauchiste (14 . 07 . 77); doos 129, La Libre Belgique, le commissaire fou (16 . 01 . 78); doos 228, brief van Belga (19 . 12 . 77)

[468] Amsab – ISG, doos 129, Affaire Brébart, apl contre la Dernière Heure (1977 - 78)

[469] ULB, MEM. T05321 M

[470] KBR, BD 30 259, nr. 300. / Amsab – ISG, doos 232, brief van apl MCF, aanvraag tot erkenning als organisation d’éducation permanente des adultes en tant que service en catégorie générale, (vermoedelijk begin 1980).

[471] Bijvoorbeeld: Amsab – ISG, doos 129, Le Soir, L’ étudiant Belge Francis Laveaux sur le point d’être libéré (31 05 / 01 06 73): "L’ Agence de Presse «Libération» annonce que l’étudiant Belge …" / Zie ook:  ULB, MEM. T05321 M / Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003 / Amsab – ISG, doos 129, briefwisseling apl, kennismakingsbrief apl (s.d., Rue de l’Inquisition)

[472] Van Rompaey, L’amant et l’aval: Belga et l’ AMP, …, p. 9 / De Belgische pers krijgt regelmatig alternatieve informatie, …, p.6 / Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[473] Amsab – ISG, doos 29, krantenartikel La Gauche, L`a.p.l. nous mène en bateau (06 . 07 . 77), brief Chers ex-abonnés d’hebdo (s.d.)[In deze brief meldde Hebdo te verdwijnen. Hebdo verwees zijn lezers door naar apl]; doos 129, Analyse teruggestuurde enquêtes door apl (27 . 02 . 81), S.n., over apl (s.d., Rue de l’Inquisition), La Revue Nouvelle (11 / 82)

[474] ULB, MEM. T05321 M

[475] Bijvoorbeeld : Amsab – ISG, doos 227, brief van een lezer (25 . 03 . 76)

[476] Bijvoorbeeld: Amsab – ISG, doos 228, brief van een lezer i.v.m. bepaald artikel (28 . 03 . 78), brief van Association d`Aavocats (12 . 08 . 77)

[477] Danis (Th.), Information et pouvoir, Bruxelles, Vie Ouvrière, 1977, 230p. 

[478] Amsab – ISG, doos 129, Aanslag op apl (s.d.),  La gauche, aanval op apl, (14 . 12 . 77)

[479] Tenzij anders aangegeven is dit hoofdstuk gebaseerd op volgende bronnen : Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, doos 229, briefwisseling apl, brief van Veys aan Dominique Raucy (1990), brief van Veys aan les Cahiers du GRIF (21 . 01 . 90), brief van Veys aan Ondes FMR 96,9 (20 . 11 . 89), brief aan student (06 . 11  89), brief van Veys aan Dépeches de Wallonie (10 . 06 . 87); doos 231, subsidiëring – MCF, evaluatierapport van apl (1986 - 1987), evaluatierapport van apl (1987-1988)

[480] Veys omschreef de laatste periode van apl, de periode waarin hij verantwoordelijke uitgever was, op deze manier. Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, 13 november 2003, Schaerbeek.

[481] Zie bijlage 3: Identiteitskaart van het apl – tijdschrift.

[482] Er sloop een fout in de nummering van het apl – tijdschrift. Na het nummer 555 droeg het volgende nummer het getal 566. Nummer 567 is terloops niet terug te vinden.

[483] Het documentatiecentrum van apl bestond reeds vroeger, maar werd nu de hoofdactiviteit, en dit ten koste van het tijdschrift. Zie hoger: Algemene werking, Activiteiten.

[484] Bijvoorbeeld : Amsab – ISG, doos 229, briefwisseling apl, brief van Veys aan Carine Hacquart (1988). Carine Hacquaert had apl verzocht informatie te verzamelen over het onderwerp Tribunal Pauvreté des Femmes.

[485] Respectievelijk: KBR, BD 30 259, nrs. 549 en 550 / 552 / 553.

[486] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[487] Niet alle apl – medewerkers waren er voorstander van de erkenning als service d’ éducation permanente over te dragen aan Les Kaputes, laat staan aan gelijk welke organisatie. Gezien de erkenning van apl als service général d’ organisation permanente waren nogal wat organisaties kandidaat om de erkenning over te nemen, al dan niet via een voorafgaande alliantie. Belangrijkste kandidaat was Libération Films.

[488] Meer concreet zette Les Kaputtes acties op touw tegen de bouw van grote stadscomplexen en tegen de leegstand van woningen.

[489] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[490] KBR, BD 30 259

[491] KBR, BD 30 259, nrs. 1, 300 en 475 / On en parlera demain, …, p. 11 / Amsab – ISG,Amsab – ISG, doos 194, statuut apl; doos 232, Service générale d’ éducation permanente - MCF, brief van apl MCF, aanvraag tot erkenning als organisation d’éducation permanente des adultes en tant que service en catégorie générale, (vermoedelijk begin 1980). / Zie ook deel 4 : Doelstellingen.

[492] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003; doos 194, aanvraagformulier van CST [centre de documentation] (vermoedelijk 1978), aanvraagformulier CST, [boutique de communication] (14 . 09 .82), aanvraagformulier TCT [extension de l’apl – b et mise au service de tout groupe , collectivité ou individu de la communauté francophone] (vermoedelijk 1982).       

[493] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[494] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[495] ULB, MEM. T05321 M / Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003; doos 29, krantenartikel La Gauche, L`a.p.l. nous mène en bateau (06 . 07 . 77); doos 129, briefwisseling apl, brief apl proefnummers (s.d., Jardin des Olives)Connaissez – vous l’apl?,…, s.p. / Canards enchaînés, Répertoire unique et incomplet d’ une presse «alternative» plus ou moins sporadique, …, p. 22

[496] Amsab – ISG, doos 228, briefwisseling apl,  brief van apl naar Article 31 (20 . 11 . 86)

[497] Deneckere (Gita), Historische kritiek van woord en beeld in de massamedia, …, pp. 23 - 24. / La Revue Générale  de 1840 à 1940. Essai d’analyse du contenu, …, s.p.

[498] La Revue Générale  de 1840 à 1940. Essai d’analyse du contenu, …, p. 15

[499] Voor overzicht en / of omschrijving van de rubrieken in het apl – tijdschrift, zie deel 4: Praktische werking persagentschap annex tijdschrift, Redactie, productie, distributie en bijlage 3 : Identiteitskaart van het apl – tijdschrift.

[500] Hellemans (Staf) en Hooghe (Marc), Van ‘Mei 68‘ tot ‘Hand in Hand’. Nieuwe sociale bewegingen in België, 1965-1995, Leuven, Garant, 1995, 173p.

[501] Duyvendak (J.W.), Tussen verbeelding en macht. 25 jaar Nieuwe Sociale Bewegingen in Nederland, …, pp. 254 – 256

[502] Bijlage 4 : Actievormenschema van Duyvendak

[503] Drs. Christophe Verbrugge raadde me in een gesprek dd. 15. 12. 2003 aan te opteren voor een steekproef aan de hand van sleutelmomenten.

[504] Overzicht weerhouden tijdschriftnummers steekproef

[505] Het leek me overbodig de cijferreeksen in Excell op te nemen in dit onderzoek.

[506] Lindblad, Statistiek voor historici, …, pp. 34 – 44.

[507] Bijlage 6 : Grafieken: Apl, weerhouden informatie

[508] Zie deel 4 : Apl, een concrete casus, Praktische werking persagentschap annex tijdschrift, besluit.

[509] Zie deel 4 : Apl, een concrete casus, Einde

[510] Zie deel 4 : Apl, een concrete casus, Praktische werking persagentschap annex tijdschrift, Redactie, productie, distributie.

[511] KBR, BD 30 259, nr. 358 / Zie ook bijlage 3 : Identiteitskaart van het apl tijdschrift.

[512] Zoals hoger gemotiveerd heb ik er om praktische redenen voor de overige cijferreeksen voor gekozen enkel het aantal artikels als meet – eenheid te hanteren. In het achterhoofd moet evenwel steeds gehouden worden dat cijfergegevens uitgedrukt in aantal artikels slechts een deel van de waarheid laten zien.

[513] Zie hoger en zie deel 4 : Apl, een concrete casus, Einde.

[514] Bijvoorbeeld : KBR, BD 30 259, nrs. 25 ev. (manifestaties tegen minister van defensie Vanden Bossche), 280 ev. (oprichting van werklozencomités) en 541 ev. (berichten van de CCC).

[515] Zie deel 4 : Apl, een concrete casus, Activiteiten.

[516] Zie deel 4 : Apl, situering in de samenleving

[517] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[518] Zie ondermeer KBR, BD 30 259, nrs. 277 (Spécial Espagne), 320 (Le syndicalisme en Espagne, le débat sur l’unité est ouvert, interviews) en 332 (Mouvements populaires dans l’état espagnole)

[519] De gehanteerde steekproef had in eerste instantie tot doel het aantal tijdschriftnummers als basis voor de inhoudsanalytische methode te beperken. Het zou mooi geweest zijn mocht uit de analyse een verband gebleken zijn tussen de wissels in aard van informatie en de vooropgestelde sleutelmomenten als demarcatiepunten voor de steekproef. Achterhalen of deze sleutelmomenten nu effectief een impact hadden op de aard van informatie die centraal stond in apl, was evenwel niet het hoofddoel van de inhoudsanalyse. Ik heb dan ook niet verder onderzocht of er vooralsnog een verband tussen beide bestaat. 

[520] KBR, BD 30 259, nrs. 1, 300, 475 / On en parlera demain, …, p. 11 / Amsab – ISG, doos 232, Service générale d’ éducation permanente - MCF, brief van apl MCF, aanvraag tot erkenning als organisation d’éducation permanente des adultes en tant que service en catégorie générale, (vermoedelijk begin 1980) / Zie ook deel 4 : Doelstellingen.

[521] KBR, BD 30 259,  nr. 358. / Canards enchaînés, Répertoire unique et incomplet d’ une presse «alternative» plus ou moins sporadique, …, p. 22.

[522] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[523] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[524] De Belgische pers krijgt regelmatig alternatieve informatie, …, p.6

[525] Zie hoger : Weerhouden informatie.

[526] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[527] Deneckere (Gita), Historische kritiek van woord en beeld in de massamedia, …, pp. 27 – 28.

[528]  De disclaimer – strategie is de ogenschijnlijke ontkenning van een negatieve houding, gevolgd door een negatieve uitspraak; de cijferdans is het benadrukken van de harde feitelijkheid door het goochelen met cijfers; de streng-maar-rechvaardigstrategie is een quasi negatieve zelftypering gekoppeld aan een positieve zelftypering.

[529] Blommaert (Jan), Methodologische suggesties voor taalonderzoek in de studie van mentaliteiten, kanttekeningen, in : Tijdschrift voor Sociale wetenschappen, XXXVII, 1992, pp. 283 – 291. / Deneckere (Gita), Historische kritiek van woord en beeld in de massamedia, …, pp. 27 – 28.

[530] Zie hoger : Weerhouden informatie

[531] Bijvoorbeeld: KBR, BD 30 259, nrs. 53 (manifestation des éturiants devant l’ ambassade d’Israel), 120 (manifestation de solidarité avec le peuple Chilien), nr. 233 (Conférence de presse avec Isabelle Allende), nr. 255 (conférence de presse par Sinn Fein).

[532] Bijvoorbeelden van de wie-wat-waar-wanneer-waarom-en-hoe-stijl: KBR, BD 30 259, nrs. 2, 57, 231, 398, 468.

[533] KBR, BD 30 259, nrs. 260 (les proces actuels en Espagne, état de la situation) en nr. 287 (réactions à propos de la venue du ministre espagnol des affaires étrangères).

[534] Voorbeeld tussenwerpsels: KBR, BD 30 259, nrs. 120 (solidariteitsmanifestatie met het chileense volk: En bref, …), nr. 222 (“Strijd tegen de voortzetting van het regime van Franco zonder Franco”: En effet,...) en nr. 254 ( “Antifascistische manifestatie bij een Chileense stand op een commerciële markt te Brussel”: Cependant /  Toutefois). / Voorbeeld geladen woorden : KBR, BD 30 259, nr. 3 (“Massasucces voor de meeting van Vietnam”) en nr. 286 (Boycot Outspan et semaine anti – apartheid : Cette image absurde …).

[535] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[536] De rubriek Arthur et Zoé verscheen voor het eerst in het tijdschriftnummer 344. Zie ook bijage 3 : Identiteitskaart van het apl tijdschrift.

[537] Om slecht een heel beperkt aantal voorbeelden te geven : KBR, BD 30 259, nrs. 2 ( “Meeting Vietnam” : ils mette / grouvrnements), 218 (“communiqué oprichting van comité solidarité Burundi” : coir in plaats van voir) en 232 (par cet actem / memmoire)

[538] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003 / KBR, BD 30 259, nr. 300 en 312 bis.

[539] Bijvoorbeeld : KBR, BD 30 259 nrs. 233 (“persconferentie door Isabelle Allende” / “steunmeeting voor Chili en solidariteitsdag voor het Chileense volk) en 259 (“manifestatie voor de politieke gevangenen in Spanje). / Ook de titels werden levendiger van stijl. Bijvoorbeeld : KBR, BD 30 259, nr. 479 (Quel sera le vote de la Belgique à l ‘ ONU sur le Cambodge et quelle importance cela a –t’il pour le peuple cambodien?)

[540] Zie deel 4 : Apl, een concrete casus, Praktische werking persagentschap annex tijdschrift, Redactie, productie en distributie.

[541] Respectievelijke voorbeelden : KBR, BD 30 259, nr. 3 (“massasucces voor de meeting Vietnam : niet verklaarde afkorting GRP-FNL) / nr. 262 (pour un projet de développement en Bolivie : wie houdt forumes en waarover?) nr. 397 (publication d’ un dossier ‘kowelzi’ 1978 par le comité Zaïre : opgave van (1) na de eerste zin van een citaat, zonder verder gevolg aan deze verwijzing) / 256 (Meeting de l’émigration espagnole en Europe à Forest National : …, …, …, en etc.)

[542] Bijvoorbeeld:  KBR, BD 30 259, nrs. 260 (les proces actuels en Espagne, état de la situation),

[543] Bijvoorbeeld: KBR, BD 30 259, nr. 262 (memorandum secret de la chancellerie de junte chilienne: Publicatiedatum van het tijdschriftnummer is 07.07.1975, het memorandum werd reeds in mei 1975 gepubliceerd in een artikel in de Mexicaanse krant Excelsior dat als bron diende voor het apl – artikel en voor apl vertaald werd door CEAL)

[544] Bijvoorbeeld: KBR, BD 30 259, 232 (Campagne contre internement à Irlande), nr. 262 (“oprichting comité belge liberté Haïti : in puntjesstijl en bepaalde elementen zijn onderlijnd) en 287 (réactions à propos de la venue du ministère espagnol des affaires étrangères: streepjesstijl).

[545] Bijvoorbeeld : KBR, BD 30 259, nr. 234 (“belangrijke steunmanifestatie Chili”: On remarquait…), 255 (“persconferentie van twee Vietnamese politieke raadgevers bij de missie van de revolutionaire voorlopige regering in Parijs : Les orateurs ont expliqué que …) en 288 (conférence de presse et meeting de M. Camacho : Dans cette salle (…), on pouvait compter entre 1500 et 2000 personnes)

[546] Bijvoorbeeld: nr. 2 ("brief naar Europese top") en 235 (“meeting van christelijk Chileens rechts in de universiteit van Leuven).

[547] Bijvoorbeeld : KBR, BD 30 259, nr. 234 ("steunmanifestatie Chili": Le collectif de l’apl présent sur place), 256 (meeting de l’émigration espagnole en Europe à Forest National : vermelding van corr. apl – b) en 395 (manifestation silecieuse pour protester contre les disparitions d’opposants politiques au Chili: Rédigé par un membre de l’apl qui s’est rendu sur place et tapé par un autre).

[548] Voorbeeld van een rechzetting : KBR, BD 30 259, nr. 57 (rectification) / Voor de kritiek van de lezers, zie briefwisseling apl : Amsab – ISG, dozen 227, 228 en 229.

[549] Bijvoorbeeld: KBR, BD 30 259, nr. 3 (interview).

[550] Bijvoorbeeld nr. 233 (verschillende artikels met betrekking op Chili: “persconferentie met Isabelle Allende”, “steumeeting voor Chili en solidariteitsdag voor het Chileense volk”, “oproep tot nationale manifestatie voor Chili”, “brief van een Chileense”).

[551] Bijvoorbeeld : KBR, BD 30 259, nr. 218 (“communiqué oprichting van comité solidarité Burundi” : (…)).

[552] Bijvoorbeeld : KBR, BD 30 259, nr. 57 (“communiqué omtrent Palestina”: enkel aanhalingstekens aan het begin van de communiqué en niet op het einde).

[553] Bijvoorbeeld:  KBR, BD 30 259, nrs. 25 (action internationale Espagne),

[554] De rubriek communiqué verscheen al van rond het nummer 60 in het apl – tijdschrift. Pas rond het nummer 200 plaatste apl hier ook effectief veel artikels onder. Zie ook bijlage 3 : Identiteitskaart van het apl – tijdschrift en bijlage 6 : Apl, weerhouden informatie, reeks 1.

[555] Bijvoorbeeld : KBR, BD 30 259, nr. 220 (sur le Sahara / communiqué des comités de défense des prisonniers politiques uruguayens: de communiqués stonden op dezelfde pagina)

[556] Bijvoorbeeld : KBR, BD 30 259, nr. 395 (communiqué du groupe de l’action socio – culturel italien : onder de rubriek ‘communiqué’ / communiqué du comité tchecoslovaquie – 10 ans : niet onder de rubriek ‘communiqué’)

[557] Respectievelijke voorbeelden: nr. 233 ( “brief van een Chileense”: Nous reproduisons ci- dessous …), 396 (communiqué du comité de défense des prisonniers politiques en république fédérale allemande : Nous avons reçu le texte du communiqué suivant de … / 400 (communiqué d’oxfam : schuin afgedrukt) /

[558] Amsab – ISG, doos 227, briefwisseling apl, brief van apl (15 . 10 . 75)

[559] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[560] Hoewel schematisch voorgesteld, vat dit citaat mooi de achterliggende kerngedachte van apl samen. / Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003

[561] Zo verontschuldigde apl zich bijvoorbeeld voor het feit dat in het nummer 367 een bepaald concert was aangekruist. Dit was niet op initiatief van apl, zo luidde het, doch van de drukker. KBR, BD 30 259, nr. 368.

[562] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, 13. 11. 2003, Interview met Pascal Delaunois en Monique Quintart, Ukkel, 06. 12. 2003

[563] Bijvoorbeeld : KBR, BD 30 259, nr. 56 (Apl informeert te zijn verhuisd naar Brussel en wat de weerslag hiervan is op de werking van het persagentschap annex tijdschrift), 254 (Apl legt uit een tijd niet te zijn verschenen en nu opnieuw van start te gaan)  en 286 (Apl laat de lezers weten dat er een huiszoeking is geweest bij apl).

[564] Bijvoorbeeld: KBR, BD 30 259, nrs. 123 (!!!! Notre objectif: 1000 abonnes!!!)  en 240 (abonnez-vous, cela nous aidera!, cela nous aidera!)

[565] Bijvoorbeeld: KBR, BD 30 259, nrs. 122 ("Sans subventions, sans fonds occultes, il va de la vie a de l’apl …"), 355 (A babord toûûûûûût!), 432 (Mais, l’apl est ressuscite. …, Vous n’y echapperez pas, vous ne vous en tirerez pas avec un chrysentheme a l’oeil. Il va falloir renouveller votre abonnement) en 542 (C’est le printemps, on reprend).

[566] De laagdrempeligheid komt ook sterk naar voor in volgende uitpraak: KBR, BD 30 259, nr. 397 (Salut, nous aurri on a besoin de vacances)

[567] Bijvoorbeeld: KBR, BD 30 259 (“Apl start zonder schulden, maar ook zonder geld") en 477 ("Pour ne rien vous cacher, ces initiatives devraient surtout nous aider a redresser une situation peu brillante a l’heure actuelle".)

[568] Bijvoorbeeld: KBR, BD 30 259, nrs. 56, 254 en 339. / Zie ook deel 4 : Apl, een concrete casus, praktische werking persagentschap annex tijdschrift, werkverdeling.

[569] Bijvoorbeeld: KBR, BD 30 259, nr. 468 (Il va sans dire que votre soutien, financier ou autre, nous donner un coup de main, par exemple, reste toujours aussi attendu. Faute de quoi, le bulletin tout entier risque de se transformer en «produit blanc», ce qui, strictement à l’inverse du magasin à grande surface au nom précité, signifie pour nous: baisse de qualité, hausse du pris et inévitablement, chute de la clientèle. Avec comme intolérable perspective a long terme: plus de produit du tout… Non? Hélas, si!)

[570] Bijvoorbeeld: KBR, BD 30 259, nrs. 339 (Non, le but de cette interruption n’est pas de vous annoncer la mort prochaine de l’apl, bien qu contraire. ), 397 (Réassurez-vous tout de suite, nous ne profitons pas de cette période courte de…  pour nous faire bronzer les doigt de pieds, pour,… mais pour déménager,…), 425 (Mais non, on ne va pas encore se plaindre, au contraire, c’est très, très gai.)

[571] Bijvoorbeeld: KBR, BD 30 259, nrs. 56 (Nous voulons lancer un appel a tous ceux qui jugent que l’apl est un instrument important pour servir les luttes populaires et diffuser une information démocratique afin qu’ils se fassent  connaître et viennent dans la mesure de leurs moyens renforcer l’équipe actuelle), 254 (Si vous pensez que nous répondons à un besoin, ainsi que nous le croyons et … ainsi que vous nous le dites! alors, aidez-nous!.), 358 (Nous attendons de chacun de vous une collaboration concrète: sous forme de critique, d’avis, d’information, d’une partie de votre temps, de nouveaux abonnes. Nous vous l’avons déjà dit: c’est l’existence même de l’apl qui dépend de vous (pas d’autres).)

[572] Bijvoorbeeld: KBR, BD 30 259, nr. 541 (Diverses formes de collaboration au sein de l’apl sont disponibles. Quelle que soit l’option choisie, chacun pourra s’ y insérer selon le créneau qui est le sien et le temps qu’il désire y consacrer ) en nr. 568 (Nos abonnes trouveront dans ce numéro 547).

[573] KBR, BD 30 259, nr. 425.

[574] De illustraties op de tussenbladzijden in deze verhandeling zijn een greep uit de afbeeldingen in het apl – tijdschrift. Het betreft een proevertje en geeft zeker geen totaalbeeld van de illustraties in het apl – tijdschrift. Zo heb ik bijvoorbeeld geen foto’s weergegeven.

[575] Zie ook bijlage 3: Identiteitskaart van het apl – tijdschrift.

[576] Kress (G.), Reading images. The grammar of visuel design, …, p. 17.

[577] Deneckere (Gita), Historische kritiek van woord en beeld in de massamedia, …, pp. 63 / Prevenier (Walter),  Howell (Matha) en Boone (Marc), Uit goede bron. Introductie tot de historische kritiek, …, p. 137.

[578] Gervereau (Laurent), Voir, comprendre, analyser les images, Editions la Découverte, Paris, 2000, s.p.

[579] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003

[580] Zie hoger, en zie bijlage 5 : Overzicht weerhouden tijdschriftnummers steekproef.

[581] De piek van deze psychose werd bereikt tegen het jaar 1980.

[582] Bijvoorbeeld: KBR, BD 30 259, nr. 474.

[583] Bijvoorbeeld : KBR, BD 30 259, nr. 527.

[584] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003

[585] Bijvoorbeeld: Amsab – ISG, doos 228, briefwisseling apl, brief van Pascal Habegger (02 . 03 . 79). (Habegger liet weten dat zijn tekening niet vrij reproduceerbaar was en vroeg een vergoeding alsook een vermelding van zijn naam in het tijdschrift). / KBR, BD 30 259, nr. 418 (On nous prie d’insérer: Le dessin en couverture du numéro 416 n’est pas en reproduction libre)..

[586] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003 / KBR, BD 30 259, nr. 414 ( Met de hand werd bij een artikel geschreven Ceci est une illustration gratuite).

[587] Ik heb geen kwantitatieve analyse uitgevoerd wat het beeldmateriaal betreft. Volgende uitspraken zijn gebaseerd op een aandachtige lezing van de visuele informatie in het apl – tijdschrift.

[588] Bijvoorbeeld: KBR, BD 30 259, nr. 402 (logo radio Antenne)

[589] Bijvoorbeeld: KBR, BD 30 259, nr. 400 (prent van een soldaat bij het artikel ‘l’armée, ça tue’).

[590] Zie tussenblad voor deel 5, p. 135. 

[591] Respectievelijk: KBR, BD 30 259, nrs. 402 en 425.

[592] Bijvoorbeeld: KBR, BD 30 259, nrs. 402 (prentje met links van een rechter een gevangene en rechts ervan een crimineel 4 miljoen achter de hand. Op de vraag wie naar de gevangenis gaat denkt de rijke crimineel Pas moi), zonder nummer (vaak herhaald prentje van een twee zakenlui die vanop een balkon naar een betogende menigte kijken met als slogans ‘emploi’, ‘chomage’ en hierop reageren met: Il faudra une bonne guerre!)

[593] Respectievelijk: KBR, BD 30 259, nrs. 358, 393 en 402.

[594] Respectievelijk: KBR, BD 30 259, nrs. 451 en 452.

[595] KBR, BD 30 259, nr. 466.

[596] KBR, BD 30 259, nr. 13 , «apl, un choix décisif, le vôtre»

[597] KBR, BD 30 259 , nr. 541

[598] Zie bijvoorbeeld : KBR, BD 30 259, nrs. 161, 189 en 190

[599] Om volledig te zijn moet ik eraan toevoegen dat deze verschijning in offset een eenmalig proevertje was en de druk in offset pas definitief van start ging met het nummer 400. Toch straalt dit het enorm dynamische uit dat apl aan de dag kon leggen.

[600] KBR, BD 30 259, nr. 168

[601] Canards en chaîne, Répertoire unique et incomplet d’ une presse «alternative» plus ou moins sporadique, …, p.22.

[602] Voor een correct begrip: de titel van mijn verhandeling is geen  -expliciete- slogan van apl. Ik heb ervoor gekozen in mijn titel de kerngedachte van apl samen te vatten en dit alluderend op de vele oproepen die apl in zijn tijdschrift lanceerde naar de lezers toe opdat de informatie in apl niet enkel een informatie voor, maar ook door het volk zou zijn.

[603] Amsab – ISG, S / 2004 / 036, Interview met Michel Veys, Schaarbeek, 13. 11. 2003

[604] Schenking dubbele exemplaren door Monique Quintart en Pascal Delaunois

[605] Voor motivatie: zie inleiding.

[606] Doos 129 ressorteert  momenteel onder de tijdelijke noemer ‘apl zelf’.

[607] Deze fiche van technische gegevens van apl heb ik opgesteld op basis van de informatie op de voorpagina van elk tijdschriftnummer, aangevuld met gegevens uit andere bronnen, de editorialen en subsidiedossiers als voornaamste.

[608] Ik  heb de adressen van de lokale vestigingen van apl niet opgenomen in deze bijlage. Zie hiervoor ondermeer Canards enchaînés, Répertoire unique et incomplet d’ une presse «alternative» plus ou moins sporadique, …, p.24.

[609] Duyvendak (J.W.), Tussen verbeelding en macht. 25 jaar Nieuwe Sociale Bewegingen in Nederland, …, pp. 254 – 256 / Ik interpreteer dit actievormenschema ruimer dan Duyvendak en betrek het ook op het protest van de arbeidersbewegingen. Wat tussen [ ] staat kwam niet voor in het apl – tijdschrift; wat cursief gedrukt staat heb ikzelf toegevoegd aan het schema.